20.5.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 172/41
Beroep ingesteld op 25 maart 2019 —3V Sigma/ECHA
(Zaak T-176/19)
(2019/C 172/55)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: 3V Sigma (Milaan, Italië)(vertegenwoordigers: C. Bryant en S. Hainsworth, solicitors, en C.Krampitz, advocaat)
Verwerende partij: Europees Agentschap voorchemische stoffen
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren;
—
de beslissing van de kamer van beroep van verweerder van 15 januari 2019 betreffende de beoordeling vande stof bis(2-ethylhexyl) 4,4’-{6[4-tert-[4-tert-butylcarbamoyl] anilino]-1,3,5-triazine-2,4-diyldiimino}dibenzoaat te vernietigen, voor zover daarbij (i) hetberoep van verzoekster tegen het oorspronkelijke besluit is verworpenen (ii) is beslist dat verzoekster uiterlijk op 22 oktober 2020 informatie over de OESO TG 308-studie dientte verstrekken, en
—
verweerder te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelenaan.
1.
Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfoutdoor te oordelen dat de OESO TG 308-studie noodzakelijk is.
Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep van verweerder blijkheeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfoutheeft gemaakt door geen onderscheid te maken tussen enerzijds de voorwaardenwaaronder testen moeten worden uitgevoerd om de al dan niet aanwezigheidvan omzettings- en/of afbraakproducten van een stof vast te stellen,en anderzijds de voorwaarden waaronder de persistente, bioaccumulerendeen toxische eigenschappen of de zeer persistente en zeer bioaccumulerendeeigenschappen van dergelijke omzettings- en/of afbraakproducten moetenworden beoordeeld. Bijgevolg stelt verzoekster dat de kamer van beroepvan verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de aanverzoekster gevraagde OESO TG 308-studie noodzakelijk was.
2.
Tweede middel: de kamer van beroep van verweerder heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfoutgemaakt door te oordelen dat de genoemde testtemperatuur geschiktis.
Verzoekster stelt dat de kamer van beroep van verweerder blijkheeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfoutheeft gemaakt door tot de slotsom te komen dat de genoemde testtemperatuurvoor de OESO TG 308-studie, namelijk 20oC, geschiktwas. De kamer van beroep van verweerder heeft geen rekening gehoudenmet het feit dat de uitvoering van de studie bij een hogere temperatuureen wezenlijke invloed heeft op de concentraties van de gevormde omzettings-en/of afbraakproducten en dus op de vraag ten aanzien van welke vandie producten, in voorkomend geval, vervolgens de persistente, bioaccumulerendeen toxische eigenschappen of de zeer persistente en zeer bioaccumulerendeeigenschappen worden beoordeeld. Hierdoor is de studie helemaal nietgeschikt, aldus verzoekster.
Full & Egal Universal Law Academy