25.11.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 399/91
Beroep ingesteld op 30 september 2019 – Ferriere Nord/Commissie
(Zaak T-667/19)
(2019/C 399/111)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Ferriere Nord SpA (Osoppo, Italië) (vertegenwoordigers: W. Viscardini, G. Donà en B. Comparini, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
1.
Primair, overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, besluit C(2019) 4969 final van de Europese Commissie van 4 juli 2019 – betekend op 18 juli 2019 – waarbij verzoekster na een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (AT.37.956 - betonstaal) is veroordeeld tot betaling van een boete van 2 237 000 EUR, nietig te verklaren.
2.
Subsidiair, besluit C(2019) 4969 final gedeeltelijk nietig te verklaren en dientengevolge de boete te verlagen.
3.
In ieder geval, de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij elf middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de rechten van verdediging
—
Verzoekster voert in dit verband schending aan van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 14 en 27 van verordening nr. 1/2003 en de artikelen 11, 12, 13 en 14 van verordening nr. 773/2004, omdat de terechtzitting van 23 april 2018 geen einde heeft gemaakt aan de door het Hof van Justitie in zijn arrest van 21 september 2017 in zaak C-88/15 P bekritiseerde schending van wezenlijke vormvoorschriften.
2.
Tweede middel: schending van het ne bis in idem-beginsel
—
In dit verband wordt schending van artikel 50 van het Handvest aangevoerd, aangezien het Gerecht, ondanks het feit dat het arrest van het Hof van Justitie het arrest van het Gerecht op procedurele gronden heeft vernietigd en dientengevolge het eerdere besluit van de Commissie nietig heeft verklaard, toch uitspraak heeft gedaan over de door de Commissie aangevochten materiële feiten. De Commissie kon dus geen nieuw besluit vaststellen op basis van dezelfde feiten.
3.
Derde middel: onjuiste uitlegging en dus schending van de verplichting om de eerbiediging van het recht op behoorlijk bestuur en een redelijke duur van de procedure te waarborgen en ontoereikende motivering
—
Dienaangaande wordt betoogd dat de Commissie, gelet op de artikelen 41 en 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM, geen passende motivering heeft gegeven en in elk geval ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet verplicht was na te gaan of de duur van de procedure redelijk was en deze beoordeling aan de rechter kon overlaten.
4.
Vierde middel: schending van het beginsel van de redelijke duur van de procedure, bevoegdheidsoverschrijding en schending van de rechten van verdediging
—
Dienaangaande wordt betoogd dat de artikelen 41 en 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM zijn geschonden omdat de Commissie een inspectie- en sanctiebevoegdheid heeft gebruikt die zij niet meer had wegens de onredelijke duur van de procedure, los van de schade aan de rechten van de verdediging die het gevolg is van deze duur en die zich hoe dan ook heeft voorgedaan.
5.
Vijfde middel: ontoereikende of onjuiste motivering, bevoegdheidsoverschrijding, schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 EVRM
—
De Commissie heeft niet aangetoond dat zij een rechtmatig belang heeft bij een nieuwe vaststelling van het besluit. Dat besluit is dus het gevolg van een bevoegdheidsoverschrijding.
6.
Zesde middel: krachtens artikel 277 VWEU aangevoerde exceptie van onwettigheid van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 en uitdoving van de inspectie- en sanctiebevoegdheid
—
Er wordt aangevoerd dat artikel 25 van verordening nr. 1/2003 onwettig is omdat het in strijd is met het beginsel van de redelijke duur van de procedure en van het evenredigheidsbeginsel.
7.
Zevende middel: gedeeltelijke onrechtmatigheid van het besluit van 4 juli 2019 wat de grond van de bestreden handelingen betreft en schending van de algemene beginselen inzake bewijslast en het beginsel in dubio pro reo.
—
In dit verband wordt aangevoerd dat een aantal van de aan Ferriere Nord verweten handelingen, niet concurrentieverstorend is en in ieder geval niet door de Commissie is bewezen.
8.
Achtste middel: onrechtmatigheid van de verhoging van de geldboete wegens recidive omdat de rechten van verdediging zijn geschonden
—
De verhoging van de geldboete wegens recidive is onrechtmatig, aangezien de Commissie noch in de mededeling van de punten van bezwaar, noch in enige latere handeling van de procedure die tot de nieuwe vaststelling heeft geleid deze verzwarende omstandigheid heeft aangevochten, waardoor verzoekster zich op dit punt niet kon verdedigen.
9.
Negende middel: onrechtmatigheid van de verhoging van de geldboete wegens recidive omdat er overdreven veel tijd is verstreken en het evenredigheidsbeginsel is geschonden
—
In dit verband wordt betoogd dat, zelfs indien wordt aangenomen dat de periode tussen de vaststelling van een eerste inbreuk en de in het bestreden besluit aangevochten gedraging niet buitensporig is, er rekening mee moet worden gehouden dat op het tijdstip van de nieuwe vaststelling van het bestreden besluit 30 jaar was verstreken sinds de vaststelling van de eerste inbreuk.
10.
Tiende middel: onrechtmatigheid van de verhoging van de geldboete wegens recidive omdat het bedrag buitensporig is en de motivering ontoereikend is
—
In dit verband wordt aangevoerd dat een verhoging van de boete met 50 % wegens recidive niet gerechtvaardigd is, niet in het minst gezien de abnormale duur van de procedure.
11.
Elfde middel: schending van het gelijkheidsbeginsel bij de verlaging van de geldboete wegens verzachtende omstandigheden
—
Volgens verzoekster is de verlaging, op basis van verzachtende omstandigheden, van de aan haar opgelegde geldboete ontoereikend, aangezien zij verhoudingsgewijs lager is dan die welke om dezelfde reden aan een andere onderneming is toegekend.
Full & Egal Universal Law Academy