12.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/48
Beroep ingesteld op 27 juni 2019 — Coppo Gavazzi/Parlement
(Zaak T-389/19)
(2019/C 270/50)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Maria Teresa Coppo Gavazzi (Milaan, Italië) (vertegenwoordiger: M. Merola, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
—
de maatregel waarvan verzoekster bij wege van de bestreden mededeling in kennis is gesteld en waarbij het Europees Parlement de ouderdomspensioenrechten opnieuw heeft vastgesteld en de terugvordering heeft gelast van het op basis van de vorige pensioenberekening uitgekeerde bedrag, non-existent of in zijn geheel nietig verklaren;
—
het Europees Parlement gelasten alle ten onrechte ingehouden bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van inhouding aan de bron, terug te geven en het Europees Parlement veroordelen om uitvoering te geven aan de te wijzen rechterlijke beslissing en de initiatieven te nemen en de handelingen en maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te waarborgen dat de pensioenuitkering onmiddellijk en integraal in haar oorspronkelijke omvang wordt hersteld;
—
het Europees Parlement verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen de handeling waarbij het Europees Parlement de ouderdomspensioenrechten van verzoekster opnieuw heeft vastgesteld naar aanleiding van de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei Deputati (Bureau van het Voorzitterschap van de Tweede Kamer, Italië) en de terugvordering heeft gelast van het op basis van de vorige berekening uitgekeerde bedrag.
Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Het eerste middel is ontleend aan de onbevoegdheid van de auteur van de handeling, schending van wezenlijke vormvoorschriften en de daaruit voortvloeiende schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten.
—
Dienaangaande stelt verzoekster dat de mededeling van het Europees Parlement onwettig is omdat zij ernstige en kennelijke gebreken, met name procedurele gebreken, vertoont, en meer bepaald dat het besluit door het Directoraat-Generaal Financiën is vastgesteld en niet door het Bureau van het Voorzitterschap van het Europees Parlement zoals artikel 11 bis, lid 6, en artikel 25, lid 3, van het reglement van orde van het Europees Parlement voorschrijven. De mededeling bevat geen enkele reden waarom zij is vastgesteld en waarom het Italiaanse besluit automatisch wordt toegepast.
2.
Volgens het tweede middel heeft de bestreden handeling geen rechtsgrondslag en is daarin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 75 van de maatregelen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement
—
Verzoekster verklaart in dit verband dat de bestreden handeling ten onrechte bijlage III bij de regeling inzake de kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement (hierna: „RKV”) en artikel 75 van de maatregelen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (hierna: „MAS”) als haar rechtsgrondslag aanwijst. De pensioenregeling waarin de RKV voorzag, is op 14 juli 2009 wegens de inwerkingtreding van het Statuut van de leden van het Europees Parlement afgeschaft. Voorts staat artikel 75 MAS, dat naar bijlage III bij de RKV verwijst, niet toe dat het Europees Parlement maatregelen zoals de bestreden maatregel vaststelt.
3.
Met het derde middel voert verzoekster aan dat de mededeling kennelijk indruist tegen het vereiste van artikel 75, lid 2, MAS dat de aangelegenheid alleen bij wet mag worden geregeld, welk artikel uitdrukkelijk verwijst naar de nationale wettelijke voorwaarden, zodat het uitgesloten is dat interne besluiten van de Tweede Kamer van een lidstaat in aanmerking kunnen komen.
—
Volgens verzoekster zijn de wijzigingen ingevolge besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei Deputati niet bij een Italiaanse wet vastgesteld, maar louter bij een besluit van het Ufficio di Presidenza di una Camera dei Deputati.
4.
Het vierde middel berust op kennelijke schending van de algemene beginselen van het Europees recht, zoals het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van gewettigd vertrouwen, het beginsel van bescherming van verworven rechten en het gelijkheidsbeginsel.
—
Verzoekster beweert in dit verband dat het bestreden besluit ernstig afbreuk doet aan het vertrouwen dat de voormalige Parlementsleden mochten hebben dat de rechten die zij inmiddels hadden verworven, niet voor wijziging vatbaar waren, alsmede aan de verwachtingen die zij mochten koesteren op basis van de tijdens hun ambtstermijn vigerende wetgeving. Bovendien blijkt de aanzienlijke vermindering van het bedrag van de vergoeding waarop de voormalige Parlementsleden op grond van de voordien toepasselijke regeling recht hebben, geenszins gebaseerd te zijn op een adequate rechtsgrond of een dwingend vereiste, zoals in de rechtspraak van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens wordt vereist.
Full & Egal Universal Law Academy