28.10.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 363/18
Beroep ingesteld op 18 juli 2019 – DI/ECB
(Zaak T-514/19)
(2019/C 363/26)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: DI (vertegenwoordiger: L Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank (ECB)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
nietig te verklaren het besluit van de raad van bestuur van de ECB om haar zonder inachtneming van de opzegtermijn tuchtrechtelijk ontslag te verlenen;
—
nietig te verklaren het besluit van de raad van bestuur van de ECB van 25 juni 2019 houdende weigering om de tuchtprocedure te heropenen na de beëindiging van de strafprocedure;
—
dientengevolge, te gelasten dat zij met ingang van 11 mei 2019 opnieuw in dienst wordt genomen met alle daaraan verbonden financiële aanspraken en met voldoende publiciteit om haar goede naam te herstellen;
—
in elk geval, vergoeding te gelasten van de door haar geleden immateriële schade, welke ex aequo et bono wordt begroot op 20 000 EUR:
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij negen middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan de onbevoegdheid van degene die de betwiste maatregelen heeft getroffen.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 8.3.2. van de regels voor het personeel van de ECB, daar de tuchtprocedure is ingeleid nadat de tijd was verstreken.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van het beginsel dat met de inleiding van een tuchtprocedure die het gevolg is van een strafprocedure, moet worden gewacht tot de strafprocedure is beëindigd alsmede schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht.
4.
Vierde middel, ontleend aan het feit dat het tuchtcomité de grenzen van zijn taak heeft overschreden. Er is sprake van schending van artikel 8.3.7 van de regels voor het personeel van de ECB en van het beginsel van onpartijdigheid zoals neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de EU.
5.
Vijfde middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling.
6.
Zesde middel, ontleend aan schending van het vermoeden van onschuld en van artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de EU.
7.
Zevende middel, ontleend aan schending van het beginsel dat tuchtprocedures binnen een redelijke termijn moeten worden gevoerd en niet-nakoming van de zorgplicht.
8.
Achtste middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht.
9.
Negende, subsidiair aangevoerd middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel.
Full & Egal Universal Law Academy