9.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/67
Beroep ingesteld op 19 juli 2019 — Haswani/Raad
(Zaak T-521/19)
(2019/C 305/77)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: George Haswani (Yabroud, Syrië) (vertegenwoordiger: G. Karouni, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
besluit (GBVB) 2016/850 van de Raad van 27 mei 2016 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2016/840 van de Raad van 27 mei 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren;
—
besluit (GBVB) 2017/917 van de Raad van 29 mei 2017 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2017/907 van de Raad van 29 mei 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren;
—
uitvoeringsbesluit (GBVB) 2017/1245 van de Raad van 10 juli 2017 houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2017/1241 van de Raad van 10 juli 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren;
—
besluit (GBVB) 2018/778 van de Raad van 28 mei 2018 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2018/774 van de Raad van 28 mei 2018 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren;
—
besluit (GBVB) 2019/806 van de Raad van 17 mei 2019 tot wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2019/798 van de Raad van 17 mei 2019 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren;
—
en dientengevolge,
—
bevelen dat de naam van George Haswani wordt geschrapt van de bijlagen bij genoemde handelingen;
—
de Raad veroordelen tot betaling van het bedrag van 100 000 EUR voor verzoekers morele schade;
—
de Raad verwijzen in zijn eigen kosten en in de door verzoeker gemaakte kosten waarvan hij in de loop van de procedure het bewijs zal overleggen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de in artikel 296, tweede alinea, VWEU verankerde motiveringsplicht. Verzoeker verwijt de Raad van de Europese Unie dat hij zich heeft beperkt tot vage en algemene overwegingen, zonder de specifieke en concrete redenen aan te geven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid zich op het standpunt heeft gesteld dat de beperkende maatregelen in kwestie ten aanzien van verzoeker moeten worden vastgesteld. Zo heeft de Raad geen concrete en objectieve gegevens aangevoerd die aan verzoeker worden verweten en die de maatregelen in kwestie kunnen rechtvaardigen.
2.
Tweede middel: schending van het evenredigheidsbeginsel bij de schending van de grondrechten. Verzoeker voert aan dat de litigieuze maatregel ongeldig moet worden verklaard aangezien deze niet evenredig is met het gestelde doel en een buitensporige inmenging vormt in de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom, die respectievelijk in de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn verankerd. De onevenredigheid is het gevolg van het feit dat die maatregel betrekking heeft op alle belangrijke economische activiteiten, zonder dat enig ander criterium wordt toegepast.
3.
Derde middel: kennelijk onjuiste beoordeling en ontbreken van bewijzen. Volgens vaste rechtspraak vereist de doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing met name dat de Unierechter bij de toetsing van de wettigheid van de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een bepaalde persoon op de lijsten van personen tegen wie sancties zijn genomen, zich ervan vergewist dat dit besluit berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Volgens verzoeker moeten de verklaringen van de Raad zowel wat betreft de „nauwe banden met het […] regime” als wat betreft een vermeende rol als tussenpersoon bij olieovereenkomsten tussen het regime en ISIL definitief worden afgewezen omdat zij volstrekt ongegrond zijn en er geen feitelijke grondslag voor bestaat.
4.
Vierde middel: verzoek tot schadevergoeding, aangezien verzoeker en zijn gezin aan gevaar worden blootgesteld doordat hem ernstige doch niet bewezen feiten ten laste worden gelegd. Dit toont aan hoe aanzienlijk de geleden schade is wat zijn schadeverzoek rechtvaardigt.
Full & Egal Universal Law Academy