24.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 213/40
Beroep ingesteld op 4 april 2019 — BF/Commissie
(Zaak T-190/19)
(2019/C 213/42)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: BF (vertegenwoordigers: S. Gesterkamp en professor C. König)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
voor recht verklaren dat verweerster sinds 18 december 2018, de datum waarop verzoeksters tweede aanmaningsbrief elektronisch is betekend, door stilzitten is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om een aan verzoekster als klager te verzenden besluit vast te stellen waarmee het eerste onderzoek wordt afgesloten in staatssteunprocedure SA.48706 (RVV Rostocker Versorgungs- und Verkehrs-Holding GmbH und Nordwasser GmbH), namelijk ofwel een besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ofwel een besluit om deze procedure niet in te leiden;
—
verweerster verwijzen in de kosten van de procedure;
—
bij wijze van voorzorgsmaatregel en subsidiair, voor het geval dat hangende het onderhavige beroep aan verweersters stilzitten een einde komt, verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep worden de volgende middelen aangevoerd.
Om te beginnen voert verzoekster aan dat voldaan is aan de voorwaarden voor het welslagen van een beroep wegens nalaten, met name omdat de feiten het op de datum waarop de tweede aanmaningsbrief is betekend, mogelijk maakten om een besluit als bedoeld in verordening (EU) 2015/1589 (1) te nemen waarmee het eerste onderzoek wordt afgesloten.
Voorts hekelt verzoekster het feit dat verweerster in haar administratieve brief van 17 december 2018 alleen normatieve overwegingen heeft gewijd aan het bestaan van een wettelijk monopolie ten gunste van de via een inhouseprocedure aangewezen opdrachtnemer Nordwasser GmbH, waardoor kan worden uitgesloten dat er sprake is van een vervalsing van de mededinging in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, zonder dat verweerster in die brief aandacht heeft besteed aan feitelijke kwesties, zoals die welke verband houden met het criterium van begunstiging.
Bovendien betoogt verzoekster dat zij met haar klachten reeds in een vroeg stadium van de procedure heeft weerlegd dat een wettelijk monopolie in het leven is geroepen op een wijze die in overeenstemming is met het Unierecht. Hoe dan ook had verweerster haar standpunt op basis van de vaststaande feiten puur juridisch moeten uiteenzetten en dienovereenkomstig uiterlijk vanaf december 2018 op zijn minst moeten overgaan tot de vaststelling van een appellabel besluit om de formele onderzoeksprocedure niet in te leiden als bedoeld in artikel 4, lid 2, van verordening (EU) 2015/1589.
(1) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).
Full & Egal Universal Law Academy