28.10.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 363/22
Beroep ingesteld op 23 augustus 2019 – EJ/EIB
(Zaak T-585/19)
(2019/C 363/30)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: EJ (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Investeringsbank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren
en bijgevolg:
—
nietig te verklaren het besluit van 16 februari 2018 waarbij de retroactieve vergoeding van de vervoerskosten in verband met de ernstige ziekte van haar dochter is beperkt tot 18 maanden, en het besluit van 23 maart 2018 waarbij de retroactieve toekenning van de dubbele toelage voor een kind ten laste is beperkt tot 5 jaar;
—
voor zover nodig, het besluit van 14 mei 2019 tot bevestiging van die besluiten nietig te verklaren;
—
de geleden materiële en immateriële schade te vergoeden;
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 2.2.3 van de administratieve bepalingen en van artikel 1 van de vergoedingstabel van de ziektekostenregeling alsmede aan een kennelijk onjuiste beoordeling.
2.
Tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de zorgplicht en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
Verzoekster vraagt tevens om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van de dubbele toelage voor een kind ten laste voor de periode van 1 september 2007 tot en met 31 mei 2012 en tot betaling van de vervoerskosten die sinds 1 september 2007 tot en met 18 februari 2018 zijn gemaakt in verband met de ernstige ziekte van haar dochter. Over de verschuldigde bedragen moet vertragingsrente worden betaald tegen de rentevoet van de Europese Centrale Bank, vermeerderd met 2 punten. Ten slotte vraagt zij om vergoeding van haar immateriële schade, geraamd op 2 000 EUR.
Full & Egal Universal Law Academy