15.7.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 238/22
Beroep ingesteld op 2 mei 2019 — Duitsland/ACER
(Zaak T-283/19)
(2019/C 238/27)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: J. Möller en S. Eisenberg alsook M. Elspas, R. Bierwagen en G. Brucker, advocaten)
Verwerende partij: Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators
Conclusies
1.
Artikel 5, leden 8 en 9, van bijlage I en artikel 5, leden 8 en 9, van bijlage II bij besluit nr. 02/2019 van verweerder van 21 februari 2019 nietig verklaren;
2.
Artikel 10, lid 4, tweede zinsdeel, lid 5 en artikel 16, lid 2, tweede volzin, en lid 3, onder d-vii), van bijlage I alsook artikel 17, lid 3, onder d-vii) van bijlage II bij besluit nr. 02/2019 van verweerder van 21 februari 2019 nietig verklaren;
3.
Subsidiair, indien het Gerecht van oordeel is dat de overeenkomstig cijfer 1 nietig te verklaren voorschriften van bijlagen I en II onlosmakelijk verbonden zijn met de overige voorschriften in óf het desbetreffende artikel van deze bijlagen óf de desbetreffende bijlage als geheel óf het hele besluit nr. 02/2019 van verweerder van 21 februari 2019, de desbetreffende artikelen of bijlagen dan wel het hele besluit nietig verklaren;
4.
Subsidiair, indien het Gerecht van oordeel is dat de overeenkomstig cijfer 2 nietig te verklaren voorschriften van bijlagen I en II onlosmakelijk verbonden zijn met de overige voorschriften in óf het desbetreffende artikel van deze bijlagen óf de desbetreffende bijlage als geheel óf het hele besluit nr. 02/2019 van verweerder van 21 februari 2019, de desbetreffende artikelen of bijlagen dan wel het hele besluit nietig verklaren; en
5.
Verweerder verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1.
Schending van de artikelen 14 tot en met 16 van de binnenkort in werking tredende verordening 2019/943 betreffende de interne markt voor elektriciteit (hierna: „interne-marktverordening voor elektriciteit”) gelezen in samenhang met artikel 13, lid 2, VEU en het algemene rechtszekerheidsbeginsel.
In het kader van het eerste middel wordt aangevoerd dat verweerder met zijn in artikel 5, lid 8, onder b) en c), van bijlagen I en II van besluit nr. 02/2019 weergegeven verduidelijking van wat onder een kritisch netwerkelement wordt verstaan, de grondslag schendt van de artikelen 14 tot en met 16 van de per 1 januari 2020 toe te passen interne-marktverordening voor elektriciteit. In de artikelen 14 tot en met 16 van deze verordening is geregeld hoe rekening wordt gehouden met interne congestieproblemen van het netwerk bij de berekening van de capaciteit voor grensoverschrijdende handel. Volgens artikel 16, lid 8, van de interne-marktverordening voor elektriciteit geldt een onweerlegbaar vermoeden dat grensoverschrijdende stromen niet worden gediscrimineerd indien op interne en grensoverschrijdende netwerkelementen een minimumcapaciteit van 70 % van het desbetreffende netwerkelement aan de grensoverschrijdende handel ter beschikking wordt gesteld. Volgens artikel 16, lid 4, van de interne-marktverordening voor elektriciteit is boven de minimumcapaciteit geen redispatching nodig. Voorts is het slechts met inachtneming van de minimumcapaciteit mogelijk om een biedzone opnieuw af te bakenen. Bovendien komt de minimumcapaciteit van 70 % pas na een stapsgewijs lineair traject tot stand. De toepassing van de minimumcapaciteit van 70 % en het lineaire traject betekent dat rekening wordt gehouden met de tijd die interne netontwikkeling kost. Deze grondslag wordt door artikel 5, lid 8, onder b) en c), van bijlagen I en II bij het besluit radicaal omgegooid, aangezien de minimumcapaciteit van 70 % op interne netwerkelementen slechts mag worden toegepast wanneer de transmissiesysteembeheerder kan aantonen dat een nieuwe afbakening van de biedzone, meer redispatch of verdere ontwikkeling van het net minder efficiënt zijn. Bovendien wordt met het efficiëntiecriterium van artikel 5, lid 8, onder c), van bijlagen I en II bij het besluit toepassing van de vastgelegde minimumcapaciteit van 70 % ontweken, omdat het praktisch onmogelijk is hieraan te voldoen.
Het vroegtijdig in aanmerking nemen van corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 10, lid 4, tweede zinsdeel, lid 5, en artikel 16, lid 2, tweede volzin, lid 3, onder d-vii), van bijlage I en artikel 17, lid 3, onder d-vii), van bijlage II is in strijd met artikel 16, lid 4, van de interne-marktverordening voor elektriciteit waarin is bepaald dat marktdeelnemers de beschikking moeten krijgen over de maximale capaciteit.
2.
Schending van verordening (EG) nr. 714/2009 (1)
In het kader van het tweede middel wordt gesteld dat het besluit op ontoelaatbare wijze beperkingen oplegt aan de drie bestaande uitzonderingsgronden van cijfer 1.7 van bijlage I bij verordening (EG) nr. 714/2009 op grond waarvan rekening kan worden gehouden met de interne netwerkelementen, aangezien hierin alleen nog het efficiëntiecriterium is opgenomen en dit onjuist wordt omgezet.
3.
Schending van verordening (EU) 2015/1222 (2)
In het kader van het derde middel wordt betoogd dat het efficiëntiecriterium dat is opgenomen in artikel 5, lid 8, onder c), van bijlagen I en II bij het besluit in strijd is met de herzieningsprocedure voor biedzones in artikel 32 en volgende van verordening (EU) 2015/1222 alsook met de regeling inzake de inaanmerkingneming van netwerkelementen in de capaciteitsberekening overeenkomstig artikel 29, lid 3, onder b), van verordening (EU) 2015/1222.
4.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
In het kader van het vierde middel wordt aangevoerd dat de uitsluiting van interne netwerkelementen met betrekking tot het efficiëntiecriterium van artikel 5, lid 8, onder c), van bijlagen I en II bij het besluit het evenredigheidsbeginsel schendt, omdat deze uitsluiting een risico vormt voor de systeemveiligheid en niet het minst bezwarende middel vormt.
5.
Formele onregelmatigheden van het bestreden besluit
In het kader van het vijfde middel wordt gesteld dat het besluit in strijd is met de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, nr. 17 van 6.10.1958, blz. 385), omdat de publicatie en kennisgeving ervan slechts in het Engels hebben plaatsgevonden. Het besluit is bovendien in strijd met de motiveringplicht en het Agentschap is bij de vaststelling ervan buiten haar bevoegdheden getreden.
(1) Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1228/2003 (PB 2009, L 211, blz. 15).
(2) Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB 2015, L 197, blz. 24).
Full & Egal Universal Law Academy