12.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/52
Beroep ingesteld op 28 juni 2019 — Iccrea Banca/GAR
(Zaak T-400/19)
(2019/C 270/54)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Iccrea Banca SpA Istituto Centrale del Credito Cooperativo (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: P. Messina, F. Isgrò en A. Dentoni Litta, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
Conclusies
A)
Primair:
—
besluit nr. SRB/ES/SRF/2019/10 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad van 16 april 2019 en, voor zover nodig, de bijbehorende bijlagen, alsook alle eventuele latere besluiten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad — ook al zijn zij nog niet bekend —, op basis waarvan de Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank) besluit nr. 0543938/19 van 24 april 2019 en besluit nr. 0733800/19 van 7 juni 2019 heeft vastgesteld, nietig verklaren;
—
ICCREA Banca vergoeden voor de schade die de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad, in de uitoefening van zijn functies, bij de bepaling van de door verzoekster verschuldigde bijdragen heeft veroorzaakt, welke erin bestaat dat verzoekster hogere bedragen heeft overgemaakt.
B)
Subsidiair, voor het geval de primaire vorderingen niet worden toegewezen:
—
Artikel 5, lid 1, onder a) en f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (1) ongeldig verklaren wegens strijdigheid met de basisbeginselen van het gemeenschapsrecht, meer bepaald het gelijkheids-, het non-discriminatie- en het evenredigheidsbeginsel, zoals zij in artikel 2 VEU zijn verankerd en in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn uitgelegd.
C)
In ieder geval, de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad verwijzen in de kosten die hij in de onderhavige procedure heeft veroorzaakt.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen besluit nr. SRB/ES/SRF/2019/10 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad van 16 april 2019 en de bijbehorende bijlagen, alsook tegen alle eventuele latere besluiten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad — ook al zijn zij nog niet bekend —, waarbij ten aanzien van verzoekster de bijdragen zijn bepaald die zijn geregeld in gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Ontoereikend onderzoek, onjuiste beoordeling van de feiten, schending en onjuiste toepassing van artikel 5, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63, alsmede schending van het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur.
—
De Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad heeft artikel 5, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 onjuist toegepast bij de berekeningen van de door verzoekster verschuldigde bijdragen door de passiva binnen de groep niet in aanmerking te nemen.
2.
Ontoereikend onderzoek, onjuiste beoordeling van de feiten, schending en onjuiste toepassing van artikel 5, onder f), van gedelegeerde verordening 2015/63 en schending van het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur.
—
De Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad heeft artikel 5, onder f), van gedelegeerde verordening 2015/63 onjuist toegepast, met een dubbeltelling tot gevolg.
3.
Onrechtmatigheid van de gedraging van een orgaan van de Unie en buitencontractuele aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 268 VWEU.
—
De gedraging van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad voldoet aan alle van oudsher in de Europese rechtspraak gestelde voorwaarden voor een dergelijke vordering, te weten de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het werkelijk bestaan van de schade en een oorzakelijk verband tussen de verweten gedraging en de gestelde schade.
4.
Subsidiair en incidenteel, schending van het doeltreffendheidsbeginsel, het gelijkwaardigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling en derhalve niet-toepasselijkheid van gedelegeerde verordening 2015/63
—
Een eventuele strijdigheid tussen die verordening en verzoeksters situatie zou schending van de voornoemde beginselen opleveren, aangezien personen die zich in dezelfde feitelijke situatie bevinden als ICCREA verlaagde bijdragen verschuldigd zouden zijn, waardoor verzoeksters positie onrechtmatig zou worden verslechterd en vergelijkbare situaties dus verschillend worden behandeld.
(1) PB 2015, L 11, blz. 44.
Full & Egal Universal Law Academy