24.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 213/76
Beroep ingesteld op 2 mei 2019 — SGI Studio Galli Ingegneria/Commissie
(Zaak T-285/19)
(2019/C 213/73)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: SGI Studio Galli Ingegneria Srl (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. Marini, V. Catenacci en R. Viglietta, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
vaststellen en verklaren dat verzoekster niet gehouden is om aan de Europese Commissie de bedragen te betalen waarom deze laatste heeft verzocht bij de op 22 februari 2019 ontvangen debetnota nr. 3241902288 en laatstelijk bij de op 29 april 2019 ontvangen nota — ref. Ares(2019)2858540, waarbij de Europese Commissie terugbetaling van de bijdrage en schadevergoeding vordert op grond van vermeende niet-nakoming door Studio Galli Ingegneria van de „Grant Agreement” (subsidie-overeenkomst) nr. 619120 betreffende het project „MARSOL”.
—
vaststellen en verklaren dat geen sprake is van de door de Commissie verweten contractuele tekortkomingen.
—
vaststellen en verklaren dat de vooraankondigingsbrief van 19 december 2018, het inspectieverslag van het OLAF, de debetnota van 22 februari 2019, de daaropvolgende aanmaningsbrief van 2 april 2019 en de definitieve nota van 29 april 2019 waarbij het gevorderde bedrag opnieuw is vastgesteld en de aanvullende verzoeken van SGI zijn afgewezen — ref. Ares(2019)2858540, onwettig, ongeldig en in ieder geval ongegrond zijn.
—
vaststellen en verklaren dat de vordering van de Commissie niet bestaat.
—
vaststellen en verklaren dat verzoekster recht heeft op de bijdrage die door de Commissie daadwerkelijk is verstrekt op grond van subsidie-overeenkomst nr. 619120 betreffende het project „MARSOL”.
—
subsidiair, vaststellen en verklaren dat de door de Commissie teruggevorderde som niet meer dan 100 044,99 EUR kan bedragen.
—
meer subsidiair, de Commissie wegens onrechtmatige verrijking veroordelen om aan SGI de ter uitvoering van het project MARSOL gemaakte kosten te betalen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten, van het recht op verdediging na afsluiting van het onderzoek, van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), van het recht op behoorlijk bestuur krachtens artikel 41 van het Handvest, van het recht van inzage in documenten krachtens artikel 42 van het Handvest, alsmede schending van artikel II. 22 van de subsidie-overeenkomst en artikel 134 van het Belgisch burgerlijk wetboek.
—
Verzoekster voert in dat verband aan dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het door verzoekster ingediende verzoek om schorsing van de procedure en toegang tot de stukken van het inspectiedossier van het OLAF, maar dat zij toch de debetnota heeft vastgesteld en de daaropvolgende aanmaningsbrieven heeft toegezonden, niettegenstaande het feit dat de vennootschap wegens interne problemen materieel gezien niet in staat was om te antwoorden op het eindverslag van het OLAF, wat schending van het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten en van het recht op een effectieve verdediging zowel tijdens de procedure als voor het Gerecht oplevert.
2.
Het tweede middel berust op het niet-bestaan van de verweten niet-nakoming, het niet-bestaan van de vordering van de Europese Commissie, de onwettigheid en ongegrondheid van het inspectieverslag van het OLAF en dientengevolge van de vooraankondigingsbrief en de debetnota van de Commissie, schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld tot het tegendeel is bewezen en van het in verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 vervatte billijkheidsbeginsel, alsmede op het bestaan van een fout bij de beoordeling van het bewijs en schending van artikel 1315 van het Belgisch burgerlijk wetboek.
—
Dienaangaande stelt verzoekster dat alle tekortkomingen waarop het verzoek van de Commissie tot terugvordering is gebaseerd ongegrond zijn, zoals uit de aan de rechter overgelegde stukken blijkt. De werkuren en personeelskosten met betrekking tot alle voor het project ingezette middelen zijn correct opgegeven en stemmen overeen met hetgeen aan de Commissie is gevraagd. Er is geen sprake van overlappingen tussen middelen en andere gesubsidieerde projecten. Alle andere verweten tekortkomingen bestaan niet. De aantijgingen van het OLAF, waarop de Commissie het verzoek tot terugvordering baseert, hebben telkens betrekking op andere projecten. De bewijslast is niet omgedraaid.
3.
Derde middel: schending van de beginselen van evenredigheid, billijkheid en uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten en schending van artikel II. 22 van de subsidie-overeenkomst.
—
Met dit middel betoogt verzoekster dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de aan verzoekster verstrekte bijdrage in zijn geheel terug te vorderen, hoewel er tijdens de inspectieprocedure slechts ten aanzien van twee bij het project betrokken vaklui incoherenties waren vastgesteld. Tevens worden alle andere extra directe kosten dan de personeelskosten en alle indirecte kosten teruggevorderd.
4.
Het vierde, subsidiair aangevoerde middel is gebaseerd op het recht op schadeloosstelling wegens ongerechtvaardigde verrijking van de Europese Commissie.
—
Volgens verzoekster is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van de vordering, namelijk verrijking van de ene contractpartij en verarming van de andere contractpartij, en een oorzakelijk verband tussen de verrijking en de verarming.
Full & Egal Universal Law Academy