30.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 328/62
Beroep ingesteld op 19 juli 2019 — Homoki/Commissie
(Zaak T-517/19)
(2019/C 328/71)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Andrea Homoki (Gyál, Hongarije) (vertegenwoordiger: T. Hüttl, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
besluit OCM(2019) 7991-04/04/2019 (olaf.c.4[2019] 8720), dat op 4 april 2019 door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (hierna: „OLAF”) is vastgesteld in zaak OF/2015/0034/B4, en besluit OCM(2019) 11506-22/05/2019 (olaf.c.4[2019] 12610), dat op 22 mei 2019 is vastgesteld in dezelfde zaak, nietig te verklaren overeenkomstig artikel 264 van de geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (1), en overeenkomstig artikel 264, tweede alinea, VWEU de gedeelten van de bestreden besluiten te bevestigen die strekken tot bescherming van de identiteit van de informanten en de vertrouwelijkheid van de interne nota en de werkdocumenten van OLAF;
—
verweerster overeenkomstig artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te verwijzen in de kosten van verzoekster.
Middelen en voornaamste argumenten
Bij het eerste bestreden besluit weigerde OLAF verzoekster inzage van het rapport van OLAF over de investering van Elios Innovatív Zrt. in straatverlichting (zaak OF/2015/0034/B4 van OLAF). Bij het tweede bestreden besluit wees OLAF verzoeksters confirmatief verzoek af.
Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring van de bestreden besluiten voert verzoekster acht middelen aan.
1.
Bescherming van de grondrechten
—
Inzage van het opgevraagde document is een aspect van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie dat verzoekster toekomt krachtens artikel 11 van het Handvest van de grondrechten. Volgens verzoekster is verweerster bij haar beslissing om inzage van het betrokken document te weigeren, voorbijgegaan aan de in het Handvest van de grondrechten neergelegde toetsing aan de grondrechten. Verweerster heeft geen rekening gehouden met de grondrechten, en heeft verzoeksters recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie onevenredig beperkt.
2.
Geen algemeen vermoeden van een verbod op inzage
—
Volgens verzoekster is het algemene vermoeden dat er een verbod van inzage van OLAF-documenten geldt, wederrechtelijk. Zij stelt dat het grondrecht op inzage van documenten niet op een zodanige manier kan worden uitgehold dat het orgaan dat het recht toepast alle documenten die door een van de instellingen worden opgesteld (in casu OLAF), van de algemene regel van openbaarheid uitsluit zonder dat de opgevraagde gegevens inhoudelijk worden onderzocht.
3.
Geen verplichting van vertrouwelijkheid
—
Verzoekster stelt dat OLAF de volledige toegang tot het document heeft geweigerd met een beroep op de vertrouwelijkheidsplicht. Een beperking die ertoe leidt dat op basis van die plicht het volledige dossier betreffende het onderzoek van OLAF aan de openbaarheid wordt onttrokken, is disproportioneel, aangezien het recht van de burgers van de Unie om documenten van de Europese instellingen in te zien, zo volledig wordt uitgehold.
4.
Recht op inzage
—
Volgens verzoekster is het onverenigbaar met de algemene regel van openbaarheid dat het orgaan dat het recht toepast inzage van bepaalde documenten enkel dan verleent als de verzoeker het vermoeden van een verbod op inzage met een dwingende reden van algemeen belang weerlegt. Naar de mening van verzoekster dient het orgaan dat de gegevens verwerkt, aan te tonen dat er sprake is van een uitzondering die een beperking van de openbaarmaking rechtvaardigt.
5.
Gebrek aan motivering wat betreft druk van buitenaf en bescherming van het besluitvormingsproces
—
Verzoekster stelt dat, wat de uitoefening van het recht van inzage betreft, verweerster geen individuele beoordeling heeft verricht en niet inhoudelijk heeft gemotiveerd welk van de opgevraagde gegevens concreet onontbeerlijk was voor het lopende besluitvormingsproces.
6.
Gebrek aan motivering wat betreft de bescherming van commerciële belangen
—
Volgens verzoekster heeft verweerster niet aangetoond dat het verlenen van inzage de commerciële belangen van natuurlijke of rechtspersonen in gevaar zou brengen. Een hypothetisch gevaar, waarvan het bestaan niet is aangetoond, kan het grondrecht van degene die de gegevens opvraagt op kennisneming en bekendmaking van gegevens van algemeen belang niet uithollen.
7.
Rechtvaardiging van de doorgifte van persoonsgegevens om vaststaande redenen van openbaar belang
—
Volgens verzoekster is verweersters argument inzake de bescherming van persoonsgegevens onrechtmatig, aangezien in het kader van de verlening van een openbare dienst en het gebruik van overheidsgelden de bescherming van persoonsgegevens slechts beperkt geldt. Verder heeft verweerster verzoekster er niet van in kennis gesteld dat zij de mogelijkheid om kennis te krijgen van persoonsgegevens om redenen van algemeen belang, had moeten aantonen.
8.
Hoger openbaar belang bij bekendmaking van de opgevraagde documenten
—
Verzoekster stelt dat er een hoger openbaar belang bestaat bij bekendmaking van het opgevraagde document. Dat is volgens haar zo omdat niet valt te verwachten dat de Hongaarse autoriteiten een ter zake dienend onderzoek instellen naar de ernstige misbruiken die door OLAF zijn vastgesteld. Volgens verzoekster kan in dat opzicht alleen bekendmaking een efficiënt instrument zijn.
(1) PB 2010, C 83, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy