17.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 206/91
Beroep ingesteld op 12 april 2019 — Thunus e.a./EIB
(Zaak T-247/19)
(2019/C 206/80)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Vincent Thunus (Contern, Luxemburg) en 7 andere verzoekende partijen (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Investeringsbank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, daaronder begrepen de daarin opgenomen exceptie van onwettigheid;
—
dientengevolge,
—
het in verzoekers’ salarisafrekeningen over februari 2018 vervatte besluit, waarbij de jaarlijkse aanpassing van het basissalaris voor 2018 wordt beperkt tot 0,7 %, alsmede de soortgelijke besluiten die in de latere salarisafrekeningen zijn opgenomen, nietig te verklaren;
—
derhalve, de verwerende partij te veroordelen tot
—
betaling van een vergoeding voor de materiële schade, namelijk (i) het salarissaldo overeenkomende met de toepassing van de jaarlijkse aanpassing voor 2018, dat wil zeggen een verhoging van 1,4 %, voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018; (ii) het salarissaldo overeenkomende met de gevolgen van de toepassing van de jaarlijkse aanpassing van 0,7 % voor 2018 op het bedrag van de salarissen die vanaf januari 2018 zullen worden betaald; (iii) vertragingsrente over de verschuldigde salarissaldo’s tot aan de volledige betaling ervan, waarbij het bedrag van de vertragingsrente moet worden berekend op basis van het tarief dat de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met drie punten;
—
eventueel, indien de overlegging daarvan niet spontaan plaatsvindt, de verwerende partij in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten de volgende documenten over te leggen:
—
het besluit van de raad van bestuur van de EIB van 18 juli 2017 (CA/505/17);
—
het besluit van het directiecomité van 30 januari 2018 (MC-021-ADM-15-2018)
—
de nota van de directie Personeelszaken van 25 januari 2018 (CS/PERS-QMS/ACB/2018-0011);
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoekers met betrekking tot het besluit van de raad van bestuur van 18 juli 2017 twee en met betrekking tot het besluit van het directiecomité van 30 januari 2018 drie middelen aan.
Met betrekking tot het besluit van de raad van bestuur van 18 juli 2017:
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van het beginsel van rechtszekerheid.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen en van verworven rechten.
Met betrekking tot het besluit van het directiecomité van 30 januari 2018:
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van de procedurele waarborgen van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van het recht van raadpleging van het College.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding, vorderen verzoekers betaling van het sinds 1 januari 2018 verschuldigde verschil in bezoldiging van 1,4 % (daaronder begrepen het gevolg van deze verhoging voor de financiële voordelen), vermeerderd met vertragingsrente.
Full & Egal Universal Law Academy