7.10.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 337/9
Beroep ingesteld op 30 juli 2019 – Sharif/Raad
(Zaak T-540/19)
(2019/C 337/10)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Ammar Sharif (Damascus, Syrië) (vertegenwoordigers: J.P. Buyle en L. Cloquet, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit (GBVB) 2019/806 van de Raad van 17 mei 2019 tot wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, voor zover het verzoeker betreft;
—
nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2019/798 van de Raad van 17 mei 2019 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, voor zover zij verzoeker betreft;
—
verwijzing van de Raad in alle kosten van de instantie, waaronder begrepen de kosten van verzoeker.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan.
1.
Eerste middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten. Verzoeker meent dat de Raad de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld door de maatregelen tegen hem te rechtvaardigen met de grond dat hij een „Vooraanstaande zakenman die in Syrië actief is” in de zin van de artikelen 27.2 (a) en 28.2. (a) van besluit 2013/255/GBVB is. Hij bestrijdt deze kwalificatie van „vooraanstaand zakenman” en het weerlegbare vermoeden van een band met het Syrische regime die uit de bestreden handelingen naar voren komt. Verzoeker stelt dat hij geen banden heeft met het Syrische regime.
Bovendien weerlegt verzoeker het weerlegbare vermoeden in de artikelen 27.2 (a) en 28.2 (a) van besluit 2013/255/GBVB overeenkomstig de artikelen 27.3 en 28.3 ervan door spontaan aan te tonen dat hij (i) geen banden heeft met het Syrische regime of die banden niet meer heeft, (ii) geen invloed daarop heeft en (iii) er geen reëel risico is dat hij de beperkende maatregelen van de Raad in het licht van de situatie in Syrië zal omzeilen.
Volgens verzoeker beoordeelt de Raad de feiten nog steeds kennelijk onjuist door geen rekening te houden met de weerlegging van dit vermoeden.
2.
Tweede middel: onevenredige schending van het eigendomsrecht en van het recht een beroepsactiviteit uit te oefenen. Verzoeker voert aan dat de Raad door middel van de sancties in strijd met het eerste aanvullende protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden onvermijdelijk zijn eigendomsrecht en zijn recht om zijn beroepsactiviteiten uit te oefenen heeft aangetast. Volgens verzoeker kan hem het ongestoord genot van zijn eigendom en van zijn economische vrijheid niet worden belet, zodat de bestreden maatregelen, voor zover zij hem betreffen, nietig moeten worden verklaard.
Full & Egal Universal Law Academy