22.7.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 246/36
Beroep ingesteld op 23 mei 2019 — Thunus e.a./EIB
(Zaak T-318/19)
(2019/C 246/38)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Vincent Thunus (Contern, Luxemburg) en zeven andere verzoekende partijen (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Investeringsbank
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, daaronder begrepen de daarin opgenomen exceptie van onwettigheid;
—
dientengevolge,
—
nietig te verklaren het in hun salarisafrekeningen over februari 2019 vervatte besluit, waarbij de jaarlijkse aanpassing van het basissalaris over 2019 wordt beperkt tot 0,8 %, alsmede de soortgelijke besluiten die in de latere salarisafrekeningen zijn vervat;
—
dientengevolge, de verwerende partij te veroordelen tot
—
vergoeding van de materiële schade bestaande in (i) het saldo van het salaris overeenkomende met de toepassing van de jaarlijkse aanpassing over 2019, dat wil zeggen een verhoging van 1,2 % voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019; (ii) het saldo van het salaris overeenkomende met de gevolgen van de toepassing van de jaarlijkse aanpassing van 0,8 % over 2019 voor de salarissen die vanaf januari 2019 worden betaald; (iii) vertragingsrente over de verschuldigde salarissaldo’s tot en met de volledige betaling van de verschuldigde bedragen, waarbij de toe te passen rentevoet moet worden berekend op basis van de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met drie punten;
—
indien nodig, bij gebreke van spontane overlegging daarvan, de verwerende partij in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten de volgende documenten over te leggen:
—
het besluit van de raad van bestuur van de EIB van 18 juli 2017 (CA/505/17);
—
het rapport van het subcomité bezoldiging van de raad van bestuur van december 2018;
—
het besluit van de raad van bestuur van 11 december 2018 (bijlage 3 PV/19/01);
—
het besluit van het directiecomité van 30 januari 2019 (MC-018-ADM-20190130);
—
de nota van de directie personeelszaken van 18 januari 2019 (CS-PERS/HRPLC/DIR/2019-001/ABGS);
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van het beroep voeren verzoekers met betrekking tot het besluit van de raad van bestuur van 18 juli 2017 twee middelen aan en met betrekking tot de besluiten van het directiecomité van december 2018 en januari 2019 vier middelen.
Het besluit van de raad van bestuur van 18 juli 2017:
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen en van verworven rechten.
De besluiten van het directiecomité van december 2018 en januari 2019:
1.
Eerste middel, ontleend aan onbevoegdheid van degene die het bestreden besluit heeft vastgesteld en schending van artikel 18 van het reglement van orde.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van de procedurele waarborgen van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van het recht van raadpleging van het College.
4.
Vierde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel.
Met betrekking tot het verzoek tot schadevergoeding vorderen verzoekers betaling van het verschil van in bezoldiging, dat wil zeggen 1,2 % sinds 1 januari 2019 (daaronder begrepen de invloed van deze verhoging op de financiële voordelen), vermeerderd met vertragingsrente.
Full & Egal Universal Law Academy