2.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 295/77
Beroep ingesteld op 4 juli 2019 — Société générale e.a./GAR
(Zaak T-466/19)
(2019/C 295/102)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Société générale (Parijs, Frankrijk), Crédit du Nord (Rijsel, Frankrijk) en SG Option Europe (Puteaux, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Gosset-Grainville, M. Trabucchi en M. Dalon, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
Conclusies
—
besluit SRB/ES/SRF/2019/10 betreffende de berekening van de voor 2019 aan het GAF vooraf te betalen bijdragen krachtens artikel 263 VWEU nietig verklaren, voor zover het verzoeksters betreft;
—
de volgende bepalingen van de GAM-verordening, de uitvoeringsverordening en de gedelegeerde verordening krachtens artikel 277 VWEU niet-toepasselijk verklaren:
—
artikel 69, lid 2, artikel 70, lid 1 en lid 2, onder a) en b), van de GAM-verordening;
—
artikel 4, lid 2, de artikelen 6, 7 en 10, en bijlage I van de gedelegeerde verordening;
—
artikel 4 en artikel 8, lid 5, van de uitvoeringsverordening;
—
de verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vier middelen aan.
1.
Eerste middel: kennelijke schending van het beginsel van gelijke behandeling. In dit verband betogen verzoeksters dat de voorschriften die in het bestreden besluit werden toegepast, hen rechtstreeks en sterk benadelen door de daarin vastgestelde berekeningswijze voor zowel de vaste bijdrage als de risicofactor. Volgens verzoeksters weerspiegelen deze criteria niet hun werkelijke omvang of risico. De kennelijke schending van het gelijkheidsbeginsel die rechtstreeks uit de voorschriften voortvloeit, wordt nog versterkt door de verschillen in behandeling tussen grote instellingen, waaronder verzoeksters, en kleine en middelgrote instellingen.
2.
Tweede middel: kennelijke schending van het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeksters vloeit de — eveneens kennelijke — schending van het evenredigheidsbeginsel door de voorschriften die in het bestreden besluit werden toegepast, automatisch voort uit de schending van het beginsel van gelijke behandeling. Aangezien het GAF-mechanisme is gebaseerd op de vaststelling van een vooraf bepaald algemeen streefbedrag van de bijdragen, leidt de ongelijke verdeling van deze bijdragen tussen de instellingen automatisch tot onevenredige betalingen en dus tot een schending van het evenredigheidsbeginsel.
3.
Derde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De schending van het rechtszekerheidsbeginsel door de voorschriften die in het bestreden besluit werden toegepast, houdt zowel verband met de onvoorspelbaarheid van de berekeningswijze van de door de instelling verschuldigde bijdrage als met het feit dat deze bijdrage niet zozeer afhangt van de algemene situatie en het algemene risicoprofiel van de instelling als wel van haar relatieve positie ten opzichte van de andere instellingen.
4.
Vierde middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur. Het beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door het bestreden besluit, aangezien daarin voor de berekening van de op risico gebaseerde variabele geen toepassing wordt gemaakt van alle in de gedelegeerde verordening vastgestelde risicocriteria, hoewel de GAR vier jaar na de inwerkingtreding van de bijdrageregeling in staat had moeten zijn al deze criteria toe te passen.
Full & Egal Universal Law Academy