9.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/63
Beroep ingesteld op 12 juli 2019 — DE/Parlement
(Zaak T-505/19)
(2019/C 305/73)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: DE (vertegenwoordiger: T. Oeyen, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
—
het besluit van het Europees Parlement van 30 oktober 2018 waarbij wordt geweigerd verzoeker het passende buitengewoon verlof toe te kennen om te zorgen voor zijn pasgeboren tweeling die via draagmoederschap ter wereld is gebracht, nietig verklaren.
—
het Parlement verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de rechten van gelijke behandeling en non-discriminatie.
—
Door verzoeker geen geboorteverlofrechten toe te kennen die gelijkwaardig zijn aan moederschapsverlof en/of adoptieverlof, schendt het bestreden besluit verzoekers grondrechten op dezelfde bescherming en non-discriminatie, zoals die zijn neergelegd in artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1, onder d), van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”). Aangezien homoseksuelen de grootste categorie vormen van ouders die hun toevlucht nemen tot het draagmoederschap, worden zij onevenredig benadeeld door de uitlegging die het Parlement geeft aan de bepalingen van het Statuut met betrekking tot geboorteverlof, zoals blijkt uit het bestreden besluit.
2.
Tweede middel: schending van het recht op bescherming van verzoekers gezinsleven.
—
Door verzoeker niet het passende buitengewoon verlof dat gelijkwaardig is aan moederschapsverlof en/of adoptieverlof toe te kennen om voor zijn pasgeboren kinderen te zorgen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 EVRM, dat verzoekers recht op een gezinsleven beschermt, gelezen in samenhang met artikel 14 EVRM.
3.
Derde middel: het bestreden besluit is in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur vastgesteld.
—
Meer bepaald wordt aangevoerd dat verweerder (i) is voorbijgegaan aan verzoekers recht om te worden gehoord, en (ii) zijn beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd.
4.
Vierde middel: de bepalingen van het Statuut met betrekking tot buitengewoon verlof zoals die door verweerder in het bestreden besluit zijn uitgelegd, zijn onwettig.
—
Om dezelfde redenen als die welke in het eerste, tweede en derde middel hierboven zijn uiteengezet, wordt de onwettigheid aangevoerd van verweerders uitlegging van artikel 57 van het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 6 van bijlage V bij dat Statuut, zoals die blijkt uit het bestreden besluit, welke ertoe leidt dat ambtenaren of andere personeelsleden van het Europees Parlement die via draagmoederschap ouders van een kind worden, geen recht hebben op buitengewoon verlof dat gelijkwaardig is aan moederschapsverlof en/of adoptieverlof.
5.
Vijfde middel: onjuiste rechtsopvatting en onjuiste toepassing van artikel 6 van bijlage 2 bij het Statuut en van het interne reglement van het Europees Parlement met betrekking tot verlof.
—
In het geval dat het Gerecht oordeelt dat verzoeker geen recht heeft op geboorteverlof dat gelijkwaardig is aan het verlof dat wordt toegekend als moederschapsverlof en/of adoptieverlof, voert verzoeker aan dat hij als vader van een tweeling recht heeft op 20 dagen verlof, ongeacht via welke rechtsfiguur verzoeker de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft verkregen.
Full & Egal Universal Law Academy