8.7.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 230/61
Beroep ingesteld op 17 mei 2019 — BU/Commissie
(Zaak T-308/19)
(2019/C 230/75)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: BU (vertegenwoordiger: E. Bonanni, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het besluit van 11 januari 2019 nietig verklaren, waarbij de Commissie heeft aangekondigd en besloten een nieuwe medische commissie te willen aanstellen voor de vaststelling van een nieuw advies over de gevraagde erkenning van de verslechtering van verzoekers beroepsziekte;
—
met het oog op de veroordeling van de Commissie tot betaling van het bedrag van 639 431,37 EUR — waarvan 98 372,51 EUR reeds is uitbetaald — aan schadeloosstelling overeenkomstig artikel 14 van de vóór 1 januari 2006 in werking getreden regeling inzake de ongevallen- en beroepsziekteverzekering voor ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „REG”), gelasten dat het besluit betreffende de gevraagde erkenning van de verslechtering moet worden vastgesteld op basis van het advies dat door de vorige medische commissie reeds is verstrekt op 8 januari 2014 en dat daarbij artikel 12 REG buiten beschouwing moet worden gelaten, zoals in de gerectificeerde opdracht van 11 januari 2019 is erkend, of een soortgelijke verplichting opleggen.
—
de Commissie veroordelen tot betaling van 5 000 EUR per maand vertraging bij de vaststelling van de maatregel.
—
de Commissie veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling van 100 000 EUR wegens de in strijd met de arresten T-551/16 en T-212/01 onrechtmatig verleende opdracht nr. 3 van 25 januari 2018.
—
de Commissie veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling van 50 000 EUR wegens niet-toepassing van de honorariumtabel voor de aangewezen en aan te wijzen artsen.
—
de Commissie veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling van 100 000 EUR wegens de ongerechtvaardigde vertraging bij de voltooiing van de administratieve procedure.
—
de Commissie veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling van 1 000 000 EUR wegens het onbehoorlijk gedrag van Dr. AB, die rechtstreeks in dienst was van het niet-onafhankelijke tot aanstelling bevoegde gezag (AIPN), voor wat betreft diens beschreven laakbaar gedrag.
—
en, ten slotte, de Commissie verwijzen in de advocaat- en gerechtskosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker vordert in wezen de veroordeling van de Commissie, op grond dat zij heeft verzuimd te beslissen hem het bedrag van 639 421,37 EUR uit te betalen — waarvan 98 372,51 EUR reeds is betaald —, te weten het bedrag van de schadeloosstelling overeenkomstig artikel 14 REG ingevolge het advies van de medische commissie van 8 januari 2014 in het kader van het verzoek van 7 juni 2000 om erkenning van de verslechtering van zijn beroepsziekte.
Tot staving van zijn beroep voert verzoeker volgende middelen aan:
1.
Schending van artikel 266 VWEU en van de verplichting om zich te voegen naar een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing, aangezien de Commissie zich niet heeft gevoegd naar de arresten T-212/01 en T-551/16 door invaliditeit in strikte zin en de schadeloosstelling overeenkomstig artikel 14 REG door elkaar te halen.
2.
In de onderhavige zaak is sprake van misbruik van bevoegdheid.
3.
Schending van artikel 73 van het Statuut en niet-inachtneming van de rechtspraak van de Europese Unie betreffende de werking van de medische commissie.
4.
Schending van het beginsel van de redelijke procesduur.
Full & Egal Universal Law Academy