16.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 312/31
Beroep ingesteld op 5 juli 2019 — Weston Investment e.a./Commissie
(Zaak T-490/19)
(2019/C 312/26)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Weston Investment Co. Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) Precis (1814) Ltd (Londen), British American Tobacco Holdings Belgium NV (Brussel, België), British American Tobacco International Holdings (UK) Ltd (Londen) en British American Tobacco (GLP) Ltd (Londen) (vertegenwoordiger: M. Anderson, solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
besluit C(2019) 2526 final van de Commissie van 2 april 2019 betreffende steunmaatregel SA.44896 van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot een CFC-vrijstelling inzake groepsfinanciering nietig verklaren voor zover het op de verzoekende partijen betrekking heeft;
—
ingeval het besluit niet in zijn geheel nietig wordt verklaard, verklaren dat voor de vaststelling van het bedrag aan terug te vorderen steun rekening dient te worden gehouden met verliezen, ontheffingen of vrijstellingen waarvoor de verzoekende partij in aanmerking kwam op het tijdstip dat zij de vrijstelling inzake groepsfinanciering („betrokken vrijstelling”) inriep, of met die waarvoor die partij op dat tijdstip in aanmerking zou zijn gekomen als zij de betrokken vrijstelling inzake groepsfinanciering niet zou hebben ingeroepen, zelfs wanneer de termijn om van die verliezen, ontheffingen of vrijstellingen gebruik te maken volgens de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk inmiddels is verstreken;
—
de verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen acht middelen aan.
1.
Eerste middel: de verwerende partij heeft niet aangetoond dat de vrijstelling inzage groepsfinanciering een voordeel uitmaakt. De verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij niet heeft bewezen dat sprake was van een voordeel in elke situatie waarin de betrokken vrijstelling is ingeroepen. Voorts stelt elke verzoekende partij dat de keuze voor de betrokken vrijstelling is gemaakt zonder de afweging of de door haar verschuldigde belastingen lager konden zijn uitgevallen indien zij een analyse zou hebben gemaakt aan de hand van het criterium inzake sleutelfuncties in Section 371EB van hoofdstuk 5 van deel 9A van de Taxation (International and Other Provisions) Act 2010 [belastingwet (internationale en andere bepalingen) van 2010].
2.
Tweede middel: er is geen sprake van een tussenkomst door de staat dan wel van een met staatsmiddelen bekostigde tussenkomst. De verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij niet heeft aangetoond dat het inroepen van de betrokken vrijstelling met zekerheid heeft geleid tot een vermindering van de in het Verenigd Koninkrijk verschuldigde vennootschapsbelasting.
3.
Derde middel: de betrokken vrijstelling heeft niet tot gevolg dat bepaalde ondernemingen of bepaalde producties worden begunstigd. De verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij zich heeft vergist door (i) het referentiestelsel te strikt te omschrijven als de regels in deel 9A van de voornoemde wettelijke regeling en niet als het ruimere vennootschapsbelastingstelsel van het Verenigd Koninkrijk, (ii) niet in te zien dat hoofdstuk 9 van het genoemde deel 9A geen uitzondering vormt op hoofdstuk 5 ervan en (iii) niet te erkennen dat, zelfs indien het genoemde hoofdstuk 9 een uitzondering vormt op hoofdstuk 5, het door de aard of de algemene opzet van deel 9A van de betrokken wettelijke regeling kan worden gerechtvaardigd.
4.
Vierde middel: de betrokken vrijstelling beïnvloedt het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig. De verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij ten onrechte tot het besluit is gekomen dat de betrokken vrijstelling invloed kan uitoefenen op de keuzen die multinationale groepen maken met betrekking tot de locatie van hun groepsfinancieringsfuncties en hoofdkantoor binnen de Europese Unie.
5.
Vijfde middel: de betrokken vrijstelling vervalst de mededinging niet of dreigt die niet te vervalsen. De verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij niet heeft aangetoond dat het inroepen van de betrokken vrijstelling met zekerheid heeft geleid tot een vermindering van de in het Verenigd Koninkrijk verschuldigde vennootschapsbelasting.
6.
Zesde middel: de terugvordering van de vermeende steun strookt niet met de algemene beginselen van het Unierecht. De verzoekende partijen betogen dat het criterium inzake sleutelfuncties geen rechtszekerheid biedt, het verenigd Koninkrijk over een beoordelingsmarge beschikte om een einde te maken aan die onzekerheid en de verwerende partij haar plicht niet is nagekomen om een volledige analyse uit te voeren van alle relevante gegevens. Door terugvordering van steun te gelasten heeft de verwerende partij in strijd gehandeld met artikel 16, lid 1, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (1), op basis waarvan terugvordering van steun is verboden ingeval zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Unierecht.
7.
Zevende middel: het selectieve voordeel zou ongedaan worden gemaakt en geen terugvordering zou nodig zijn indien het verenigd Koninkrijk de betrokken vrijstelling met terugwerkende kracht eveneens zou toepassen op upstreamfinanciering en derdenfinanciering. De verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij niet heeft erkend dat door een dergelijke maatregel te treffen elk selectief voordeel (in de veronderstelling dat daarvan al sprake is) ongedaan wordt gemaakt en dat in dat geval geen sprake zou zijn van onrechtmatige staatssteun die dient te worden teruggevorderd op grond van het Unierecht.
8.
Achtste middel: voor de vaststelling van het bedrag aan terug te vorderen steun dient rekening te worden gehouden met verliezen, ontheffingen of vrijstellingen waarvoor de verzoekende partij in aanmerking kwam op het tijdstip dat zij de betrokken vrijstelling inriep, alsook met die waarvoor die partij op dat tijdstip in aanmerking zou zijn gekomen als zij de betrokken vrijstelling inzake groepsfinanciering niet zou hebben ingeroepen, zelfs wanneer de termijn om van die verliezen, ontheffingen of vrijstellingen gebruik te maken volgens de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk inmiddels is verstreken. De verzoekende partijen betogen dat dit de juiste uitlegging is die aan overweging 203 van het bestreden besluit dient te worden gegeven, maar dat het bestreden besluit, voor zover dat niet het geval is, onjuist is doordat het berekende steunbedrag, wanneer met die verliezen, ontheffingen of vrijstellingen geen rekening wordt gehouden, te hoog zou zijn waardoor de interne markt zou worden verstoord.
(1) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).
Full & Egal Universal Law Academy