26.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 288/57
Beroep ingesteld op 25 juni 2019 — Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A./Commissie
(Zaak T-399/19)
(2019/C 288/70)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A. (Warschau, Polen) (vertegenwoordigers: E. Buczkowska en M. Trepka, radcy prawni)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 17 april 2019 in een procedure op grond van artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (zaak AT.40497 — Poolse gasprijzen), waarbij procedure AT.40497 overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (1) is afgesloten en de op 9 maart 2017 door verzoekster ingediende klacht is afgewezen (hierna: „klacht van PGNiG”).
—
Verzoekster concludeert tot nietigverklaring van het gedeelte van het besluit waarbij de grieven van de klacht van PGNiG zijn afgewezen die betrekking hadden op:
(i)
de beperking van de gasleveringen aan afnemers in enkele lidstaten van de Europese Unie, waaronder verzoekster, in het winterseizoen 2014/2015 en
(ii)
het feit dat aan het sluiten van een contract met verzoekster voor extra gasleveringen de voorwaarde werd gesteld dat buitencontractuele verplichtingen werden aangegaan die onder andere betrekking hadden op een versterkt toezicht op de Jamal gasleiding.
—
Mocht het Gerecht oordelen dat het besluit niet gedeeltelijk kan worden nietig verklaard, concludeert verzoekster tot nietigverklaring van het besluit in zijn geheel;
—
Verwijzing van de Commissie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: misbruik van bevoegdheid door de Commissie bij de vaststelling van het besluit omdat
(i)
de Commissie het besluit, waarbij de facto is vastgesteld dat artikel 102 VWEU niet van toepassing is op de mededingingsbeperkende praktijken van PJSC Gazprom en Gazprom Export LLC omdat er sprake is van een uit het nationale recht van de Russische Federatie voortvloeiende dwang, heeft gebaseerd op een onjuiste rechtsgrondslag, namelijk op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 773/2004 juncto artikel 102 VWEU, in plaats van op artikel 10 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (2) juncto artikel 102 VWEU, dat wil zeggen meer bepaald zonder de standpunten van de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking te nemen,
(ii)
procedure AT.40497 is ingeleid en gevoerd met het doel het recht van verzoekster om te worden gehoord in het kader van de procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst in zaak AT.39816 — Upstreamgasleveringen in Centraal- en Oost-Europa, te beperken.
2.
Tweede middel: kennelijke schending van artikel 102 VWEU door de Commissie bij de vaststelling van het besluit, omdat zij dit artikel onjuist heeft uitgelegd en ervan is uitgegaan dat een onderneming zich kan beroepen op „statelijke dwang” die voortvloeit uit het nationale recht van een derde land dat tot de Europese Unie, noch tot de Europese Economische Ruimte behoort, om van haar aansprakelijkheid voor een mededingingsverstorende praktijk te worden ontslagen.
3.
Derde middel: kennelijke schending van verzoeksters recht te worden geïnformeerd en te worden gehoord ingevolge artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, van verordening nr. 773/2004, artikel 296 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten door de Commissie bij de vaststelling van het besluit, door verzoekster niet ervan in kennis te stellen dat de Commissie de afwijzing van de klacht van verzoekster in verband met de Jamal gasleiding louter heeft gegrond op het nationale recht van de Russische Federatie en niet alle in dit verband van wezenlijk belang zijnde documenten aan verzoekster heeft overgelegd, hetgeen een schending is van de wezenlijke vormvoorschriften.
4.
Vierde middel: kennelijke schending van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 773/2004 en artikel 296 VWEU door de Commissie bij de vaststelling van het besluit, omdat zij niet alle feitelijke en juridische omstandigheden die naar voren zijn gebracht in de klacht van PGNiG zorgvuldig heeft onderzocht en haar motivering niet volstaat om het Gerecht in staat te stellen een doeltreffend toezicht uit te oefenen op de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheden, hetgeen schending van wezenlijke vormvoorschriften vormt.
5.
Vijfde middel: kennelijke schending van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 773/2004 juncto artikel 102 VWEU door de Commissie bij de vaststelling van het besluit omdat zij kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door:
(i)
vast te stellen dat het besluit van de voorzitter van de Poolse autoriteit voor energieregulering van 19 mei 2015 (nr. DRG-4720–2(28)/2014/2015/6154/KF) bewijs vormt dat het middel inzake de sluiting van een overeenkomst betreffende de exploitatie van de Jamal gasleiding ongegrond is,
(ii)
de aard van de beperking van de gasleveringen door Gazprom in het winterseizoen 2014/2015 onjuist te beoordelen.
(1) PB 2004, L 123, blz. 18.
(2) PB 2003, L 1, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy