2.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 295/85
Beroep ingesteld op 15 juli 2019 — Mead Johnson Nutrition (Asia Pacific) e.a./Commissie
(Zaak T-508/19)
(2019/C 295/111)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Mead Johnson Nutrition (Asia Pacific) Pte Ltd (Singapore, Singapore), MJN Global Holdings BV (Amsterdam, Nederland), Mead Johnson BV (Nijmegen, Nederland), Mead Johnson Nutrition Co. (Chicago, Illinois, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: C. Quigley, QC, M. Whitehouse en P. Halford, Solicitors)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit C(2018) 7848, of subsidiair nietigverklaring van de artikelen 1, 2 en 5 van het bestreden besluit voor zover zij betrekking hebben op verzoeksters;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van verzoeksters.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep tot nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van het bestreden besluit en, voor zover terugvordering van verzoeksters wordt gelast, van artikel 5, leden 1 en 2, van het bestreden besluit, voeren verzoeksters zes middelen aan.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft de relevante bepalingen van de Income Tax Act of 2010 (wet op de inkomstenbelastingen; hierna: „ITA 2010”) kennelijk onjuist beoordeeld.
2.
Tweede middel: de Commissie heeft het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door de niet-heffing van belasting op niet-zakelijke royalty’s onder de regeling van ITA 2010 aan te merken als een „afwijking”, „vrijstelling” of „impliciete vrijstelling” van de vennootschapsbelastingregeling van Gibraltar die heeft geleid tot een staatssteunregeling in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, terwijl de niet-heffing van belasting op niet-zakelijke royalty’s een geldige keuze vormt binnen de fiscale en economische soevereiniteit van Gibraltar.
3.
Derde middel: de Commissie heeft het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door geen economisch voordeel in de zin en strekking van artikel 107, lid 1, VWEU te zien in de niet-heffing van belasting op niet-zakelijke royalty’s onder de regeling van ITA 2010.
4.
Vierde middel: de Commissie heeft het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door de niet-heffing van belasting op niet-zakelijke royalty’s onder de regeling van ITA 2010 ten onrechte aan te merken als een selectief voordeel in de zin en strekking van artikel 107, lid 1, VWEU.
5.
Vijfde middel: de Commissie heeft het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt doordat de Commissie, hoewel volgens haar geen sprake is van een selectief voordeel, gesteld dat er toch een selectief voordeel zou bestaan, heeft verklaard dat dit voordeel ook zou zien op de niet-heffing van belasting op royalty’s die niet daadwerkelijk zijn ontstaan in of afkomstig zijn uit Gibraltar (zoals het geval is voor verzoeksters).
6.
Zesde middel: de Commissie heeft het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door de vermeende steun als nieuwe steun aan te merken, in plaats van bestaande steun.
Voorts voeren verzoeksters ter ondersteuning van hun beroep tot nietigverklaring van artikel 2 van het bestreden besluit en, voor zover terugbetaling van verzoeksters wordt gelast, van artikel 5, leden 1 en 2, van het bestreden besluit vier middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 108, lid 2, VWEU en van artikel 6 van de procedureverordening.
2.
Tweede middel: de fiscale ruling van 2012 voor verzoeksters was in overeenstemming met de regeling van ITA 2010 en vormde geen individuele staatssteun.
3.
Derde middel: de Commissie heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt wat betreft de betekenis en de werking van de fiscale ruling van 2012.
4.
Vierde middel: misbruik van bevoegdheid door de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy