21.10.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 357/36
Beroep ingesteld op 22 juli 2019 – Adeso/Commissie
(Zaak T-529/19)
(2019/C 357/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: African Development Solutions (Adeso) (Nairobi, Kenia) (vertegenwoordigers: R. Martens, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het bestreden besluit, te weten het besluit van de Commissie van 10 mei 2019, in zijn geheel nietig verklaren en bijgevolg vaststellen dat de in verband met de subsidieovereenkomsten FED/2013/313-770 en FED/2013/316-291 ingestelde vorderingen tot terugbetaling van respectievelijk 3 298 703,59 EUR en 11 919,40 EUR ongegrond zijn;
—
verweerster verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
1.
Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het beginsel van behoorlijk bestuur is vastgelegd: het recht om te worden gehoord en het rechtszekerheidsbeginsel zijn kennelijk veronachtzaamd doordat de Commissie, ondanks de vele door verzoekster opgeworpen gegronde zorgen over het litigieuze controleverslag en de diverse verzoeken om een bijeenkomst ter toelichting van deze belangrijke onafgedane kwesties, dergelijke bijeenkomsten heeft geweigerd, terwijl volgens vaste rechtspraak het recht om te worden gehoord algemeen dient te worden geëerbiedigd en de naleving ervan een voorwaarde is voor de rechtmatigheid van elke door de EU-instellingen genomen beslissing, zodat het altijd in elke soort procedure in acht moet worden genomen.
2.
Het tweede middel is ontleend aan schending van het beginsel van evenredigheid, billijkheid en goede trouw zoals vastgelegd in artikel 5, lid 4, VEU doordat verweerster, door onmiddellijk terugbetaling te vorderen zonder verzoekster in de gelegenheid te stellen een geëigende verklaring te geven voor de litigieuze controlebevindingen door middel van een uitvoerig antwoord over het beheer en door middel van het houden van de voorgestelde bijeenkomsten, niet te goeder trouw heeft gehandeld en de grenzen heeft overschreden van wat passend en noodzakelijk is, aangezien het voldoende had kunnen zijn om eerst een behoorlijke minnelijke schikking te treffen, zoals voorgeschreven in de algemene voorwaarden van de subsidieovereenkomst. Het was dus ter motivering van verweersters beslissing noch noodzakelijk noch essentieel om voorbij te gaan aan verzoeksters verzoek om in de eerste plaats een minnelijke schikking te treffen. Dit is geheel in strijd met het evenredigheidbeginsel dat meebrengt dat bij meerdere geschikte maatregelen, zoals in casu het geval is, de minst ingrijpende en belastende maatregelen moeten worden gekozen (quod non).
Full & Egal Universal Law Academy