12.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/33
Beroep ingesteld op 10 juni 2019 — Front Polisario/Raad
(Zaak T-344/19)
(2019/C 270/35)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Front populaire pour la libération de la Saguia el-Hamra et du Rio de oro (Front Polisario) (vertegenwoordiger: G. Devers, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Verzoeker verzoekt:
—
zijn beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te verklaren;
—
het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
de Raad te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep tegen besluit (EU) 2019/441 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij de overeenkomst (PB 2019, L 77, blz. 4), voert verzoeker elf middelen aan.
1.
Eerste middel: de Raad is niet bevoegd om het bestreden besluit vast te stellen, aangezien de Unie en het Koninkrijk Marokko niet bevoegd zijn om namens en voor rekening van het volk van de Westelijke Sahara, zoals vertegenwoordigd door het Front Polisario, een internationale overeenkomst te sluiten die van toepassing is op de Westelijke Sahara.
2.
Tweede middel: de Raad is voorbijgegaan aan de verplichting om de kwestie van de grondrechten en het internationaal humanitair recht te onderzoeken, aangezien hij deze kwestie niet heeft behandeld alvorens het bestreden besluit vast te stellen.
3.
Derde middel: de Raad is zijn verplichting niet nagekomen om de arresten van het Hof ten uitvoer te leggen, aangezien in het bestreden besluit is voorbijgegaan aan de motivering van het arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK (C-266/16, EU:C:2018:118).
4.
Vierde middel: de Raad heeft inbreuk gemaakt op de essentiële beginselen en waarden die leidend zijn voor het internationale optreden van de Unie, aangezien:
—
in het bestreden besluit ten eerste het bestaan van het volk van de Westelijke Sahara wordt ontkend door in plaats ervan de woorden „bevolking van de Westelijke Sahara” en „betrokken bevolking” te gebruiken, hetgeen in strijd is met het recht van volkeren op nationale eenheid;
—
met het bestreden besluit ten tweede een internationale overeenkomst wordt gesloten waarbij — zonder toestemming van het volk van de Westelijke Sahara — de exploitatie van de visbestanden van dat volk door vaartuigen van de Unie wordt georganiseerd, hetgeen in strijd is met het recht van volkeren om vrijelijk over hun natuurlijke rijkdommen te beschikken;
—
met het bestreden besluit ten derde een internationale overeenkomst met het Koninkrijk Marokko wordt gesloten die van toepassing is op de bezette Westelijke Sahara, een en ander tegen de achtergrond van het annexatiebeleid dat het Koninkrijk Marokko ten aanzien van dit gebied voert en van de stelselmatige schendingen van de grondrechten die de handhaving van dit beleid vergt.
5.
Vijfde middel: de Raad heeft het vertrouwensbeginsel geschonden, aangezien het bestreden besluit in strijd is met de verklaringen van de Unie, die herhaaldelijk heeft bevestigd dat het beginsel van zelfbeschikking en het beginsel van de relatieve werking van de verdragen moeten worden geëerbiedigd.
6.
Zesde middel: de Raad heeft het evenredigheidsbeginsel onjuist toegepast, aangezien het, gelet op de eigen en onderscheiden status van de Westelijke Sahara, de onaantastbaarheid van het zelfbeschikkingsrecht en de status van het volk van de Westelijke Sahara als derde partij, niet aan hem was om een evenredigheidsbeoordeling uit te voeren en de vermeende „voordelen” van de visserijovereenkomst en de gevolgen ervan voor de natuurlijke rijkdommen van de Westelijke Sahara tegen elkaar af te wegen.
7.
Zevende middel: het bestreden besluit verdraagt zich niet met het gemeenschappelijk visserijbeleid, aangezien de vaartuigen van de Europese Unie krachtens de bij het bestreden besluit gesloten overeenkomst toegang zullen hebben tot de visbestanden van het volk van de Westelijke Sahara zonder diens toestemming, in ruil voor een financiële bijdrage aan de Marokkaanse autoriteiten, terwijl de wateren van de Westelijke Sahara geen Marokkaanse „wateren” in de zin van de artikelen 61 en 62 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee zijn.
8.
Achtste middel: de Raad heeft het zelfbeschikkingsrecht geschonden, aangezien:
—
in het bestreden besluit ten eerste wordt voorbijgegaan aan de nationale eenheid van het volk van de Westelijke Sahara en daarmee aan het zelfbeschikkingsrecht van dat volk door de woorden „bevolking van de Westelijke Sahara” en „betrokken bevolking” te gebruiken in plaats van het volk van de Westelijke Sahara;
—
in het bestreden besluit ten tweede de exploitatie van de visbestanden van het volk van de Westelijke Sahara door vaartuigen van de Unie wordt georganiseerd zonder toestemming van dat volk, hetgeen in strijd is met het recht van het volk van de Westelijke Sahara om vrijelijk over zijn natuurlijke rijkdommen te beschikken;
—
in het bestreden besluit ten derde wordt voorbijgegaan aan de eigen en onderscheiden status van de Westelijke Sahara en de onrechtmatige splitsing van dat gebied door de „Marokkaanse Muur” als rechtmatig wordt erkend, hetgeen in strijd is met het recht van het volk van de Westelijke Sahara op eerbiediging van de territoriale integriteit van zijn nationale grondgebied.
9.
Negende middel: de Raad heeft het beginsel van de relatieve werking van de verdragen geschonden, aangezien in het bestreden besluit wordt voorbijgegaan aan de status van het volk van de Westelijke Sahara als derde partij bij de betrekkingen tussen de Unie en Marokko en aan het volk van de Westelijke Sahara zonder diens toestemming internationale verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot zijn nationale grondgebied en zijn natuurlijke rijkdommen.
10.
Tiende middel: de Raad heeft het internationaal humanitair recht en het internationaal strafrecht geschonden aangezien:
—
bij het bestreden besluit ten eerste een internationale overeenkomst is gesloten die van toepassing is op de Westelijke Sahara, terwijl de Marokkaanse bezettingsmacht geen onderhandelingsrecht heeft met betrekking tot dat gebied en de natuurlijke rijkdommen ervan niet mag exploiteren;
—
de Unie ten tweede krachtens de bij het bestreden besluit gesloten overeenkomst de Marokkaanse infrastructuur in het bezette Sahrawigebied zal subsidiëren, zodat het Koninkrijk Marokko zijn burgerbevolking en zijn strijdkrachten daar duurzaam kan vestigen;
—
in het bestreden besluit ten derde de illegale overbrenging van Marokkaanse kolonisten naar het bezette Sahrawigebied wordt goedgekeurd door de woorden „bevolking van de Westelijke Sahara” en „betrokken bevolking” te gebruiken.
11.
Elfde middel: de Raad heeft niet voldaan aan de verplichtingen van de Unie inzake het internationale aansprakelijkheidsrecht, aangezien het bestreden besluit, door de sluiting van een internationale overeenkomst met het Koninkrijk Marokko die van toepassing is op de Westelijke Sahara, de ernstige schendingen van het internationaal recht door de Marokkaanse bezettingsmacht tegen het volk van de Westelijke Sahara als rechtmatig erkent en hulp en bijstand verleent bij de instandhouding van de situatie die uit deze schendingen voortvloeit.
Full & Egal Universal Law Academy