5.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 263/62
Beroep ingesteld op 12 juni 2019 — Verenigd Koninkrijk/Commissie
(Zaak T-363/19)
(2019/C 263/68)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: S. Brandon, gemachtigde, P. Baker QC en T. Johnston, barrister)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
besluit C(2019) 2526 van de Commissie van 2 april 2019 inzake steunmaatregel SA 44896 van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot een vrijstelling inzake groepsfinanciering in het kader van de regels voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (Controlled Foreign Company, CFC-regels) nietig verklaren;
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan.
1.
Eerste middel: een kennelijk onjuiste beoordeling doordat een onjuist referentiesysteem is gehanteerd
—
Verzoeker voert aan dat de Commissie onterecht van mening was dat de CFC-regels het geschikte kader voor de vergelijkbaarheidsbeoordeling vormen (overweging 107 van het bestreden besluit).
—
Het Verenigd Koninkrijk hanteert een grotendeels territoriaal bepaald systeem van vennootschapsbelasting: over het algemeen wordt slechts de in het Verenigd Koninkrijk gemaakte winst belast. Het relevante uitgangspunt is derhalve dat geen belasting verschuldigd is over winsten van buitenlandse dochterondernemingen. De CFC-wetgeving wijkt van dit uitgangspunt af en noemt een aantal uitzonderlijke omstandigheden waarin op grond van een CFC-maatregel belasting verschuldigd kan zijn. Het geschikte referentiesysteem is dus het vennootschapsrecht in zijn geheel. Verzoeker betoogt dat de Commissie ten onrechte een kunstmatig eng referentiekader heeft gehanteerd.
2.
Tweede middel: de vrijstellingen in hoofdstuk 9 van de belastingwet (internationale en andere bepalingen) van 2010 zijn geen uitzonderingen
—
Het doel van de CFC-regels is om slechts belasting op grond van een CFC-maatregel te heffen wanneer er sprake is van constructies die een hoog risico op misbruik of kunstmatige ontwijking inhouden. Het Verenigd Koninkrijk maakt gebruik van een wetgevingstechniek waarbij i) wordt begonnen met een brede en omvattende definitie van CFC’s, en ii) de overgrote meerderheid van de door CFC’s gemaakte winsten wordt uitgesloten, om aldus te komen tot een beperkte categorie van winsten die een risico van misbruik of kunstmatige ontwijking met zich meebrengen. Middels de combinatie van de hoofdstukken 5 en 9 van de genoemde belastingwet kan worden bepaald welke constructies een hoog risico op misbruik of kunstmatige ontwijking vertonen.
—
Voorts wordt betoogd dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te stellen dat de aan de orde zijnde vrijstellingen van hoofdstuk 9 een uitzondering vormen, aangezien zij alleen heeft gekeken naar de wetgevingstechniek en niet naar de onderliggende doelstellingen van de maatregel.
—
Volgens verzoeker heeft de Commissie tevens onterecht besloten dat er geen relevant verschil was tussen Qualifying Loan Relationships (QLR’s) en niet-QLR’s. De regering van het Verenigd Koninkrijk is bij uitstek in staat om te bepalen bij welke regelingen er sprake is van een hoog risico op misbruik of kunstmatige ontwijking. De Commissie heeft volgens verzoeker:
a.
rechtens onjuist geoordeeld door de regering van het Verenigd Koninkrijk geen passende beoordelingsmarge te hebben gelaten met betrekking tot dit aspect, en
b.
de betreffende constructies kennelijk onjuist beoordeeld.
3.
Derde middel: kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de selectiviteit
—
De Commissie is onterecht tot de conclusie gekomen dat het Verenigd Koninkrijk zich enkel kon baseren op de „significant people functions (SPF) test”, en niet op de combinatie van de hoofdstukken 5 en 9. Zij heeft ook ten onrechte niet geaccepteerd dat een op de SPF gebaseerde aanpak op zichzelf even complex was als een op kapitaalinvesteringen uit het Verenigd Koninkrijk gebaseerde aanpak.
Verzoeker voert ook aan dat de Commissie onterecht het argument van het Verenigd Koninkrijk heeft verworpen dat de aan de orde zijnde vrijstellingen van hoofdstuk 9 een geschikt, evenredig en administratief werkbaar antwoord vormen op het arrest van de Grote kamer in de zaak Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, EU:C:2006:544).
4.
Vierde middel: er is geen invloed op de handel tussen lidstaten
—
Verzoeker betoogt ten slotte dat de Commissie onterecht heeft geconcludeerd dat de aan de orde zijnde vrijstellingen van hoofdstuk 9 voor welke onderneming dan ook een „voordeel” opleveren waardoor de handel tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed. Volgens verzoeker is er veeleer sprake van een mechanisme waarbij in een beperkt aantal gevallen op grond van een CFC-maatregel belasting wordt geheven van in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen. In de relevante periode (2013) was er geen Unie-brede verplichting om de winsten van CFC’s te belasten en de Commissie heeft niet aangetoond dat de aan de orde zijnde vrijstellingen van hoofdstuk 9 in vergelijking met in andere lidstaten geldende verplichtingen voordeel opleveren waardoor de handel tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed.
Full & Egal Universal Law Academy