12.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/32
Beroep ingesteld op 31 mei 2019 — PNB Banka e.a./ECB
(Zaak T-330/19)
(2019/C 270/34)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: PNB Banka AS (Riga, Letland), CR en CT (vertegenwoordigers: O. Behrends en M. Kirchner, advocaten)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
—
nietigverklaring van het besluit van de ECB van 21 maart 2019 inzake de door verzoekers voorgenomen verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in de bank die het doelwit was van de overname;
—
verwijzing van verweerster in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers acht middelen aan.
1.
Eerste middel: de beoordelingsperiode waarover de ECB beschikt overeenkomstig artikel 22, lid 2, van richtlijn 2013/36/EU (1) was verstreken voordat het bestreden besluit is vastgesteld, en het was derhalve niet meer mogelijk voor de ECB om zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten.
2.
Tweede middel: de ECB heeft niet gehandeld conform de procedure als bedoeld in artikel 15 van de GTM-verordening (2) en de artikelen 85 tot en met 87 van de GTM-kaderverordening (3).
3.
Derde middel: het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste uitlegging en toepassing van de beoordelingscriteria die in artikel 23 van richtlijn 2013/36 en in de Letse uitvoeringsregeling zijn neergelegd.
4.
Vierde middel: de ECB heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden.
5.
Vijfde middel: de ECB heeft geen rekening gehouden met de discretionaire aard van het besluit om zich te verzetten tegen een voorgenomen verwerving.
6.
Zesde middel: de ECB heeft de relevante feiten van de zaak onjuist voorgesteld.
7.
Zevende middel: de ECB heeft het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.
8.
Achtste middel: de ECB heeft het nemo auditur-beginsel geschonden door geen rekening te houden met haar eigen verantwoordelijkheid voor het verlies van vertrouwen in het regelgevingsproces.
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338).
(2) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).
(3) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (ECB/2014/17) (PB 2014, L 141, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy