5.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 263/57
Beroep ingesteld op 14 juni 2019 — Italië/Commissie
(Zaak T-357/19)
(2019/C 263/64)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: P. Gentili, avvocato dello Stato, en G. Palmieri, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht uitvoeringsbesluit C(2019) 2652 final van de Commissie van 3 april 2019 houdende goedkeuring van het „Grande Progetto Nazionale Banda Ultra Larga — Aree Bianche” (GP BUL) [„Groot Nationaal Ultrabreedbandproject — Witte Gebieden” (GP BUL)] voor een subsidiabele kostprijs van 941 022 670 EUR, dat haar op 4 april 2019 ter kennis is gebracht, nietig te verklaren, voor zover het de door de begunstigde gemaakte btw-kosten uitsluit van de bijdrage uit het EFRO, maar anderzijds bepaalt dat die kosten in de bijdrage zullen worden opgenomen, en de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Met het eerste middel voert verzoekster aan dat artikel 69, lid 3, onderc), van verordening nr. 1303/2013 (1) is geschonden omdat geen van de drie redenen voor uitsluiting van de btw-kosten beantwoordt aan een van de gevallen waarin de btw overeenkomstig de nationale btw-wetgeving kan worden teruggevorderd.
2.
Het tweede middel is ontleend aan schending van de bepalingen van richtlijn 2006/112 (2) betreffende de btw-plichtigen (artikelen 9 en 13) en de btw-kantoren (artikelen 206 en 250), niet-eerbiediging van de nationale grondwet en de basisstructuren van de lidstaten (artikel 4, lid 2, VEU) en schending van artikel 69, lid 3, onder c), van verordening nr. 1303/2013. Verzoekster stelt dienaangaande dat het niet gerechtvaardigd is om aan te nemen dat de voorbelasting die MiSE als begunstigde van de bijdrage uit het EFRO heeft betaald, terugvorderbaar is omdat een ander ministerie (dat van Financiën) die voorbelasting als belastinginkomst heeft geïnd.
3.
Het derde middel berust op schending van de artikelen 9, 11, 13 en 28 van richtlijn 2006/112. Volgens verzoekster sluit het feit dat Infratel een inhousevennootschap van MiSE is niet uit dat voor de overdrachten van goederen en diensten door Infratel aan MiSE facturen worden opgesteld waarop btw in rekening wordt gebracht.
4.
Het vierde middel is gebaseerd op schending van artikel 61, lid 8, en artikel 69, lid 3, onder c), van verordening nr. 1303/2013. Verzoekster voert aan dat het betrokken project met staatssteun wordt medegefinancierd uit het EFRO. Het kan dus niet worden beschouwd als een inkomstengenererend project.
(1) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy