17.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 206/55
Beroep ingesteld op 5 april 2019 — BL en BM/Raad e.a.
(Zaak T-204/19)
(2019/C 206/56)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: BL en BM (vertegenwoordiger: N. de Montigny, advocaat)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Europese Dienst voor extern optreden, Eulex Kosovo
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
—
primair,
—
met betrekking tot de rechten die uit de privaatrechtelijke overeenkomst voortvloeien,
—
hun contractuele verhouding te herkwalificeren als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
—
vast te stellen dat verweerders hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen, met name de verplichting tot inachtneming van een geldige opzegtermijn voor de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd;
—
bijgevolg, verweerders te veroordelen om verzoekers een opzeggingsvergoeding te betalen, berekend op basis van hun respectieve dienstanciënniteit, te weten:
—
voor BL: een bedrag van 48 424,65 EUR;
—
voor BM: een bedrag van 31 552,75 EUR;
—
voor recht te verklaren dat verzoekers’ ontslag onregelmatig is en verweerders bijgevolg te veroordelen tot betaling van een vergoeding, ex aequo et bono begroot op:
—
75 000 EUR voor de schade van BM;
—
90 000 EUR voor de schade van BL;
—
vast te stellen dat verweerders de krachtens de wet bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vereiste sociale documenten niet hebben opgesteld en
—
hen te veroordelen om verzoekers een dwangsom te betalen van 100,00 EUR per dag vertraging vanaf de instelling van het onderhavige beroep;
—
hun te gelasten om verzoekers de voormelde sociale documenten te doen toekomen;
—
verweerders te veroordelen om over bovengenoemde bedragen tegen de Belgische wettelijke rentevoet rente te betalen;
—
met betrekking tot de andere rechten:
—
vast te stellen dat verzoekers door een van de eerste drie verweerders in dienst hadden moeten worden genomen als tijdelijke functionarissen, en voor recht te verklaren dat de eerste drie verweerders verzoekers tijdens hun diensttijd hebben gediscrimineerd met betrekking tot hun loon, hun pensioenrechten en daarmee verband houdende voordelen, alsook met betrekking tot de zekerheid van een toekomstige betrekking, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestond;
—
de eerste drie verweerders te veroordelen tot schadeloosstelling voor het loon, het pensioen, de vergoedingen en de voordelen die verzoekers elk hebben gederfd wegens de in dit verzoekschrift genoemde schendingen van Unierecht;
—
hen te veroordelen om aan verzoekers rente over deze bedragen te betalen;
—
partijen een termijn te stellen om deze schadevergoeding te bepalen en hun te gelasten daarbij rekening te houden met de respectieve rang en salaristrap waarin verzoekers in dienst hadden moeten worden genomen, met de gemiddelde loonevolutie, met het verloop van hun loopbaan en met de uitkeringen die zij op grond van deze overeenkomsten van tijdelijke functionaris hadden moeten ontvangen, en de verkregen resultaten vervolgens te vergelijken met het loon dat verzoekers daadwerkelijk hebben ontvangen;
—
subsidiair,
—
de instellingen buitencontractueel aansprakelijk te stellen en te gelasten verzoekers ex aequo et bono te vergoeden voor de schending van hun grondrechten:
—
105 000 EUR voor BM;
—
130 000 EUR voor BL;
—
verweerders te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers met name zeven middelen aan opdat hun arbeidsovereenkomsten met de instellingen zouden worden geherkwalificeerd als arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd en teneinde vergoeding te verkrijgen voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de beslissing hun respectieve overeenkomsten niet te verlengen en van de keuze van de instellingen om op het internationaal contractueel personeel een statuut toe te passen dat volgens verzoekers niet in overeenstemming is met hun grondrechten.
1.
Eerste middel: rechtsmisbruik doordat verweerders gebruik hebben gemaakt van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, en schending door verweerders van het evenredigheidsbeginsel.
2.
Tweede middel: schending door verweerders van het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel.
3.
Derde middel: schending door verweerders van verzoekers’ recht om te worden gehoord.
4.
Vierde middel: door verweerders teweeggebrachte rechtsonzekerheid voor verzoekers en schending door verweerders van het recht op behoorlijk bestuur
5.
Vijfde middel: schending door verweerders van het beginsel dat de vertegenwoordigers van het personeel moeten worden geraadpleegd.
6.
Zesde middel: schending door verweerders van de Europese Code van goed administratief gedrag.
7.
Zevende middel: schending door verweerders van het recht op vrij verkeer van werknemers.
Bovendien voeren verzoekers aan dat er binnen de instellingen wordt gediscrimineerd tussen werknemers, met name gelet op de rechten van tijdelijke functionarissen, zoals de niet-betaling van diverse toelagen, de bijdrage aan het pensioenfonds, de vergoeding van kosten, en mogelijk de niet-inaanmerkingneming van de anciënniteit van twintig jaar.
Full & Egal Universal Law Academy