16.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 312/38
Beroep ingesteld op 12 juli 2019 — Corneli/ECB
(Zaak T-501/19)
(2019/C 312/31)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Francesca Corneli (Velletri, Italië) (vertegenwoordiger: F. Ferraro, advocaat)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
—
besluit nr. L/LDG/19/182 van de directie van de ECB van 29 mei 2019, waarbij de toegang is ontzegd tot het besluit van de ECB om Banca Carige S.p.A., gevestigd te Genua — Italië, onder buitengewoon bewind te plaatsen en tot het desbetreffende dossier, nietig verklaren en verweerster gelasten voornoemd besluit en alle voorafgaande, voorbereidende, samenhangende en daaruit voortvloeiende handelingen in rechte over te leggen;
—
verweerster verwijzen in de honoraria en de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep strekt ertoe dat besluit nr. L/LDG/19/182 van de directie van de ECB van 29 mei 2019, waarbij de toegang is ontzegd tot het besluit van de ECB om Banca Carige S.p.A., gevestigd te Genua — Italië, onder buitengewoon bewind te plaatsen en tot het desbetreffende dossier, nietig wordt verklaard en dat verweerster wordt gelast voornoemd besluit en alle voorafgaande, voorbereidende, samenhangende en daaruit voortvloeiende handelingen in rechte over te leggen.
Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 4 van besluit ECB/2004/3 en onjuiste toepassing van de uitzondering betreffende de vertrouwelijkheid van informatie die als zodanig beschermd wordt op grond van het Unierecht.
—
Met dit middel voert verzoekster aan dat het bestreden besluit onwettig is daar het geen concrete gegevens bevat waaruit de vertrouwelijke delen van het litigieuze document, hun functie en strekking binnen de ECB alsmede de aan hun openbaarmaking verbonden gevaren blijken. Bij de afweging van de verschillende belangen moet worden aangenomen dat het specifieke belang van de spaarders bij de bescherming van hun deelneming in het aandelenkapitaal en het doeltreffende en transparante beheer van de onderneming hoe dan ook voorrang moet hebben boven het algemene en niet-gemotiveerde vereiste van bescherming van de toezichtprocedures.
2.
Tweede middel: de vertrouwelijke aard van het gevraagde document is ontoereikend gemotiveerd.
—
Dienaangaande stelt verzoekster dat de ECB geenszins motiveert waarom de bestreden maatregel van „vertrouwelijke” aard is, maar louter met klem stelt dat de bescherming van haar toezichtprocedures de weigering van toegang rechtvaardigt.
3.
Derde middel: schending van artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, van besluit ECB/2004/3 en ontoereikende motivering.
—
Volgens verzoekster is sprake van ernstige schending van artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, van besluit 2004/3 en van een ontoereikende motivering, op grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden om zich te beroepen op een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid en de ECB hoe dan ook geen concrete beoordeling heeft verricht van de documenten ten aanzien waarvan om toegang is verzocht.
4.
Vierde middel: schending van het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte (artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) en van artikel 7, lid 3, en artikel 8, lid 2, van besluit ECB/2004/3.
—
Verzoekster benadrukt dat de ECB de belangen van de adressaten van de maatregel — waaronder haar aandeelhouders —, die recht hebben op een doeltreffende voorziening in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Unie, niet volledig kan tenietdoen ten behoeve van de zogenoemde uitoefening „te kwader trouw” van het openbaar gezag. Tevens heeft de ECB artikel 7, lid 3, en artikel 8, lid 2, van besluit ECB/2004/3 geschonden, aangezien zij herhaaldelijk een uitzonderlijk grote werklast als reden heeft aangevoerd — zonder daarvoor enig bewijs aan te dragen — om de gestelde termijn voor beantwoording van het door verzoekster ingediende verzoek om toegang met 20 dagen te verlengen.
Full & Egal Universal Law Academy