22.7.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 246/31
Beroep ingesteld op 14 mei 2019 — PNB Banka e.a/ECB
(Zaak T-301/19)
(2019/C 246/33)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: PNB Banka AS (Riga, Letland), Grigory Guselnikov (Londen, Verenigd Koninkrijk) en Yulia Guselnikova (Londen) (vertegenwoordigers: O. Behrends en M. Kirchner, advocaten)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
—
nietigverklaring van het besluit van de ECB van 1 maart 2019 betreffende de kwalificatie van PNB Banka als een belangrijke entiteit;
—
verwijzing van verweerster in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoekers tien middelen aan.
1.
Eerste middel: de ECB heeft ten onrechte geoordeeld dat artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening (1) een besluit omtrent de kwalificatie inhoudt.
—
Verzoekers voeren aan dat artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening de ECB slechts toestaat om alle toepasselijke bevoegdheden van een nationale bevoegde autoriteit zelf uit te oefenen. Artikel 39, lid 5, tweede zin, van de GTM-kaderverordening (2) kan de aard van het krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening genomen besluit niet wijzigen. Voor het geval dat het Hof zou oordelen dat artikel 39, lid 5, tweede zin, van de GTM-kaderverordening de aard van dat besluit wijzigt, voeren verzoekers de onregelmatigheid van artikel 39, lid 5, tweede zin, aan.
2.
Tweede middel: de ECB heeft haar besluit gebaseerd op onjuiste aannames omtrent de voorwaarden en het doel van artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening, en de ECB heeft met name nagelaten om rekening te houden met de uitzonderlijke aard van een besluit dat krachtens deze bepaling wordt genomen.
3.
Derde middel: de ECB heeft nagelaten om alle relevante aspecten van de zaak zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en te beoordelen, teneinde vast te stellen of een krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening genomen besluit nodig was.
4.
Vierde middel: de ECB heeft meerdere wezenlijke vormvoorschriften geschonden.
5.
Vijfde middel: de ECB heeft nagelaten om gebruik te maken van haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening.
6.
Zesde middel: de ECB heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden.
7.
Zevende middel: de ECB heeft het nemo auditor-beginsel geschonden.
8.
Achtste middel: de ECB heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden.
9.
Negende middel: de ECB heeft het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.
—
Verzoekers voeren aan dat het besluit onduidelijk is en bijgevolg rechtsonzekerheid creëert, zodat er sprake is van strijdigheid met de legitieme verwachtingen van PNB Banka op basis van eerdere interacties met de ECB en de Commissie voor Financiële en Kapitaalmarkten.
10.
Tiende middel: de ECB heeft zich niet gehouden aan artikel 19 en overweging 75 van de GTM-verordening en heeft zich schuldig gemaakt aan misbruik van bevoegdheid.
(1) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).
(2) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB 2014, L 141, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy