Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de
inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn
authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document
►B UITVOERINGSVERORDE NING (EU) 2016/799 VAN DE COMMISSIE
van 18 maart 2016
tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot
vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie
van tachografen en tachograafonderdelen
(Voor de EER relevante tekst)
(PB L 139 van 26.5.2016, blz. 1)
Gewijzigd bij:
Publicatieblad
nr. blz. datum
►M1 Uitvoeringsverordening (EU) 2018/502 van de Commissie van
28 februari 2018
L 85 1 28.3.2018
►M2 Uitvoeringsverordening (EU) 2020/158 van de Commissie van
5 februari 2020
L 34 20 6.2.2020
►M3 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1228 van de Commissie van 16 juli
2021
L 273 1 30.7.2021
►M4 Uitvoeringsverordening (EU) 2023/980 van de Commissie van 16 mei
2023
L 134 28 22.5.2023
Gerectificeerd bij:
►C1 Rectificatie PB L 146 van 3.6.2016, blz. 31 (2016/799)
►C2 Rectificatie PB L 27 van 1.2.2017, blz. 169 (2016/799)
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 2
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/799 VAN DE
COMMISSIE
van 18 maart 2016
tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees
Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de
constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie
van tachografen en tachograafonderdelen
(Voor de EER relevante tekst)
Artikel 1
Onderwerp en werkingssfeer
1. Bij deze verordening worden de regels vastgesteld die noodzake
lijk zijn voor de uniforme toepassing van de volgende aspecten betref
fende tachografen:
a) registratie van de positie van het voertuig op bepaalde momenten
tijdens de dagelijkse werktijd van de bestuurder;
b) vroegtijdige detectie op afstand van eventueel manipulatie of mis
bruik van slimme tachografen;
c) interface met intelligente vervoerssystemen;
d) de administratieve en technische eisen voor de typegoedkeuringspro
cedure voor tachografen, met inbegrip van de beveiligingsmechanis
men.
▼M1
2. Bij de constructie, het testen, de installatie, de inspectie, de ex
ploitatie en de reparatie van slimme tachografen en hun onderdelen
moeten de in bijlage IC bij deze verordening vastgestelde technische
eisen in acht worden genomen.
3. Voor de constructie, het testen, de installatie, de inspectie, de
exploitatie en de reparatie van andere tachografen dan slimme tachogra
fen blijven de eisen van bijlage I van Verordening (EU) nr. 165/2014 of
bijlage IB bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad ( 1 ) van
toepassing.
▼B
4. Overeenkomstig artikel 10 quinquies van Richtlijn 96/53/EG moet
het systeem voor de vroegtijdige detectie op afstand de gewichtsgege
vens die door de interne weegapparatuur van het voertuig worden ge
genereerd, doorsturen met het oog op de vroegtijdige detectie van
fraude.
▼M1
5. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van Richt
lijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ).
▼B
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van ar
tikel 2 van Verordening (EU) nr. 165/2014.
▼B
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betref
fende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370 van 31.12.1985,
blz. 8).
( 2 ) Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april
2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake
het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn
1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62)
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 3
Bovendien wordt verstaan onder:
1) „digitale tachograaf” of „tachograaf van de eerste generatie”: een
andere digitale tachograaf dan een slimme tachograaf;
2) „extern GNSS-systeem”: het systeem dat de GNSS-ontvanger bevat
wanneer de voertuigunit uit meer dan één unit bestaat, alsmede de
andere onderdelen die nodig zijn voor de bescherming van de naar
de rest van de voertuigunit doorgestuurde plaatsbepalingsgegevens;
▼M1
3) „informatiebrochure”: de volledige papieren of elektronische bro
chure met alle informatie die door de fabrikant of zijn gemachtigde
is meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie met het oog op de
typegoedkeuring van een tachograaf of tachograafonderdeel, met
inbegrip van de certificaten als bedoeld in artikel 12, lid 3, van
Verordening (EU) nr. 165/2014, de uitvoering van de in bijlage IC
bij deze verordening gedefinieerde testen, alsmede schema's, afbeel
dingen en andere documenten;
▼B
4) „informatiepakket”: de papieren of elektronische informatiebro
chure, vergezeld van de andere tijdens de uitoefening van haar
functies door de typegoedkeuringsinstantie aan de informatiebro
chure toegevoegde documenten, waaronder het na afloop van de
typegoedkeuringsprocedure afgegeven EG-typegoedkeuringscertifi
caat van de tachograaf of het tachograafonderdeel;
5) „index bij het informatiepakket”: het document met een lijst van de
genummerde inhoud van het informatiepakket en een overzicht van
alle relevante delen van dat pakket. In het opzet van dit document
wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende stappen van
de EG-typegoedkeuringsprocedure, met vermelding van de data
waarop het pakket eventueel is herzien of bijgewerkt;
6) „systeem voor vroegtijdige detectie op afstand”: de apparatuur van
de voertuigunit die voor de uitvoering van wegcontroles wordt
gebruikt;
▼M1
7) „slimme tachograaf” of „tachograaf van de tweede generatie”: een
digitale tachograaf die voldoet aan de artikelen 8, 9 en 10 van
Verordening (EU) nr. 165/2014 en aan bijlage IC bij deze
verordening;
8) „tachograafonderdeel”: een van de volgende elementen: de voer
tuigunit, de bewegingssensor, het registratieblad, het externe
GNSS-systeem en het externe systeem voor vroegtijdige detectie
op afstand;
▼B
9) „typegoedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die be
voegd is voor de typegoedkeuring van tachografen of tachograaf
onderdelen, de goedkeuringsprocedure, de afgifte en desgevallend
intrekking van typegoedkeuringscertificaten, die optreedt als aan
spreekpunt voor de typegoedkeuringsinstanties van andere lidstaten
en die erop toeziet dat fabrikanten hun verplichtingen op grond van
deze verordening nakomen ;
▼M1
10) „voertuigunit”: de tachograaf, met uitzondering van de bewegings
opnemer en de kabels waarmee de bewegingsopnemer is
aangesloten.
Het kan gaan om één unit of om meerdere units die zich op
verschillende plaatsen in het voertuig bevinden, en omvat een ver
werkingseenheid, een geheugen, een tijdmetingsfunctie, twee
smartcard-interfaces voor de bestuurder en bijrijder, een printer,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 4
een display, connectoren en voorzieningen voor de invoer van de
gebruikersgegevens, een GNSS-ontvanger en een systeem voor
communicatie op afstand.
De voertuigunit kan uit de volgende onderdelen bestaan, voor zover
deze over een typegoedkeuring beschikken:
— voertuigunit, als afzonderlijk onderdeel (met inbegrip van een
GNSS-ontvanger en een systeem voor communicatie op af
stand),
— hoofdbehuizing van de voertuigunit (met inbegrip van een sys
teem voor communicatie op afstand), en een externe
GNSS-module,
— hoofdbehuizing van de voertuigunit (met inbegrip van een
GNSS-ontvanger), en een extern systeem voor communicatie
op afstand,
— hoofdbehuizing van de voertuigunit, extern GNSS-systeem, en
extern systeem voor communicatie op afstand.
Als de voertuigunit is samengesteld uit meerdere in het voertuig
verspreide units, moeten de verwerkingseenheid, het geheugen en
de tijdsmetingsfunctie zich in de hoofdbehuizing bevinden.
„voertuigunit (VU)” wordt gebruikt voor „voertuigunit” of „hoofd
behuizing van de voertuigunit”.
▼B
Artikel 3
Locatiegebaseerde diensten
1. De fabrikanten zorgen ervoor dat slimme tachografen compatibel
zijn met de plaatsbepalingsdiensten die worden aangeboden door Gali
leo en de European Geostationary Navigation Overlay Service (Egnos).
2. Boven op de in de eerste alinea genoemde diensten mogen fabri
kanten ook de compatibiliteit met andere satellietnavigatiesystemen
waarborgen.
Artikel 4
Procedure voor de typegoedkeuring van tachografen en
tachograafonderdelen
1. Een fabrikant of zijn gemachtigde dient een aanvraag voor de
typegoedkeuring van een tachograaf, tachograafonderdeel of groep on
derdelen in bij de door elke lidstaat aangewezen typegoedkeurings
instanties. Deze aanvraag omvat een informatiebrochure met informatie
over alle onderdelen, waaronder desgevallend de typegoedkeuringscer
tificaten van andere onderdelen die deel uitmaken van de volledige
tachograaf, alsmede alle andere relevante documenten.
2. Een lidstaat verleent een typegoedkeuring voor een tachograaf,
tachograafonderdeel of groep onderdelen die, naargelang het geval, vol
doet aan de administratieve en technische eisen als bedoeld in artikel 1,
lid 2 of 3. In dat geval verleent de typegoedkeuringsinstantie de aan
vrager een typegoedkeuringscertificaat dat overeenstemt met het model
in bijlage II bij deze verordening.
3. De typegoedkeuringsinstantie kan de fabrikant of zijn gemachtigde
om aanvullende informatie verzoeken.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 5
4. De fabrikant of zijn gemachtigde stelt voldoende tachografen of
tachograafonderdelen ter beschikking van de typegoedkeuringsinstanties
en de met de afgifte van de in artikel 12, lid 3, van Verordening (EU)
nr. 165/2014 bedoelde certificaten belaste instanties om de typegoed
keuringsprocedure correct te kunnen uitvoeren.
5. Een fabrikant of zijn gemachtigde die een typegoedkeuring van
bepaalde tachograafonderdelen of groepen onderdelen aanvraagt, zorgt
ervoor dat de typegoedkeuringsinstanties kunnen beschikken over de
andere reeds goedgekeurde tachograafonderdelen, alsmede over alle an
dere onderdelen die nodig zijn om een volledige tachograaf samen te
stellen, zodat de instanties de nodige tests kunnen uitvoeren.
Artikel 5
Wijzigingen van typegoedkeuringen
1. De fabrikant of zijn gemachtigde stelt de typegoedkeuringsinstan
tie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, onverwijld in
kennis van alle wijzigingen aan de software of hardware van de tacho
graaf of de aard van de in het informatiepakket vermelde materialen
waaruit de tachograaf is vervaardigd, en dient een verzoek tot wijziging
van de typegoedkeuring in.
2. De typegoedkeuringsinstanties kunnen een bestaande typegoed
keuring herzien of verlengen, dan wel een nieuwe afgeven in het licht
van de aard en kenmerken van de wijzigingen.
Een typegoedkeuring wordt „herzien” wanneer de typegoedkeurings
instantie van oordeel is dat de wijzigingen aan de software of hardware
van de tachograaf of aan de aard van de materialen waaruit deze is
vervaardigd, minimaal zijn. In dergelijke gevallen stelt de typegoedkeu
ringsinstantie herziene documenten van het informatiepakket op met
vermelding van de aard van de wijzigingen en van de datum waarop
ze zijn goedgekeurd. Om aan deze eis te voldoen, volstaat een gecon
solideerde bijgewerkte versie van het informatiepakket met een nauw
keurige beschrijving van de aangebrachte wijzigingen.
Een typegoedkeuring wordt „verlengd” wanneer de typegoedkeurings
instantie van oordeel is dat de wijzigingen aan de software of hardware
van de tachograaf of aan de aard van de materialen waaruit deze is
vervaardigd, significant zijn. In dergelijke gevallen kan zij eisen dat
nieuwe testen worden uitgevoerd en stelt zij de fabrikant of zijn ge
machtigde daarvan in kennis. Indien deze testen naar wens verlopen,
geeft de typegoedkeuringsinstantie een herzien typegoedkeuringscertifi
caat af, met een nummer dat naar de toegestane verlenging verwijst. De
typegoedkeuringsinstantie vermeldt de reden voor de verlenging en de
datum van afgifte.
3. In de index van het informatiepakket wordt de datum van de
jongste verlenging of herziening van de typegoedkeuring vermeld, dan
wel de datum van de jongste geconsolideerde of bijgewerkte versie van
de typegoedkeuring.
4. Een nieuwe typegoedkeuring is noodzakelijk wanneer op basis van
de gevraagde aanpassingen van de goedgekeurde tachograaf of tacho
graafonderdelen een nieuw beveiligings- of interoperabiliteitscertificaat
moet worden afgegeven.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 6
Artikel 6
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de
bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 2 maart 2016.
▼M1
Bijlage IC is evenwel van toepassing met ingang van 15 juni 2019, met
uitzondering van aanhangsel 16, dat met ingang van 2 maart 2016 van
toepassing is.
▼B
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks
toepasselijk in elke lidstaat.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 7
BIJLAGE I C
Constructie-, test-, installatie- en controlevoorschriften
INLEIDING
1 DEFINITIES
2 ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CON
TROLEAPPARAAT
2.1 Algemene kenmerken
2.2 Functies
2.3 Werkingsmodi
2.4 Beveiliging
3 CONSTRUCTIE EN FUNCTIONELE EISEN VOOR CONTRO
LEAPPARATEN
3.1 Controle op het inbrengen en uitnemen van kaarten
3.2 Meting van snelheid, positie en afstand
3.2.1 Meting van de afgelegde afstand
3.2.2 Meting van de snelheid
3.2.3 Bepalen van de positie
3.3 Tijdmeting
3.4 Controle op activiteiten van bestuurders
3.5 Controle op de status van bestuurders
3.6 Invoer door bestuurders
3.6.1 Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode
3.6.2 Manuele invoer van bestuurdersactiviteiten en toestemming van de
bestuurder voor de ITS-interface
3.6.3 Invoer van specifieke omstandigheden
▼M3
3.6.4 Invoeren van laad- en losverrichtingen
▼B
3.7 Beheer van bedrijfsvergrendelingen
3.8 Bewaken van controleactiviteiten
3.9 Opsporing van voorvallen en/of fouten
3.9.1 „Inbrengen van een ongeldige kaart”
3.9.2 „Kaartconflict”
3.9.3 „Tijdsoverlapping”
3.9.4 „Rijden zonder geschikte kaart”
3.9.5 „Inbrengen van de kaart tijdens het rijden”
3.9.6 „Laatste kaartsessie niet correct afgesloten”
3.9.7 „Snelheidsoverschrijding”
3.9.8 „Onderbreking van de stroomvoorziening”
3.9.9 „Communicatiefout met het systeem voor communicatie op afstand”
3.9.10 „Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger”
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 8
3.9.11 „Fout in communicatie met de externe GNSS-module”
3.9.12 „Fout in de bewegingsgegevens”
3.9.13 „Tegenstrijdige bewegingsgegevens”
3.9.14 „Poging tot inbreuk op de beveiliging”
3.9.15 „Tijdsoverlapping”
3.9.16 „Kaartfout”
3.9.17 „Controleapparaatfout”
▼M3
3.9.18 GNSS-storing
▼B
3.10 Ingebouwde tests en zelftests
3.11 Lezen van het geheugen
3.12 Registratie en opslag in het geheugen
3.12.1 Identificatiegegevens van de uitrusting
3.12.1.1 Identificatiegegevens van de voertuigunit
3.12.1.2 Identificatiegegevens van de bewegingssensor
3.12.1.3 Identificatiegegevens GNSS-systemen
3.12.2 Sleutels en certificaten
3.12.3 Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurders- of
werkplaatskaart
3.12.4 Gegevens over activiteiten van de bestuurder
▼M1
3.12.5 Plaatsen en posities waar de dagelijkse werktijd begint, eindigt
en/of waar een cumulatieve rijtijd van 3 uur wordt bereikt
▼B
3.12.6 Gegevens over de kilometerstand
3.12.7 Gedetailleerde snelheidsgegevens
3.12.8 Gegevens over voorvallen
3.12.9 Gegevens over fouten
3.12.10 Kalibreringsgegevens
3.12.11 Tijdafstellingsgegevens
3.12.12 Gegevens over controleactiviteiten
3.12.13 Gegevens over bedrijfsvergrendelingen
3.12.14 Gegevens over overdrachtactiviteiten
3.12.15 Gegevens over specifieke omstandigheden
3.12.16 Gegevens tachograafkaart
▼M3
3.12.17 Grensoverschrijdingen
3.12.18 Laden en lossen
3.12.19 Digitale kaart
▼B
3.13 Lezen van de tachograafkaart
3.14 Registratie en opslag op een tachograafkaart
3.14.1 Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de eerste generatie
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 9
3.14.2 Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de tweede gene
ratie
3.15 Weergave
3.15.1 Standaarddisplay
3.15.2 Waarschuwingsdisplay
3.15.3 Toegang tot het menu
3.15.4 Overige displays
3.16 Afdrukken
3.17 Waarschuwingen
3.18 Downloaden van gegevens met externe media
3.19 Communicatie op afstand met het oog op gerichte wegcontroles
▼M3
3.20 Gegevensuitwisseling met aanvullende externe apparaten
▼B
3.21 Kalibrering
3.22 Kalibreringscontrole langs de weg
3.23 Tijdafstelling
3.24 Prestatiekenmerken
3.25 Materialen
3.26 Opschriften
▼M3
3.27 Monitoring van grensoverschrijdingen
3.28 Software-updates
▼B
4 FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN VOOR TACHO
GRAAFKAARTEN
4.1 Zichtbare gegevens
4.2 Beveiliging
4.3 Normen
4.4 Milieu- en elektrotechnische specificaties
4.5 Opslag van gegevens
4.5.1 Hoofdbestanden voor identificatie en kaartbeheer
4.5.2 IC-kaartidentificatie
4.5.2.1 Chipidentificatie
4.5.2.2 DIR (alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede genera
tie)
4.5.2.3 ATR-informatie (voorwaardelijk, alleen aanwezig in tachograaf
kaarten van de tweede generatie)
4.5.2.4 Uitgebreide informatie (voorwaardelijk, alleen aanwezig in tacho
graafkaarten van de tweede generatie)
4.5.3 Bestuurderskaart
4.5.3.1 Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de
eerste en tweede generatie)
4.5.3.1.1 Toepassingsidentificatie
4.5.3.1.2 Sleutels en certificaten
4.5.3.1.3 Identificatie van de kaart
4.5.3.1.4 Identificatie van de kaarthouder
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 10
4.5.3.1.5 Kaartgegevens downloaden
4.5.3.1.6 Informatie over het rijbewijs
4.5.3.1.7 Gegevens over voorvallen
4.5.3.1.8 Gegevens over fouten
4.5.3.1.9 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
4.5.3.1.10 Gegevens over de gebruikte voertuigen
4.5.3.1.11 Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen
4.5.3.1.12 Gegevens over kaartsessies
4.5.3.1.13 Gegevens over controleactiviteiten
4.5.3.1.14 Gegevens over specifieke omstandigheden
4.5.3.2 Toepassing tachograaf van de 2de generatie (niet toegankelijk voor
voertuigunits van de eerste generatie)
4.5.3.2.1 Toepassingsidentificatie
▼M3
4.5.3.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie
1 van voertuigunits van de tweede generatie
▼B
4.5.3.2.2 Sleutels en certificaten
4.5.3.2.3 Identificatie van de kaart
4.5.3.2.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.3.2.5 Kaartgegevens downloaden
4.5.3.2.6 Informatie over het rijbewijs
4.5.3.2.7 Gegevens over voorvallen
4.5.3.2.8 Gegevens over fouten
4.5.3.2.9 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
4.5.3.2.10 Gegevens over de gebruikte voertuigen
4.5.3.2.11 Plaatsen en posities waar de dagelijkse werkperioden beginnen
en/of eindigen
4.5.3.2.12 Gegevens over kaartsessies
4.5.3.2.13 Gegevens over controleactiviteiten
4.5.3.2.14 Gegevens over specifieke omstandigheden
4.5.3.2.15 Gegevens over de gebruikte voertuigunits
▼M1
4.5.3.2.16 Plaats en tijdstip cumulatieve rijtijd van drie uur
▼M3
4.5.3.2.17 Authenticatiestatus voor de posities in verband met de plaatsen
waar de dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt (niet toegan
kelijk door versie 1 van voertuigunits van de tweede generatie)
4.5.3.2.18 Authenticatiestatus voor de posities waar de bestuurder drie uren
gecumuleerde rijtijd bereikt (niet toegankelijk door versie 1 van
voertuigunits van de tweede generatie)
4.5.3.2.19 Grensoverschrijdingen (niet toegankelijk door versie 1 van voer
tuigunits van de tweede generatie)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 11
4.5.3.2.20 Laad- en losverrichtingen (niet toegankelijk door versie 1 van voer
tuigunits van de tweede generatie)
4.5.3.2.21 Invoeren ladingtype (niet toegankelijk door versie 1 van voertuig
units van de tweede generatie)
4.5.3.2.22 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
▼B
4.5.4 Werkplaatskaart
4.5.4.1 Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de
eerste en tweede generatie)
4.5.4.1.1 Toepassingsidentificatie
4.5.4.1.2 Sleutels en certificaten
4.5.4.1.3 Identificatie van de kaart
4.5.4.1.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.4.1.5 Kaartgegevens downloaden
4.5.4.1.6 Gegevens over kalibrering en tijdafstelling
4.5.4.1.7 Gegevens over voorvallen en fouten
4.5.4.1.8 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
4.5.4.1.9 Gegevens over de gebruikte voertuigen
4.5.4.1.10 Gegevens over het begin en einde van dagelijkse werkperioden
4.5.4.1.11 Gegevens over kaartsessies
4.5.4.1.12 Gegevens over controleactiviteiten
4.5.4.1.13 Gegevens over specifieke omstandigheden
4.5.4.2 Toepassing tachograaf van de tweede generatie (niet toegankelijk
voor voertuigunits van de eerste generatie)
4.5.4.2.1 Toepassingsidentificatie
▼M3
4.5.4.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie
1 van voertuigunits van de tweede generatie
▼B
4.5.4.2.2 Sleutels en certificaten
4.5.4.2.3 Identificatie van de kaart
4.5.4.2.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.4.2.5 Kaartgegevens downloaden
4.5.4.2.6 Gegevens over kalibrering en tijdafstelling
4.5.4.2.7 Gegevens over voorvallen en fouten
4.5.4.2.8 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
4.5.4.2.9 Gegevens over de gebruikte voertuigen
4.5.4.2.10 Gegevens over het begin en einde van dagelijkse werkperioden
4.5.4.2.11 Gegevens over kaartsessies
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 12
4.5.4.2.12 Gegevens over controleactiviteiten
4.5.4.2.13 Gegevens over de gebruikte voertuigunits
▼M1
4.5.4.2.14 Plaats en tijdstip cumulatieve rijtijd van drie uur
▼B
4.5.4.2.15 Gegevens over specifieke omstandigheden
▼M3
4.5.4.2.16 Authenticatiestatus voor de posities in verband met de plaatsen
waar de dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt (niet toegan
kelijk door versie 1 van voertuigunits van de tweede generatie)
4.5.4.2.17 Authenticatiestatus voor de posities waar de bestuurder drie uren
gecumuleerde rijtijd bereikt (niet toegankelijk door versie 1 van
voertuigunits van de tweede generatie)
4.5.4.2.18 Grensoverschrijdingen (niet toegankelijk door versie 1 van voer
tuigunits van de tweede generatie)
4.5.4.2.19 Laad- en losverrichtingen (niet toegankelijk door versie 1 van voer
tuigunits van de tweede generatie)
4.5.4.2.20 Invoeren ladingtype (niet toegankelijk door versie 1 van voertuig
units van de tweede generatie)
4.5.4.2.21 Kalibrering van aanvullende gegevens (niet toegankelijk door ver
sie 1 van voertuigunits van de tweede generatie)
4.5.4.2.22 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
▼B
4.5.5 Controlekaart
4.5.5.1 Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de
eerste en tweede generatie)
4.5.5.1.1 Toepassingsidentificatie
4.5.5.1.2 Sleutels en certificaten
4.5.5.1.3 Identificatie van de kaart
4.5.5.1.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.5.1.5 Gegevens over controleactiviteiten
4.5.5.2 Tachograaftoepassingen van de tweede generatie (niet toegankelijk
voor voertuigunits van de eerste generatie)
4.5.5.2.1 Toepassingsidentificatie
▼M3
4.5.5.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie
1 van voertuigunits van de tweede generatie
▼B
4.5.5.2.2 Sleutels en certificaten
4.5.5.2.3 Identificatie van de kaart
4.5.5.2.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.5.2.5 Gegevens over controleactiviteiten
▼M3
4.5.5.2.6 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
▼B
4.5.6 Bedrijfskaart
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 13
4.5.6.1 Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de
eerste en tweede generatie)
4.5.6.1.1 Toepassingsidentificatie
4.5.6.1.2 Sleutels en certificaten
4.5.6.1.3 Identificatie van de kaart
4.5.6.1.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.6.1.5 Gegevens over bedrijfsactiviteiten
4.5.6.2 Tachograaftoepassingen van de tweede generatie (niet toegankelijk
voor voertuigunits van de eerste generatie)
4.5.6.2.1 Toepassingsidentificatie
▼M3
4.5.6.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie
1 van voertuigunits van de tweede generatie
▼B
4.5.6.2.2 Sleutels en certificaten
4.5.6.2.3 Identificatie van de kaart
4.5.6.2.4 Identificatie van de kaarthouder
4.5.6.2.5 Gegevens over bedrijfsactiviteiten
▼M3
4.5.6.2.6 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
▼B
5 INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT
5.1 Installatie
5.2 Installatieplaatje
5.3 Verzegeling
6 CONTROLES, INSPECTIES EN HERSTELLINGEN
6.1 Erkenning van installateurs, werkplaatsen en voertuigfabrikanten
▼M1
6.2 Controle van nieuwe of herstelde onderdelen
▼B
6.3 Installatie-inspectie
6.4 Periodieke controles
6.5 Meting van afwijkingen
6.6 Reparaties
7 AFGIFTE VAN KAARTEN
8 TYPEGOEDKEURING VAN CONTROLEAPPARATEN EN TA
CHOGRAAFKAARTEN
8.1 Algemeen
8.2 Veiligheidscertificaat
8.3 Functiecertificaat
8.4 Interoperabiliteitscertificaat
8.5 Typegoedkeuringscertificaat
8.6 Bijzondere procedure: eerste interoperabiliteitscertificaten voor con
troleapparaten en tachograafkaarten van de 2de generatie
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 14
INLEIDING
In deze bijlagen worden de eisen beschreven voor controleapparaten en tacho
graafkaarten van de tweede generatie.
Sinds 15 juni 2019 worden controleapparaten van de tweede generatie geïnstal
leerd in voertuigen die voor het eerst in de Unie worden ingeschreven en worden
tachograafkaarten van de tweede generatie afgegeven.
Om een vlotte uitrol van tachograafsystemen van de tweede generatie mogelijk te
maken is er bij het ontwerp van de tachograafkaarten van de tweede generatie
voor gezorgd dat zij ook in voertuigunits van de eerste generatie kunnen worden
gebruikt overeenkomstig bijlage IB van Verordening (EEG) nr. 3821/85.
Omgekeerd kunnen tachograafkaarten van de eerste generatie ook worden ge
bruikt in voertuigunits van de tweede generatie. Voertuigunits van de tweede
generatie kunnen echter alleen worden gekalibreerd met werkplaatskaarten van de
tweede generatie.
In deze bijlage worden de eisen inzake de interoperabiliteit tussen tachograaf
systemen van de eerste en tweede generatie gespecificeerd. In aanhangsel 15 zijn
nadere bijzonderheden opgenomen betreffende het beheer van de co-existentie
van beide generaties.
Bovenop de invoering van nieuwe functies, zoals de authenticatie van Galileo
Open Signal Navigation-berichten, de detectie van grensoverschrijdingen, de
invoer van laad- en losverrichtingen en de behoefte om de capaciteit van de
bestuurderskaart op te trekken tot 56 dagen rijactiviteiten, worden bij deze ver
ordening de technische eisen voor de tweede generatie controleapparaten en
tachograafkaarten vastgesteld.
▼B
Lijst van aanhangsels
Aanhangsel 1: DATA DICTIONARY
Aanhangsel 2: SPECIFICATIE VAN TACHOGRAAFKAARTEN
Aanhangsel 3: PICTOGRAMMEN
Aanhangsel 4: AFDRUKKEN
Aanhangsel 5: DISPLAY
Aanhangsel 6: FRONTCONNECTOR VOOR KALIBRERING EN
DOWNLOADEN
Aanhangsel 7: PROTOCOL VOOR GEGEVENSOVERDRACHT
Aanhangsel 8: KALIBRERINGSPROTOCOL
Aanhangsel 9: TYPEGOEDKEURING EN LIJST VAN MINIMAAL VER
EISTE TESTS
Aanhangsel 10: BEVEILIGINGSVOORSCHRIFTEN
Aanhangsel 11: ALGEMENE BEVEILIGINGSMECHANISMEN
Aanhangsel 12: PLAATSBEPALING OP BASIS VAN WERELDWIJD
SATELLIETNAVIGATIESYSTEEM (GNSS)
Aanhangsel 13: ITS-INTERFACE
Aanhangsel 14: FUNCTIE VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND
Aanhangsel 15: MIGRATIE: DE COËXISTENTIE VAN VERSCHIL
LENDE GENERATIES APPARATUUR BEHEREN
Aanhangsel 16: ADAPTER VOOR VOERTUIGEN VAN DE CATEGORIE
M1 EN N1
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 15
1 DEFINITIES
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a) „activering”:
de fase waarin de tachograaf volledig operationeel wordt en
alle functies, inclusief de veiligheidsfuncties, uitvoert, met ge
bruikmaking van een werkplaatskaart;
b) „authenticatie”:
een functie om een opgegeven identiteit vast te stellen en te
verifiëren;
c) „authenticiteit”:
de eigenschap dat informatie afkomstig is van een persoon
wiens identiteit kan worden geverifieerd;
d) „ingebouwd testsysteem (BIT)”:
tests die op verzoek worden uitgevoerd en door de bestuurder
of een externe inrichting worden gestart;
e) „kalenderdag”:
een dag van 00.00 uur tot en met 24.00 uur. Alle kalender
dagen worden uitgedrukt in UTC-tijd (gecoördineerde univer
sele tijd);
▼M3
f) „kalibrering van een digitale tachograaf”:
het bijwerken of bevestigen van voertuigparameters die in het
geheugen opgeslagen zijn. Voertuigparameters zijn onder an
dere de voertuigidentificatie (voertuigidentificatienummer
(VIN), kentekennummer en lidstaat van registratie) en de voer
tuigkenmerken (w, k, l, bandenmaat, snelheidsbegrenzer (in
dien van toepassing), actuele UTC-tijd, actuele kilometerstand,
standaard ladingtype). Bij de kalibrering van een controleap
paraat worden het type en de identificatiecodes van alle aan
wezige verzegelingen die relevant zijn voor de typekeuring,
opgeslagen in het geheugen.
Enkel de UTC-tijd bijwerken of bevestigen wordt beschouwd
als een tijdafstelling en niet als een kalibrering, op voorwaarde
dat er geen tegenspraak is met voorschrift 409 als toegelicht in
punt 6.4.
Voor het kalibreren van een controleapparaat is een werk
plaatskaart nodig;
g) „kaartnummer”:
een nummer van 16 alfanumerieke tekens dat een tachograaf
kaart binnen een lidstaat op unieke wijze identificeert. Het
kaartnummer omvat een identificatie, bestaande uit een iden
tificatie van de bestuurder of de eigenaar van de kaart in
combinatie met een opeenvolgende index van de kaart, een
vervangingsindex van de kaart en een vernieuwingsindex van
de kaart.
Een kaart wordt dus op unieke wijze geïdentificeerd door de
code van de lidstaat van afgifte en het kaartnummer;
▼B
h) „opeenvolgende index van de kaart”:
het 14e teken van een kaartnummer, dat wordt gebruikt om de
verschillende kaarten te onderscheiden die zijn afgegeven aan
een bedrijf, werkplaats of controle-instantie die meerdere ta
chograafkaarten mag bezitten. Het bedrijf, de werkplaats of de
controle-instantie wordt op unieke wijze door de eerste 13
tekens van het kaartnummer geïdentificeerd;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 16
i) „vernieuwingsindex van de kaart”:
het 16de alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat wordt
verhoogd bij elke vernieuwing van een tachograafkaart die
overeenstemt met een bepaalde identificatie, d.w.z. de identi
ficatie van een bestuurder of eigenaar en een opeenvolgende
index;
j) „vervangingsindex van de kaart”:
het 15de alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat wordt
verhoogd bij elke vervanging van een tachograafkaart die
overeenstemt met een bepaalde identificatie, d.w.z. de identi
ficatie van een bestuurder of eigenaar en een opeenvolgende
index;
▼B
k) „kenmerkende coëfficiënt van het voertuig”:
het getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal dat
door het onderdeel van het voertuig (secundaire as van de
versnellingsbak of as) dat in verbinding staat met het contro
leapparaat, wordt verstuurd wanneer het voertuig een afstand
van één kilometer heeft afgelegd, gemeten onder normale tes
tomstandigheden als gedefinieerd in voorschrift nr. 414. De
kenmerkende coëfficiënt wordt uitgedrukt in impulsen per ki
lometer (w = … imp/km);
l) „bedrijfskaart”:
een tachograafkaart die door de autoriteiten van een lidstaat is
afgegeven aan een vervoersonderneming welke met tachogra
fen uitgeruste voertuigen moet gebruiken, die de vervoers
onderneming identificeert en waarmee de in de tachografen
opgeslagen gegevens, die door de vervoersonderneming zijn
versleuteld, kunnen worden weergegeven, gedownload en
afgedrukt;
m) „constante van het controleapparaat”:
het getal dat de waarde aangeeft van het ingangssignaal dat
nodig is ter aanwijzing en registratie van een afgelegde afstand
van één kilometer; deze constante moet in impulsen per kilo
meter (k = … imp/km) worden uitgedrukt;
n) de „rijtijd” wordt in het controleapparaat berekend als ( 1 ):
de op dat moment cumulatieve rijtijd van een individuele
bestuurder afzonderlijk sinds het verstrijken van zijn laatste
BESCHIKBAARHEID, RUSTPAUZE of ONBEKENDE ( 2 )
periode van 45 minuten of meer (deze periode kan worden
opgedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 561/2006
van het Europees Parlement en de Raad ( 3 )). De betreffende
berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op
de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Wanneer de be
stuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende
berekeningen gebaseerd op de geheugenrecords voor de lo
pende periode waarin geen kaart ingebracht was, en met be
trekking tot de relevante lezer;
▼M3
( 1 ) Door deze berekeningswijze van de rijtijd en de cumulatieve rusttijd kan het controleap
paraat de rijtijdwaarschuwing berekenen. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de wet
telijke interpretatie van deze tijden. Alternatieve manieren voor het berekenen van de
rijtijd en de cumulatieve rusttijd kunnen worden gebruikt ter vervanging van deze defi
nities, indien deze voorbijgestreefd zijn door andere bijgewerkte wetgeving.
( 2 ) ONBEKENDE periodes komen overeen met periodes waarin de bestuurderskaart niet in
het controleapparaat ingebracht was en activiteiten van de bestuurder niet manueel zijn
ingevoerd.
( 3 ) Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart
2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer,
tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en
tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van
11.4.2006, blz. 1).
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 17
o) „controlekaart”:
een door de autoriteiten van een lidstaat aan een nationale
bevoegde controle-instantie afgegeven tachograafkaart die de
controle-instanties en, eventueel, de controleambtenaar identi
ficeert en die toegang verschaft tot de in het geheugen, op de
bestuurderskaart en, eventueel, op de werkplaatskaart opgesla
gen gegevens om deze te lezen, af te drukken en/of te
downloaden.
Deze kaart dient ook toegang te verschaffen tot de functie
voor kalibreringscontroles langs de weg en de gegevens op
het leestoestel voor berichten voor vroegtijdige detectie op
afstand;
p) „cumulatieve rusttijd” wordt in het controleapparaat berekend
als ( 1 ):
de cumulatieve onderbreking van de rijtijd wordt berekend als
de op dat moment verzamelde BESCHIKBAARHEIDS-,
RUSTPAUZE- of ONBEKENDE ( 2 ) perioden van 15 minuten
of meer van elke bestuurder afzonderlijk sinds zijn laatste
BESCHIKBAARHEIDS-, RUSTPAUZE- of ONBE
KENDE ( 2 ) periode van 45 minuten of meer (deze periode
kan worden opgedeeld overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 561/2006).
De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening
met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Bij
de berekening wordt geen rekening gehouden met onbekende
periodes van negatieve duur (begin van een onbekende peri
ode > einde van een onbekende periode) ten gevolge van
tijdsoverlapping tussen twee verschillende controleapparaten.
Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de
betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenrecords
voor de lopende periode waarin geen kaart was ingebracht,
en voor de relevante lezer;
q) „geheugen”:
een elektronisch geheugenmedium dat is ingebouwd in het
controleapparaat;
r) „digitale handtekening”:
gegevens toegevoegd aan, of een cryptografische transformatie
van, een gegevensblok waarmee de ontvanger van die gege
vens de authenticiteit en integriteit van de gegevens kan ve
rifiëren;
s) „downloaden”:
het kopiëren, samen met een digitale handtekening, van (een
gedeelte van) de gegevensbestanden die in het geheugen van
de voertuigunit of in het geheugen van de tachograafkaart zijn
geregistreerd, op voorwaarde dat dit proces geen opgeslagen
gegevens wijzigt of vernietigt.
▼B
( 1 ) Door deze berekeningswijze van de rijtijd en de cumulatieve rusttijd kan het controleap
paraat de rijtijdwaarschuwing berekenen. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de wet
telijke interpretatie van deze tijden. Alternatieve manieren voor het berekenen van de
rijtijd en de cumulatieve rusttijd kunnen worden gebruikt ter vervanging van deze defi
nities, indien deze voorbijgestreefd zijn door andere bijgewerkte wetgeving.
( 2 ) ONBEKENDE periodes komen overeen met periodes waarin de bestuurderskaart niet in
het controleapparaat ingebracht was en activiteiten van de bestuurder niet manueel zijn
ingevoerd.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 18
Fabrikanten van slimme tachografen voor voertuigen en fabri
kanten van apparatuur die is ontworpen en bedoeld om gege
vens te downloaden, moeten alle maatregelen nemen die re
delijkerwijs haalbaar zijn om ervoor te zorgen dat die gege
vens met minimale vertraging door vervoersondernemingen of
bestuurders kunnen worden gedownload.
Het downloaden van gedetailleerde snelheidsgegevens is niet
per definitie nodig om te voldoen aan Verordening (EG)
nr. 561/2006, maar kan worden gebruikt voor andere doel
einden, zoals het onderzoeken van ongevallen;
t) „bestuurderskaart”:
een door de autoriteiten van een lidstaat aan elke bestuurder
afzonderlijk afgegeven tachograafkaart die de bestuurder iden
tificeert en de activiteiten van de bestuurder registreert;
u) „effectieve omtrek van de wielen”:
gemiddelde afstand, afgelegd door elk van de wielen die het
voertuig aandrijven, (aandrijfwielen) bij een volledige omwen
teling. Het meten van deze afstanden moet gebeuren onder
normale testomstandigheden als gedefinieerd in voorschrift
nr. 414 en wordt als volgt uitgedrukt: „l = … mm”. Voer
tuigfabrikanten kunnen het meten van deze afstanden vervan
gen door een theoretische berekening waarbij wordt uitgegaan
van de verdeling van het gewicht over de assen van een
ongeladen voertuig in normale rijklare toestand ( 1 ). De me
thode voor die theoretische berekening moet worden goedge
keurd door de bevoegde instantie van de lidstaat en dat moet
gebeuren voor de tachograaf in werking wordt gesteld;
v) „voorval”:
een door de slimme tachograaf gedetecteerd abnormaal func
tioneren dat mogelijk het gevolg is van een poging tot fraude;
w) „externe GNSS-module”:
wanneer een voertuigunit uit verschillende onderdelen bestaat,
de voorziening met de GNSS-ontvanger en de andere onder
delen die nodig zijn om de overdracht van positiegegevens
naar de rest van de voertuigunit te beveiligen;
x) „fout”:
een door de slimme tachograaf ontdekt abnormaal functione
ren dat mogelijk het gevolg is van een slechte werking van of
storing in het apparaat;
y) „GNSS-ontvanger”:
een elektronisch apparaat dat signalen van een of meer mon
diale satellietnavigatiesystemen (in het Engels: GNSS) ont
vangt en digitaal verwerkt om de positie-, snelheids- en tijds
informatie te verstrekken;
▼B
( 1 ) Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering
van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de
typegoedkeuringsvoorschriften voor massa's en afmetingen van motorvoertuigen en aan
hangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees
Parlement en de Raad (PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31), als laatstelijk gewijzigd.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 19
z) „installatie”:
de installatie van de tachograaf in een voertuig;
aa) „interoperabiliteit”:
het vermogen van systemen en van de daaraan ten grondslag
liggende bedrijfsprocessen om onderling gegevens uit te wis
selen en informatie te delen;
bb) „interface”:
een voorziening tussen systemen die de communicatiemidde
len verschaft waardoor deze systemen aan elkaar kunnen wor
den gekoppeld en onderling kunnen communiceren;
cc) „positie”:
geografische coördinaten van een voertuig op een bepaald
tijdstip;
dd) „bewegingssensor”:
deel van de tachograaf dat een signaal geeft betreffende de
snelheid van het voertuig en/of de afgelegde afstand;
▼M3
ee) „ongeldige kaart”:
een kaart die ongeldig is, waarvan de authenticatie mislukt is,
of waarvan de geldigheidstermijn nog niet begonnen of reeds
verstreken is.
Een kaart wordt door de voertuigunit eveneens als ongeldig
beschouwd als:
— in de voertuigunit reeds eerder een kaart is ingevoerd van
dezelfde lidstaat van afgifte, met dezelfde identificatie,
d.w.z. identificatie van de bestuurder of eigenaar en een
opeenvolgende index, en met een hogere vernieuwings
index; of
— in de voertuigunit reeds eerder een kaart is ingevoerd van
dezelfde lidstaat van afgifte, met dezelfde identificatie,
d.w.z. identificatie van de bestuurder of eigenaar en een
opeenvolgende index en vernieuwingsindex, maar met een
hogere vervangingsindex;
▼B
ff) „open norm”:
een norm vastgelegd in een normspecificatiedocument, gratis
of tegen geringe kosten verkrijgbaar, die gratis of voor een
gering bedrag gekopieerd, verspreid en gebruikt mag worden;
gg) „niet verplicht”:
gevallen waarin het gebruik van het controleapparaat volgens
de bepalingen van Verordening (EG) nr. 561/2006 niet vereist
is;
hh) „snelheidsoverschrijding”:
overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van het
voertuig, omschreven als een periode van meer dan 60 secon
den waarin de gemeten snelheid van het voertuig hoger ligt
dan de maximumsnelheid waarop de snelheidsbegrenzer is
afgesteld, zoals vastgelegd in Richtlijn 92/6/EEG van de
Raad ( 1 ), als laatstelijk gewijzigd;
▼B
( 1 ) Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het
gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motor
voertuigen (PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27).
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 20
ii) „periodieke controle”:
een reeks verrichtingen die wordt uitgevoerd om te controleren
of de tachograaf goed werkt en of de instellingen overeen
komen met de voertuigparameters en of er geen manipulatie
apparatuur aan de tachograaf is bevestigd;
jj) „printer”:
deel van het controleapparaat dat opgeslagen gegevens
afdrukt;
kk) „vroegtijdige detectie op afstand”:
tijdens gerichte wegcontroles de communicatie tussen het sys
teem voor vroegtijdige detectie op afstand en het leestoestel
voor berichten voor vroegtijdige detectie op afstand om op
afstand mogelijke gevallen van manipulatie van of fraude
met controleapparaten te kunnen detecteren;
▼M3
ll) „systeem voor communicatie op afstand”, „module voor com
municatie op afstand” of „systeem voor vroegtijdige detectie
op afstand”:
de uitrusting van de voertuigunit die wordt gebruikt voor de
uitvoering van gerichte wegcontroles;
▼B
mm) „leestoestel voor berichten voor de vroegtijdige detectie op
afstand”:
het systeem dat door controleambtenaren voor gerichte weg
controles wordt gebruikt;
▼M3
nn) „vernieuwing van een kaart”:
afgifte van een nieuwe tachograafkaart wanneer een bestaande
kaart verlopen of defect is en teruggestuurd is naar de autori
teit van afgifte;
▼B
oo) „reparatie”:
reparatie van een bewegingssensor, een voertuigunit of een
kabel waarvoor de stroomvoorziening moet worden losgekop
peld, de tachograaf moet worden losgekoppeld van andere
onderdelen of de bewegingssensor of voertuigunit moet wor
den geopend;
▼M3
pp) „vervanging van een kaart”:
afgifte van een nieuwe tachograafkaart ter vervanging van een
bestaande kaart, die als verloren, gestolen of defect gemeld is
en die niet teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte;
▼B
qq) „veiligheidscertificering”:
proces ter certificering, door een gemeenschappelijke certifi
ceringsinstantie, dat het onderzochte controleapparaat (of een
onderdeel daarvan) of de tachograafkaart voldoet aan de in de
toepasselijke beveiligingsprofielen gedefinieerde veiligheids
eisen;
rr) „zelftest”:
tests die het controleapparaat periodiek en automatisch uitvoert
om fouten te ontdekken;
ss) „tijdmeting”:
een permanente digitale registratie van de gecoördineerde uni
versele datum en tijdstip (UTC);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 21
tt) „tijdsafstelling”:
een afstelling van de lopende tijd; die afstelling gebeurt au
tomatisch op basis van de door de GNSS-ontvanger verstrekte
tijd, of kan tijdens een kalibrering worden uitgevoerd;
▼B
uu) „bandenmaat”:
de omschrijving van de afmetingen van de banden (externe
aandrijfwielen) overeenkomstig Richtlijn 92/23/EEG van de
Raad ( 1 ), als laatstelijk gewijzigd;
vv) „voertuigidentificatie”:
nummers die het voertuig identificeren: het kentekennummer
van het voertuig met een indicatie van de lidstaat van regis
tratie en het voertuigidentificatienummer (VIN) ( 2 );
ww) voor de berekening in het controleapparaat betekent „week”:
het tijdvak tussen maandag 00.00 uur UTC-tijd en zondag
24.00 uur UTC-tijd;
xx) „werkplaatskaart”:
een tachograafkaart, afgegeven door de autoriteiten van een
lidstaat aan door die lidstaat erkende aangewezen personeels
leden van een fabrikant van tachografen, installateur, voertuig
fabrikant of werkplaats, die de kaarthouder identificeert en
waarmee tachografen kunnen worden getest, gekalibreerd en
geactiveerd en/of waarmee gegevens kunnen worden
gedownload;
yy) „adapter”:
een apparaat dat een signaal afgeeft dat permanent represen
tatief is voor de snelheid van het voertuig en/of de afgelegde
afstand, dat verschilt van het signaal dat voor de onafhanke
lijke bewegingsdetectie wordt gebruikt en dat:
▼M3
— alleen in voertuigen van het type M1 en N1 wordt geïn
stalleerd en gebruikt (als gedefinieerd in artikel 4 van Ver
ordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de
Raad ( 3 ),
▼B
— geïnstalleerd is wanneer het mechanisch niet mogelijk is
een ander bestaand type bewegingssensor te installeren dat
verenigbaar is met de bepalingen van deze bijlage en de
aanhangsels 1 tot en met 15 daarvan;
▼M3
( 1 ) Richtlijn 92/23/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende banden voor motor
voertuigen en aanhangwagens daarvan alsmede betreffende de montage ervan (PB L 129
van 14.5.1992, blz. 95).
( 2 ) Richtlijn 76/114/EEG van de Raad van 18 december 1975 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de voorgeschreven platen en
gegevens, en de plaats en wijze waarop zij op motorvoertuigen en aanhangwagens daar
van moeten worden aangebracht (PB L 24 van 30.1.1976, blz. 1).
( 3 ) Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018
betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhang
wagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke
voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG)
nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018,
blz. 1).
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 22
— geïnstalleerd is tussen de voertuigunit en de plaats waar de
snelheids-/afstandsimpulsen worden voortgebracht door
geïntegreerde sensoren of alternatieve interfaces;
— gezien vanuit het standpunt van een voertuigunit, hetzelfde
gedrag vertoont als dat van een bewegingssensor die vol
doet aan de voorschriften van deze bijlagen en van aan
hangsels 1 t.e.m. 16 en die wordt aangesloten op de
voertuigunit.
Door in de bovenvermelde voertuigen een dergelijke adapter
te gebruiken, kan een voertuigunit worden gebruikt en geïn
stalleerd die aan alle voorschriften van deze bijlage voldoet.
Voor die voertuigen bestaat de slimme tachograaf uit kabels,
een adapter en een voertuigunit;
zz) „integriteit van gegevens”:
de nauwkeurigheid en coherentie van opgeslagen gegevens, aan
getoond door het ontbreken van wijzigingen van de gegevens
tussen twee updates van een gegevensbestand. Integriteit bete
kent dat de gegevens een exacte kopie zijn van de originele
versie, d.w.z. dat ze niet beschadigd zijn tijdens het schrijven
op en aflezen van een tachograafkaart of specifieke apparatuur,
of tijdens de overdracht via een communicatiekanaal;
▼M3
aaa) gereserveerd voor toekomstig gebruik;
▼B
bbb) „slimme tachograaf”:
het controleapparaat, de tachograafkaart en alle uitrusting
waarmee tijdens de constructie, de installatie, het gebruik,
het testen en de controle, directe of indirecte interactie bestaat,
zoals kaarten, leestoestellen voor berichten voor vroegtijdige
detectie op afstand en andere apparatuur voor het downloaden
van gegevens, de analyse van gegevens, kalibrering, het ge
nereren, beheren en invoeren van beveiligingselementen enz.;
▼M3
ccc) „datum van invoering”:
de in Verordening (EU) nr. 165/2014 vastgestelde datum
vanaf dewelke voertuigen die voor het eerst worden ingeschre
ven overeenkomstig onderhavige verordening met een tacho
graaf moeten zijn uitgerust.
▼B
ddd) „beveiligingsprofiel”:
een document dat wordt gebruik als onderdeel van het certi
ficeringsproces op basis van gemeenschappelijke criteria, met
toepassingsonafhankelijke beveiligingseisen op het gebied van
informatieborging;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 23
eee) „GNSS-nauwkeurigheid”:
in het kader van de registratie van de positie met de tachograaf
met behulp van de GNSS-module: de HDOP (horizontal dilu
tion of precision) berekend als het minimum van de via de
beschikbare GNSS-module verzamelde HDOP-waarden ;
▼M1
fff) „cumulatieve rijtijd”:
een waarde die overeenkomst met het totale gecumuleerde
aantal minuten dat met een bepaald voertuig is gereden.
De cumulatieve rijtijd is een optelling van alle minuten die als
RIJDEN worden beschouwd door de functie bewaken van de
rijactviteiten van het controleapparaat, en wordt alleen ge
bruikt om het startsein te geven voor de registratie van de
positie van het voertuig telkens wanneer een veelvoud van
drie uur cumulatieve rijtijd wordt bereikt. De optelling gaat
van start op het ogenblik dat het controleapparaat wordt ge
activeerd. Ze wordt niet beïnvloed door een andere toestand,
zoals „niet verplicht” of „vervoer per veerboot/trein”.
De waarde van de cumulatieve rijtijd is niet bestemd om te
worden getoond, geprint of gedownload.
▼B
2 ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CON
TROLEAPPARAAT
2.1 Algemene kenmerken
Het controleapparaat moet gegevens betreffende de activiteiten van
de bestuurder kunnen registreren, opslaan, weergeven, afdrukken en
uitvoeren.
Alle met een controleapparaat uitgeruste voertuigen die aan de be
palingen van deze bijlage voldoen, moeten voorzien zijn van een
snelheidsdisplay en een kilometerteller. Deze functies kunnen in het
controleapparaat worden opgenomen.
01) Het controleapparaat bestaat uit kabels, een bewegingssen
sor en een voertuigunit.
02) De interface tussen de bewegingssensoren en de voertuig
units moet voldoen aan de eisen van aanhangsel 11.
03) De voertuigunit wordt overeenkomstig de specificaties in
aanhangsel 12 aangesloten op een GNSS-systeem.
04) De voertuigunit communiceert met leestoestellen voor be
richten voor vroegtijdige detectie op afstand overeenkom
stig de specificaties in aanhangsel 14.
▼M3
05) De voertuigunit moet zijn uitgerust met een ITS-interface
als gespecificeerd in aanhangsel 13.
Het controleapparaat mag door middel van een extra inter
face en/of de ITS-interface op andere systemen worden
aangesloten.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 24
06) Elke integratie of verbinding van een al of niet goedge
keurde functie, inrichting of inrichtingen, in c.q. met het
controleapparaat, mag de juiste en veilige werking van het
controleapparaat niet schaden of kunnen schaden en mag
niet in strijd zijn met de bepalingen van deze verordening.
Gebruikers van controleapparaten identificeren zich door
middel van een tachograafkaart.
07) Het controleapparaat geeft selectieve toegangsrechten tot
gegevens en functies overeenkomstig het type en/of de
identiteit van de gebruiker.
Het controleapparaat registreert gegevens en slaat deze op in het
geheugen, in het systeem voor communicatie op afstand en op de
tachograafkaart.
▼M3
Dit gebeurt met inachtneming van de toepasselijke EU-regelgeving
inzake gegevensbescherming en overeenkomstig artikel 7 van Ver
ordening (EU) nr. 165/2014.
▼B
2.2 Functies
08) Het controleapparaat moet onderstaande functies kunnen
uitvoeren:
— bewaken van het invoeren en uitnemen van de kaart,
— meten van de snelheid, afstand en positie,
— opnemen van de tijd,
— bewaken van de activiteiten van de bestuurder,
— bewaken van de status van de bestuurders,
▼M3
— handmatige invoer door de bestuurder:
— invoer van de plaatsen waar de dagelijkse werkperi
ode begint en/of eindigt,
— manuele invoer van bestuurdersactiviteiten en toe
stemming van de bestuurder voor de ITS-interface,
— invoer van specifieke omstandigheden,
— invoer van laad- /losverrichtingen,
▼B
— beheer van bedrijfsvergrendelingen,
— bewaken van controleactiviteiten,
— detecteren van voorvallen en/of fouten,
— ingebouwde tests en zelftests.
— lezen van het geheugen,
— registreren en opslaan in het geheugen,
— lezen van de tachograafkaart,
— registreren en opslaan op de tachograafkaart,
— weergeven op scherm,
— afdrukken,
— waarschuwen,
— gegevens downloaden met externe media,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 25
— communicatie op afstand met het oog op gerichte
wegcontroles,
— gegevensoutput naar aanvullende systemen,
— kalibrering,
— kalibreringscontrole langs de weg,
— tijdafstelling,
▼M3
— monitoring van grensoverschrijdingen,
— software-updates.
▼B
2.3 Werkingsmodi
09) Het controleapparaat heeft vier werkingsmodi:
— operationele modus,
— controlemodus,
— kalibreringsmodus,
— bedrijfsmodus.
10) Het controleapparaat wisselt naar de volgende werkings
modus overeenkomstig de geldige tachograafkaart die in
de kaartinterface ingebracht is. De generatie van de tacho
graafkaart is niet relevant om de werkingsmodus te bepalen,
voor zover het om een geldige kaart gaat. Een werkplaats
kaart van de eerste generatie wordt als ongeldig beschouwd
wanneer ze in een voertuigunit van de tweede generatie
wordt ingevoerd.
Werkingsmodus
Kaartlezer bestuurder
Geen kaart Bestuurderskaart Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
K
aa
rt
le
ze
r
bi
jr
ij
de
r
Geen kaart Operationeel Operationeel Controle Kalibrering Bedrijfsmodus
Bestuurders
kaart
Operationeel Operationeel Controle Kalibrering Bedrijfsmodus
Controlekaart Controle Controle Controle (*) Operationeel Operationeel
Werkplaatskaart Kalibrering Kalibrering Operationeel Kalibrering (*) Operationeel
Bedrijfskaart Bedrijfsmodus Bedrijfsmodus Operationeel Operationeel Bedrijfsmo
dus (*)
(*) in deze gevallen gebruikt het controleapparaat alleen de in lezer van de bestuurder ingevoerde tachograafkaart.
11) Het controleapparaat negeert ongeldige ingebrachte kaarten.
Het blijft echter mogelijk om gegevens op ongeldige kaar
ten weer te geven, af te drukken of te downloaden.
12) Alle in 2.2 genoemde functies werken in iedere werkings
modus met de onderstaande uitzonderingen:
— de kalibreringsfunctie is alleen toegankelijk in de
kalibreringsmodus,
— de kalibreringscontrole langs de weg is alleen toegan
kelijk in de controlemodus,
— de beheersfunctie van bedrijfsvergrendelingen is alleen
toegankelijk in de bedrijfsmodus,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 26
— het bewaken van controleactiviteiten werkt alleen in de
controlemodus,
▼M3
— de downloadfunctie is niet toegankelijk in de operatio
nele modus, behalve:
a) in de gevallen als voorzien in voorschrift 193,
b) voor het downloaden van een bestuurderskaart als er
geen andere kaart in de VU is ingebracht.
▼B
13) Het controleapparaat kan gegevens uitvoeren naar een dis
play, printer of externe interfaces met de onderstaande
uitzonderingen:
— in de operationele modus: persoonsidentificatie (naam
en voornaam(namen)) die niet overeenkomt met een
ingebrachte tachograafkaart, wordt niet getoond en een
kaartnummer dat niet overeenkomt met een ingebrachte
tachograafkaart wordt slechts gedeeltelijk getoond (alle
oneven tekens — gelezen van links naar rechts — wor
den niet getoond);
▼M3
— in bedrijfsmodus: gegevens over de bestuurder (voor
schriften 102, 105, 108, 133a en 133e) kunnen alleen
worden uitgevoerd tijdens perioden waarvoor geen ver
grendeling aanwezig is of die niet door een ander be
drijf zijn vergrendeld (zoals geïdentificeerd door de eer
ste 13 cijfers van het bedrijfskaartnummer);
▼B
— wanneer geen kaart in het controleapparaat ingebracht
is: kunnen gegevens over de bestuurder alleen worden
uitgevoerd voor de huidige en de 8 voorafgaande
kalenderdagen;
▼M3
— persoonsgegevens die door de tachograaf of de tacho
graafkaarten zijn geregistreerd of gegenereerd, worden
slechts via de ITS-interface van de VU doorgegeven na
controle van de instemming door de bestuurder waarop
die gegevens betrekking hebben;
▼M1
— de normale operationele geldigheidsperiode bedraagt 15
jaar, beginnend op de ingangsdatum van de
VU-certificaten; na die periode kunnen ze nog 3 maan
den worden gebruikt, maar alleen om gegevens te
downloaden.
▼B
2.4 Beveiliging
▼M1
De systeembeveiliging beoogt het geheugen zodanig te beveiligen
dat niet-geautoriseerde toegang tot en manipulatie van de gegevens
wordt voorkomen en dat pogingen daartoe worden ontdekt, alsmede
ter beveiliging van de integriteit en authenticiteit van de tussen de
bewegingssensor en de voertuigunit uitgewisselde gegevens, van de
integriteit en authenticiteit van de tussen het controleapparaat en de
tachograafkaart uitgewisselde gegevens, van de integriteit en authen
ticiteit van de tussen de voertuigunit en de eventuele externe
GNSS-module uitgewisselde gegevens, van de vertrouwelijkheid,
integriteit en authenticiteit van de via vroegtijdige detectie op af
stand uitgewisselde gegevens en ter verificatie van gedownloade
gegevens.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 27
14) Om de veiligheid van het systeem te waarborgen, moeten
de volgende onderdelen voldoen aan de veiligheidseisen die
zijn vastgelegd in de beveiligingsprofielen overeenkomstig
de eisen van aanhangsel 10.
— voertuigunit;
— tachograafkaart;
— bewegingssensor,
▼M3
— externe GNSS-module (dit profiel is alleen vereist en
van toepassing voor de variant met een externe
GNSS-module).
▼B
3 CONSTRUCTIE EN FUNCTIONELE EISEN VOOR CONTRO
LEAPPARATEN
3.1 Controle op het inbrengen en uitnemen van kaarten
15) Het controleapparaat bewaakt de kaartinterfaces om het in
brengen en uitnemen van kaarten te detecteren.
▼M3
16) Bij het inbrengen van de kaart (of de authenticatie van de
kaart op afstand) bepaalt het controleapparaat of de kaart
geldig is overeenkomstig de definitie in deel 1, punt ee).
Indien dit het geval is, worden het kaarttype en de generatie
van de kaart geïdentificeerd.
Om te controleren of de kaart reeds eerder werd ingevoerd,
maakt het controleapparaat gebruik van de in zijn geheugen
opgeslagen gegevens van de tachograafkaart als bepaald in
voorschrift 133.
▼B
17) Nadat een werkplaats de mogelijkheid om tachograafkaar
ten van de eerste generatie te gebruiken heeft opgeheven
overeenkomstig aanhangsel 15 (voorschrift MIG003) wor
den tachograafkaarten van de eerste generatie door het con
troleapparaat als ongeldig beschouwd.
18) Werkplaatskaarten van de eerste generatie die in contro
leapparaten van de tweede generatie worden ingevoerd,
worden als ongeldig beschouwd.
19) Het controleapparaat wordt zodanig geconstrueerd dat de
tachograafkaart bij juiste invoer in de kaartinterface ver
grendeld wordt.
▼M3
20) De tachograafkaart kan alleen worden uitgenomen wanneer
het voertuig stilstaat en nadat de relevante gegevens op de
kaart opgeslagen zijn. Het uitnemen van de kaart vereist
een doelgerichte handeling van de gebruiker.
▼B
3.2 Meting van snelheid, positie en afstand
21) De bewegingssensor (desgevallend geïntegreerd in de adap
ter) is de belangrijkste bron voor de meting van de snelheid
en afstand.
22) Aan de hand van de door de bewegingssensor uitgestuurde
pulsen, meet deze functie continu de kilometerstand die
overeenkomt met de totale door het voertuig afgelegde af
stand en kan ze deze weergeven.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 28
23) Aan de hand van de door de bewegingssensor uitgestuurde
pulsen, meet deze functie continu de snelheid van het voer
tuig en kan ze deze weergeven.
24) De snelheidsmeter geeft ook aan of het voertuig rijdt of
stilstaat. Het voertuig rijdt wanneer de functie gedurende
ten minste 5 seconden meer dan 1 imp/s van de bewegings
sensor waarneemt. Als dit niet het geval is, wordt aange
nomen dat het voertuig stilstaat.
25) Inrichtingen die snelheid (tachometer) en totale afgelegde
afstand (kilometerteller) zichtbaar maken en geïnstalleerd
zijn in een voertuig dat uitgerust is met een controleap
paraat dat voldoet aan de bepalingen van deze verordening,
moeten voldoen aan de in deze bijlage vastgestelde eisen
betreffende de maximumtoleranties (zie 3.2.1 en 3.2.2).
▼M3
26) Om manipulatie van bewegingsgegevens te detecteren,
moet informatie van de bewegingssensor worden bevestigd
door informatie over beweging van het voertuig die afkom
stig is van de GNSS-ontvanger of andere van de be
wegingssensor onafhankelijke bronnen. Er moet in de VU
ten minste één andere onafhankelijke bron van bewegings
informatie aanwezig zijn waarvoor geen externe interface
vereist is.
27) Deze functie meet de positie van het voertuig met het oog
op de registratie van:
— de posities waar de bestuurder en/of de bijrijder hun
dagelijkse werktijd aanvatten;
— de posities waar de gecumuleerde rijtijd een veelvoud
van drie uur bereikt;
— de posities waar het voertuig een landsgrens heeft
overschreden;
— de posities waar laad-/losverrichtingen zijn uitgevoerd;
— de posities waar de bestuurder en/of de bijrijder hun
dagelijkse werktijd beëindigen.
▼B
3.2.1 Meting van de afgelegde afstand
28) De afgelegde afstand kan worden gemeten:
— hetzij bij vooruitrijden en achteruitrijden,
— hetzij uitsluitend bij vooruitrijden.
29) Het controleapparaat moet afstanden van 0 tot 9 999 999,9
km meten.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 29
30) De gemeten afstand moet binnen de onderstaande toleran
ties liggen (afstanden van ten minste 1 000 m):
— ± 1 % voor installatie,
— ± 2 % bij installatie en periodieke controle,
— ± 4 % in gebruik.
▼M3
De tolerantie mag niet worden gebruikt om de gemeten
afstand doelbewust te wijzigen.
▼B
31) De resolutie van de gemeten afstand bedraagt ten minste
0,1 km.
3.2.2 Meting van de snelheid
32) Het controleapparaat moet snelheden van 0 tot 220 km/h
meten.
▼M3
33) Om een maximumtolerantie op de getoonde snelheid van
± 6 km/h tijdens gebruik te garanderen en rekening hou
dend met:
— een tolerantie van ± 2 km/h voor invoervariaties (ban
denvariaties, …),
— een tolerantie van ± 1 km/h voor metingen gedurende
de installatie of periodieke controles,
moet het controleapparaat bij snelheden tussen 20
en 180 km/h en bij kenmerkende coëfficiënten van het
voertuig tussen 2 400 en 25 000 imp/km de snelheid meten
met een tolerantie van ± 1 km/h (bij constante snelheid).
Opmerking: de resolutie van de gegevensopslag geeft een
extra tolerantie van ± 0,5 km/h aan de door het controleap
paraat opgeslagen snelheid.
▼B
34) De snelheid moet binnen de normale toleranties correct
worden gemeten binnen 2 seconden na het einde van een
versnelling wanneer de versnelling maximaal 2 m/s 2
bedraagt.
35) De resolutie van de gemeten snelheid bedraagt ten minste
1 km/h.
3.2.3 Bepalen van de positie
36) Het controleapparaat meet de absolute positie van het voer
tuig aan de hand van de GNSS-ontvanger.
▼M3
37) De absolute positie moet worden gemeten in geografische
coördinaten van de lengte- en breedtegraad in graden en
minuten met een resolutie van 1/10 minuut.
▼B
3.3 Tijdmeting
38) De tijdmetingsfunctie moet permanent operationeel zijn en
de UTC-datum en UTC-tijd digitaal leveren.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 30
39) De UTC-datum en UTC-tijd worden gebruikt voor datering
van gegevens in het controleapparaat (registraties, gegeven
suitwisseling) en voor alle in aanhangsel 4, „Afdrukken”
gespecificeerde afdrukken.
40) Om de plaatselijke tijd zichtbaar te maken, moet de op het
display getoonde tijd in stappen van een half uur kunnen
worden gewijzigd. Andere instellingen dan negatieve of
positieve veelvouden van een half uur zijn niet toegestaan.
▼M3
41) Afwijkingen mogen niet meer dan ± 1 seconde per dag
bedragen in temperatuuromstandigheden overeenkomstig
voorschrift 213, zonder enige vorm van tijdsafstelling.
41a) Als de tijdsafstelling door een werkplaats wordt uitgevoerd
overeenkomstig voorschrift 212, moet de tijd tot op 3 se
conden nauwkeurig zijn.
41b) De voertuigunit bevat een afwijkingsmeter, die de maxi
male afwijking sinds de laatste tijdsafstelling berekent over
eenkomstig punt 3.23. De maximale tijdsafwijking wordt
bepaald door de fabrikant van de voertuigunit en mag
niet meer dan 1 seconde/dag bedragen, als gespecificeerd
in voorschrift 41.
41c) De afwijkingsmeter wordt 1 seconde na elke tijdsafstelling
van het controleapparaat gereset overeenkomstig punt 3.23.
Dit omvat:
— automatische tijdsafstellingen,
— in kalibreringsmodus uitgevoerde tijdsafstellingen.
▼B
42) De resolutie van de gemeten tijd bedraagt ten minste 1 se
conde.
43) De tijdmeting mag niet worden beïnvloed door een externe
stroomonderbreking van minder dan 12 maanden onder
typegoedkeuringsvoorwaarden.
3.4 Controle op activiteiten van bestuurders
44) Deze functie moet voortdurend en afzonderlijk de activitei
ten van een bestuurder en een bijrijder controleren.
45) Activiteiten van de bestuurder zijn RIJDEN, WERKEN,
BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE.
46) De bestuurder en/of de bijrijder kunnen WERKEN, BE
SCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE manueel selecteren.
47) Wanneer het voertuig rijdt, wordt RIJDEN automatisch ge
selecteerd voor de bestuurder en BESCHIKBAARHEID
voor de bijrijder.
48) Wanneer het voertuig stopt, wordt WERKEN automatisch
geselecteerd voor de bestuurder.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 31
49) Er wordt van uitgegaan dat de eerste verandering van ac
tiviteit naar ONDERBREKING/RUST of BESCHIK
BAARHEID die zich binnen 120 seconden na de automa
tische verandering naar WERK als gevolg van het stoppen
van het voertuig voordoet, heeft plaatsgevonden op het
moment waarop het voertuig stopt (waardoor de verande
ring naar WERK eventueel kan worden geannuleerd).
▼B
50) Deze functie moet veranderingen van activiteiten naar de
registratiefuncties uitvoeren met een resolutie van één
minuut.
51) Wanneer binnen de onmiddellijk voorafgaande en de on
middellijk volgende kalenderminuut de activiteit RIJDEN is
geregistreerd, wordt de hele minuut beschouwd als RIJ
DEN.
52) Wanneer een kalenderminuut niet wordt beschouwd als
RIJDEN overeenkomstig het voorgaande voorschrift 051,
dan wordt de hele minuut gerekend als de langste ononder
broken activiteit binnen de minuut (of de laatste van een
aantal even lange activiteiten).
53) Deze functie moet ook voortdurend de rijtijd en de cumu
latieve rusttijd van de bestuurder controleren.
3.5 Controle op de status van bestuurders
54) Deze functie moet voortdurend en automatisch de status
van bestuurders controleren.
55) De status TEAM wordt geselecteerd wanneer twee geldige
bestuurderskaarten in het apparaat worden ingebracht, in
alle andere gevallen wordt de status ALLEEN geselecteerd.
3.6 Invoer door bestuurders
3.6.1 Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode
56) Met deze functie kan het begin- en eindpunt van de dage
lijkse werkperiode van een bestuurder en/of een bijrijder
worden ingevoerd.
▼M3
57) Plaatsen worden gedefinieerd als het land en — voor zover
relevant — de regio.
58) Bij het uitnemen van de bestuurders- of werkplaatskaart
geeft het controleapparaat de huidige plaats van het voer
tuig weer op basis van de GNSS-informatie en van de
opgeslagen digitale kaart overeenkomstig punt 3.12.19 en
vraagt het de kaarthouder die plaats te bevestigen of ma
nueel te corrigeren.
59) De overeenkomstig voorschrift 58 ingevoerde plaats wordt
beschouwd als de plaats waar de dagelijkse werkperiode
eindigt. Ze wordt tijdelijk op de relevante bestuurders- of
werkplaatskaart opgeslagen en mag derhalve later worden
overschreven.
In de volgende omstandigheden wordt de tijdelijke invoer
die bij de laatste kaartuitneming is gebeurd gevalideerd
(d.w.z. niet meer overschreven):
— invoer van een plaats waar de lopende dagelijkse werk
periode begint tijdens manuele invoer overeenkomstig
voorschrift 61);
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 32
— de volgende invoer van een plaats waar de lopende
dagelijkse werkperiode begint als de kaarthouder tijdens
de manuele invoer overeenkomstig voorschrift 61) niet
invoert op welke de werkperiode begint of eindigt.
In de volgende omstandigheden wordt de tijdelijke invoer
die bij de laatste kaartuitneming is gebeurd overschreven en
wordt de nieuwe waarde gevalideerd:
— de volgende invoer van een plaats waar de lopende
dagelijkse werkperiode eindigt als de kaarthouder tij
dens de manuele invoer overeenkomstig voorschrift
61) niet invoert op welke plaats de werkperiode begint
of eindigt.
▼B
60) Het moet mogelijk zijn plaatsen waar de dagelijkse werk
periode begint en/of eindigt, in te voeren via commando's
in de menu's. Indien meer dan één dergelijke invoer gebeurt
binnen één kalenderminuut, mogen slechts de laatst inge
voerde beginplaats en de laatst ingevoerde eindplaats bin
nen die tijdspanne geregistreerd blijven.
▼M3
Het controleapparaat moet de huidige plaats van het voer
tuig weergeven op basis van de GNSS-informatie en van de
opgeslagen digitale kaart(en) overeenkomstig punt 3.12.19
en het moet de bestuurder vragen die plaats te bevestigen of
manueel te corrigeren.
▼B
3.6.2 Manuele invoer van bestuurdersactiviteiten en toestemming van de
bestuurder voor de ITS-interface
▼M3
61) Manuele invoer van activiteiten is uitsluitend toegestaan bij
het inbrengen van een bestuurderskaart of werkplaatskaart.
Bij het manueel invoeren van activiteiten worden de plaat
selijke tijd- en datumwaarden van de tijdszone (UTC offset)
gebruikt die op dat moment voor de voertuigunit zijn
ingesteld.
Bij het inbrengen van een bestuurders- of werkplaatskaart
wordt de kaarthouder herinnerd aan:
— de datum en de tijd waarop de kaart voor het laatst is
uitgenomen;
— facultatief: de voor de voertuigunit ingestelde plaatse
lijke tijd.
Bij de invoer van een bestuurders- of werkplaatskaart die
voor de voertuigunit nog niet bekend is, wordt de kaart
houder gevraagd te bevestigen dat hij ermee instemt dat
zijn persoonlijke tachograafgegevens via de ITS-interface
worden doorgegeven. Om te controleren of de kaart reeds
ingevoerd is geweest, maakt het controleapparaat gebruik
van de in zijn geheugen opgeslagen gegevens van de ta
chograafkaart, als bepaald in voorschrift 133.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 33
Wanneer de bestuurderskaart (resp. werkplaatskaart) is in
gebracht, kan de bestuurder (resp. werkplaats) op elk mo
ment via het menu zijn of haar instemming geven of
intrekken.
Activiteiten kunnen worden ingevoerd met de volgende
beperkingen:
— Activiteiten zijn WERKEN, BESCHIKBAARHEID of
RUSTPAUZE;
— De begin- en eindtijden van elke activiteit moeten bin
nen de laatste periode tussen het uitnemen en inbrengen
van de kaart vallen;
— Activiteiten mogen elkaar niet in tijd overlappen.
Indien nodig is manuele invoer mogelijk wanneer een nog
niet eerder gebruikte bestuurderskaart (of werkplaatskaart)
voor het eerst wordt ingebracht.
De procedure voor manuele invoer van activiteiten bestaat
uit evenveel opeenvolgende stappen als nodig voor het
instellen van het type en de begin- en eindtijd van elke
activiteit. Voor elk willekeurig deel van de laatste periode
tussen het uitnemen en invoeren van de kaart kan de kaart
houder ervoor kiezen geen enkele activiteit op te geven.
Tijdens de met het inbrengen van een kaart verbonden
manuele invoer kan de kaarthouder, indien van toepassing,
het volgende invoeren:
— een plaats waar een vorige dagelijkse werkperiode is
geëindigd, alsook de relevante tijd (waarbij de invoer
tijdens de laatste kaartuitneming wordt overschreven en
dus gevalideerd),
— een plaats waar de lopende dagelijkse werkperiode be
gint, alsook de relevante tijd (waarbij de tijdelijke in
voer die bij de laatste kaartuitneming is gebeurd wordt
gevalideerd).
Met betrekking tot de bij het inbrengen van de huidige
kaart ingevoerde plaats waar de huidige dagelijkse werk
periode begint, moet het controleapparaat de huidige plaats
van het voertuig weergeven op basis van de
GNSS-informatie en de opgeslagen digitale kaart(en) over
eenkomstig punt 3.12.19, en moet het de bestuurder vragen
die plaats te bevestigen of manueel te corrigeren.
Wanneer de kaarthouder tijdens de manuele invoer bij het
inbrengen van een kaart niet invoert op welke plaats de
werkperiode begint of eindigt, wordt aangenomen dat die
plaats niet is gewijzigd na de laatste keer dat de kaart is
uitgenomen. De volgende invoer van een plaats waar de
vorige dagelijkse werkperiode eindigt, overschrijft in dat
geval de tijdelijke invoer bij de laatste kaartuitneming.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 34
Wanneer een plaats is ingevoerd, wordt deze geregistreerd
op de relevante tachograafkaart.
De manuele invoer wordt onderbroken indien:
— de kaart wordt uitgenomen; of
— het voertuig in beweging is en de kaart zich in de lezer
van de bestuurder bevindt.
Extra onderbrekingen zijn toegestaan, bv. een time-out na
een zekere periode van inactiviteit van de gebruiker. Indien
de manuele invoer wordt onderbroken, valideert het contro
leapparaat elke volledige invoer van plaats en activiteit (met
ondubbelzinnige vermelding van hetzij plaats en tijd, hetzij
het type activiteit en de begin- en eindtijd).
Indien een tweede bestuurders- of werkplaatskaart wordt
ingebracht terwijl de manuele invoer voor een eerder in
gebrachte kaart nog bezig is, mag die manuele invoer wor
den voltooid voordat de manuele invoer voor de tweede
kaart begint.
De kaarthouder kan manueel activiteiten invoeren overeen
komstig de volgende minimumprocedure:
— Voer voor de laatste periode tussen het uitnemen en
inbrengen van de kaart activiteiten manueel in, in chro
nologische volgorde;
— De begintijd van de eerste activiteit is het tijdstip
waarop de kaart wordt uitgenomen. Voor elke volgende
invoer wordt de begintijd vooraf ingesteld als onmid
dellijk volgend op de eindtijd van de voorafgaande in
voer. Voor elke activiteit wordt het type activiteit en de
eindtijd geselecteerd.
De procedure eindigt wanneer de eindtijd van een manueel
ingevoerde activiteit gelijk is aan het tijdstip waarop de
kaart is ingebracht.
Het controleapparaat moet het mogelijk maken dat de ge
gevens die tijdens de procedure moeten worden ingevoerd
via de in aanhangsel 13 gespecificeerde ITS-interface en,
optioneel, via andere interfaces, manueel worden ingevoerd
door de bestuurders of werkplaatsen.
Het controleapparaat moet de kaarthouder vervolgens in
staat stellen een manueel ingevoerde activiteit te wijzigen,
totdat ze wordt gevalideerd door een specifiek commando
te selecteren. Daarna kunnen er geen wijzigingen meer
worden aangebracht.
▼B
3.6.3 Invoer van specifieke omstandigheden
▼M3
62) De bestuurder kan de twee onderstaande specifieke omstan
digheden in real-time in het controleapparaat invoeren:
— „NIET VERPLICHT” (begin, einde);
— „VERVOER PER FERRY/TREIN” (begin, einde).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 35
„VERVOER PER FERRY/TREIN” is niet toegestaan wan
neer een omstandigheid „NIET VERPLICHT” geopend is.
Als een omstandigheid „NIET VERPLICHT” is geopend,
mag het controleapparaat de gebruiker niet de mogelijkheid
bieden een beginvlag „VERVOER PER FERRY/TREIN”
in te voeren.
Een geopende omstandigheid „NIET VERPLICHT” moet
door het controleapparaat automatisch worden gesloten
wanneer een bestuurderskaart wordt ingebracht of
uitgenomen.
Een geopende omstandigheid „NIET VERPLICHT” onder
drukt de volgende voorvallen en waarschuwingssignalen:
— rijden zonder geschikte kaart,
— waarschuwingssignalen in verband met de rijtijd.
Onmiddellijk na het selecteren van RUSTPAUZE op de
ferry of trein voert de bestuurder het beginvlagje VER
VOER PER FERRY/TREIN in.
Een geopende omstandigheid VERVOER PER FERRY/
TREIN moet door het controleapparaat worden beëindigd
in de volgende gevallen:
— als de bestuurder het VERVOER PER FERRY/TREIN
manueel beëindigt, namelijk bij aankomst van de ferry
of trein op zijn bestemming en alvorens van de trein of
ferry te rijden,
— als een omstandigheid „NIET VERPLICHT” is
geopend,
— als de bestuurder zijn kaart uitneemt;
— als de rijactiviteit overeenkomstig punt 3.4 gedurende
een kalenderminuut wordt gerekend als RIJTIJD.
Als meer dan één specifieke omstandigheid van hetzelfde
type binnen éénzelfde kalenderminuut wordt ingevoerd,
wordt alleen de laatste geregistreerd.
3.6.4 Invoeren van laad- of losverrichtingen
62a) Het controleapparaat moet de bestuurder in staat stellen in
realtime in te voeren en te bevestigen dat het voertuig
wordt geladen, gelost of dat er tegelijkertijd wordt geladen
en gelost.
Als meer dan één specifieke laad- of losverrichting van
hetzelfde type binnen éénzelfde kalenderminuut worden in
gevoerd, wordt alleen de laatste geregistreerd.
62b) Laden, lossen of gelijktijdig laden en lossen worden inge
voerd als afzonderlijke voorvallen.
62c) De laad-/losinformatie wordt ingevoerd vooraleer het voer
tuig de plaats waar de laad- en losverrichtingen plaatsvin
den verlaat.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 36
3.7 Beheer van bedrijfsvergrendelingen
63) Deze functie beheert de vergrendelingen die een bedrijf
aanbrengt om ervoor te zorgen dat het alleen zelf toegang
heeft tot de gegevens in de bedrijfsmodus.
64) Bedrijfsvergrendelingen bestaan uit een begindatum/-tijd
(lock-in) en een einddatum/-tijd (lock-out) in combinatie
met de identiteit van het bedrijf zoals aangegeven door
het bedrijfskaartnummer (bij lock-in).
65) Vergrendelingen kunnen alleen in real-time worden „in-” of
„uitgeschakeld”.
66) Het uitschakelen van de vergrendeling is alleen mogelijk
voor het bedrijf waarvan de vergrendeling is „ingeschakeld”
(zoals geïdentificeerd door de eerste 13 cijfers van het be
drijfskaartnummer), of,
67) het uitschakelen van de vergrendeling gebeurt automatisch
wanneer een ander bedrijf de vergrendeling inschakelt.
68) Indien een bedrijf de vergrendeling inschakelt en de vorige
vergrendeling voor hetzelfde bedrijf was, dan wordt aange
nomen dat de vorige vergrendeling niet is „uitgeschakeld”
en nog steeds is „ingeschakeld”.
3.8 Bewaken van controleactiviteiten
69) Deze functie moet controle uitoefenen op het WEER
GEVEN, AFDRUKKEN, DOWNLOADEN van VU en
kaarten en de KALIBERINGSCONTROLE LANGS DE
WEG, die in de controlemodus uitgevoerd worden.
70) Deze functie moet ook controle uitoefenen op de SNEL
HEIDSOVERSCHRIJDING in de controlemodus. Controle
van snelheidsoverschrijding wordt geacht te hebben plaats
gevonden wanneer, in de controlemodus, de afdruk „snel
heidsoverschrijding” naar de printer of het display is ge
zonden, of wanneer gegevens over „voorvallen en fouten”
uit het VU-geheugen zijn gedownload.
3.9 Opsporing van voorvallen en/of fouten
71) Deze functie detecteert de onderstaande voorvallen en/of
fouten:
3.9.1 „Inbrengen van een ongeldige kaart”
72) Dit voorval treedt op bij het inbrengen van een ongeldige
kaart, het inbrengen van een reeds vervangen bestuurders
kaart en/of wanneer de ingebrachte kaart vervalt.
3.9.2 „Kaartconflict”
73) Dit voorval treedt op bij een van de combinaties van gel
dige kaarten die in de onderstaande tabel met een X ge
merkt zijn:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 37
Kaartconflict
Kaartlezer bestuurder
Geen kaart Bestuurderskaart Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
K
aa
rt
le
ze
r
bi
jr
ij
de
r
Geen kaart
Bestuurderskaart X
Controlekaart X X X
Werkplaatskaart X X X X
Bedrijfskaart X X X
3.9.3 „Tijdsoverlapping”
74) Dit voorval treedt op wanneer de datum/het tijdstip waarop
de bestuurderskaart de laatste keer is uitgenomen, later is
dan de actuele datum/tijd van het controleapparaat waarin
de kaart wordt ingebracht.
3.9.4 „Rijden zonder geschikte kaart”
75) Dit voorval treedt op bij combinaties van geldige tacho
graafkaarten die in de onderstaande tabel met een X zijn
aangemerkt, wanneer de activiteit van de bestuurder ver
andert in RIJDEN, of wanneer de werkingsmodus tijdens
het RIJDEN verandert:
Rijden zonder geschikte kaart
Kaartlezer bestuurder
Geen (of ongel
dige) kaart
Bestuurderskaart Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
K
aa
rt
le
ze
r
bi
jr
ijd
er
Geen (of ongeldige)
kaart
X X X
Bestuurderskaart X X X X
Controlekaart X X X X X
Werkplaatskaart X X X X
Bedrijfskaart X X X X X
3.9.5 „Inbrengen van de kaart tijdens het rijden”
76) Dit voorval treedt op wanneer een tachograafkaart tijdens
het RIJDEN in een lezer wordt ingebracht.
3.9.6 „Laatste kaartsessie niet correct afgesloten”
77) Dit voorval treedt op wanneer het controleapparaat bij
kaartinvoer ontdekt dat, niettegenstaande de bepalingen
van punt 3.1, de voorafgaande kaartsessie niet correct is
afgesloten (de kaart is uitgenomen voordat alle relevante
gegevens op de kaart opgeslagen zijn). Dit mag uitsluitend
voorkomen bij bestuurders- en werkplaatskaarten.
3.9.7 „Snelheidsoverschrijding”
78) Dit voorval treedt op bij elke snelheidsoverschrijding.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 38
3.9.8 „Onderbreking van de stroomvoorziening”
79) Dit voorval treedt op bij een onderbreking van ten minste
200 milliseconden in de stroomvoorziening van de be
wegingssensor en/of de voertuigunit, echter niet in de
kalibrerings- of controlemodus. De drempel van de onder
breking wordt door de fabrikant bepaald. De spanningsval
door het starten van de motor van het voertuig mag dit
voorval niet veroorzaken.
3.9.9 „Communicatiefout met het systeem voor communicatie op afstand”
80) Dit voorval treedt, behalve in de kalibreringsmodus, op
wanneer het systeem voor communicatie op afstand na
meer dan drie pogingen niet bevestigt dat het de door de
voertuigunit vanop afstand doorgestuurde gegevens heeft
ontvangen.
3.9.10 „Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger”
81) Dit voorval treedt, behalve in kalibreringsmodus, op bij
het ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de (interne
of externe) GNSS-ontvanger gedurende meer dan 3 uren
cumulatieve rijtijd.
3.9.11 „Fout in communicatie met de externe GNSS-module”
82) Dit voorval treedt, behalve in kalibreringsmodus, op bij
het ontbreken van communicatie tussen de externe
GNSS-module en het voertuig gedurende meer dan 20 op
eenvolgende minuten terwijl het voertuig aan het rijden is.
3.9.12 „Fout in de bewegingsgegevens”
▼M3
83) Dit voorval treedt op als de VU zich niet in de kalibre
ringsmodus bevindt bij een onderbreking in de normale
gegevensstroom tussen de bewegingssensor en de voertuig
unit en/of bij een fout in de integriteit of authenticatie van
de gegevens tijdens de gegevensuitwisseling tussen de be
wegingssensor en de voertuigunit. Dit voorval treedt even
eens op als de VU zich niet in de kalibreringsmodus
bevindt en de op basis van de impulsen van de bewegings
sensor berekende snelheid in één seconde van 0 naar meer
dan 40 km/h stijgt en daarna gedurende minstens 3 secon
den boven de 40 km/h blijft.
▼B
3.9.13 „Tegenstrijdige bewegingsgegevens”
▼M3
84) Dit voorval treedt op, als gespecificeerd in aanhangsel 12,
als de VU zich niet in de kalibreringsmodus bevindt,
wanneer de op basis van de bewegingssensor berekende
bewegingsinformatie verschilt van de bewegingsinformatie
die is berekend op basis van informatie van de interne
GNSS-ontvanger of de externe GNSS-module, en eventuele
andere onafhankelijke bronnen overeenkomstig voorschrift
26. Dit voorval treedt niet op tijdens een vervoer per ferry
of trein.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 39
3.9.14. „Poging tot inbreuk op de beveiliging”
85) Dit voorval treedt op bij elk ander voorval dat de beveili
ging van de bewegingssensor en/of de voertuigunit en/of de
externe GNSS-module als vereist bij aanhangsel 10 aantast,
echter niet in de kalibreringsmodus.
▼M1
3.9.15 „Tijdsoverlapping”
▼M3
86) Dit voorval treedt op wanneer een VU die zich niet in de
kalibreringsmodus bevindt een afwijking detecteert tussen
de tijd van de meetfunctie van de voertuigunit en de tijd op
basis van de door de GNSS-ontvanger of de externe
GNSS-module verzonden geauthenticeerde plaatsen. Er
wordt een „tijdsafwijking” gedetecteerd als het tijdsverschil
groter is dan ±3 seconden overeenkomstig de tijdkundige
nauwkeurigheid als bepaald in voorschrift 41a), verhoogd
met de maximale tijdsafwijking per dag. Dit voorval wordt
opgeslagen samen met de interne klokwaarde van het con
troleapparaat. De VU verricht de controle om het voorval
„tijdsconflict” te genereren net voordat de VU de interne
klok van de VU automatisch bijwerkt overeenkomstig voor
schrift 211.
▼B
3.9.16 „Kaartfout”
87) Deze fout wordt veroorzaakt wanneer tijdens de werking
een storing in de tachograafkaart optreedt.
3.9.17. „Controleapparaatfout”
88) Deze fout wordt veroorzaakt door de onderstaande storin
gen, echter niet in de kalibreringsmodus:
— Interne fout in de VU
— Printerfout
— Displayfout
— Downloadfout
— Sensorfout
— Fout met GNSS-ontvanger of externe GNSS-module
— Fout in systeem voor communicatie op afstand
▼M3
— ITS interfacefout.
3.9.18 GNSS-storing
88a) Dit voorval treedt op als de VU zich niet in de kalibrerings
modus bevindt, als de GNSS-ontvanger een aanval detec
teert of als de authenticatie van de navigatieberichten mis
lukt is, als gespecificeerd in aanhangsel 12. Nadat een
GNSS-storing is veroorzaakt, mag de VU de volgende 10
minuten geen andere GNSS-storingsvoorvallen genereren.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 40
3.10 Ingebouwde tests en zelftests
89) ►M1 Het controleapparaat detecteert fouten door middel
van zelftests en ingebouwde tests overeenkomstig onder
staande tabel: ◄
Onderdelen ter test Zelftest Ingebouwde test
Software Integriteit
Geheugen Toegang Toegang, gegevensinte
griteit
Kaartinterfaces Toegang Toegang
Toetsenbord Manuele controle
Printer (afhankelijk van de
fabrikant)
Afdruk
Display Visuele controle
Downloaden
(alleen uitgevoerd tijdens
het downloaden)
Correcte werking
Sensor Correcte werking Correcte werking
Systeem voor communica
tie op afstand
Correcte werking Correcte werking
GNSS-module Correcte werking Correcte werking
▼M3
ITS-interface Correcte werking
▼B
3.11 Lezen van het geheugen
90) Het controleapparaat moet alle gegevens die in zijn geheu
gen opgeslagen zijn kunnen lezen.
3.12 Registratie en opslag in het geheugen
▼M3
Voor de toepassing van dit artikel:
— wordt „365 dagen” gedefinieerd als 365 kalenderdagen van ge
middelde activiteit van de bestuurder in een voertuig. De ge
middelde activiteit per dag in een voertuig wordt gedefinieerd
als ten minste 6 bestuurders of bijrijders, 6 cycli van kaartinvoer
en -uitname en 256 wijzigingen in de activiteiten. „365 dagen”
omvat derhalve ten minste 2190 bestuurders of bijrijders, 2190
cycli van kaartinvoer en kaartuitname en 93 440 wijzigingen van
activiteiten;
— het gemiddeld aantal ingevoerde plaatsen per dag wordt gedefi
nieerd als ten minste 6 invoerverrichtingen bij het begin van de
dagelijkse werktijd en 6 invoerverrichtingen aan het einde van
de dagelijkse werktijd, zodat „365 dagen” overeenstemt met
minstens 4380 ingevoerde plaatsen,
— het gemiddeld aantal posities per dag wanneer de gecumuleerde
rijtijd een veelvoud van 3 uur bereikt is gedefinieerd als ten
minste 6 posities, zodat „365 dagen” overeenstemt met minstens
2190 posities,
— het gemiddelde aantal grensoverschrijdingen per dag is gedefi
nieerd als minstens 20 overschrijdingen, zodat „365 dagen”
overeenstemt met minstens 7300 grensoverschrijdingen,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 41
— het gemiddelde aantal laad- en losverrichtingen per dag is ge
definieerd als minstens 25 verrichtingen (ongeacht het type),
zodat „365 dagen” overeenstemt met minstens 9125 laad- en
losverrichtingen,
— de tijd wordt met een resolutie van 1 minuut geregistreerd, tenzij
anders gespecificeerd;
— kilometerstanden worden met een resolutie van 1 kilometer
geregistreerd;
— de snelheid wordt geregistreerd met een resolutie van 1 km/h;
— posities (lengte en breedte) worden geregistreerd in graden en
minuten, met een resolutie van 1/10 minuut, met de daaraan
gekoppelde GNSS-nauwkeurigheid en acquisitietijd, en met
een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd.
▼B
91) De in het geheugen opgeslagen gegevens mogen niet wor
den beïnvloed door een externe stroomonderbreking van
minder dan 12 maanden onder typegoedkeuringsvoorwaar
den. Gegevens die zijn opgeslagen in het extern systeem
voor communicatie op afstand, als gedefinieerd in aanhang
sel 14, mogen niet worden aangetast door een stroomonder
breking van minder dan 28 dagen.
92) Het controleapparaat moet in zijn geheugen impliciet of
expliciet de volgende gegevens registreren en opslaan:
3.12.1 Identificatiegegevens van de uitrusting
3.12.1.1 I d e n t i f i c a t i e g e g e v e n s v a n d e v o e r t u i g u n i t
93) Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende
identificatiegegevens van de voertuigunit opslaan:
— naam van de fabrikant
— adres van de fabrikant
— onderdeelnummer
— serienummer
— generatie voertuigunit
— mogelijkheid tachograafkaarten van de eerste generatie
te gebruiken
— nummer van de softwareversie
— installatiedatum van de softwareversie
— bouwjaar
— goedkeuringsnummer
▼M3
— aanduiding versie digitale kaart (voorschrift 133l).
94) Identificatiegegevens van de VU worden door de fabrikant
van de VU definitief geregistreerd en opgeslagen, met uit
zondering van gegevens die in geval van een
software-update overeenkomstig deze verordening gewij
zigd kunnen worden, en de compatibiliteit met tachograaf
kaarten van de eerste generatie.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 42
3.12.1.2 I d e n t i f i c a t i e g e g e v e n s v a n d e b e w e g i n g s s e n s o r
95) De bewegingssensor moet in zijn geheugen de volgende
identificatiegegevens opslaan:
— naam van de fabrikant,
— serienummer,
— goedkeuringsnummer,
— identificatie van ingebouwde veiligheidscomponent
(bijv. onderdeelnummer van de interne chip/verwer
kingseenheid),
— identificatie van het besturingssysteem (bv. nummer van
de softwareversie).
96) De identificatiegegevens van de bewegingssensor worden
door de fabrikant van de bewegingssensor definitief in de
bewegingssensor geregistreerd en opgeslagen.
▼M3
97) De voertuigunit moet voor de 20 recentste geslaagde ver
bindingen met bewegingssensoren (indien op één kalender
dag meerdere verbindingen tot stand worden gebracht, wor
den alleen de eerste en laatste van de dag opgeslagen) de
volgende gegevens in zijn geheugen kunnen registeren en
opslaan:
▼B
De volgende gegevens moeten bij elke verbinding worden
geregistreerd:
— identificatiegegevens van de bewegingssensor:
— serienummer
— goedkeuringsnummer,
— verbindingsgegevens van de bewegingssensor:
— datum verbinding.
3.12.1.3 I d e n t i f i c a t i e g e g e v e n s G N S S - s y s t e m e n
98) De externe GNSS-module moet in haar geheugen de vol
gende identificatiegegevens opslaan:
— naam van de fabrikant,
— serienummer,
— goedkeuringsnummer,
— identificatie van ingebouwde veiligheidscomponent
(bijv. onderdeelnummer van de interne chip/verwer
kingseenheid),
— identificatie van het besturingssysteem (bv. nummer van
de softwareversie).
99) De identificatiegegevens worden door de fabrikant van de
externe GNSS-module definitief in de externe GNSS-module
geregistreerd en opgeslagen.
▼M3
100) De voertuigunit moet voor de 20 recentste geslaagde kop
pelingen met externe GNSS-systemen (indien op één ka
lenderdag meerdere koppelingen tot stand worden gebracht,
worden alleen de eerste en laatste van de dag opgeslagen)
de volgende gegevens in zijn geheugen kunnen registreren
en opslaan:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 43
De volgende gegevens moeten bij elke koppeling worden
geregistreerd:
— identificatiegegevens van de externe GNSS-module:
— serienummer,
— goedkeuringsnummer,
— koppelingsgegevens van de externe GNSS-module:
— eerste koppelingsdatum.
3.12.2 Sleutels en certificaten
101) Het controleapparaat moet een aantal cryptografische sleu
tels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de spe
cificaties in aanhangsel 11, delen A en B.
3.12.3 Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurders- of
werkplaatskaart
102) Telkens een bestuurders- of werkplaatskaart in het apparaat
wordt ingebracht of uitgenomen, moet het controleapparaat
in zijn geheugen de volgende gegevens registreren en
opslaan:
— de naam en voornaam (of namen) van de kaarthouder
zoals opgeslagen op de kaart;
— het kaartnummer, de lidstaat van afgifte en de verval
datum zoals opgeslagen op de kaart;
— de generatie van de kaart;
— datum en tijdstip van inbrengen;
— de kilometerstand bij kaartinvoer;
— de lezer waarin de kaart wordt ingebracht;
— datum en tijdstip van uitnemen;
— de kilometerstand bij het uitnemen van de kaart;
— de volgende informatie over het vorige door de bestuur
der gebruikte voertuig zoals opgeslagen op de kaart:
— kentekennummer en registrerende lidstaat;
— de generatie voertuigunit (indien beschikbaar);
— datum en tijdstip waarop de kaart wordt
uitgenomen;
— een teken dat aangeeft of de kaarthouder bij de kaart
invoer manueel activiteiten heeft ingevoerd.
103) Het geheugen moet deze gegevens ten minste 365 dagen
bewaren.
104) Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden
de oudste gegevens overschreven door de meest recente.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 44
3.12.4 Gegevens over activiteiten van de bestuurder
105) Bij elke wijziging in de activiteiten van de bestuurder en/of
de bijrijder, bij elke wijziging in de status van de bestuur
der(s) en telkens wanneer een bestuurders- of werkplaats
kaart wordt ingebracht of uitgenomen, worden de volgende
gegevens door het controleapparaat geregistreerd en
opgeslagen:
— de status van de bestuurder(s) (ALLEEN/ALS TEAM);
— de kaartlezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);
— de status van de kaart in de betreffende kaartlezer (IN
GEBRACHT, NIET INGEBRACHT);
— de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID, WER
KEN, ONDERBREKING/RUST);
— de datum en het tijdstip van de wijziging.
INGEBRACHT betekent dat een geldige bestuurders- of
werkplaatskaart in de lezer ingebracht is. NIET IN
GEBRACHT betekent het tegenovergestelde, d.w.z. er is
geen geldige bestuurders- of werkplaatskaart in de lezer
ingebracht (er is bv. wel een bedrijfskaart ingebracht of
er is geen kaart ingebracht).
Gegevens over activiteiten die door een bestuurder manueel
worden ingevoerd, worden niet in het geheugen
geregistreerd.
106) Het geheugen moet de gegevens over de activiteiten van de
bestuurder ten minste 365 dagen kunnen bewaren.
107) Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden
de oudste gegevens overschreven door de meest recente.
▼M1
3.12.5 Plaatsen en posities waar de dagelijkse werktijd begint, eindigt
en/of waar een cumulatieve rijtijd van 3 uur wordt bereikt
108) Het controleapparaat moet gegevens registreren en in zijn
geheugen opslaan met betrekking tot:
— de plaatsen en posities waar de bestuurder en/of bijrij
der hun dagelijkse werktijd aanvatten;
— de posities waar de cumulatieve rijtijd een veelvoud van
drie uur bereikt;
— de plaatsen en posities waar de bestuurder en/of de
bijrijder hun dagelijkse werktijd beëindigen.
▼B
109) Wanneer de positie van het voertuig op die momenten niet
via de GNSS-ontvanger kan worden bepaald, gebruikt het
controleapparaat de recentste beschikbare positie en de
daaraan gekoppelde datum en tijd.
110) Samen met elke plaats en positie moet het controleapparaat
gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met be
trekking tot:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 45
— het nummer van de bestuurders- en/of bijrijderskaart en
de lidstaat van afgifte
▼B
— de generatie van de kaart;
— de datum en het tijdstip van de ingevoerde gebeurtenis;
▼M1
— de aard van die gebeurtenis (begin, einde en/of 3 uur
cumulatieve rijtijd);
▼B
— desgevallend de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid,
datum- en tijd;
— de kilometerstand van het voertuig ;
▼M3
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd.
110 a) Voor tijdens de manuele invoerprocedure bij het inbrengen
van de kaart overeenkomstig voorschrift 61 ingevoerde
plaatsen waar de dagelijkse werkperiode begint of eindigt,
worden de huidige kilometerstand en positie van het voer
tuig opgeslagen.
▼M1
111) Het geheugen moet de plaatsen of posities waar de dage
lijkse werkperiodes beginnen, eindigen en/of waar een cu
mulatieve rijtijd van 3 uur wordt bereikt ten minste 365
dagen kunnen bewaren.
▼B
112) Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden
de oudste gegevens overschreven door de meest recente.
3.12.6 Gegevens over de kilometerstand
113) Het controleapparaat moet elke kalenderdag om midder
nacht de kilometerstand van het voertuig en de bijbeho
rende datum in zijn geheugen registreren.
114) Het geheugen moet deze kilometerstanden ten minste 365
kalenderdagen kunnen opslaan.
115) Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden
de oudste gegevens overschreven door de meest recente.
3.12.7 Gedetailleerde snelheidsgegevens
▼M1
116) Het controleapparaat moet voor elke seconde van ten min
ste de laatste 24 uur waarin het voertuig heeft bewogen, de
snelheid van het voertuig en de corresponderende datum en
het tijdstip registeren en in het geheugen opslaan.
▼B
3.12.8 Gegevens over voorvallen
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een
resolutie van 1 seconde.
117) Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende
gegevens voor elk gedetecteerd voorval volgens de onder
staande opslagvoorschriften registreren en opslaan:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 46
Voorval Opslagvoorschriften Te registreren gegevens per voorval
Inbrengen van een ongel
dige kaart
— de 10 meest recente voorvallen — datum en tijdstip van het voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de kaart die het voorval ge
nereert
— aantal vergelijkbare voorvallen op die
dag
Kaartconflict — de 10 meest recente voorvallen — datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de twee kaarten die een con
flict opleveren
Rijden zonder geschikte
kaart
— het langste voorval voor elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden
— de 5 langste voorvallen gedurende de
laatste 365 dagen
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart;
— aantal vergelijkbare voorvallen op die
dag
Inbrengen van kaart tij
dens het rijden
— het laatste voorval op elk van de laatste
10 dagen waarop een dergelijk voorval
plaatshad
— datum en tijdstip van het voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de kaart
— aantal vergelijkbare voorvallen op die
dag
▼M3
Laatste kaartsessie niet
correct afgesloten
— de 10 meest recente voorvallen. — datum en tijd van kaartinvoer,
— kaartsoort, kaartnummer, lidstaat van af
gifte en generatie van de kaart,
— laatste sessiegegevens zoals af te lezen
van de kaart:
— datum en tijd van kaartinvoer.
▼B
Snelheidsoverschrijding
(1)
— het ernstigste voorval op elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval plaatshad (d.w.z. het voorval
met de hoogste gemiddelde snelheid)
— de 5 ernstigste voorvallen gedurende de
afgelopen 365 dagen
— het eerste voorval dat is opgetreden na
de laatste kalibrering
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— tijdens het voorval gemeten maximum
snelheid
— tijdens het voorval gemeten rekenkun
dige maximumsnelheid
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bestuurderskaart (indien
van toepassing)
— aantal vergelijkbare voorvallen op die
dag
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 47
Voorval Opslagvoorschriften Te registreren gegevens per voorval
Onderbreking stroomvoor
ziening (2)
— het langste voorval voor elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden
— de 5 langste voorvallen gedurende de
laatste 365 dagen
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart
— aantal vergelijkbare voorvallen op die dag
Fout in de communicatie
met het systeem voor
communicatie op afstand
— het langste voorval voor elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden
— de 5 langste voorvallen gedurende de
laatste 365 dagen
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart
— aantal vergelijkbare voorvallen op die dag
Ontbreken van plaatsbepa
lingsinformatie van de
GNSS-ontvanger
— het langste voorval voor elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden
— de 5 langste voorvallen gedurende de
laatste 365 dagen
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart
— aantal vergelijkbare voorvallen op die dag
▼M1
Fout in de communicatie
met de externe
GNSS-module
— het langste voorval op elk van de laat
ste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval is opgetreden
— de 5 langste voorvallen gedurende de
afgelopen 365 dagen
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde
kaart(en)
— aantal vergelijkbare voorvallen op die dag
▼B
Fout in de bewegings
gegevens
— het langste voorval voor elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden
— de 5 langste voorvallen gedurende de
laatste 365 dagen
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart
— aantal vergelijkbare voorvallen op die dag
Tegenstrijdige
bewegingsgegevens,
— het langste voorval voor elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden,
— de 5 langste voorvallen gedurende de
laatste 365 dagen.
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval,
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart;
— aantal vergelijkbare voorvallen op die dag
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 48
Voorval Opslagvoorschriften Te registreren gegevens per voorval
Poging tot inbreuk in de
beveiliging
— de 10 meest recente voorvallen per
soort voorval
— datum en tijdstip van het begin van het
voorval
— datum en tijdstip van het einde van het
voorval (indien relevant)
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde kaart;
— soort voorval
▼M1
Tijdsoverlapping — het ergste voorval voor elk van de laat
ste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval heeft plaatsgevonden (d.w.z.
het voorval met het grootste verschil
tussen de datum en het tijdstip van
het controleapparaat en de datum en
het tijdstip van het GNSS)
— de 5 ergste voorvallen gedurende de
afgelopen 365 dagen.
— datum en tijdstip controleapparaat
— GNSS-datum en -tijdstip
— type, nummer, lidstaat van afgifte en ge
neratie van de bij het begin en/of het
einde van het voorval ingevoerde
kaart(en)
— aantal vergelijkbare voorvallen op die
dag
▼M3
GNSS-storing — de langste voorvallen op elk van de
laatste 10 dagen waarop een dergelijk
voorval is opgetreden,
— de 5 langste voorvallen gedurende de
afgelopen 365 dagen.
— datum en tijd van het begin van het
voorval,
— datum en tijd van het einde van het
voorval,
— kaartsoort, kaartnummer, lidstaat van af
gifte en generatie van de kaart die bij het
begin en/of einde van het voorval is in
gebracht,
— aantal vergelijkbare voorvallen op die
dag.
▼B
(1) Het controleapparaat moet ook gegevens registreren en
in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:
— datum en tijdstip laatste controle op SNELHEIDS
OVERSCHRIJDING,
— datum en tijdstip eerste snelheidsoverschrijding na
die controle op SNELHEIDSOVERSCHRIJDING.
— het aantal snelheidsoverschrijdingen na de laatste
CONTROLE OP DE SNELHEIDSOVERSCHRIJ
DING.
(2) Deze gegevens mogen alleen worden opgeslagen bij
een herstel van de stroomvoorziening, tijden kunnen
bekend zijn met een nauwkeurigheid tot één minuut.
3.12.9 Gegevens over fouten
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een
resolutie van 1 seconde.
118) Het controleapparaat moet de volgende gegevens voor elke
gedetecteerde fout registreren en in zijn geheugen opslaan
volgens de onderstaande opslagvoorschriften:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 49
Fout Opslagvoorschriften Te registreren gegevens per fout
Kaartfout — de 10 meest recente bestuurderskaart
fouten
— datum en tijdstip begin van de fout
— datum en tijdstip einde van de fout
— type, nummer, lidstaat van afgifte en
generatie van de kaart
Fouten controleapparaat — de 10 meest recente fouten van iedere
soort
— de eerste fout na de recentste kalibre
ring
— datum en tijdstip begin van de fout
— datum en tijdstip einde van de fout
— soort fout
— type, nummer, lidstaat van afgifte en
generatie van de bij het begin en/of
het einde van het voorval ingevoerde
kaart
3.12.10 Kalibreringsgegevens
119) Het controleapparaat registreert en bewaart in zijn geheugen
gegevens met betrekking tot:
— bekende kalibreringsparameters op het moment van
activering;
— de eerste kalibrering na activering;
— de eerste kalibrering in het huidige voertuig (geïdenti
ficeerd door zijn VIN);
— de 20 meest recente kalibreringen (wanneer een aantal
kalibreringen op dezelfde kalenderdag plaatsvinden,
worden alleen de eerste en laatste kalibrering van de
dag opgeslagen).
120) De volgende gegevens moeten bij elke kalibrering worden
geregistreerd:
— doel van de kalibrering (activering, eerste installatie,
installatie, periodieke controle);
— naam en adres van de werkplaats;
— werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft
en de vervaldatum van de kaart;
— voertuigidentificatie;
— geactualiseerde en bevestigde parameters: w, k, l, ban
denmaat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilome
terstand (oude en nieuwe waarden), datum en tijdstip
(oude en nieuwe waarden);
— types en identificatienummers van alle aanwezige
verzegelingen;
▼M3
— het serienummer van de bewegingssensor, de externe
GNSS-module (indien aanwezig), en het systeem voor
communicatie op afstand (indien aanwezig),
— het standaard ladingtype dat met het voertuig is geas
socieerd (vervoer van goederen of passagiers),
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 50
— het land waar de kalibrering heeft plaatsgevonden, en
de datum en tijd waarop de positie die gebruikt is om
dat land te bepalen aan de GNSS-ontvanger is
meegedeeld.
▼B
121) Bovendien moet het controleapparaat in zijn geheugen de
mogelijkheid opslaan en bewaren om tachograafkaarten van
de eerste generatie te gebruiken (al dan niet nog geacti
veerd).
122) De bewegingssensor moet de volgende installatiegegevens
van de bewegingssensor registreren en in zijn geheugen
opslaan:
— eerste verbinding met een VU (datum, tijd, goedkeu
ringsnummer en serienummer van de VU);
— laatste verbinding met een VU (datum, tijd, goedkeu
ringsnummer en serienummer van de VU).
123) De externe GNSS-module moet de volgende installatiege
gevens van de externe GNSS-module opslaan en in zijn
geheugen opslaan:
— eerste koppeling aan een VU (datum, tijd, goedkeu
ringsnummer en serienummer van de VU);
— laatste koppeling aan een VU (datum, tijd, goedkeu
ringsnummer en serienummer van de VU).
3.12.11 Tijdafstellingsgegevens
124) Het controleapparaat registreert en bewaart in zijn geheugen
alle gegevens met betrekking tot tijdafstellingen die in de
kalibreringsmodus worden uitgevoerd buiten het bestek van
een normale kalibrering (def. f):
— de meest recente tijdafstelling;
— de 5 grootste tijdafstellingen;
125) Voor elke tijdafstelling worden de volgende gegevens
geregistreerd:
— datum en tijd, oude waarde;
— datum en tijd, nieuwe waarde;
— naam en adres van de werkplaats;
— werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft,
de generatie van de kaart en haar vervaldatum;
3.12.12 Gegevens over controleactiviteiten
126) Het controleapparaat moet de volgende gegevens met be
trekking tot de 20 meest recente controleactiviteiten regi
streren en in zijn geheugen opslaan:
— datum en tijdstip van de controle;
— werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft,
en de vervaldatum en generatie van de kaart;
— aard van de controle (weergeven en/of afdrukken en/of
VU-gegevens downloaden en/of kaartgegevens downlo
aden en/of kalibreringscontrole langs de weg).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 51
127) Bij het downloaden worden de gegevens van de oudste en
van de meest recent gedownloade dagen ook geregistreerd.
3.12.13 Gegevens over bedrijfsvergrendelingen
128) Het controleapparaat moet de volgende gegevens met be
trekking tot de 255 recentste bedrijfsvergrendelingen regi
streren en in zijn geheugen opslaan:
— datum en tijdstip van vergrendeling;
— datum en tijdstip van ontgrendeling;
— bedrijfskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, en
de vervaldatum en generatie van de kaart;
— naam en adres van het bedrijf.
Gegevens die eerder zijn vergrendeld met een vergrende
ling die uit het geheugen is verwijderd omwille van de
bovengenoemde beperking, moeten worden behandeld als
niet-vergrendeld.
3.12.14 Gegevens over overdrachtactiviteiten
129) Het controleapparaat moet de volgende gegevens met be
trekking tot de laatste geheugenoverdracht naar externe me
dia tijdens de bedrijfs- en kalibreringsmodus registreren en
in zijn geheugen opslaan:
— datum en tijdstip van de overdracht;
— bedrijfs- of werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de
kaart afgeeft, en de vervaldatum en generatie van de
kaart;
— naam van het bedrijf of de werkplaats.
3.12.15 Gegevens over specifieke omstandigheden
130) Het controleapparaat moet de volgende gegevens met be
trekking tot specifieke omstandigheden in zijn geheugen
registreren:
— datum en tijdstip van de invoer;
— aard van de specifieke omstandigheid.
131) Het geheugen moet gegevens over specifieke omstandighe
den ten minste 365 dagen kunnen bewaren (in de veronder
stelling dat gemiddeld 1 omstandigheid per dag wordt ge
opend en gesloten). Wanneer de opslagcapaciteit volledig is
gebruikt, worden de oudste gegevens overschreven door de
meest recente.
3.12.16 Gegevens tachograafkaart
132) Het controleapparaat moet de volgende gegevens kunnen
bewaren in verband met de verschillende tachograafkaarten
die in de VU zijn gebruikt:
— het nummer en serienummer van de tachograafkaart;
— de fabrikant van de tachograafkaart;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 52
— het type tachograafkaart;
— de versie van de tachograafkaart;
133) Het controleapparaat moet ten minste 88 records kunnen
opslaan.
▼M3
3.12.17 Grensoverschrijdingen
133 a) Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende
gegevens over grensoverschrijdingen registreren en opslaan:
— het land dat het voertuig verlaat,
— het land dat het voertuig binnen rijdt,
— de positie waar het voertuig de grens heeft
overschreden;
133b) Samen met de landen en posities moet het controleapparaat
gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met be
trekking tot:
— het nummer van bestuurders- en/of bijrijderskaart en de
lidstaat van afgifte,
— de generatie van de kaart,
— de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid, datum- en tijd,
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd,
— de kilometerstand van het voertuig op het tijdstip
waarop de grens wordt overschreden.
133c) Het geheugen moet de gegevens betreffende grensover
schrijdingen van ten minste 365 dagen kunnen bewaren.
133d) Wanneer de opslagcapaciteit opgebruikt is, worden de oud
ste gegevens door nieuwe overschreven.
3.12.18 Laden en lossen
133e) Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende
gegevens over laad- en losverrichtingen van het voertuig
registreren en opslaan:
— het type verrichting (laden, lossen of tegelijkertijd laden
en lossen),
— de positie waar de laad-/losverrichting heeft
plaatsgevonden.
133f) Wanneer de positie van het voertuig op het tijdstip van de
laad-/losverrichting niet via de GNSS-ontvanger kan wor
den bepaald, gebruikt het controleapparaat de recentste be
schikbare positie en de daaraan gekoppelde datum en tijd.
133g) Samen met het type verrichting moet het controleapparaat
gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met be
trekking tot:
— het nummer van bestuurders- en/of bijrijderskaart en de
lidstaat van afgifte,
— de generatie van de kaart,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 53
— de datum en het tijdstip van de laad- en/of
losverrichting,
— desgevallend de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid,
datum en tijd,
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd,
— de kilometerstand van het voertuig.
133h) Het geheugen moet laad- en losverrichtingen van ten minste
365 kalenderdagen kunnen opslaan.
133i) Wanneer de opslagcapaciteit opgebruikt is, worden de oud
ste gegevens door nieuwe overschreven.
3.12.19 Digitale kaart
133j) Met het oog op de registratie van de positie van het voer
tuig op het moment waarop een landsgrens wordt over
schreden, bewaart het controleapparaat de gegevens op
een digitale kaart in het geheugen.
133k) De Europese Commissie zorgt ervoor dat de digitale kaar
ten die mogen worden gebruikt om de functie monitoring
van grensoverschrijdingen door het controleapparaat te on
dersteunen in verschillende formaten van een specifieke
beveiligde website kunnen worden gedownload.
133l) Bij elke kaart wordt op de website een aanduiding van de
versie en hashwaarde vermeld.
133m) De kaarten bezitten de volgende eigenschappen:
— een definiëringsniveau dat overeenstemt met NUTS ni
veau 0, overeenkomstig de Nomenclatuur van territori
ale eenheden voor de statistiek,
— een schaal van 1:1 000 000.
133n) Tachograaffabrikanten kiezen een kaart op de website en
downloaden deze op een beveiligde manier.
133o) Tachograaffabrikanten gebruiken een van de website ge
downloade kaart slechts nadat ze de integriteit daarvan
door middel van de hashwaarde van de kaart hebben
gecontroleerd.
133p) De geselecteerde kaart wordt door de fabrikant in het con
troleapparaat opgeslagen in een passend formaat; de inhoud
van de geïmporteerde kaart wordt niet gewijzigd.
133q) De aanduiding van de versie van de gebruikte kaart wordt
door de fabrikant opgeslagen in het controleapparaat.
133r) De opgeslagen digitale kaart moet kunnen worden geüpda
tet of vervangen door een nieuwe kaart die door de Euro
pese Commissie beschikbaar is gesteld.
133s) De update van digitale kaarten gebeurt door middel van de
mechanismen voor software-updates die door de fabrikant
zijn voorzien middels toepassing van de voorschriften 226d
en 226e, zodat het controleapparaat de authenticiteit en
integriteit van een nieuwe ingevoerde kaart kan verifiëren
alvorens die op te slaan en de vorige versie te
overschrijven.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 54
133 t) Tachograaffabrikanten kunnen extra informatie toevoegen
aan de basiskaart als bedoeld in voorschrift 133m) voor
andere doeleinden dan grensoverschrijdingen, zoals de
grenzen van EU-regio's, voor zover de inhoud van de basis
kaart niet wordt gewijzigd.
▼B
3.13 Lezen van de tachograafkaart
134) Het controleapparaat moet op tachograafkaarten van de eer
ste en tweede generatie de noodzakelijke gegevens kunnen
lezen van om:
— de kaartsoort, de kaarthouder, het eerder gebruikte voer
tuig, datum en tijdstip van de laatste kaartuitneming en
de op dat moment geselecteerde activiteit te
identificeren;
— om te controleren of de laatste kaartsessie correct is
afgesloten;
▼M3
— de rijtijd van de bestuurder, de cumulatieve rustperiode
en de gecumuleerde rijtijden gedurende de voor
afgaande en de lopende week te berekenen,
▼B
— gevraagde afdrukken met betrekking tot op de bestuur
derskaart geregistreerde gegevens te leveren;
— een bestuurderskaart naar externe media over te
brengen.
Dit voorschrift geldt alleen voor tachografen van de eerste
generatie indien het gebruik daarvan niet door een werk
plaats is opgeheven.
135) In het geval van een leesfout moet het controleapparaat
dezelfde leesopdracht maximaal drie keer opnieuw uitvoe
ren. Wanneer de kaart nog steeds niet kan worden gelezen,
moet ze defect en ongeldig worden verklaard.
▼M3
135 a) De structuur in de TACHO_G2-toepassing is afhankelijk
van de versie. Kaarten van versie 2 bevatten extra hoofd
bestanden ten opzichte van de kaarten van versie 1,
namelijk:
— in bestuurders- en werkplaatskaarten:
— EF Places_Authentication bevat de authenticatiesta
tus van de in EF Places opgeslagen voertuigposities.
Samen met elke authenticatiestatus wordt een tijds
stempel opgeslagen; die moet exact overeenstem
men met de datum en het tijdstip van de samen
met de overeenkomstige positie in EF Places inge
voerde gegevens;
— EF GNSS_Places_Authentication bevat de authenti
catiestatus van de in EF GNSS_Places opgeslagen
voertuigposities. Samen met elke authenticatiestatus
wordt een tijdsstempel opgeslagen; die moet exact
overeenstemmen met de datum en het tijdstip van
de samen met de overeenkomstige positie in EF
Places ingevoerde gegevens;
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 55
— EF Border_Crossings, EF Load_Unload_Operations
en EF Load_Type_Entries bevatten gegevens die
verband houden met grensoverschrijdingen, laad-
en losverrichtingen en het ladingtype.
— op werkplaatskaarten:
— EF Calibration_Add_Data bevat extra kalibrerings
gegevens in aanvulling van de in EF Calibration
opgeslagen gegevens. De oude datum- en tijds
waarde en het VIN-nummer van het voertuig wor
den telkens samen met de kalibreringsgegevens op
geslagen en moeten exact overeenstemmen met de
datum- en tijdswaarde van het VIN-nummer die sa
men met de overeenkomstige kalibreringsgegevens
in EF Calibration zijn opgeslagen.
— op alle tachograafkaarten:
— EF VU_Configuration bevat de specifieke settings
van de houder van de tachograafkaart.
The VU negeert elke in EF Places_Authentication of EF
GNSS_Places_Authentication aanwezige authenticatiestatus
als er in EF Places of EF GNSS_Places geen voertuigposi
tie met dezelfde tijdsstempel is gevonden.
De VU negeert het hoofdbestand EF VU_Configuration op
alle kaarten zolang er geen specifieke regels zijn vastgesteld
betreffende het gebruik van die hoofdbestanden. Die regels
zullen worden vastgesteld door de wijziging van bijlage IC,
op dat moment zal deze paragraaf worden gewijzigd of
geschrapt.
▼B
3.14 Registratie en opslag op een tachograafkaart
3.14.1 Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de eerste generatie
136) Indien het gebruik van tachograafkaarten van de eerste ge
neratie niet door een werkplaats is opgeheven, moet het
controleapparaat de gegevens op exact dezelfde manier
als controleapparaten van de eerste generatie opslaan en
bewaren.
137) Het controleapparaat moet de „gegevens van de kaartsessie”
onmiddellijk na de kaartinvoer op de bestuurderskaart of
werkplaatskaart zetten.
138) Het controleapparaat moet de gegevens die op een geldige
bestuurderskaart, bedrijfskaart, werkplaatskaart en/of con
trolekaart zijn opgeslagen, bijwerken met behulp van alle
noodzakelijke gegevens die verband houden met de periode
waarin de kaart ingebracht is, en met alle noodzakelijke
gegevens betreffende de kaarthouder. In hoofdstuk 4 is
gespecificeerd welke gegevens op die kaarten moeten wor
den opgeslagen.
139) Het controleapparaat moet de op een geldige bestuurders
kaart of werkplaatskaart opgeslagen gegevens over de ac
tiviteiten van de bestuurder en plaatsen (zoals gespecifi
ceerd in de punten 4.5.3.1.9 en 4.5.3.1.11) bijwerken; ge
gevens over activiteiten en plaatsen worden manueel door
de kaarthouder ingevoerd.
▼M3
140) Alle voorvallen en fouten die niet zijn gedefinieerd voor
controleapparaten van de eerste generatie worden niet op de
bestuurders- en werkplaatskaarten van de eerste generatie
opgeslagen.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 56
141) Het bijwerken van gegevens op de tachograafkaart moet
zodanig gebeuren dat, indien noodzakelijk en rekening hou
dend met de opslagcapaciteit de oudste gegevens door de
nieuwe worden overschreven.
142) In het geval van een schrijffout moet het controleapparaat
dezelfde schrijfopdracht maximaal drie keer opnieuw uit
voeren. Wanneer de fout blijft optreden, moet de kaart
defect en ongeldig worden verklaard.
▼M3
143) Voordat een bestuurders- of werkplaatskaart uitgenomen
wordt en nadat alle relevante gegevens op de kaart zijn
opgeslagen, moet het controleapparaat de „gegevens van
de kaartsessie” resetten.
▼B
3.14.2 Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de tweede gene
ratie
144) Tachograafkaarten van de tweede generatie bevatten 2 ver
schillende kaarttoepassingen: de eerste is volledig identiek
aan de TACHO-toepassing van de eerste generatie tacho
graafkaarten, de tweede toepassing, „TACHO_G2”, is be
schreven in hoofdstuk 4 en aanhangsel 2.
▼M3
De structuur in de TACHO_G2-toepassing is afhankelijk
van de versie. Kaarten van versie 2 bevatten extra hoofd
bestanden ten opzichte van de kaarten van versie 1.
▼B
145) Het controleapparaat moet de „gegevens van de kaartsessie”
onmiddellijk na de kaartinvoer op de bestuurderskaart of
werkplaatskaart zetten.
146) Het controleapparaat moet de gegevens die zijn opgeslagen
in toepassingen van de tweede generatie op een geldige
bestuurderskaart, bedrijfskaart, werkplaatskaart en/of con
trolekaart, bijwerken met behulp van alle noodzakelijke
gegevens die verband houden met de periode waarin de
kaart ingebracht is, en met alle noodzakelijke gegevens
betreffende de kaarthouder. In hoofdstuk 4 is gespecificeerd
welke gegevens op die kaarten moeten worden opgeslagen.
147) Het controleapparaat moet de op een geldige bestuurders
kaart of werkplaatskaart opgeslagen gegevens over de plaat
sen van activiteiten van de bestuurder, alsmede de positie
gegevens (zoals gespecificeerd in de punten 4.5.3.1.9,
4.5.3.1.11, 4.5.3.2.9 en 4.5.3.2.11) bijwerken; gegevens
over activiteiten en plaatsen worden manueel door de kaart
houder ingevoerd.
▼M3
147 a) Bij het inbrengen van de bestuurders- of werkplaatskaart
wordt het standaard ladingtype door het controleapparaat
opgeslagen op de kaart.
147b) Bij het inbrengen van de bestuurders- of werkplaatskaart,
en na de manuele invoerprocedure, verifieert het contro
leapparaat de laatste op de kaart opgeslagen plaats waar
de dagelijkse werkperiode begint of eindigt. Die plaats
kan tijdelijk zijn, zoals gespecificeerd in voorschrift 59.
Als die plaats in een ander land ligt dan die waar het voer
tuig zich bevindt, worden de gegevens betreffende de
grensoverschrijdingen door het controleapparaat opgeslagen
op de kaart, met:
— het land dat de bestuurder verlaat: niet beschikbaar,
— het land dat de bestuurder binnenrijdt: het huidige land
waar het voertuig zich bevindt,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 57
— de datum en tijd waarop de bestuurder de grens heeft
overschreden: het tijdstip waarop de kaart wordt
ingebracht,
— de positie van de bestuurder wanneer de grens werd
overschreden: niet beschikbaar,
— de kilometerstand van het voertuig: niet beschikbaar.
▼B
148) Het bijwerken van gegevens op de tachograafkaart moet
zodanig gebeuren dat, indien noodzakelijk en rekening hou
dend met de opslagcapaciteit van de kaart, de oudste gege
vens door de nieuwe worden overschreven.
149) In het geval van een schrijffout moet het controleapparaat
dezelfde schrijfopdracht maximaal drie keer opnieuw uit
voeren. Wanneer de fout blijft optreden, moet de kaart
defect en ongeldig worden verklaard.
150) Voordat een bestuurderskaart uitgenomen wordt en nadat
alle relevante gegevens op de twee kaarttoepassingen van
de kaart zijn opgeslagen, moet het controleapparaat de „ge
gevens van de kaartsessie” terugplaatsen.
▼M3
150 a) Zolang er geen specifieke regels zijn vastgesteld betref
fende het gebruik van die hoofdbestanden, negeert de VU
het hoofdbestand EF VU_Configuration op alle kaarten.
Die regels zullen worden vastgesteld door de wijziging
van bijlage IC; op dat moment zal deze paragraaf worden
gewijzigd of geschrapt.
▼B
3.15 Weergave
151) Het display moet ten minste 20 tekens bevatten.
152) De minimale tekengrootte moet 5 mm hoog en 3,5 mm
breed zijn.
153) Het display ondersteunt de tekens die zijn gespecificeerd in
aanhangsel 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”. Het display kan
vereenvoudigde tekens gebruiken (bijv. letters met een ac
cent kunnen zonder accent worden getoond, of kleine let
ters kunnen als hoofdletters worden getoond).
154) Het display moet voorzien zijn van een voldoende sterke,
niet verblindende verlichting.
155) Aanwijzingen moeten aan de buitenzijde van het contro
leapparaat zichtbaar zijn.
156) Het controleapparaat moet het volgende kunnen weergeven:
— standaardgegevens;
— gegevens met betrekking tot waarschuwingssignalen;
— gegevens met betrekking tot de toegang tot het menu;
— andere door de gebruiker opgevraagde gegevens.
Aanvullende informatie mag door het controleapparaat wor
den weergegeven indien deze duidelijk te onderscheiden is
van de hierboven vermelde vereiste informatie.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 58
157) Het display van het controleapparaat moet de in aanhangsel
3 vermelde pictogrammen of pictogramcombinaties gebrui
ken. Extra pictogrammen of pictogramcombinaties mogen
ook op het display worden weergegeven wanneer ze dui
delijk te onderscheiden zijn van de voornoemde pictogram
men of pictogramcombinaties.
158) Wanneer het voertuig aan het rijden is, moet het display
altijd ingeschakeld zijn.
159) Het controleapparaat kan over een manuele of automatische
voorziening beschikken om het display uit te schakelen
wanneer het voertuig stilstaat.
Het formaat van het display is gespecificeerd in aanhang
sel 5.
3.15.1 Standaarddisplay
160) Wanneer geen andere informatie getoond hoeft te worden,
geeft het controleapparaat standaard de volgende informatie
weer:
— de plaatselijke tijd (de uitkomst van UTC-tijd + instel
ling door de bestuurder);
— de werkingsmodus;
— de lopende activiteiten van de bestuurder en de lopende
activiteiten van de bijrijder;
— informatie met betrekking tot de bestuurder:
— indien zijn lopende activiteit RIJDEN is: zijn lopende
rijtijd en zijn lopende cumulatieve rusttijd;
— indien zijn lopende activiteit niet RIJDEN is: de lo
pende duur van zijn activiteit (sinds deze geselecteerd
werd) en zijn lopende cumulatieve rusttijd.
161) De gegevens met betrekking tot elke bestuurder moeten
duidelijk en ondubbelzinnig worden weergegeven. Wanneer
de informatie met betrekking tot de bestuurder en de bij
rijder niet tegelijkertijd kan worden getoond, geeft het con
troleapparaat standaard de informatie weer met betrekking
tot de bestuurder en kan de gebruiker de informatie met
betrekking tot de bijrijder zichtbaar maken.
162) Als het display niet breed genoeg is om standaard de wer
kingsmodus weer te geven, moet het controleapparaat kort
de nieuwe werkingsmodus weergeven wanneer deze
wijzigt.
163) Het controleapparaat moet bij kaartinvoer kort de naam van
de kaarthouder weergeven.
164) Wanneer een „NIET VERPLICHT” of „FERRY/TREIN”-
omstandigheid wordt geopend, moet het standaarddisplay
door middel van het relevante pictogram weergeven dat
die specifieke omstandigheid geopend is (daarbij wordt
aanvaard dat de lopende activiteit van de bestuurder niet
tegelijkertijd wordt getoond).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 59
3.15.2 Waarschuwingsdisplay
165) Het controleapparaat moet waarschuwingssignalen voor
namelijk weergeven door middel van de pictogrammen
van aanhangsel 3, die waar nodig worden aangevuld met
extra numerieke informatie. Een letterlijke beschrijving van
de waarschuwing kan in de voorkeurstaal van de bestuurder
worden toegevoegd.
3.15.3 Toegang tot het menu
166) Het controleapparaat moet de benodigde opdrachten door
middel van een geschikte menustructuur leveren.
3.15.4 Overige displays
167) Er kan voor een selectieve weergave worden geopteerd:
— de UTC-datum en UTC-tijd, en offset van plaatselijke
tijd;
▼M3
— de inhoud van de in voorschrift 169 genoemde afge
drukte documenten in hetzelfde formaat als de afdruk
ken zelf,
▼B
— de ononderbroken rijtijd en cumulatieve rusttijd van de
bestuurder;
— de ononderbroken rijtijd en cumulatieve rusttijd van de
bijrijder;
▼M3
— de gecumuleerde rijtijd van de bestuurder tijdens de
voorbije en de lopende week,
— de gecumuleerde rijtijd van de bijrijder tijdens de voor
bije en de lopende week,
▼B
facultatief:
— de lopende duur van activiteit van de bijrijder (sinds die
geselecteerd werd);
▼M3
— de gecumuleerde rijtijd van de bestuurder tijdens de
lopende week,
— de gecumuleerde rijtijd van de bijrijder tijdens de lo
pende dagelijkse werkperiode,
— de gecumuleerde rijtijd van de bestuurder tijdens de
lopende dagelijkse werkperiode.
▼B
168) De inhoud van de afdrukken moet sequentieel, regel voor
regel, worden weergegeven. Indien de breedte van het dis
play minder dan 24 tekens telt, moet de gebruiker de vol
ledige informatie op een geschikte manier (een aantal re
gels, scrollen, …) aangeboden krijgen.
Afgedrukte regels voor handgeschreven informatie kunnen
op het display worden weggelaten.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 60
3.16 Afdrukken
169) Het controleapparaat moet informatie uit zijn geheugen
en/of van de tachograafkaart overeenkomstig de zeven on
derstaande documenten afdrukken:
— dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder
op de kaart;
— dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder
in de VU;
— afdruk van voorvallen en fouten op de kaart;
— afdruk van voorvallen en fouten in de VU;
— afdruk van technische gegevens;
— afdruk van snelheidsoverschrijdingen;
— tachograafkaartgegevens voor een bepaalde VU (zie
punt 3.12.16).
De gedetailleerde vorm en inhoud van deze afdrukken zijn
gespecificeerd in aanhangsel 4.
Aan het einde van de afdruk kunnen aanvullende gegevens
worden verstrekt.
Het controleapparaat mag extra afdrukken leveren, indien
deze duidelijk te onderscheiden zijn van de zeven voor
noemde documenten.
170) De „dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder
op de kaart” en de „afdruk van voorvallen en fouten op de
kaart” zijn alleen beschikbaar wanneer een bestuurderskaart
of een werkplaatskaart in het controleapparaat ingebracht is.
Het controleapparaat werkt de opgeslagen gegevens op de
betrokken kaart bij voordat met afdrukken wordt begonnen.
171) Om de „dagelijkse afdruk van de activiteiten van de be
stuurder op de kaart” of de „afdruk van voorvallen en
fouten op de kaart” te leveren moet het controleapparaat:
— automatisch de bestuurderskaart of de werkplaatskaart
selecteren indien een van deze kaarten ingebracht is,
dan wel
— een opdracht geven om de bronkaart te selecteren of om
de kaart in de kaartlezer van de bestuurder te selecteren
indien twee kaarten in het controleapparaat zijn
ingebracht.
172) De printer moet 24 tekens per regel afdrukken.
173) De minimale tekengrootte moet 2,1 mm hoog en 1,5 mm
breed zijn.
174) De printer ondersteunt de tekens zoals gespecificeerd in
aanhangsel 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”.
175) De printers zijn zo ontworpen dat zij de bedoelde afdruk
ken kunnen maken met een dusdanige afdrukscherpte dat
leesfouten worden vermeden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 61
176) Afmetingen en gegevens moeten bij normale luchtvochtig
heid (10-90 %) en temperatuur behouden blijven.
177) Het door het controleapparaat gebruikte typegekeurde print
papier moet over het relevante typegoedkeuringsmerk be
schikken. Daarnaast moet op het papier vermeld staan voor
welk(e) type(s) controleapparatuur dit papier geschikt is.
178) De afdrukken moeten onder normale opslagomstandigheden
voor wat betreft lichtsterkte, vochtigheid en temperatuur,
gedurende ten minste twee jaar duidelijk leesbaar en iden
tificeerbaar blijven.
179) Afdrukken moeten ten minste voldoen aan de in aanhangsel
9 gedefinieerde testspecificaties.
180) Bovendien moeten op deze documenten geschreven aan
tekeningen, zoals de handtekening van de bestuurder, kun
nen worden aangebracht.
181) Op „paper out” voorvallen tijdens het afdrukken reageert
het controleapparaat door, zodra het papier is bijgevuld, het
afdrukken vanaf het begin te hernemen of door te gaan met
het afdrukken en een ondubbelzinnige referentie naar het
reeds afgedrukte gedeelte te geven.
3.17 Waarschuwingen
182) Het controleapparaat moet de bestuurder waarschuwen als
een voorval en/of fout wordt gedetecteerd.
183) Een waarschuwing met betrekking tot een onderbreking in
de stroomvoorziening mag worden uitgesteld totdat de
stroomvoorziening is hersteld.
184) Het controleapparaat moet de bestuurder 15 minuten van
tevoren waarschuwen bij een naderende overschrijding van
de maximale rijtijd, en op het tijdstip van overschrijding
zelf.
185) Waarschuwingen moeten visueel worden gegeven. Daar
naast kunnen akoestische waarschuwingssignalen worden
gegeven.
186) De visuele waarschuwingssignalen moeten voor de gebrui
ker duidelijk herkenbaar zijn, ze moeten in het gezichtsveld
van de bestuurder liggen en zowel overdag als 's nachts
duidelijk leesbaar zijn.
187) Visuele waarschuwingssignalen kunnen in het controleap
paraat ingebouwd zijn en/of zich buiten het controleap
paraat bevinden.
188) In dat geval is een „T”-teken aangebracht.
189) De waarschuwingssignalen moeten ten minste 30 seconden
duren, tenzij de bestuurder deze bevestigt door op een of
meer specifieke toetsen van het controleapparaat te druk
ken. Deze eerste bevestiging mag de getoonde reden van de
waarschuwing zoals bedoeld in de volgende alinea niet
uitwissen.
190) De reden van de waarschuwing moet op het controleap
paraat worden getoond en zichtbaar blijven totdat de be
stuurder deze bevestigt door op een specifieke toets van het
controleapparaat te drukken of een opdracht te geven.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 62
191) Aanvullende waarschuwingssignalen kunnen worden inge
bouwd, mits de bestuurder hierdoor niet in verwarring
wordt gebracht met betrekking tot de reeds gedefinieerde
waarschuwingssignalen.
3.18 Downloaden van gegevens met externe media
192) Het controleapparaat moet op verzoek vanuit zijn geheugen
of vanaf een bestuurderskaart via de kalibrerings-/downlo
adverbinding gegevens naar externe opslagmedia kunnen
doorsturen. Het controleapparaat werkt de opgeslagen ge
gevens op de betrokken kaart bij voordat met het downlo
aden van gegevens wordt begonnen.
▼M3
193) Verder is er een optie waardoor het controleapparaat in elke
werkingsmodus gegevens via een willekeurige andere inter
face naar een door dit kanaal geauthenticeerd bedrijf kan
downloaden. In dit geval zijn de gegevenstoegangsrechten
in de bedrijfsmodus van toepassing op die download.
▼B
194) Opgeslagen gegevens worden door het downloaden niet
gewijzigd of verwijderd.
195) De elektrotechnische interface van de kalibrerings-/downlo
adverbinding is gespecificeerd in aanhangsel 6.
196) Downloadprotocollen zijn gespecificeerd in aanhangsel 7.
▼M3
196a) Een vervoersonderneming die gebruik maakt van voertui
gen die uitgerust zijn met een controleapparaat dat aan deze
bijlage voldoet en die onder Verordening (EG) nr. 561/2006
vallen, moet ervoor zorgen dat alle gegevens van de voer
tuigunits en bestuurderskaarten worden gedownload.
De maximumtermijn binnen dewelke de relevante gegevens
moeten worden gedownload bedraagt:
— 90 dagen voor gegevens van de voertuigunit;
— 28 dagen voor gegevens van de bestuurderskaart.
196b) Vervoersondernemingen bewaren de van de voertuigunit en
bestuurderskaarten gedownloade gegevens gedurende ten
minste twaalf maanden na de registratie van die gegevens.
▼B
3.19 Communicatie op afstand met het oog op gerichte wegcontroles
197) Wanneer de motor aan staat, bewaart de voertuigunit in het
systeem voor communicatie op afstand om de 60 seconden
de recentste gegevens die nodig zijn voor gerichte wegcon
troles. Die gegevens worden versleuteld en ondertekend
overeenkomstig de aanhangsels 11 en 14.
198) Gegevens die op afstand moeten worden gecontroleerd,
kunnen via een draadloze verbinding worden gelezen
door de in aanhangsel 14 gespecificeerde apparatuur.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 63
199) De gegevens die nodig zijn voor gerichte wegcontroles
hebben betrekking op:
— de recentste inbreuk op de beveiliging;
— de langste stroomstoring;
— fout in de sensor;
— fout in de bewegingsgegevens;
— tegenstrijdige bewegingsgegevens;
— rijden zonder geldige kaart;
— invoeren van een kaart tijdens het rijden;
— tijdafstellingsgegevens;
— kalibreringsgegevens, waaronder de datums van de laat
ste twee bewaarde kalibreringsrecords;
— het voertuigkenteken;
— de door de tachograaf geregistreerde snelheid ;
▼M3
— positie van het voertuig,
— een indicatie dat de bestuurder op dat moment wellicht
inbreuk pleegt op de rijtijden.
3.20 Gegevensuitwisseling met aanvullende externe apparaten
200) Het controleapparaat moet overeenkomstig aanhangsel 13
worden uitgerust met een ITS-interface die ervoor zorgt
dat de door de tachograaf of de tachograafkaart geregi
streerde of gegenereerde gegevens kunnen worden gebruikt
door externe apparaten.
In de operationele modus mogen de persoonsgegevens niet
via de ITS-interface worden verzonden zonder de instem
ming van de bestuurder. Instemming van de bestuurder is
echter niet vereist voor de toegang tot de tachograaf of
tachograafkaart in de controle-, bedrijfs- of kalibrerings
modus. De gegevens en functionele toegangsrechten voor
die modi zijn gespecificeerd in de voorschriften 12 en 13.
De volgende eisen moeten van toepassing zijn voor
ITS-gegevens die via die interface worden verstrekt:
— persoonsgegevens mogen slechts beschikbaar zijn na de
controleerbare bevestiging door de bestuurder dat hij
ermee instemt dat zijn persoonsgegevens het voertuig
netwerk mogen verlaten.
Een set bestaande gegevens die via de ITS-interface
beschikbaar kan worden gesteld, en de classificatie als
al dan niet persoonsgebonden zijn gespecificeerd in
aanhangsel 13. Er kunnen ook aanvullende gegevens
worden gegenereerd in aanvulling op de in aanhangsel
13 genoemde reeks gegevens. De fabrikant van de VU
classificeert die gegevens als „persoonsgegevens” of
„niet-persoonsgebonden gegevens”; de instemming van
de bestuurder heeft betrekking op de „persoonsgege
vens”,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 64
— wanneer de bestuurderskaart is ingebracht, kan de be
stuurder op elk moment via het menu zijn instemming
geven of intrekken,
— de ITS-interface mag de correcte werking en beveiliging
van de voertuigunit in geen geval verstoren of
aantasten.
Aanvullende VU-interfaces zijn eveneens toegestaan indien
zij volledig voldoen aan de vereisten van aanhangsel 13
inzake de instemming van de bestuurder. Het controleap
paraat moet de instemmingsstatus van de bestuurder kunnen
meedelen aan andere platforms in het voertuignetwerk en
aan externe apparaten.
Voor persoonsgegevens die in het voertuignetwerk worden
ingevoerd en die verder worden verwerkt buiten het voer
tuignetwerk, berust de verantwoordelijkheid om dat proces
in overeenstemming te brengen met de geldende Uniewet
geving inzake gegevensbescherming niet bij de fabrikant
van de tachograaf.
De ITS-interface moet, zowel voor de bestuurder als de
bijrijder, de mogelijkheid bieden gegevens in te voeren
tijdens de procedure voor manuele gegevensinvoer overeen
komstig voorschrift 61.
De ITS-interface mag ook worden gebruikt voor de invoer
van aanvullende informatie in realtime, zoals:
— selectie van de bestuurdersactiviteit, overeenkomstig
voorschrift 46,
— plaatsen overeenkomstig voorschrift 56,
— specifieke omstandigheden overeenkomstig voor
schrift 62,
— laad- en losverrichtingen overeenkomstig voorschrift
62a.
Die informatie kan ook via andere interfaces worden
ingevoerd.
201) Om de achterwaartse compatibiliteit te waarborgen mogen
tachografen ook worden voorzien van de in bijlage IB van
Verordening (EEG) nr. 3821/85, als laatstelijk gewijzigd,
gespecificeerde seriële verbinding. Die seriële verbinding is
geclassificeerd als een onderdeel van het voertuignetwerk,
overeenkomstig voorschrift 200.
▼B
3.21 Kalibrering
202) De kalibreringsfunctie moet:
— de bewegingssensor automatisch aan de VU koppelen;
— de externe GNSS-module desgevallend automatisch
koppelen aan de VU;
— de constante van het controleapparaat (k) digitaal aan
passen aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig
(w);
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 65
— de huidige tijd aanpassen binnen de geldigheidsperiode
van de ingebrachte werkplaatskaart;
— de lopende kilometerstand bijstellen;
— de in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens
van de bewegingssensor bijwerken;
— de in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens
van de externe GNSS-module bijwerken;
— types en identificatienummers van alle aanwezige ver
zegelingen bijwerken;
▼M3
— andere parameters van het controleapparaat bijwerken
of bevestigen: VIN van het voertuig, w, l, bandenmaat
en instelling van de snelheidsbegrenzer, indien van toe
passing, en het standaard ladingtype.
— automatische opslag van het land waar de kalibrering
heeft plaatsgevonden, en van de datum en tijd waarop
de positie die gebruikt is om dat land te bepalen aan de
GNSS-ontvanger is meegedeeld.
▼B
203) Indien de voorwaarden van aanhangsel 15 zijn vervuld,
moet de kalibreringsfunctie het bovendien mogelijk maken
het gebruik van tachograafkaarten van de eerste generatie in
het controleapparaat op te heffen.
204) Het verbinden van de bewegingssensor met de VU omvat
ten minste:
— het bijwerken van installatiegegevens van de be
wegingssensor die door de bewegingssensor worden be
waard (indien nodig);
— het kopiëren van essentiële identificatiegegevens van de
bewegingssensor naar het geheugen van de VU.
▼M3
205) Het koppelen van de externe GNSS-module aan de VU
omvat ten minste:
— het bijwerken van de installatiegegevens van de externe
GNSS-module die in dat systeem zijn opgeslagen (in
dien nodig),
— het kopiëren van de vereiste identificatiegegevens van
de externe GNSS-module naar het geheugen van de
VU, m.i.v. het serienummer van de externe
GNSS-module.
▼B
206) De kalibreringsfunctie kan via de kalibrerings-/download
verbinding essentiële gegevens invoeren in overeenstem
ming met het in aanhangsel 8 gedefinieerde kalibrerings
protocol. Met de kalibreringsfunctie kunnen ook op andere
manieren essentiële gegevens worden ingevoerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 66
3.22 Kalibreringscontrole langs de weg
207) Via de functie voor kalibreringscontroles langs de weg
moet het mogelijk zijn de serienummers van de op het
moment van het verzoek aan de VU gekoppelde be
wegingssensor (al dat niet geïntegreerd in de adapter) en
van de externe GNSS-module (indien aanwezig) op te
vragen.
208) De nummers moeten op het display van de voertuigunit
minstens kunnen worden gelezen via commando's in de
menu's.
209) Met de functie kalibreringscontrole langs de weg moet de
I/O-modus van de in aanhangsel 6 gespecificeerde I/O-sig
naallijn voor kalibrering via de K-lijninterface kunnen wor
den geselecteerd. Dat gebeurt via de EDU/Adjustment/Ses
sie als gespecificeerd in aanhangsel 8, deel 7 „Controle van
testpulsen — invoer-/uitvoercontrole functionele unit”.
▼M3
Als de I/O-modus van de I/O signaallijn voor kalibrering
actief is overeenkomstig dit voorschrift, genereert de VU
geen waarschuwing „Rijden zonder geschikte kaart” (voor
schrift 75).
▼B
3.23 Tijdafstelling
210) Met de tijdafstellingsfunctie kan de lopende tijd worden
bijgesteld. De tijdafstelling gebeurt op basis van twee tijds
registratiebronnen in het controleapparaat: 1) de interne
klok van de VU, 2) de GNSS-ontvanger.
▼M3
211) De tijdsbepaling van de interne klok van de VU wordt met
variabele tussenpozen automatisch bijgewerkt. De volgende
automatische tijdsafstelling wordt geïnitieerd tussen 72h
en 168h na de vorige, en nadat de VU via een geldig
geauthenticeerd positiebericht overeenkomstig aanhangsel
12 toegang krijgt tot de GNSS-tijdgegevens. Niettemin
mag de tijdsafstelling nooit verder reiken dan de gecumu
leerde maximale tijdsafwijking per dag, als door de
VU-fabrikant berekend overeenkomstig eis 41b. Als het
verschil tussen de interne klok van de VU en de
GNSS-ontvanger groter is dan de maximale afwijking per
dag, brengt de tijdsafstelling de interne klok van de VU zo
dicht mogelijk bij de tijd van de GNSS-ontvanger. De tijds
afstelling mag alleen gebeuren als de door de
GNSS-ontvanger verstrekte tijd wordt ontvangen via geau
thenticeerde positieberichten als toegelicht in aanhangsel
12. De referentietijd voor de automatische tijdsafstelling
van de interne klok van de VU is de door het geauthenti
ceerde positiebericht verstrekte tijd.
212) In de kalibreringsmodus kan de tijdafstellingsfunctie voor
de bijwerking van de huidige tijd worden geactiveerd.
Werkplaatsen kunnen de tijd afstellen:
— hetzij door in de VU een tijd in te voeren aan de hand
van de WriteDataByIdentifier-dienst overeenkomstig
punt 6.2 van aanhangsel 8,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 67
— hetzij door een afstemming van de VU-klok op de door
de GNSS-ontvanger verstrekte tijd te vragen. Dit mag
alleen gebeuren als de door de GNSS-ontvanger ver
strekte tijd wordt ontvangen via geauthenticeerde posi
tieberichten. In het laatste geval wordt gebruik gemaakt
van de RoutineControl-dienst overeenkomstig deel 8
van aanhangsel 8.
▼B
3.24 Prestatiekenmerken
213) De voertuigunit moet volledig operationeel zijn bij tempe
raturen van – 20 °C tot 70 °C, de externe GNSS-module bij
temperaturen van – 20 °C tot 70 °C, en de bewegingssen
sor bij temperaturen van – 40 °C tot 135 °C. De gegevens
in het geheugen worden bewaard tot een temperatuur van –
40 °C.
214) De tachograaf moet correct functioneren binnen het voch
tigheidsbereik van 10 % tot 90 %.
215) De in slimme tachografen gebruikte zegels moeten bestand
zijn tegen dezelfde omstandigheden als die welke gelden
voor de onderdelen waarop ze zijn aangebracht.
216) Het controleapparaat moet worden beveiligd tegen over
spanning, polariteitsomkering en kortsluiting.
217) De bewegingssensoren moeten:
— reageren op een magnetisch veld dat de detectie van
beweging van het voertuig stoort. In dat geval wordt
door de voertuigunit een fout in de sensor (voorschrift
88) geregistreerd en opgeslagen, ofwel
— een aftastelement bevatten dat beschermd is tegen, of
ongevoelig is voor, een magnetisch veld.
218) Het controleapparaat en de externe GNSS-module moeten
voldoen aan het internationaal Reglement VN-ECE R10 en
beveiligd zijn tegen elektrostatische ontladingen en
stootspanning.
3.25 Materialen
219) Alle onderdelen van het controleapparaat moeten uitge
voerd zijn in materiaal van voldoende stabiliteit en mecha
nische sterkte en met onveranderlijke elektrische en mag
netische eigenschappen.
220) Alle inwendige delen van het apparaat moeten bij normale
gebruiksomstandigheden beschermd zijn tegen vocht en
stof.
221) De voertuigunit en de externe GNSS-module moeten vol
doen aan beschermingsklasse IP 40 en de bewegingssensor
moet voldoen aan beschermingsklasse IP 64, volgens
IEC-norm IEC 60529:1989, m.i.v. A1:1999 en A2:2013.
222) Het ergonomisch ontwerp van het controleapparaat moet
voldoen aan de toepasselijke technische specificaties.
223) Het controleapparaat moet worden beschermd tegen on
opzettelijke beschadiging.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 68
3.26 Opschriften
224) Indien het controleapparaat de kilometerstand en snelheid
van het voertuig weergeeft, moeten onderstaande aandui
dingen op het display voorkomen:
— bij het getal voor de afstandsaanduiding, de voor het
meten van de afstand gebruikte eenheid, weergegeven
door het symbool „km”;
— bij het getal voor de snelheidsaanduiding, de aanduiding
„km/h”.
Het controleapparaat kan ook de snelheid in mijl per uur
weergeven, in dat geval wordt voor de snelheidsaanduiding
het symbool „mph” gebruikt. Het controleapparaat kan ook
de afstand in mijl per uur weergeven, in welk geval voor de
afstand het symbool „mi” gebruikt wordt.
▼M1
225) Een identificatieplaatje met de volgende gegevens moet op
elk afzonderlijk samenstellend deel van het controleap
paraat worden aangebracht:
— naam van de fabrikant en zijn adres;
— onderdeelnummer en bouwjaar van het apparaat;
— serienummer;
— typegoedkeuringsmerk.
226) Wanneer er onvoldoende fysieke ruimte is voor alle voor
noemde gegevens, moet ten minsten het volgende op het
identificatieplaatje zijn vermeld: de naam of het logo van
de fabrikant en het onderdeelnummer.
▼M3
3.27 Monitoring van grensoverschrijdingen
226a) Deze functie detecteert wanneer het voertuig een landsgrens
heeft overschreden, welk land het heeft verlaten en welk
land het is binnengereden.
226b) De grensoverschrijding wordt gedetecteerd op basis van de
door het controleapparaat gemeten positie, en de overeen
komstig punt 3.12.19 opgeslagen digitale kaart.
226c) Grensoverschrijdingen in verband met de aanwezigheid van
het voertuig in een land gedurende minder dan 120s mogen
niet worden geregistreerd.
3.28 Software-updates
226d) De voertuigunit van het voertuig moet een functie bevatten
voor de uitvoering van software-updates voor zover voor
die updates geen andere hardware nodig is dan de hardwa
recapaciteit als toegelicht in voorschrift 226f, en de type
keuringsinstanties hun goedkeuring verlenen voor de
software-updates op basis van de bestaande typegoedkeu
ring van de VU, overeenkomstig artikel 12, lid 5, van Ver
ordening (EU) nr. 165/2014.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 69
226e) De software-updatefunctie wordt ontworpen voor de onder
steuning van de volgende functies, voor zover die wettelijk
verplicht zijn:
— wijziging van de functies als bedoeld in punt 2.2, be
halve de software-updatefunctie zelf,
— de toevoeging van nieuwe functies die direct verband
houden met de handhaving van de Uniewetgeving in
zake het wegvervoer,
— de wijziging van de operationele modi in punt 2.3,
— de wijziging van de bestandsstructuur, zoals de toevoe
ging van nieuwe gegevens of de vergroting van het
bestandsformaat,
— de uitrol van softwarepatches om fouten in de software
of beveiliging of gerapporteerde aanvallen op functies
van het controleapparaat aan te pakken.
226f) De voertuigunit moet over een vrije hardwarecapaciteit be
schikken van ten minste 35% voor de software en gegevens
die nodig zijn voor de toepassing van voorschrift 226e en
van ten minste 65% voor de update van de digitale kaart op
basis van de hardware die vereist is voor de NUTS 0-kaart,
versie 2021.
▼B
4 FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN VOOR TACHO
GRAAFKAARTEN
4.1 Zichtbare gegevens
De voorzijde bevat:
227) de woorden „Bestuurderskaart”, „Controlekaart”, „Werk
plaatskaart” dan wel „Bedrijfskaart”, in hoofdletters, ge
drukt in de officiële taal/talen van de lidstaat die de kaart
afgeeft;
228) de naam van de lidstaat die de kaart afgeeft (facultatief);
229) het kenteken van de lidstaat die de kaart afgeeft, negatief
afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe
rechthoek. De kentekens zijn:
B
BG
CZ
CY
België
Bulgarije
Tsjechië
Cyprus
LV
L
LT
M
Letland
Luxemburg
Litouwen
Malta
DK Denemarken NL Nederland
D
EST
Duitsland
Estland
A
PL
Oostenrijk
Polen
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 70
GR Griekenland P
RO
SK
SLO
Portugal
Roemenië
Slowakije
Slovenië
E Spanje FIN Finland
F
HR
H
Frankrijk
Kroatië
Hongarije
S Zweden
IRL Ierland UK Verenigd Konink
rijk
I Italië
230) de gegevens die specifiek zijn voor de afgegeven kaart, met
de volgende nummers:
Bestuurderskaart Controlekaart Bedrijfs- of Werkplaatskaart
1. Naam bestuurder Naam controle-instantie Naam bedrijf of werkplaats
2. Voorna(a)men van de be
stuurder
Naam controleur
(indien van toepassing)
Naam kaarthouder
(indien van toepassing)
3. Geboortedatum van de be
stuurder
Voorna(a)men controleur
(indien van toepassing)
Voorna(a)m(en) kaarthou
der
(indien van toepassing)
4.a Datum van afgifte van de kaart
4.b Vervaldatum van de kaart
4.c Naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft (mag op achterzijde worden
afgedrukt)
4.d Een ander nummer dan dat in rubriek 5, dat nuttig is voor de administratie van de kaart
(facultatief)
5. a Nummer van het rijbewijs
(op het moment van af
gifte van de bestuurders
kaart)
— —
5. b Kaartnummer
6. Foto bestuurder Foto controleur (facultatief) Foto installateur (faculta
tief)
7. Handtekening houder (facultatief)
8. Woon- of verblijfplaats of
postadres van de houder
(facultatief)
Postadres controle-instantie Postadres bedrijf of werk
plaats
231) datums worden geschreven in het formaat „dd/mm/jjjj” of
„dd.mm.jjjj” (dag, maand, jaar).
De achterkant bevat:
232) een toelichting bij de genummerde rubrieken op kant 1 van
de kaart;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 71
233) Zo nodig, en met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming
van de houder, kunnen gegevens die geen verband houden
met de administratie van de kaart in deze ruimte worden
opgenomen; de toevoeging van deze vermeldingen heeft
geen gevolgen voor het gebruik van het model als
tachograafkaart.
234) Tachograafkaarten moeten worden gedrukt met de volgende
achtergrondkleuren:
— bestuurderskaart: wit,
— controlekaart: blauw,
— werkplaatskaart: rood,
— bedrijfskaart: geel.
235) Tachograafkaarten moeten ten minste de volgende eigen
schappen hebben om de kaart te beschermen tegen verval
sing en misbruik:
— een beveiligd achtergrondontwerp met fijne guilloche
patronen en regenboogdruk,
— bij de foto moeten het beveiligd achtergrondontwerp en
de foto elkaar overlappen,
— ten minste één tweekleurige microzeefdrukregel.
► (1) M1
► (2) M3
236) Na overleg met de Commissie kunnen lidstaten kleuren of
aanduidingen, zoals nationale symbolen of beveiligings
tekens, toevoegen, onverminderd de andere bepalingen
van deze bijlage.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 72
237) Tijdelijke kaarten als bedoeld in artikel 26, lid 4, van Ver
ordening (EU) nr. 165/2014 moeten voldoen aan de bepa
lingen in deze bijlage.
4.2 Beveiliging
De beveiliging van het systeem beoogt het beschermen van de
integriteit en authenticiteit van de tussen de kaarten en het contro
leapparaat uitgewisselde gegevens, het beschermen van de integriteit
en authenticiteit van de gegevens die van de kaarten worden ge
download, het beletten van bepaalde schrijfopdrachten op de kaarten
door andere apparaten dan controleapparaten, het coderen van be
paalde gegevens, het uitsluiten van mogelijke vervalsing van op de
kaarten opgeslagen gegevens, alsmede het voorkomen van manipu
laties en het detecteren van pogingen daartoe.
238) Teneinde het systeem te beveiligen, moeten tachograafkaar
ten voldoen aan de in de aanhangsels 10 en 11 vastgestelde
beveiligingseisen.
239) Tachograafkaarten moeten door andere apparatuur, zoals
computers, kunnen worden gelezen.
4.3 Normen
240) Tachograafkaarten moeten voldoen aan de volgende
normen:
— ISO/IEC 7810 Identificatiekaarten — Fysieke kenmer
ken
— ISO/IEC 7816 Identificatiekaarten — Kaarten met geïn
tegreerde schakeling(en)
— Deel 1: Fysieke kenmerken,
— Deel 2: Afmetingen en plaats van de contacten
(ISO/IEC 7816-2:2007),
— Deel 3: Elektrische eigenschappen van de contacten,
transmissieprotocollen (ISO/IEC 7816-3:2006),
— Deel 4: Inhoud van de communicatie, datastructuur
van de chipkaart, veiligheidsarchitectuur en toe
gangsmechanismen (ISO/IEC 7816-4:2013 + Cor
1:2014),
— Deel 6: Interindustriële data-uitwisselingselementen
(ISO/IEC 7816-6:2004 + Cor 1:2006),
— Deel 8: Veiligheidsrelevante commando's (ISO/IEC
7816-8:2004).
— Tachograafkaarten worden getest overeenkomstig ISO/
IEC 10373-3:2010 Identificatiekaarten — Testmethodes
— deel 3: Kaarten met geïntegreerde schakeling(en)
met contacten en gerelateerde interfaces.
4.4 Milieu- en elektrotechnische specificaties
241) De tachograafkaart moet onder alle klimatologische om
standigheden die zich normaliter op het grondgebied van
de Gemeenschap voordoen, en ten minste binnen het tem
peratuurbereik van – 25 °C tot + 70 °C met incidentele
pieken tot + 85 °C naar behoren kunnen functioneren; „in
cidenteel” betekent niet meer dan 4 uur per keer en niet
meer dan 100 keer tijdens de levensduur van de kaart.
242) Tachograafkaarten moeten binnen het vochtigheidsbereik
van 10 % tot 90 % naar behoren kunnen functioneren.
243) Tachograafkaarten moeten vijf jaar lang naar behoren kun
nen functioneren indien de vastgestelde milieu- en elektro
technische grenswaarden niet overschreden worden.
244) Tijdens de werking moeten tachograafkaarten voldoen aan
de ECE-norm R10 inzake elektromagnetische compatibili
teit en moeten de kaarten beveiligd zijn tegen elektrostati
sche ontladingen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 73
4.5 Opslag van gegevens
Voor de toepassing van dit punt
— wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 minuut, tenzij
anders gespecificeerd;
— worden kilometerstanden geregistreerd met een resolutie van 1
kilometer;
— wordt de snelheid geregistreerd met een resolutie van 1 km/h;
— worden posities (lengte en breedte) geregistreerd in graden en
minuten, met een resolutie van 1/10 minuut.
De functies, opdrachten en logische structuren van de tachograaf
kaart die voldoen aan de gegevensopslageisen, zijn gespecificeerd in
aanhangsel 2.
Tenzij anders bepaald, worden gegevens op tachograafkaarten op
dusdanige wijze opgeslagen dat de oudste gegevens door nieuwe
worden overschreven wanneer de beschikbare geheugenruimte
voor bepaalde records op is.
245) Dit punt specificeert de minimale opslagcapaciteit voor de
verschillende gegevensbestanden. Tachograafkaarten moe
ten de effectieve opslagcapaciteit van deze gegevensbestan
den aan het controleapparaat meedelen.
▼M3
246) Er mogen aanvullende gegevens op tachograafkaarten wor
den opgeslagen, voor zover de toepasselijke regelgeving
inzake gegevensbescherming daarbij in acht wordt
genomen.
▼B
247) Elk stambestand (master file, MF) van een tachograafkaart
bevat tot vijf hoofdbestanden (elementary files, EF) voor
het beheer van de kaart en de identificatie van de toepas
sing en chip, en twee toepassingsgerichte bestanden (dedi
cated files, DF):
— DF tachograaf bevat de toepassing die toegankelijk is
voor voertuigunits van de eerste generatie en staat ook
op de eerste generatie tachograafkaarten;
— DF tachograaf_G2 bevat de toepassing die alleen toe
gankelijk is voor voertuigunits van de tweede generatie
en staat alleen op tachograafkaarten van de tweede
generatie.
▼M3
Noot: versie 2 van de tweede generatie kaarten bevat aan
vullende hoofdbestanden in DF Tachograph G2.
▼B
De volledige structuur van de tachograafkaarten is gespeci
ficeerd in aanhangsel 2.
4.5.1 Hoofdbestanden voor identificatie en kaartbeheer
4.5.2 IC-kaartidentificatie
248) Tachograafkaarten moeten de volgende smartcard-identifi
catiegegevens kunnen opslaan:
— klokstop;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 74
— serienummer van de kaart (inclusief productiereferen
ties);
— typegoedkeuringsnummer van de kaart;
— persoonlijke identificatie van de kaart (ID);
— embedder ID;
— IC-identificatiesymbool;
4.5.2.1 C h i p i d e n t i f i c a t i e
249) Tachograafkaarten moeten de volgende identificatiegege
vens van het Integrated Circuit (IC) kunnen opslaan:
— IC-serienummer,
— IC-productiereferenties.
4.5.2.2 D I R ( a l l e e n a a n w e z i g i n t a c h o g r a a f k a a r t e n v a n
d e t w e e d e g e n e r a t i e )
250) Tachograafkaarten moeten de in aanhangsel 2 gespecifi
ceerde toepassingsidentificatiegegevensobjecten kunnen
opslaan.
4.5.2.3 A T R - i n f o r m a t i e ( v o o r w a a r d e l i j k , a l l e e n a a n
w e z i g i n t a c h o g r a a f k a a r t e n v a n d e t w e e d e g e n e
r a t i e )
251) Tachograafkaarten moeten de volgende uitgebreide infor
matiegegevensobjecten kunnen opslaan:
— wanneer de tachograafkaart uitgebreide velden onder
steunt, het in aanhangsel 2 gespecificeerde uitgebreide
informatiegegevensobject.
4.5.2.4 U i t g e b r e i d e i n f o r m a t i e ( v o o r w a a r d e l i j k , a l l e e n
a a n w e z i g i n t a c h o g r a a f k a a r t e n v a n d e t w e e d e
g e n e r a t i e )
252) Tachograafkaarten moeten de volgende uitgebreide infor
matiegegevensobjecten kunnen opslaan:
— wanneer de tachograafkaart uitgebreide velden onder
steunt, de in aanhangsel 2 gespecificeerde uitgebreide
informatiegegevensobjecten.
4.5.3 Bestuurderskaart
4.5.3.1 T a c h o g r a a f t o e p a s s i n g e n ( t o e g a n k e l i j k v o o r
v o e r t u i g u n i t s v a n d e e e r s t e e n t w e e d e g e n e r a t i e )
4.5.3.1.1 Toepassingsidentificatie
253) Een bestuurderskaart moet de volgende toepassingsidentifi
catiegegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 75
4.5.3.1.2 Sleutels en certificaten
254) Een bestuurderskaart moet een aantal cryptografische sleu
tels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de spe
cificaties in aanhangsel 11, deel A.
4.5.3.1.3 Identificatie van de kaart
255) Een bestuurderskaart moet de volgende kaartidentificatiege
gevens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— datum van afgifte en vervaldatum van de kaart.
4.5.3.1.4 Identificatie van de kaarthouder
256) Een bestuurderskaart moet de volgende identificatiegege
vens van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van de houder;
— voorna(a)m(en) van de houder;
— geboortedatum;
— voorkeurstaal.
4.5.3.1.5 Kaartgegevens downloaden
257) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens inzake
downloads opslaan:
— datum en tijdstip van het downloaden van de laatste
kaart (voor andere doeleinden dan controle).
258) Een bestuurderskaart moet één van deze records kunnen
bewaren.
4.5.3.1.6 Informatie over het rijbewijs
259) Een bestuurderskaart moet de volgende rijbewijsgegevens
kunnen opslaan:
— lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte;
— rijbewijsnummer (op het moment van afgifte van de
kaart).
4.5.3.1.7 Gegevens over voorvallen
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een
resolutie van 1 seconde.
260) Een bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan over
de volgende voorvallen die door het controleapparaat ge
detecteerd zijn terwijl de kaart was ingebracht:
— tijdsoverlapping (indien deze kaart het voorval heeft
veroorzaakt);
— kaartinvoer tijdens het rijden (indien het voorval betrek
king heeft op deze kaart);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 76
— laatste kaartsessie niet correct afgesloten (indien het
voorval betrekking heeft op deze kaart);
— onderbreking in de stroomvoorziening;
— fout in de bewegingsgegevens;
— pogingen tot inbreuk in de beveiliging:
261) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze
voorvallen kunnen opslaan:
— code van het voorval;
— datum en tijdstip van het begin van het voorval (of van
de kaartinvoer indien het voorval op dat moment plaats
vond);
— datum en tijdstip van het einde van het voorval (of van
de kaartinvoer indien het voorval op dat moment plaats
vond);
— kentekennummer en lidstaat van registratie van het
voertuig waarin het voorval plaatsvond.
Aantekening: in het geval van „tijdsoverlapping”:
— moeten de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip
waarop de kaart uit het vorige voertuig is uitgenomen;
— moeten de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van
kaartinvoer in het huidige voertuig;
— moeten de voertuiggegevens overeenkomen met die van
het voertuig dat het voorval heeft veroorzaakt.
Aantekening: in het geval van „laatste kaartsessie niet cor
rect afgesloten”:
— moeten de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van
kaartinvoer van de sessie die niet correct afgesloten is;
— moeten de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van
kaartinvoer van de sessie tijdens welke het voorval ont
dekt werd (lopende sessie);
— moeten de voertuiggegevens overeenkomen met het
voertuig waarin de sessie niet correct werd afgesloten.
262) Een bestuurderskaart moet gegevens over de 6 meest re
cente voorvallen van elke soort (d.w.z. 36 voorvallen) kun
nen opslaan.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 77
4.5.3.1.8 Gegevens over fouten
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een
resolutie van 1 seconde.
263) Een bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan met
betrekking tot de volgende fouten die het controleapparaat
heeft gedetecteerd terwijl de kaart was ingebracht:
▼M1
— kaartfout (indien deze kaart de aanleiding is van de
fout);
▼B
— fout in controleapparaat.
264) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze
fouten kunnen opslaan:
— foutcode;
— datum en tijdstip van het begin van de fout (of van de
kaartinvoer indien de fout reeds eerder is begonnen);
— datum en tijdstip van het einde van de fout (of van de
kaartuitneming indien de fout daarna blijft voortduren);
— kentekennummer en lidstaat van registratie van het
voertuig waarin de fout optrad.
265) Een bestuurderskaart moet gegevens over de twaalf meest
recente fouten van elke soort (d.w.z. 24 fouten) kunnen
opslaan.
4.5.3.1.9 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
266) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens kunnen
opslaan voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt ge
bruikt of waarvoor de bestuurder manueel activiteiten heeft
ingevoerd:
— de datum;
— een dagelijkse aanwezigheidsteller (met één verhoogd
voor elk van de betrokken kalenderdagen);
— de totale afstand die de bestuurder gedurende deze dag
heeft afgelegd;
— de bestuurdersstatus om 00.00 uur;
— wanneer de bestuurder zijn activiteiten wijzigt en/of
wanneer de status van de bestuurder verandert en/of
wanneer hij zijn kaart heeft ingevoerd of uitgenomen:
— de status van de bestuurder (ALLEEN/TEAM);
— de lezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);
— de status van de kaart (INGEVOERD, NIET INGE
VOERD);
— de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID,
WERKEN, ONDERBREKING/RUST);
— het tijdstip van de wijziging.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 78
267) Het geheugen van de bestuurderskaart moet de gegevens
over de activiteiten van de bestuurder ten minste 28 dagen
bewaren (een bestuurder wijzigt zijn activiteiten gemiddeld
93 keer per dag).
268) De in de voorschriften 261, 264 en 266 genoemde gege
vens moeten zodanig worden opgeslagen dat de activiteiten
in de volgorde van optreden kunnen worden opgezocht,
zelfs in het geval van tijdsoverlapping.
4.5.3.1.10 Gegevens over de gebruikte voertuigen
269) Een bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop
de kaart wordt gebruikt, en voor elke gebruiksperiode van
een bepaald voertuig op die dag (deze periode omvat de
opeenvolgende cycli van inbrengen en uitnemen van de
betrokken kaart in het voertuig) de volgende gegevens kun
nen opslaan:
— datum en tijdstip van het eerste gebruik van het voer
tuig (d.w.z. de eerste kaartinvoer voor deze gebruiks
periode van het voertuig, of 00.00 uur wanneer de ge
bruiksperiode op dat moment voortduurt);
— kilometerstand van het voertuig op dat moment;
— datum en tijdstip van het laatste gebruik van het voer
tuig (d.w.z. de laatste kaartuitneming voor deze ge
bruiksperiode van het voertuig of 23.59 uur wanneer
de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);
— kilometerstand van het voertuig op dat moment;
— kentekennummer en lidstaat waar het voertuig geregis
treerd is.
270) Een bestuurderskaart moet ten minste 84 gebruiksrecords
kunnen opslaan.
4.5.3.1.11 Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen
271) Een bestuurderskaart moet de volgende door de bestuurder
ingevoerde gegevens betreffende de plaatsen waar dage
lijkse werkperioden beginnen en/of eindigen, kunnen
opslaan:
— datum en tijdstip van de invoer (of datum/tijd van de
invoer indien deze manueel gebeurt);
— het type invoer (begin of einde, omstandigheid van in
voer);
— het ingevoerde land en de ingevoerde regio;
— de kilometerstand van het voertuig.
272) Het geheugen van de bestuurderskaart moet ten minste 42
paar records kunnen bewaren.
4.5.3.1.12 Gegevens over kaartsessies
273) Een bestuurderskaart moet gegevens opslaan met betrek
king tot het voertuig waarin de lopende sessie geopend is:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 79
— datum en tijdstip waarop de sessie werd geopend
(d.w.z. kaartinvoer), met een resolutie van één seconde;
— kentekennummer en lidstaat van registratie.
4.5.3.1.13 Gegevens over controleactiviteiten
274) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens met be
trekking tot controleactiviteiten opslaan:
— datum en tijdstip van de controle;
— controlekaartnummer en lidstaat die de kaart heeft
afgegeven;
— soort controle (weergeven en/of printen en/of downloa
den van VU en/of kaart (zie opmerking));
— gedownloade periode, in het geval van downloaden;
— kentekennummer en lidstaat van registratie van het
voertuig waarin de controle plaatsvond.
Aantekening: het downloaden van de kaart wordt uitslui
tend geregistreerd wanneer dat via een controleapparaat
gebeurt.
275) Een bestuurderskaart moet één van deze records kunnen
bewaren.
4.5.3.1.14 Gegevens over specifieke omstandigheden
276) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens met be
trekking tot specifieke omstandigheden kunnen opslaan, die
ingevoerd werden terwijl de kaart werd ingevoerd (onge
acht het slot):
— datum en tijdstip van de invoer;
— aard van de specifieke omstandigheid.
277) Een bestuurderskaart moet minstens 56 records kunnen
opslaan.
▼M3
4.5.3.2 T o e p a s s i n g e n v o o r t a c h o g r a f e n v a n d e t w e e d e
g e n e r a t i e ( n i e t t o e g a n k e l i j k v o o r v o e r t u i g u n i t s
v a n d e e e r s t e g e n e r a t i e e n v e r s i e 2 v a n d e v o e r
t u i g u n i t s v a n d e t w e e d e g e n e r a t i e )
▼B
4.5.3.2.1 Toepassingsidentificatie
278) Een bestuurderskaart moet de volgende toepassingsidentifi
catiegegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
▼M3
4.5.3.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie 1
van voertuigunits van de tweede generatie).
278 a) Op bestuurderskaarten moeten de aanvullende toepassings
identificatiegegevens die alleen voor versie 2 gelden kun
nen worden opgeslagen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 80
4.5.3.2.2 Sleutels en certificaten
279) Een bestuurderskaart moet een aantal cryptografische sleu
tels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de spe
cificaties in aanhangsel 11, deel B.
4.5.3.2.3 Identificatie van de kaart
280) Een bestuurderskaart moet de volgende kaartidentificatiege
gevens kunnen bewaren:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— datum van afgifte en vervaldatum van de kaart.
4.5.3.2.4 Identificatie van de kaarthouder
281) Een bestuurderskaart moet de volgende identificatiegege
vens van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van de houder;
— voorna(a)m(en) van de houder;
— geboortedatum;
— voorkeurstaal.
4.5.3.2.5 Kaartgegevens downloaden
282) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens inzake
downloads opslaan:
— datum en tijdstip van het downloaden van de laatste
kaart (voor andere doeleinden dan controle).
283) Een bestuurderskaart moet één van deze records kunnen
bewaren.
4.5.3.2.6 Informatie over het rijbewijs
284) Een bestuurderskaart moet de volgende rijbewijsgegevens
kunnen opslaan:
— lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte,
— rijbewijsnummer (op het moment van afgifte van de
kaart).
4.5.3.2.7 Gegevens over voorvallen
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een
resolutie van 1 seconde.
285) Een bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan over
de volgende voorvallen, die door het controleapparaat ge
detecteerd zijn terwijl de kaart was ingebracht:
— tijdsoverlapping (indien deze kaart het voorval heeft
veroorzaakt);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 81
— kaartinvoer tijdens het rijden (indien deze kaart aanlei
ding is voor het voorval);
— laatste kaartsessie niet correct afgesloten (indien deze
kaart aanleiding is voor het voorval);
— onderbreking in de stroomvoorziening;
— fout in de communicatie met het systeem voor com
municatie op afstand
— ontbreken van positie-informatie van de
GNSS-ontvanger;
— fout in communicatie met de externe GNSS-module;
— fout in de bewegingsgegevens,
— tegenstrijdige bewegingsgegevens,
— pogingen tot inbreuk op de beveiliging:
— tijdsoverlapping.
286) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze
voorvallen kunnen opslaan:
— code van het voorval;
— datum en tijdstip van het begin van het voorval (of van
de kaartinvoer indien het voorval op dat moment plaats
vond);
— datum en tijdstip van het einde van het voorval (of van
de kaartinvoer indien het voorval op dat moment plaats
vond);
— kentekennummer en lidstaat van registratie van het
voertuig waarin het voorval plaatsvond.
Aantekening: in het geval van „tijdsoverlapping”:
— moeten de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip
waarop de kaart uit het vorige voertuig is uitgenomen;
— moeten de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van
kaartinvoer in het huidige voertuig;
— moeten de voertuiggegevens overeenkomen met die van
het voertuig dat het voorval heeft veroorzaakt.
Aantekening: in het geval van „laatste kaartsessie niet cor
rect afgesloten”:
— moeten de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van
kaartinvoer van de sessie die niet correct afgesloten is;
— moeten de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van
kaartinvoer van de sessie tijdens welke het voorval ont
dekt werd (lopende sessie);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 82
— moeten de voertuiggegevens overeenkomen met het
voertuig waarin de sessie niet correct werd afgesloten.
▼M3
287) Op een bestuurderskaart moeten gegevens over de 12 meest
recente voorvallen van elke soort (d.w.z. 132 voorvallen)
kunnen worden opgeslagen.
▼B
4.5.3.2.8 Gegevens over fouten
Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een
resolutie van 1 seconde.
288) Een bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan met
betrekking tot de volgende fouten, die het controleapparaat
heeft gedetecteerd terwijl de kaart was ingebracht:
▼M1
— kaartfout (indien deze kaart de aanleiding is van de
fout);
▼B
— fout in controleapparaat.
289) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze
fouten kunnen opslaan:
— foutcode;
— datum en tijdstip van het begin van de fout (of van de
kaartinvoer indien de fout reeds eerder was begonnen);
— datum en tijdstip van het einde van de fout (of van de
kaartuitneming indien de fout daarna bleef voortduren);
— kentekennummer en lidstaat van registratie van het
voertuig waarin de fout optrad.
▼M3
290) Op de bestuurderskaart moeten gegevens over de 24 meest
recente fouten van elke soort (d.w.z. 48 fouten) kunnen
worden opgeslagen.
▼B
4.5.3.2.9 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
291) Een bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop
de kaart wordt gebruikt of waarvoor de bestuurder manueel
activiteiten heeft ingevoerd, de volgende gegevens kunnen
opslaan:
— de datum;
— een dagelijkse aanwezigheidsteller (met één verhoogd
voor elk van de betrokken kalenderdagen);
— de totale afstand die de bestuurder gedurende deze dag
heeft afgelegd;
— de bestuurdersstatus om 00.00 uur;
— wanneer de bestuurder zijn activiteiten wijzigt en/of
wanneer de status van de bestuurder verandert en/of
wanneer hij zijn kaart heeft ingevoerd of uitgenomen:
— de status van de bestuurder (ALLEEN/TEAM);
— het slot (BESTUURDER, BIJRIJDER);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 83
— de status van de kaart (INGEVOERD, NIET INGE
VOERD);
— de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID,
WERKEN, ONDERBREKING/RUST);
— het tijdstip van de wijziging.
▼M3
292) Het geheugen van de bestuurderskaart moet de gegevens
over de activiteiten van de bestuurder 56 dagen vasthouden
(voor dit voorschrift wordt aangenomen dat een bestuurder
zijn activiteiten gemiddeld 117 keer per dag wijzigt).
▼B
293) De in de voorschriften 286, 289 en 291 genoemde gege
vens moeten zodanig worden opgeslagen dat de activiteiten
in de volgorde van optreden kunnen worden opgezocht,
zelfs in het geval van tijdsoverlapping.
4.5.3.2.10 Gegevens over de gebruikte voertuigen
294) Een bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop
de kaart wordt gebruikt, en voor elke gebruiksperiode van
een bepaald voertuig op die dag (deze periode omvat de
opeenvolgende cycli van inbrengen en uitnemen van de
betrokken kaart in het voertuig) de volgende gegevens kun
nen opslaan:
— datum en tijdstip van het eerste gebruik van het voer
tuig (d.w.z. de eerste kaartinvoer voor deze gebruiks
periode van het voertuig, of 00.00 uur wanneer de ge
bruiksperiode op dat moment voortduurt);
— kilometerstand van het voertuig bij eerste gebruik;
— datum en tijdstip van het laatste gebruik van het voer
tuig, (d.w.z. de laatste kaartuitneming voor deze ge
bruiksperiode van het voertuig, of 23.59 uur wanneer
de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);
— kilometerstand van het voertuig bij laatste gebruik;
— kentekennummer en lidstaat waar het voertuig geregis
treerd is;
— VIN van het voertuig.
▼M3
295) Op de bestuurderskaart moeten 200 records kunnen worden
opgeslagen.
▼B
4.5.3.2.11 Plaatsen en posities waar de dagelijkse werkperioden beginnen en/of
eindigen
296) Een bestuurderskaart moet de volgende door de bestuurder
ingevoerde gegevens betreffende de plaatsen waar dage
lijkse werkperioden beginnen en/of eindigen, kunnen
opslaan:
— de datum en tijdstip van de invoer (of de datum/tijd van
de invoer indien deze manueel gebeurt);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 84
— het type invoer (begin of einde, omstandigheid van in
voer);
— het ingevoerde land en de ingevoerde regio;
— de kilometerstand van het voertuig;
— de positie van het voertuig;
— de GNSS-nauwkeurigheid, datum en tijdstip waarop de
positie is bepaald.
▼M3
297) In het geheugen van de bestuurderskaart moeten 112 re
cords kunnen worden bewaard.
▼B
4.5.3.2.12 Gegevens over kaartsessies
298) Een bestuurderskaart moet gegevens opslaan met betrek
king tot het voertuig waarin de lopende sessie geopend is:
— datum en tijdstip waarop de sessie geopend werd
(d.w.z. kaartinvoer), met een resolutie van 1 seconde;
— kentekennummer en lidstaat van registratie.
4.5.3.2.13 Gegevens over controleactiviteiten
299) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens met be
trekking tot controleactiviteiten opslaan:
— datum en tijdstip van de controle;
— controlekaartnummer en lidstaat die de kaart heeft
afgegeven;
— soort controle (weergeven en/of printen en/of downloa
den van VU en/of kaart (zie opmerking));
— gedownloade periode, in het geval van downloaden;
— kentekennummer en lidstaat van registratie van het
voertuig waarin de controle plaatsvond.
Aantekening: de beveiligingseisen impliceren dat het
downloaden van de kaart uitsluitend geregistreerd wordt
wanneer dat via een controleapparaat gebeurt.
300) Een bestuurderskaart moet één van deze records kunnen
bewaren.
4.5.3.2.14 Gegevens over specifieke omstandigheden
301) Met betrekking tot specifieke omstandigheden moeten de
volgende gegevens die werden ingevoerd terwijl de kaart
werd ingevoerd (ongeacht het slot), kunnen worden be
waard op de bestuurderskaart:
— datum en tijdstip van de invoer;
— aard van de specifieke omstandigheid.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 85
302) Op een bestuurderskaart moeten 112 records kunnen wor
den opgeslagen.
▼B
4.5.3.2.15 Gegevens over de gebruikte voertuigunits
303) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens kunnen
bewaren in verband met de verschillende voertuigunits
waarin ze is gebruikt:
— de datum en het tijdstip waarop het gebruik in de voer
tuigunit begint (eerste invoer in de VU voor de peri
ode);
— de fabrikant van de voertuigunit;
— het type voertuigunit;
— het nummer van de softwareversie van de VU.
▼M3
304) Op de bestuurderskaart moeten 200 records kunnen worden
opgeslagen.
▼M1
4.5.3.2.16 Plaats en tijdstip cumulatieve rijtijd van drie uur
305) Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens kunnen
bewaren in verband met de positie van het voertuig waar de
cumulatieve rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt:
— de datum en het tijdstip waarop de cumulatieve rijtijd
een veelvoud van drie uur bereikt;
— de positie van het voertuig;
— de GNSS-nauwkeurigheid, de datum en het tijdstip
waarop de positie is bepaald;
— de kilometerstand van het voertuig.
▼M3
306) Op de bestuurderskaart moeten 336 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.3.2.17 Authenticatiestatus voor posities in verband met plaatsen waar de
dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt (niet toegankelijk door
versie 1 van voertuigunits van de tweede generatie)
306 a) Een bestuurderskaart moet de door de bestuurder inge
voerde aanvullende gegevens betreffende de plaatsen waar
dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen, kunnen
opslaan overeenkomstig punt 4.5.3.2.11.
— de datum en het tijdstip van invoer, die volledig iden
tiek moeten zijn aan de datum en het tijdstip die zijn
opgeslagen in EF Places onder DF Tachograph_G2,
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd.
306b) Het geheugen van de bestuurderskaart moet 112 records
kunnen bewaren.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 86
4.5.3.2.18 Authenticatiestatus voor de posities waar de bestuurder drie uren
gecumuleerde rijtijd bereikt (niet toegankelijk door versie 1 van
voertuigunits van de tweede generatie)
306c) Een bestuurderskaart moet de aanvullende gegevens kunnen
bewaren in verband met de positie van het voertuig waar de
gecumuleerde rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt
overeenkomstig punt 4.5.3.2.16::
— de datum en het tijdstip waarop de gecumuleerde rijtijd
een veelvoud van drie uren bereikt, die volledig iden
tiek moeten zijn aan de datum en het tijdstip die zijn
opgeslagen in EF GNSS_Places onder F Tacho
graph_G2,
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd.
306d) Op de bestuurderskaart moeten 336 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.3.2.19 Grensoverschrijdingen (niet toegankelijk door versie 1 van voertuig
units van de tweede generatie)
306e) De bestuurder moet de volgende gegevens in verband met
grensoverschrijdingen kunnen opslaan bij het inbrengen van
de kaart overeenkomstig voorschrift 147b of als de kaart
reeds is ingebracht:
— het land dat het voertuig verlaat,
— het land dat het voertuig binnenrijdt,
— de datum en het tijdstip waarop het voertuig de grens
overschrijdt;
— de positie van het voertuig wanneer het de grens
overschrijdt,
— de GNSS-nauwkeurigheid,
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd,
— de kilometerstand van het voertuig.
306f) In het geheugen van de bestuurderskaart moeten 1120 re
cords kunnen worden opgeslagen.
4.5.3.2.20 Laad- en losverrichtingen (niet toegankelijk door versie 1 van voer
tuigunits van de tweede generatie)
306 g) De bestuurder moet de volgende gegevens met betrekking
tot laad- en losverrichtingen kunnen opslaan:
— het type verrichting (laden, lossen of tegelijkertijd laden
en lossen),
— de datum en het tijdstip van de laad- en/of
losverrichting,
— de positie van het voertuig,
— de GNSS-nauwkeurigheid, de datum en het tijdstip
waarop de positie is bepaald,
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 87
— een vlagje dat aangeeft of de positie al dan niet is
geauthenticeerd,
— de kilometerstand van het voertuig.
306h) Op de bestuurderskaart moeten 1624 laad- en losverrichtin
gen kunnen worden opgeslagen.
4.5.3.2.21 Invoeren ladingtypes (niet toegankelijk door versie 1 van voertuig
units van de tweede generatie)
306i) Op de bestuurderskaart moeten telkens wanneer de kaart in
de VU wordt ingebracht automatisch de volgende gegevens
met betrekking tot het ladingtype worden opgeslagen:
— het ladingtype (goederen of passagiers),
— de datum en het tijdstip van de invoer.
306j) Op de bestuurderskaart moeten 336 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.3.2.22 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
306k) Op de bestuurderskaart moeten de specifieke tachograafset
tings van de kaarthouder kunnen worden opgeslagen.
306 l) De opslagcapaciteit van de bestuurderskaart voor de speci
fieke settings van de kaarthouder moet 3072 bytes
bedragen.
▼B
4.5.4 Werkplaatskaart
4.5.4.1 T a c h o g r a a f t o e p a s s i n g e n ( t o e g a n k e l i j k v o o r
v o e r t u i g u n i t s v a n d e e e r s t e e n t w e e d e g e n e r a t i e )
4.5.4.1.1 Toepassingsidentificatie
307) Een werkplaatskaart moet de volgende toepassingsidentifi
catiegegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
4.5.4.1.2 Sleutels en certificaten
308) Een werkplaatskaart moet een aantal cryptografische sleu
tels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de spe
cificaties in aanhangsel 11, deel A.
309) Een werkplaatskaart moet een Personal Identification Num
ber (pincode) kunnen opslaan.
4.5.4.1.3 Identificatie van de kaart
310) Een werkplaatskaart moet de volgende kaartidentificatiege
gevens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— datum van afgifte van en vervaldatum van de kaart.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 88
4.5.4.1.4 Identificatie van de kaarthouder
311) Een werkplaatskaart moet de volgende identificatiegegevens
van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van de werkplaats;
— adres van de werkplaats;
— naam van de houder;
— voorna(a)m(en) van de houder;
— voorkeurstaal.
4.5.4.1.5 Kaartgegevens downloaden
312) Een werkplaatskaart moet de gegevens over het downloa
den van de kaart op dezelfde manier kunnen opslaan als
een bestuurderskaart.
4.5.4.1.6 Gegevens over kalibrering en tijdafstelling
313) Een werkplaatskaart moet records kunnen opslaan van ka
libreringen en/of tijdafstellingen die worden uitgevoerd ter
wijl de kaart zich in een controleapparaat bevindt.
314) Elke kalibreringsrecord moet de volgende gegevens kunnen
bevatten:
— doel van de kalibrering (activering, eerste installatie,
installatie, periodieke controle);
— identificatie van het voertuig
— bijgewerkte of bevestigde parameters (w, k, l, banden
maat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilometer
stand (nieuwe en oude waarde), datum en tijdstip
(nieuwe en oude waarde));
— identificatienummer van het controleapparaat (onder
deelnummer en serienummer van de VU, serienummer
van de bewegingssensor).
315) Een werkplaatskaart moet ten minste 88 records kunnen
opslaan.
316) Een werkplaatskaart moet een teller bevatten die het totale
aantal kalibreringen aangeeft dat met de kaart is uitgevoerd.
317) Een werkplaatskaart moet een teller bevatten die het aantal
kalibreringen sinds de laatste download aangeeft.
4.5.4.1.7 Gegevens over voorvallen en fouten
318) Een werkplaatskaart moet records over voorvallen en fouten
op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
319) Een werkplaatskaart moet gegevens over de drie meest re
cente voorvallen van elke soort (d.w.z. 18 voorvallen) en de
zes meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 12 fouten)
kunnen opslaan.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 89
4.5.4.1.8 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
320) Een werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten
van de bestuurder op dezelfde manier kunnen opslaan als
een bestuurderskaart.
321) Een werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten
van de bestuurder ten minste gedurende 1 dag met gemid
delde activiteiten van de bestuurder bewaren.
4.5.4.1.9 Gegevens over de gebruikte voertuigen
322) Een werkplaatskaart moet records over de gebruikte voer
tuigen op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
323) Een werkplaatskaart moet ten minste 4 records kunnen
opslaan.
4.5.4.1.10 Gegevens over het begin en einde van dagelijkse werkperioden
324) Een werkplaatskaart moet records over het begin en einde
van dagelijkse werkperioden op dezelfde manier kunnen
opslaan als een bestuurderskaart.
325) Een werkplaatskaart moet ten minste 3 paren van dergelijke
records kunnen bewaren.
4.5.4.1.11 Gegevens over kaartsessies
326) Een werkplaatskaart moet gegevens over het downloaden
van de kaart op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
4.5.4.1.12 Gegevens over controleactiviteiten
327) Een werkplaatskaart moet de gegevens over controleactivi
teiten op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
4.5.4.1.13 Gegevens over specifieke omstandigheden
328) Een werkplaatskaart moet gegevens over specifieke omstan
digheden op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
329) Een werkplaatskaart moet ten minste 2 records kunnen
opslaan.
▼M3
4.5.4.2 T o e p a s s i n g e n v o o r t a c h o g r a f e n v a n d e t w e e d e
g e n e r a t i e ( n i e t t o e g a n k e l i j k v o o r v o e r t u i g u n i t s
v a n d e e e r s t e g e n e r a t i e e n v e r s i e 2 v a n d e v o e r
t u i g u n i t s v a n d e t w e e d e g e n e r a t i e ) .
▼B
4.5.4.2.1 Toepassingsidentificatie
330) Een werkplaatskaart moet de volgende toepassingsidentifi
catiegegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
▼M3
4.5.4.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie 1
van voertuigunits van de tweede generatie).
330 a) Op werkplaatskaarten moeten de aanvullende toepassings
identificatiegegevens die alleen voor versie 2 gelden kun
nen worden opgeslagen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 90
4.5.4.2.2 Sleutels en certificaten
331) Een werkplaatskaart moet een aantal cryptografische sleu
tels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de spe
cificaties in aanhangsel 11, deel B.
332) Een werkplaatskaart moet een Personal Identification Num
ber (pincode) kunnen opslaan.
4.5.4.2.3 Identificatie van de kaart
333) Een werkplaatskaart moet de volgende kaartidentificatiege
gevens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— datum van afgifte en vervaldatum van de kaart.
4.5.4.2.4 Identificatie van de kaarthouder
334) Een werkplaatskaart moet de volgende identificatiegegevens
van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van de werkplaats;
— adres van de werkplaats;
— naam van de houder;
— voorna(a)m(en) van de houder;
— voorkeurstaal.
4.5.4.2.5 Kaartgegevens downloaden
335) Een werkplaatskaart moet de gegevens over het downloa
den van de kaart op dezelfde manier kunnen opslaan als
een bestuurderskaart.
4.5.4.2.6 Gegevens over kalibrering en tijdafstelling
336) Een werkplaatskaart moet records kunnen opslaan van ka
libreringen en/of tijdafstellingen die worden uitgevoerd ter
wijl de kaart zich in een controleapparaat bevindt.
337) Elke kalibreringsrecord moet de volgende gegevens kunnen
bevatten:
— doel van de kalibrering (activering, eerste installatie,
installatie, periodieke controle);
— voertuigidentificatie;
— bijgewerkte of bevestigde parameters (w, k, l, banden
maat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilometer
stand (nieuwe en oude waarde), datum en tijdstip
(nieuwe en oude waarde);
— identificatie van het controleapparaat (onderdeel- en serie
nummer VU, serienummer bewegingssensor, serienummer
systeem voor communicatie op afstand en, indien van toe
passing, serienummer externe GNSS-module);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 91
— types en identificatienummers van alle aanwezige
verzegelingen;
— mogelijkheid van de VU om tachograafkaarten van de
eerste generatie te gebruiken (geactiveerd of niet).
▼M3
338) Op de werkplaatskaart moeten 255 records kunnen worden
opgeslagen.
▼B
339) Een werkplaatskaart moet een teller bevatten die het totale
aantal kalibreringen aangeeft dat met de kaart is uitgevoerd.
340) Een werkplaatskaart moet een teller bevatten die het aantal
kalibreringen sinds de laatste download aangeeft.
4.5.4.2.7 Gegevens over voorvallen en fouten
341) Een werkplaatskaart moet records over voorvallen en fouten
op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.
342) Een werkplaatskaart moet gegevens over de drie meest re
cente voorvallen van elke soort (d.w.z. 33 voorvallen) en de
zes meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 12 fouten)
kunnen opslaan.
4.5.4.2.8 Gegevens over de activiteiten van de bestuurder
343) Een werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten
van de bestuurder op dezelfde manier kunnen opslaan als
een bestuurderskaart.
▼M3
344) Op een werkplaatskaart moeten de gegevens over de acti
viteiten van de bestuurder ten minste gedurende 1 dag, met
240 veranderingen van activiteiten, kunnen worden
bewaard.
▼B
4.5.4.2.9 Gegevens over de gebruikte voertuigen
345) Een werkplaatskaart moet records over de gebruikte voer
tuigen op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
▼M3
346) Op de werkplaatskaart moeten 8 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.4.2.10 Plaatsen en posities waar de dagelijkse werkperioden beginnen en/of
eindigen
347) Een werkplaatskaart moet records betreffende de plaatsen
en posities waar de dagelijkse werkperiode begint en/of
eindigt op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
348) Op de werkplaatskaart moeten 4 paren records kunnen wor
den opgeslagen.
▼B
4.5.4.2.11 Gegevens over kaartsessies
349) Een werkplaatskaart moet gegevens over het downloaden
van de kaart op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 92
4.5.4.2.12 Gegevens over controleactiviteiten
350) Een werkplaatskaart moet de gegevens over controleactivi
teiten op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
4.5.4.2.13 Gegevens over de gebruikte voertuigunits
351) Een werkplaatskaart moet de volgende gegevens kunnen
bewaren in verband met de verschillende voertuigunits
waarin ze is gebruikt:
— de datum en het tijdstip waarop het gebruik in de voer
tuigunit begint (eerste invoer in de VU voor de peri
ode);
— de fabrikant van de voertuigunit;
— het type voertuigunit;
— het nummer van de softwareversie van de VU.
▼M3
352) Op de werkplaatskaart moeten 8 records kunnen worden
opgeslagen.
▼M1
4.5.4.2.14 Plaats en tijdstip cumulatieve rijtijd van drie uur
353) Een werkplaatskaart moet de volgende gegevens kunnen
bewaren in verband met de positie van het voertuig waar
de cumulatieve rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt:
— de datum en het tijdstip waarop de cumulatieve rijtijd
een veelvoud van drie uur bereikt;
— de positie van het voertuig;
— de GNSS-nauwkeurigheid, de datum en het tijdstip
waarop de positie is bepaald;
— de kilometerstand van het voertuig.
▼M3
354) Op de werkplaatskaart moeten 24 records kunnen worden
opgeslagen.
▼B
4.5.4.2.15 Gegevens over specifieke omstandigheden
355) Een werkplaatskaart moet gegevens over specifieke omstan
digheden op dezelfde manier kunnen opslaan als een
bestuurderskaart.
▼M3
356) Op de werkplaatskaart moeten 4 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.4.2.16 Authenticatiestatus voor posities in verband met plaatsen waar de
dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt (niet toegankelijk door
versie 1 van voertuigunits van de tweede generatie)
356 a) Op een werkplaatskaart moeten aanvullende gegevens over
de plaatsen waar de dagelijkse werkperiode begint en/of
eindigt op dezelfde manier kunnen worden opgeslagen als
op een bestuurderskaart.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 93
356b) In het geheugen van de werkplaatskaart moeten 4 paren
records kunnen worden opgeslagen.
4.5.4.2.17 Authenticatiestatus voor de posities waar de bestuurder drie uren
gecumuleerde rijtijd bereikt (niet toegankelijk door versie 1 van
voertuigunits van de tweede generatie)
356c) Op een werkplaatskaart moeten de aanvullende gegevens in
verband met de positie van het voertuig waar de gecumu
leerde rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt op dezelfde
manier kunnen worden opgeslagen als op een
bestuurderskaart.
356d) Op een werkplaatskaart moeten 24 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.4.2.18 Grensoverschrijdingen (niet toegankelijk door versie 1 van voertuig
units van de tweede generatie)
356e) Op de werkplaatskaart moeten de gegevens over grensover
schrijdingen op dezelfde manier kunnen worden opgeslagen
als op een bestuurderskaart.
356f) In het geheugen van de werkplaatskaart moeten gegevens
van 4 records kunnen worden opgeslagen.
4.5.4.2.19 Laad- en losverrichtingen (niet toegankelijk door versie 1 van voer
tuigunits van de tweede generatie)
356 g) Op de werkplaatskaart moeten de gegevens over laad- en
losverrichtingen op dezelfde manier kunnen worden opge
slagen als op een bestuurderskaart.
356h) Op de werkplaatskaart moeten 8 laad-, los- of gelijktijdige
laad- en losverrichtingen kunnen worden opgeslagen.
4.5.4.2.20 Invoeren ladingtypes (niet toegankelijk door versie 1 van voertuig
units van de tweede generatie)
356i) Op de werkplaatskaart moeten de gegevens over het lading
type op dezelfde manier kunnen worden opgeslagen als op
een bestuurderskaart.
356j) Op de werkplaatskaart moeten 4 records kunnen worden
opgeslagen.
4.5.4.2.21 Kalibrering aanvullende gegevens (niet toegankelijk door versie 1
van voertuigunits van de tweede generatie)
356k) Op werkplaatskaarten moeten de aanvullende kalibrerings
gegevens die alleen voor versie 2 gelden kunnen worden
opgeslagen:
— de oude datum en tijd en het VIN-nummer, die volledig
identiek moeten zijn aan de waarden die zijn opgesla
gen in EF Calibration onder DF Tachograph_G2,
— het tijdens die kalibrering ingevoerde standaardladingtype,
— het land waar de kalibrering heeft plaatsgevonden, en
de datum en tijd waarop de positie die gebruikt is om
dat land te bepalen aan de GNSS-ontvanger is
meegedeeld.
356 l) Op de werkplaatskaart moeten 255 records kunnen worden
opgeslagen.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 94
4.5.4.2.22 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
356 m) Op de werkplaatskaart moeten de specifieke tachograafset
tings van de kaarthouder kunnen worden opgeslagen.
356n) De opslagcapaciteit van de werkplaatskaart voor de speci
fieke tachograafsettings van de kaarthouder moet 3072 by
tes bedragen.
▼B
4.5.5 Controlekaart
4.5.5.1 T a c h o g r a a f t o e p a s s i n g e n ( t o e g a n k e l i j k v o o r
v o e r t u i g u n i t s v a n d e e e r s t e e n t w e e d e g e n e r a t i e )
4.5.5.1.1 Toepassingsidentificatie
357) Een controlekaart moet de volgende toepassingsidentifica
tiegegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
4.5.5.1.2 Sleutels en certificaten
358) Een controlekaart moet een aantal cryptografische sleutels
en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de specifi
caties in aanhangsel 11, deel A.
4.5.5.1.3 Identificatie van de kaart
359) Een controlekaart moet de volgende kaartidentificatiegege
vens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum
waarop de kaart vervalt (indien van toepassing).
4.5.5.1.4 Identificatie van de kaarthouder
360) Een controlekaart moet de volgende identificatiegegevens
van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van de controle-instantie;
— adres van de controle-instantie;
— naam van de houder;
— voorna(a)m(en) van de houder;
— voorkeurstaal.
4.5.5.1.5 Gegevens over controleactiviteiten
361) Een controlekaart moet de volgende gegevens met betrek
king tot controleactiviteiten kunnen opslaan:
— datum en tijdstip van de controle;
▼M3
— aard van de controle (tonen en/of afdrukken en/of VU
overbrengen en/of kaart overbrengen),
▼B
— gedownloade periode (indien van toepassing);
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 95
— kentekennummer en lidstaat waarin het gecontroleerde
voertuig is ingeschreven;
— kaartnummer en lidstaat die de gecontroleerde bestuur
derskaart heeft afgegeven.
362) Een controlekaart moet ten minste 230 records kunnen
bewaren.
4.5.5.2 T a c h o g r a a f t o e p a s s i n g e n v a n d e t w e e d e g e n e r a
t i e ( n i e t t o e g a n k e l i j k v o o r v o e r t u i g u n i t s v a n d e
e e r s t e g e n e r a t i e )
4.5.5.2.1 Toepassingsidentificatie
363) Een controlekaart moet de volgende toepassingsidentifica
tiegegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
▼M3
4.5.5.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie 1
van voertuigunits van de tweede generatie).
363 a) Op controlekaarten moeten de in aanhangsel 2 gespecifi
ceerde aanvullende toepassingsidentificatiegegevens die al
leen voor versie 2 gelden kunnen worden opgeslagen.
▼B
4.5.5.2.2 Sleutels en certificaten
364) Een controlekaart moet een aantal cryptografische sleutels
en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de specifi
caties in aanhangsel 11, deel B.
4.5.5.2.3 Identificatie van de kaart
365) Een controlekaart moet de volgende kaartidentificatiegege
vens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum
waarop de kaart vervalt (indien van toepassing).
4.5.5.2.4 Identificatie van de kaarthouder
366) Een controlekaart moet de volgende identificatiegegevens
van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van de controle-instantie;
— adres van de controle-instantie;
— naam van de houder;
— voorna(a)m(en) van de houder;
— voorkeurstaal.
4.5.5.2.5 Gegevens over controleactiviteiten
367) Een controlekaart moet de volgende gegevens met betrek
king tot controleactiviteiten kunnen opslaan:
— datum en tijdstip van de controle;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 96
— aard van de controle (weergeven en/of afdrukken en/of
VU-gegevens downloaden en/of kaartgegevens downlo
aden en/of kalibreringscontrole langs de weg).
— gedownloade periode (indien van toepassing);
— kentekennummer en lidstaat waarin het gecontroleerde
voertuig is ingeschreven;
— kaartnummer en lidstaat die de gecontroleerde bestuur
derskaart heeft afgegeven.
368) Een controlekaart moet ten minste 230 records kunnen
bewaren.
▼M3
4.5.5.2.6 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de tweede generatie)
368 a) Op de controlekaart moeten de specifieke tachograafsettings
van de kaarthouder kunnen worden opgeslagen.
368b) De opslagcapaciteit van de controlekaart voor de specifieke
tachograafsettings van de kaarthouder moet 3072 bytes
bedragen.
▼B
4.5.6 Bedrijfskaart
4.5.6.1 T a c h o g r a a f t o e p a s s i n g e n ( t o e g a n k e l i j k v o o r
v o e r t u i g u n i t s v a n d e e e r s t e e n t w e e d e g e n e r a t i e )
4.5.6.1.1 Toepassingsidentificatie
369) Een bedrijfskaart moet de volgende toepassingsidentificatie
gegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
4.5.6.1.2 Sleutels en certificaten
370) Een bedrijfskaart moet een aantal cryptografische sleutels
en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de specifi
caties in aanhangsel 11, deel A.
4.5.6.1.3 Identificatie van de kaart
371) Een bedrijfskaart moet de volgende kaartidentificatiegege
vens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum
waarop de kaart vervalt (indien van toepassing).
4.5.6.1.4 Identificatie van de kaarthouder
372) Een bedrijfskaart moet de volgende identificatiegegevens
van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van het bedrijf;
— adres van het bedrijf.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 97
4.5.6.1.5 Gegevens over bedrijfsactiviteiten
373) Een bedrijfskaart moet de volgende gegevens over bedrijfs
activiteiten kunnen opslaan:
— datum en tijdstip van de activiteit;
— soort activiteit (vergrendeling en/of ontgrendeling van
VU en/of VU-gegevens downloaden en/of kaartgege
vens downloaden);
— gedownloade periode (indien van toepassing);
— kentekennummer en registrerende instantie van de lid
staat van het voertuig;
— kaartnummer en lidstaat die de kaart heeft afgegeven
(bij het downloaden van de kaart).
374) Een bedrijfskaart moet ten minste 230 van dergelijke re
cords kunnen bewaren.
4.5.6.2 T a c h o g r a a f t o e p a s s i n g e n v a n d e t w e e d e g e n e r a
t i e ( n i e t t o e g a n k e l i j k v o o r v o e r t u i g u n i t s v a n d e
e e r s t e g e n e r a t i e )
4.5.6.2.1 Toepassingsidentificatie
375) Een bedrijfskaart moet de volgende toepassingsidentificatie
gegevens kunnen opslaan:
— toepassingsidentificatie van de tachograaf;
— type tachograafkaartidentificatie.
▼M3
4.5.6.2.1.1 Aanvullende toepassingsidentificatie (niet toegankelijk door versie 1
van voertuigunits van de tweede generatie).
375 a) Op bedrijfskaarten moeten de in aanhangsel 2 gespecifi
ceerde aanvullende toepassingsidentificatiegegevens die al
leen voor versie 2 van toepassing zijn, kunnen worden
opgeslagen.
▼B
4.5.6.2.2 Sleutels en certificaten
376) Een bedrijfskaart moet een aantal cryptografische sleutels
en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de specifi
caties in aanhangsel 11, deel B.
4.5.6.2.3 Identificatie van de kaart
377) Een bedrijfskaart moet de volgende kaartidentificatiegege
vens kunnen opslaan:
— kaartnummer;
— lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van
afgifte;
— ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum
waarop de kaart vervalt (indien van toepassing).
4.5.6.2.4 Identificatie van de kaarthouder
378) Een bedrijfskaart moet de volgende identificatiegegevens
van de kaarthouder kunnen opslaan:
— naam van het bedrijf;
— adres van het bedrijf.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 98
4.5.6.2.5 Gegevens over bedrijfsactiviteiten
379) Een bedrijfskaart moet de volgende gegevens over bedrijfs
activiteiten kunnen opslaan:
— datum en tijdstip van de activiteit;
— soort activiteit (vergrendeling en/of ontgrendeling van
VU en/of VU-gegevens downloaden en/of kaartgege
vens downloaden);
— gedownloade periode (indien van toepassing);
— kentekennummer en registrerende instantie van de lid
staat van het voertuig;
— kaartnummer en lidstaat die de kaart heeft afgegeven
(bij het downloaden van de kaart).
380) Een bedrijfskaart moet ten minste 230 van dergelijke re
cords kunnen bewaren.
▼M3
4.5.6.2.6 VU-configuraties (niet toegankelijk door versie 1 van voertuigunits
van de 2de generatie)
380 a) Op de bedrijfskaart moeten de specifieke tachograafsettings
van de kaarthouder kunnen worden opgeslagen.
380b) De opslagcapaciteit van de bedrijfskaart voor de specifieke
tachograafsettings van de kaarthouder moet 3072 bytes
bedragen.
▼B
5 INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT
5.1 Installatie
381) Nieuwe controleapparaten moeten in niet-geactiveerde toe
stand geleverd worden aan installateurs of voertuigfabrikan
ten. Alle kalibreringsparameters, als vermeld in punt 3.21,
moeten daarbij ingesteld zijn op de juiste en geldige stan
daardwaarden. Indien geen specifieke waarde geschikt is,
moeten de letters op „?” en de cijfers op „0” worden gezet.
Indien nodig kan tijdens de beveiligingscertificering de le
vering van voor beveiliging relevante onderdelen van het
controleapparaat worden beperkt.
382) Vóór de activering moet het controleapparaat toegang ge
ven tot de kalibreringsfunctie, zelfs wanneer het apparaat
zich niet in de kalibreringsmodus bevindt.
▼M3
383) Vóór de activering mag het controleapparaat geen gegevens
als bedoeld in de voorschriften 102 tot en met 133 opslaan.
Niettemin mag het controleapparaat, voordat het wordt ge
activeerd, pogingen tot inbreuk op de beveiliging van de
voertuigunit en controleapparaatfouten registreren en op
slaan overeenkomstig respectievelijk de voorschriften 117
en 118.
▼B
384) Tijdens de installatie moeten de voertuigfabrikanten alle
bekende parameters instellen.
385) Voertuigfabrikanten of installateurs moeten het geïnstal
leerde controleapparaat activeren uiterlijk voordat het voer
tuig wordt gebruikt in het kader van Verordening (EG)
nr. 561/2006.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 99
386) De activering van het controleapparaat moet automatisch
worden opgestart bij de eerste invoer van een geldige werk
plaatskaart in een van zijn kaartinterfaces.
387) Eventuele specifieke verbindingen tussen de bewegingssen
sor en de voertuigunit moeten automatisch gebeuren voor
of tijdens de activering.
388) Op dezelfde manier moeten het tot stand brengen van de
koppeling tussen de externe GNSS-module en de voertuig
unit, indien van toepassing, automatisch gebeuren voor of
tijdens de activering.
389) Na de activering moet het controleapparaat alle functies
uitvoeren en toegang geven tot alle gegevens.
390) Na de activering, stuurt het controleapparaat alle beveiligde
gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van gerichte
wegcontroles door naar het systeem voor controle op
afstand.
391) De registratie- en opslagfuncties van het controleapparaat
moeten na de activering volledig operationeel zijn.
▼M3
392) Na de installatie moet een kalibrering volgen. Bij de eerste
kalibrering worden niet noodzakelijk het kentekennummer
van het voertuig (VRN en de lidstaat) ingevoerd, wanneer
die gegevens niet bekend zijn bij de erkende werkplaats die
de kalibrering uitvoert. In dat geval, en alleen op dat mo
ment, kan de eigenaar van het voertuig het VRN en de
lidstaat invoeren met behulp van zijn bedrijfskaart, voordat
het voertuig gebruikt wordt in het kader van
Verordening (EG) nr. 561/2006 (bv. door middel van com
mando's in een juiste menustructuur van de mens-machine-
interface van de voertuigunit). Die invoer mag alleen met
behulp van een werkplaatskaart worden bijgewerkt of
bevestigd.
▼B
393) Voor de installatie van een externe GNSS-module moet dat
systeem aan de voertuigunit worden gekoppeld en moet ver
volgens de GNSS-positie-informatie worden geverifieerd.
394) Het controleapparaat moet zodanig in het voertuig worden
geïnstalleerd dat de bestuurder gemakkelijk vanaf zijn zit
plaats toegang heeft tot de noodzakelijke functies.
5.2 Installatieplaatje
395) ►M3 Na controle van het controleapparaat bij de installa
tie wordt op het controleapparaat een gegraveerd of onuit
wisbaar bedrukt installatieplaatje aangebracht. Dat plaatje
moet duidelijk zichtbaar en gemakkelijk toegankelijk zijn.
Waar dat niet mogelijk is, wordt het plaatje aangebracht op
de B-stijl van het voertuig, zodat het duidelijk zichtbaar is.
Bij voertuigen zonder B-stijl moet het installatieplaatje wor
den aangebracht op de deur van het voertuig, en ten allen
tijde duidelijk zichtbaar zijn. ◄
Na iedere controle door een erkende installateur of werk
plaats dient het oude plaatje door een nieuw te worden
vervangen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 100
396) Op het plaatje moeten ten minste de volgende gegevens
zijn aangebracht:
— naam, adres of handelsnaam van de erkende installateur
of werkplaats;
— kenmerkende coëfficiënt van het voertuig in de vorm
„w = … imp/km”;
— constante van het controleapparaat in de vorm
„k = … imp/km”;
— effectieve omtrek van de wielbanden, in de vorm
„l = … mm”;
— bandenmaat;
— de datum waarop de kenmerkende coëfficiënt van het
voertuig is vastgesteld en waarop de effectieve omtrek
van de wielbanden is gemeten;
— VIN-nummer van het voertuig;
— de aanwezigheid (of afwezigheid) van een externe
GNSS-module;
— het serienummer van de externe GNSS-module, indien
van toepassing;
▼M3
— het serienummer van de apparatuur voor communicatie
op afstand, indien van toepassing,
▼M1
— het serienummer van alle aanwezige verzegelingen;
— het gedeelte van het voertuig waarin de adapter even
tueel is geïnstalleerd;
— het gedeelte van het voertuig waarin de bewegingssen
sor is geïnstalleerd, wanneer deze niet is aangesloten op
de versnellingsbak of wanneer geen adapter wordt
gebruikt;
— een beschrijving van de kleur van de kabel tussen de
adapter en het gedeelte van het voertuig dat impulsen
naar de adapter stuurt;
— het serienummer van de ingebouwde bewegingssensor
van de adapter.
▼M3
— het standaard ladingtype van het voertuig.
▼B
397) Uitsluitend voor voertuigen van categorie M1 en N1 die
zijn uitgerust met een adapter volgens Verordening (EG)
nr. 68/2009 van de Commissie ( 1 ), als laatstelijk gewijzigd,
en waarbij niet alle benodigde informatie kan worden ver
meld, zoals beschreven in voorschrift 396, mag gebruik
worden gemaakt van een tweede, extra plaatje. In dergelijke
gevallen moeten op dit extra plaatje minimaal de laatste
vier in voorschrift 396 beschreven streepjes staan.
▼M1
( 1 ) Verordening (EG) nr. 68/2009 van de Commissie van 23 januari 2009 betreffende de
negende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Verordening (EEG)
nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 21
van 24.1.2009, blz. 3).
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 101
Dit tweede plaatje moet worden aangebracht in de buurt
van of naast het in voorschrift 396 beschreven eerste pri
maire plaatje en moet op dezelfde manier worden be
schermd. Voorts moeten op het secundaire plaatje eveneens
de naam, het adres of de handelsnaam van de erkende
installateur of werkplaats die de installatie heeft uitgevoerd,
en de datum van installatie zijn vermeld.
5.3 Verzegeling
398) De volgende onderdelen moeten worden verzegeld:
— alle verbindingen die, wanneer ze verbroken zouden
worden, tot niet-traceerbare wijzigingen of
niet-traceerbaar verlies van gegevens zouden leiden
(dit kan bv. het geval zijn voor de aansluiting van de
bewegingssensor op de versnellingsbank, de adapter
voor voertuigen van de categorieën M1/N1, de externe
GNSS-verbinding of de voertuigunit);
— het installatieplaatje, tenzij het zodanig is aangebracht
dat het niet kan worden verwijderd zonder de daarop
aangebrachte aanduidingen te vernietigen.
▼M1
398 bis) De bovengenoemde verzegelingen worden gecertificeerd
overeenkomstig norm EN 16882:2016.
▼B
399) De bovengenoemde verzegelingen mogen worden
verwijderd:
— in noodgevallen;
— voor het plaatsen, afstellen of repareren van een snel
heidsbegrenzer of alle andere inrichtingen die bijdragen
tot de verkeersveiligheid, op voorwaarde dat het contro
leapparaat betrouwbaar en correct blijft functioneren en
na het plaatsen van de snelheidsbegrenzer of andere
inrichtingen die bijdragen tot de verkeersveiligheid on
middellijk opnieuw door een erkende installateur of
werkplaats (als bedoeld in hoofdstuk 6) wordt ver
zegeld; of binnen zeven dagen in andere gevallen.
400) Iedere verbreking van deze zegels moet schriftelijk worden
gemotiveerd; deze motivering dient ter beschikking van de
bevoegde autoriteit te worden gehouden.
401) Op de zegels is een door de fabrikant toegekend identifi
catienummer aanwezig. Dat nummer moet uniek zijn en
verschillen van alle andere door andere fabrikanten van
zegels toegekende zegelnummers.
▼M1
Het unieke identificatienummer wordt als volgt gedefini
eerd: MMNNNNNNNN door een niet-verwijderbaar merk
teken, waarbij MM een unieke identificatiecode van de
fabrikant is (de registratie in de databank wordt beheerd
door de EC) en NNNNNNNN een alfanumeriek zegelnum
mer is binnen het domein van de fabrikant.
▼B
402) Op de zegels moet een vrije ruimte beschikbaar zijn waar
erkende installateurs, werkplaatsen of voertuigfabrikanten
een merkteken kunnen aanbrengen overeenkomstig arti
kel 22, lid 3, van Verordening (EU) nr. 165/2014.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 102
Het merkteken mag het identificatienummer van het zegel
niet bedekken.
▼M1
403) Zegelfabrikanten worden opgenomen in een specifieke da
tabank wanneer zij een zegelmodel krijgen dat gecertifi
ceerd is volgens EN 16882:2016, en maken hun zegeliden
tificatienummers bekend door middel van een door de Eu
ropese Commissie vastgestelde procedure.
404) Erkende werkplaatsen en voertuigfabrikanten gebruiken in
het kader van Verordening (EU) nr. 165/2014 alleen zegels
die gecertificeerd zijn volgens EN 16882:2016 en geprodu
ceerd zijn door in de voornoemde databank opgenomen
zegelfabrikanten.
▼B
405) Fabrikanten en distributeurs van zegels waarborgen de vol
ledige traceerbaarheid van de voor gebruik in het kader van
Verordening (EU) nr. 165/2014 verkochte zegels en zorgen
ervoor dat zij die gegevens indien nodig kunnen verstrek
ken aan de bevoegde nationale instanties.
406) De unieke zegelidentificatienummer moeten zichtbaar zijn
op het installatieplaatje.
6 CONTROLES, INSPECTIES EN HERSTELLINGEN
Voorschriften betreffende de omstandigheden waarin verzegelingen
verwijderd mogen worden, als bedoeld in artikel 22, lid 5, van
Verordening (EU) nr. 165/2014, zijn gedefinieerd in punt 5.3 van
deze bijlage.
6.1 Erkenning van installateurs, werkplaatsen en voertuigfabrikan
ten
De lidstaten erkennen, certificeren en controleren regelmatig de in
stanties die de
— installaties,
— controles,
— inspecties en
— reparaties verrichten.
Werkplaatskaarten worden uitsluitend afgegeven aan voor het acti
veren en/of kalibreren van controleapparaten erkende installateurs
en/of werkplaatsen die voldoen aan deze bijlage en, tenzij voldoende
gerechtvaardigd:
— niet in aanmerking komen voor een bedrijfskaart;
— wiens andere bedrijfsactiviteiten geen potentieel gevaar voor de
totale veiligheid van het systeem opleveren zoals vereist in aan
hangsel 10.
▼M1
6.2 Controle van nieuwe of herstelde onderdelen
407) Iedere afzonderlijke inrichting, zij het nieuw of hersteld,
wordt gecontroleerd uit het oogpunt van juiste werking en
nauwkeurigheid van de aflezing en registratie, waarbij de in
de punten 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 en 3.3 vastgelegde grenswaar
den moeten worden gehanteerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 103
6.3 Installatie-inspectie
▼M1
408) Na plaatsing in een voertuig moeten de volledige installatie
en het controleapparaat voldoen aan de bepalingen betref
fende de maximumtoleranties zoals vastgelegd in de punten
3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 en 3.3. De volledige installatie wordt
verzegeld overeenkomstig hoofdstuk 5.3 en omvat een
kalibrering.
▼B
6.4 Periodieke controles
▼M3
409) Periodieke controles van in de voertuigen geïnstalleerde
inrichtingen moeten plaatsvinden na iedere reparatie van
de inrichting, of na iedere wijziging van de kenmerkende
coëfficiënt van het voertuig of van de effectieve omtrek van
de wielbanden, of wanneer de UTC-tijd van de inrichting
meer dan 5 minuten afwijkt, of wanneer het kentekennum
mer gewijzigd is en ten minste om de twee jaar (24 maan
den) na de laatste controle.
▼B
410) Die inspecties omvatten de volgende controles:
— de correcte werking van het controleapparaat, met name
de gegevensopslag op de tachograafkaart en de com
municatie met toestellen om berichten op afstand te
lezen;
— de naleving van het bepaalde in de punten 3.2.1 en
3.2.2 inzake de maximumtoleranties bij installatie;
— de naleving van het bepaalde in de punten 3.2.3 en 3.3;
— de aanwezigheid van het typegoedkeuringsmerk op het
controleapparaat;
— dat het installatieplaatje, zoals omschreven in voor
schrift 396, en het identificatieplaatje, zoals omschreven
in voorschrift 225, zijn aangebracht;
— de bandenmaat en de werkelijke omtrek van de banden;
— dat er geen manipulatiemiddelen aanwezig zijn;
— dat de zegels correct zijn aangebracht, in goede staat
zijn en over een geldig identificatienummer beschikken
(erkende zegelfabrikant in de EC-databank), en dat hun
identificatienummer overeenstemt met de merktekens
op het identificatieplaatje (zie voorschrift 401).
▼M3
— dat de versie-aanduiding van de opgeslagen digitale
kaart de recentste is.
410 a) Als de bevoegde nationale instanties een manipulatie detec
teren, kan het voertuig voor een herkalibrering van het
controleapparaat naar een erkende werkplaats worden
gestuurd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 104
411) Indien een van de in punt 3.9 (Detectie van voorvallen
en/of fouten) genoemde voorvallen zich heeft voorgedaan
sinds de laatste inspectie en door tachograaffabrikanten
en/of de nationale overheid wordt beschouwd als mogelijke
bedreiging voor de beveiliging van het apparaat, moet de
werkplaats:
a. een vergelijking maken tussen de identificatiegegevens
van de op de versnellingsbak aangesloten bewegingssen
sor en de in de voertuigunit opgeslagen gegevens van de
gekoppelde bewegingssensor;
b. controleren of de informatie op het installatieplaatje
overeenkomt met de in de voertuigunit opgeslagen
informatie;
c. controleren of het serienummer en het goedkeurings
nummer van de bewegingssensor, indien deze op de
bewegingssensor zijn afgedrukt, overeenkomen met de
in het geheugen van het controleapparaat opgeslagen
informatie;
d. de op het identificatieplaatje van de externe
GNSS-module aangebrachte gegevens, indien van toe
passing, vergelijken met de in het geheugen van de
VU opgeslagen gegevens.
412) Werkplaatsen moeten in hun inspectieverslag melding ma
ken van eventueel aangetroffen verbroken zegels of mani
pulatiemiddelen. Deze rapporten moeten minstens 2 jaar
worden bewaard en op verzoek aan de bevoegde autoriteit
worden overgelegd.
413) Bij die controles moet een kalibrering plaatsvinden en moe
ten de zegels waarvan de aanwezigheid onder de verant
woordelijkheid van de werkplaats valt preventief worden
vervangen.
6.5 Meting van afwijkingen
414) De meting van de afwijkingen bij installatie en gebruik
gebeurt onder de volgende omstandigheden, die beschouwd
moeten worden als normale testomstandigheden:
— onbelast voertuig, in normale rijklare toestand;
— bandenspanning overeenkomstig de door de fabrikant
verstrekte gegevens,
— slijtage van de banden binnen de door de nationale
voorschriften toegestane grenzen;
— rijdend voertuig:
— het voertuig moet zich, aangedreven door zijn eigen
motor, langs een rechte lijn over een vlakke ondergrond
bewegen met een snelheid van 50 ± 5 km/u. Het meet
traject moet ten minste 1 000 m lang zijn;
— de test mag ook uitgevoerd worden met alternatieve
methoden, zoals op een geschikte proefbank, op voor
waarde dat deze even nauwkeurig zijn.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 105
6.6 Reparaties
415) Werkplaatsen kunnen gegevens van het controleapparaat
downloaden en deze gegevens teruggeven aan de betref
fende vervoersonderneming.
416) Erkende werkplaatsen moeten een certificaat van onmoge
lijkheid tot het downloaden van gegevens aan de vervoers
ondernemingen afgeven, wanneer vooraf geregistreerde ge
gevens ten gevolge van de slechte werking van het contro
leapparaat zelfs na reparatie door de betrokken werkplaats
niet kunnen worden gedownload. De werkplaatsen bewaren
een kopie van elk afgegeven certificaat gedurende ten min
ste twee jaar.
7 AFGIFTE VAN KAARTEN
De door de lidstaten vastgestelde werkwijze voor de afgifte van
kaarten moet aan het volgende voldoen:
417) Het kaartnummer van het eerste exemplaar van een tacho
graafkaart dat aan een aanvrager verstrekt wordt, moet een
opeenvolgende index (indien van toepassing), een vervan
gingsindex en een vernieuwingsindex op de stand „0”
hebben.
418) Van de kaartnummers van alle niet-persoonlijke tachograaf
kaarten, die aan een bepaalde controle-instantie, een be
paalde werkplaats of een bepaalde vervoersonderneming
zijn afgegeven, moeten de eerste 13 cijfers hetzelfde zijn.
Verder moeten ze allemaal een andere opeenvolgende index
hebben.
419) Een tachograafkaart die ter vervanging van een bestaande
tachograafkaart wordt afgegeven, moet hetzelfde kaartnum
mer hebben als de vervangen kaart, met uitzondering van
de vervangingsindex die met „1” moet worden verhoogd
(in de volgorde 0, …, 9, A, …, Z).
420) Een tachograafkaart die ter vervanging van een bestaande
tachograafkaart wordt afgegeven, moet dezelfde vervalda
tum hebben als de vervangen kaart.
421) Een tachograafkaart die ter vernieuwing van een bestaande
tachograafkaart wordt afgegeven, moet hetzelfde kaartnum
mer hebben als de bestaande kaart met uitzondering van de
vervangingsindex die op „0” moet worden teruggezet en de
vernieuwingsindex die met „1” moet worden verhoogd (in
de volgorde 0, …, 9, A, …, Z).
422) Het ruilen van een bestaande tachograafkaart met het oog
op de wijziging van administratieve gegevens moet in de
zelfde lidstaat gebeuren volgens de voorschriften voor ver
nieuwing, of de voorschriften voor de eerste afgifte wan
neer de kaart in een andere lidstaat wordt geruild.
423) In het geval van niet-persoonlijke werkplaats- of contro
lekaarten moet bij de „naam van de kaarthouder” de
naam van de werkplaats of de controle-instantie worden
ingevuld, of de naam van de installateur of controleur in
dien de lidstaten daartoe besluiten.
424) De lidstaten wisselen elektronisch gegevens uit om het
unieke karakter te waarborgen van de bestuurderskaarten
die zij afgeven overeenkomstig artikel 31 van Verorde
ning (EU) nr. 165/2014.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 106
8 TYPEGOEDKEURING VAN CONTROLEAPPARATEN EN TA
CHOGRAAFKAARTEN
8.1 Algemeen
▼M1
In dit punt wordt onder „controleapparaat” verstaan: „controleap
paraat of de componenten daarvan”. Er is geen typegoedkeuring
vereist voor de kabels waarmee de bewegingssensor, de externe
GNSS-module of het systeem voor communicatie op afstand op
de VU worden aangesloten. Het in het controleapparaat gebruikte
papier wordt als een onderdeel van het controleapparaat beschouwd.
Elke fabrikant kan een typegoedkeuring vragen van onderdelen van
het controleapparaat die om het even welke andere onderdelen van
controleapparaten bevatten, op voorwaarde dat elk onderdeel voldoet
aan de voorschriften van deze bijlage. Fabrikanten kunnen als alter
natief ook een typegoedkeuring voor hun controleapparaten
aanvragen.
Zoals beschreven in definitie 10 van artikel 2 van deze verordening,
kunnen voertuigunits zijn samengesteld uit diverse onderdelen. On
geacht uit welke onderdelen de voertuigunit is samengesteld, maken
de externe antenne en (indien aanwezig) de antennesplitter die is
aangesloten op de GNSS-ontvanger of het systeem voor communi
catie op afstand, geen deel uit van de typegoedkeuring van het
voertuig.
Desondanks houden fabrikanten die typegoedkeuring voor contro
leapparaten hebben verkregen een openbaar beschikbare lijst bij van
antennes en splitters die compatible zijn met elke voertuigunit, met
elke externe GNSS-module en met elk extern systeem voor com
municatie op afstand waarvoor typegoedkeuring is verleend.
▼B
425) Het controleapparaat moet met alle geïntegreerde aanvul
lende systemen ter goedkeuring worden aangeboden.
426) De typegoedkeuring van het controleapparaat en van de
tachograafkaarten omvat tests van de beveiliging, functie
tests en interoperabiliteitstests. Positieve testresultaten wor
den op een relevant certificaat vermeld.
▼M1
427) De goedkeuringsautoriteiten van de lidstaten geven pas een
typegoedkeuringscertificaat af wanneer zij beschikken over:
— een beveiligingscertificaat (indien vereist uit hoofde van
deze bijlage),
— een functiecertificaat,
— een interoperabiliteitscertificaat (indien vereist uit
hoofde van deze bijlage)
voor het controleapparaat of de tachograafkaart waarvoor
de typegoedkeuring wordt aangevraagd.
▼B
428) De autoriteit die de goedkeuring voor het apparaat ver
leende, moet vooraf in kennis worden gesteld van elke
wijziging in de software of hardware van het apparaat of
in de aard van de voor de fabricage gebruikte materialen.
Deze autoriteit bevestigt de verlenging van de goedkeuring
aan de fabrikant of eist een aanpassing of een bevestiging
van de relevante functie-, beveiligings- en/of interoperabi
liteitscertificaten.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 107
429) Procedures voor het updaten van de in-situ software van het
controleapparaat moeten worden goedgekeurd door de au
toriteit die de typegoedkeuring voor het controleapparaat
heeft verleend. Een software-update mag de in het contro
leapparaat opgeslagen gegevens over de activiteiten van de
bestuurder wijzigen noch verwijderen. Software mag alleen
onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant van het
apparaat worden geüpdatet.
430) De typegoedkeuring van softwarewijzigingen met het oog
op een update van voorheen goedgekeurde apparatuur mag
niet worden geweigerd indien de wijzigingen alleen betrek
king hebben op functies die niet in deze bijlage zijn ge
specificeerd. Indien technisch niet uitvoerbaar, mag de in
voering van nieuwe tekensets bij de software-update van
controleapparaten achterwege worden gelaten.
▼B
8.2 Veiligheidscertificaat
431) Het veiligheidscertificaat wordt afgegeven in overeenstem
ming met de bepalingen van aanhangsel 10 van deze bij
lage. De onderdelen van het controleapparaat die moeten
worden gecertificeerd, zijn de voertuigunit, de bewegings
sensor, de externe GNSS-module en de tachograafkaart.
432) In het uitzonderlijke geval dat de autoriteiten voor beveili
gingscertificering weigeren een nieuw apparaat te certifice
ren op grond van veroudering van de beveiligingsmecha
nismen, wordt alleen typegoedkeuring verleend in dit spe
cifieke en uitzonderlijke geval en wanneer er geen andere,
met de verordening in overeenstemming zijnde oplossing
bestaat.
433) In dat geval stelt de lidstaat onverwijld de Europese Com
missie op de hoogte, die binnen twaalf kalendermaanden na
de verleende typegoedkeuring een procedure start om er
voor te zorgen dat de beveiliging weer op haar oorspron
kelijke niveau wordt gebracht.
8.3 Functiecertificaat
434) Elke aanvrager van een typegoedkeuring moet de goedkeu
ringsautoriteit van de lidstaat de door die autoriteit nood
zakelijk geachte materialen en documentatie verschaffen.
435) De fabrikanten dienen binnen één maand nadat daarom is
verzocht de relevante monsters van goedgekeurde produc
ten en de bijbehorende documentatie te verstrekken die de
met het uitvoeren van functionele tests belaste laboratoria
nodig hebben. Alle uit dat verzoek voortvloeiende kosten
worden gedragen door de partij die daarom vraagt. De
laboratoria dienen commercieel gevoelige informatie ver
trouwelijk te behandelen.
436) Een functiecertificaat wordt alleen aan de fabrikant afgege
ven nadat in elk geval alle functiebeproevingen als gespe
cificeerd in aanhangsel 9, succesvol afgesloten zijn.
437) De typegoedkeuringsautoriteit geeft het functiecertificaat af.
Dit certificaat moet behalve de naam van de ontvanger en
de identificatie van het model ook een gedetailleerde lijst
van uitgevoerde tests en behaalde resultaten vermelden.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 108
438) Op het functiecertificaat van een controleapparaat moeten
ook de typegoedkeuringsnummers zijn aangegeven van alle
andere goedgekeurde compatibele onderdelen van dat ap
paraat die voor de certificering van het controleapparaat
zijn getest.
439) Op het functiecertificaat van een onderdeel van een contro
leapparaat wordt vermeld aan welke ISO of CEN-norm de
functionele interface is getoetst.
8.4 Interoperabiliteitscertificaat
440) Interoperabiliteitstests worden door een laboratorium uitge
voerd in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de
Europese Commissie.
441) Het laboratorium moet de verzoeken van fabrikanten om
interoperabiliteitstests in chronologische volgorde van ont
vangst registreren.
442) Verzoeken worden officieel geregistreerd wanneer het labo
ratorium in het bezit is van:
— alle materialen en documenten die nodig zijn voor de
interoperabiliteitstests;
— het corresponderende beveiligingscertificaat;
— het corresponderende functiecertificaat.
De fabrikant moet over de registratiedatum van het verzoek
worden geïnformeerd.
▼M3
443) Het laboratorium voert slechts interoperabiliteitstests uit van
controleapparaten of tachograafkaarten na een geslaagde
kwetsbaarheidsanalyse van de beveiligingsbeoordeling en
functiebeoordeling, behalve in de uitzonderlijke omstandig
heden als beschreven in voorschrift 432).
▼B
444) Een fabrikant die een interoperabiliteitstest aanvraagt, moet
alle materialen en documenten die nodig zijn voor het uit
voeren van de test verstrekken aan het voor deze test ver
antwoordelijke laboratorium.
445) De interoperabiliteitstests worden, overeenkomstig aanhang
sel 9 van deze bijlage, uitgevoerd met alle types controleap
paratuur of tachograafkaarten
— waarvan de typegoedkeuring nog steeds geldig is of
— waarvan de typegoedkeuring is aangevraagd en waar
voor een geldig interoperabiliteitscertificaat is verleend.
446) De interoperabiliteitstests bestrijken alle generaties van con
troleapparaten of tachograafkaarten die nog worden
gebruikt.
▼M3
447) Het interoperabiliteitscertificaat wordt door het laboratorium
aan de fabrikant afgegeven nadat alle vereiste interoperabi
liteitstests zijn geslaagd en nadat de fabrikant heeft aange
toond dat voor het product zowel een geldig functioneel
certificaat als een geldig veiligheidscertificaat zijn verleend,
behalve in de uitzonderlijke omstandigheden als beschreven
in voorschrift 432).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 109
448) Indien de interoperabiliteitstests bij een of meer controleap
paraten of tachograafkaarten niet zijn geslaagd, wordt het
interoperabiliteitscertificaat pas afgegeven nadat de betref
fende fabrikant de noodzakelijke wijzigingen heeft aange
bracht en de apparatuur respectievelijk kaarten de daar
opvolgende interoperabiliteitstest met goed gevolg hebben
doorstaan. Het laboratorium moet de oorzaak van het pro
bleem met de hulp van de betreffende fabrikanten vaststel
len en moet de fabrikant die het verzoek heeft ingediend,
helpen om een technische oplossing te zoeken. Als de fa
brikant zijn product heeft gewijzigd, dient hij bij de be
voegde instantie na te vragen of het veiligheidscertificaat
en het functiecertificaat geldig blijven.
449) Het interoperabiliteitscertificaat is zes maanden geldig. Aan
het einde van deze periode wordt het ingetrokken wanneer
de fabrikant geen corresponderend goedkeuringscertificaat
heeft ontvangen. Het certificaat moet door de fabrikant
naar de goedkeuringsautoriteit van de lidstaat worden ge
zonden die het functiecertificaat heeft afgegeven.
450) Elk onderdeel dat aan de basis van een interoperabiliteits
fout kan liggen, mag niet worden gebruikt om voordelen of
een dominante positie te verkrijgen.
8.5 Typegoedkeuringscertificaat
451) De goedkeuringsautoriteit van de lidstaat geeft het goed
keuringscertificaat af zodra de autoriteit in het bezit is
van de drie vereiste certificaten.
452) Op het typegoedkeuringscertificaat van onderdelen van een
controleapparaat moeten ook de typegoedkeuringsnummers
van alle andere goedgekeurde interoperabele controleap
paraten worden vermeld
453) Op het moment van afgifte aan de fabrikant moet de type
goedkeuringsautoriteit een kopie van het typegoedkeurings
certificaat aan het voor de interoperabiliteitstest verantwoor
delijke laboratorium verstrekken.
454) Het voor de interoperabiliteitstests bevoegde laboratorium
moet een publiek toegankelijke website beheren waarop de
lijst van types controleapparaten of tachograafkaarten wordt
bijgewerkt:
— waarvoor een verzoek tot uitvoering van interoperabili
teitstests is geregistreerd;
— waarvoor een interoperabiliteitscertificaat (ook tijdelijk)
is afgegeven;
— waarvoor een typegoedkeuringscertificaat is afgegeven.
8.6 Bijzondere procedure: eerste interoperabiliteitscertificaten voor
controleapparaten en tachograafkaarten van de 2de generatie
455) Tot vier maanden nadat de eerste combinatie van contro
leapparaat van de 2de generatie en tachograafkaart van de
2de generatie (bestuurders-, werkplaats-, controle- en be
drijfskaart) als interoperabel gecertificeerd is, wordt een
afgegeven interoperabiliteitscertificaat (inclusief de allereer
ste) met betrekking tot tijdens deze periode geregistreerde
verzoeken, als tijdelijk beschouwd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 110
456) Wanneer aan het einde van deze periode alle betreffende
producten onderling interoperabel zijn, worden alle corres
ponderende interoperabiliteitscertificaten definitief.
457) Wanneer tijdens deze periode interoperabiliteitsfouten wor
den ontdekt, moet het voor de interoperabiliteitstests ver
antwoordelijke laboratorium de oorzaak van de problemen
met hulp van alle betrokken fabrikanten vaststellen en moe
ten de fabrikanten de noodzakelijke wijzigingen
aanbrengen.
458) Indien zich aan het einde van deze periode nog steeds
interoperabiliteitsproblemen voordoen, moet het voor de
interoperabiliteitstests verantwoordelijke laboratorium in sa
menwerking met de betreffende fabrikanten en de goedkeu
ringsautoriteiten die de corresponderende functiecertificaten
hebben afgegeven, de oorzaken van de interoperabiliteits
fouten detecteren en vaststellen welke wijzigingen door de
betreffende fabrikanten moeten worden aangebracht. Het
zoeken naar technische oplossingen duurt maximaal twee
maanden, waarna, indien geen algemene oplossing gevon
den wordt, de Commissie na overleg met het voor de inter
operabiliteitstests verantwoordelijke laboratorium beslist
welke apparaten en kaarten een definitief interoperabiliteits
certificaat krijgen. De Commissie motiveert haar beslissing.
459) Elk verzoek tot uitvoering van interoperabiliteitstests dat
door het laboratorium geregistreerd wordt tussen het einde
van de periode van vier maanden nadat het eerste tijdelijke
interoperabiliteitscertificaat is afgegeven en de datum van
het besluit van de Commissie als bedoeld in voorschrift
455, moet worden opgeschort totdat de aanvankelijke inter
operabiliteitsproblemen opgelost zijn. Die verzoeken wor
den vervolgens in chronologische volgorde van registratie
behandeld.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 111
Aanhangsel 1
DATA DICTIONARY
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
1.1. Methoden voor de definitie van soorten gegevens
1.2. Referentienormen
2. DEFINITIES VAN SOORTEN GEGEVENS
2.1. ActivityChangeInfo
2.2. Address
2.3. AESKey
2.4. AES128Key
2.5. AES192Key
2.6. AES256Key
2.7. BCDString
2.8. CalibrationPurpose
2.9. CardActivityDailyRecord
2.10. CardActivityLengthRange
2.11. CardApprovalNumber
▼M3
2.11 bis CardBorderCrossing
2.11 ter CardBorderCrossingRecord
▼B
2.12. CardCertificate
2.13. CardChipIdentification
2.14. CardConsecutiveIndex
2.15. CardControlActivityDataRecord
2.16. CardCurrentUse
2.17. CardDriverActivity
2.18. CardDrivingLicenceInformation
2.19. CardEventData
2.20. CardEventRecord
2.21. CardFaultData
2.22. CardFaultRecord
2.23. CardIccIdentification
2.24. CardIdentification
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 112
2.24 bis CardLoadTypeEntries
2.24 ter CardLoadTypeEntryRecord
2.24 quater CardLoadUnloadOperations
2.24 quinquies CardLoadUnloadRecord
▼B
2.25. CardMACertificate
2.26. CardNumber
▼M3
2.26 bis CardPlaceAuthDailyWorkPeriod
▼B
2.27. CardPlaceDailyWorkPeriod
2.28. CardPrivateKey
2.29. CardPublicKey
2.30. CardRenewalIndex
2.31. CardReplacementIndex
2.32. CardSignCertificate
2.33. CardSlotNumber
2.34. CardSlotsStatus
2.35. CardSlotsStatusRecordArray
2.36. CardStructureVersion
2.37. CardVehicleRecord
2.38. CardVehiclesUsed
2.39. CardVehicleUnitRecord
2.40. CardVehicleUnitsUsed
2.41. Certificate
2.42. CertificateContent
2.43. CertificateHolderAuthorisation
2.44. CertificateRequestID
2.45. CertificationAuthorityKID
2.46. CompanyActivityData
2.47. CompanyActivityType
2.48. CompanyCardApplicationIdentification
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 113
2.48 bis CompanyCardApplicationIdentificationV2
▼B
2.49. CompanyCardHolderIdentification
2.50. ControlCardApplicationIdentification
▼M3
2.50 bis ControlCardApplicationIdentificationV2
▼B
2.51. ControlCardControlActivityData
2.52. ControlCardHolderIdentification
2.53. ControlType
2.54. CurrentDateTime
2.55. CurrentDateTimeRecordArray
2.56. DailyPresenceCounter
2.57. Datef
2.58. DateOfDayDownloaded
2.59. DateOfDayDownloadedRecordArray
2.60. Distance
▼M3
2.60 bis DownloadInterfaceVersion
▼B
2.61. DriverCardApplicationIdentification
▼M3
2.61 bis DriverCardApplicationIdentificationV2
▼B
2.62. DriverCardHolderIdentification
▼M1
2.63. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2.64. EGFCertificate
2.65. EmbedderIcAssemblerId
2.66. EntryTypeDailyWorkPeriod
2.67. EquipmentType
2.68. EuropeanPublicKey
2.69. EventFaultRecordPurpose
2.70. EventFaultType
2.71. ExtendedSealIdentifier
2.72. ExtendedSerialNumber
2.73. FullCardNumber
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 114
2.74. FullCardNumberAndGeneration
2.75. Generation
2.76. GeoCoordinates
2.77. GNSSAccuracy
▼M1
2.78. GNSSAccumulatedDriving
2.79. GNSSAccumulatedDrivingRecord
▼M3
2.79 bis GNSSAuthAccumulatedDriving
2.79 ter GNSSAuthStatusADRecord
2.79 quater GNSSPlaceAuthRecord
▼B
2.80. GNSSPlaceRecord
2.81. HighResOdometer
2.82. HighResTripDistance
2.83. HolderName
▼M3
2.84 Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2.85. K-ConstantOfRecordingEquipment
2.86. KeyIdentifier
2.87. KMWCKey
2.88. Language
2.89. LastCardDownload
▼M3
2.89 bis LengthOfFollowingData
▼B
2.90. LinkCertificate
▼M3
2.90 bis LoadType
▼B
2.91. L-TyreCircumference
2.92. MAC
2.93. ManualInputFlag
2.94. ManufacturerCode
2.95. ManufacturerSpecificEventFaultData
2.96. MemberStateCertificate
2.97. MemberStateCertificateRecordArray
2.98. MemberStatePublicKey
2.99. Name
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 115
2.100. NationAlpha
2.101. NationNumeric
▼M3
2.101 bis NoOfBorderCrossingRecords
▼B
2.102. NoOfCalibrationRecords
2.103. NoOfCalibrationsSinceDownload
2.104. NoOfCardPlaceRecords
2.105. NoOfCardVehicleRecords
2.106. NoOfCardVehicleUnitRecords
2.107. NoOfCompanyActivityRecords
2.108. NoOfControlActivityRecords
2.109. NoOfEventsPerType
2.110. NoOfFaultsPerType
▼M1
2.111. NoOfGNSSADRecords
▼M3
2.111 bis NoOfLoadUnloadRecords
▼B
2.112. NoOfSpecificConditionRecords
▼M3
2.112 bis NoOfLoadTypeEntryRecords
▼B
2.113. OdometerShort
2.114. OdometerValueMidnight
▼M3
2.114 bis OperationType
▼B
2.115. OdometerValueMidnightRecordArray
2.116. OverspeedNumber
▼M3
2.116 bis PlaceAuthRecord
2.116 ter PlaceAuthStatusRecord
▼B
2.117. PlaceRecord
▼M3
2.117 bis PositionAuthenticationStatus
▼B
2.118. PreviousVehicleInfo
2.119. PublicKey
2.120. RecordType
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 116
2.121. RegionAlpha
2.122. RegionNumeric
2.123. RemoteCommunicationModuleSerialNumber
2.124. RSAKeyModulus
2.125. RSAKeyPrivateExponent
2.126. RSAKeyPublicExponent
2.127. RtmData
2.128. SealDataCard
2.129. SealDataVu
2.130. SealRecord
2.131. SensorApprovalNumber
2.132. SensorExternalGNSSApprovalNumber
2.133. SensorExternalGNSSCoupledRecord
2.134. SensorExternalGNSSIdentification
2.135. SensorExternalGNSSInstallation
2.136. SensorExternalGNSSOSIdentifier
2.137. SensorExternalGNSSSCIdentifier
2.138. SensorGNSSCouplingDate
2.139. SensorGNSSSerialNumber
2.140. SensorIdentification
2.141. SensorInstallation
2.142. SensorInstallationSecData
2.143. SensorOSIdentifier
2.144. SensorPaired
2.145. SensorPairedRecord
2.146. SensorPairingDate
2.147. SensorSCIdentifier
2.148. SensorSerialNumber
2.149. Handtekening
2.150. SignatureRecordArray
2.151. SimilarEventsNumber
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 117
2.152. SpecificConditionRecord
2.153. SpecificConditions
2.154. SpecificConditionType
2.155. Speed
2.156. SpeedAuthorised
2.157. SpeedAverage
2.158. SpeedMax
▼M3
2.158 bis TachographCardsGen1Suppression
▼B
2.159. TachographPayload
▼M1
2.160. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2.161. TDesSessionKey
2.162. TimeReal
2.163. TyreSize
2.164. VehicleIdentificationNumber
2.165. VehicleIdentificationNumberRecordArray
2.166. VehicleRegistrationIdentification
▼M3
2.166 bis VehicleRegistrationIdentificationRecordArray
▼B
2.167. VehicleRegistrationNumber
2.168. VehicleRegistrationNumberRecordArray
2.169. VuAbility
2.170. VuActivityDailyData
2.171. VuActivityDailyRecordArray
2.172. VuApprovalNumber
2.173. VuCalibrationData
2.174. VuCalibrationRecord
2.175. VuCalibrationRecordArray
2.176. VuCardIWData
2.177. VuCardIWRecord
2.178. VuCardIWRecordArray
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 118
2.179. VuCardRecord
2.180. VuCardRecordArray
2.181. VuCertificate
2.182. VuCertificateRecordArray
2.183. VuCompanyLocksData
2.184. VuCompanyLocksRecord
2.185. VuCompanyLocksRecordArray
▼M3
2.185 bis VuConfigurationLengthRange
▼B
2.186. VuControlActivityData
2.187. VuControlActivityRecord
2.188. VuControlActivityRecordArray
2.189. VuDataBlockCounter
2.190. VuDetailedSpeedBlock
2.191. VuDetailedSpeedBlockRecordArray
2.192. VuDetailedSpeedData
▼M3
2.192 bis VuDigitalMapVersion
▼B
2.193. VuDownloadablePeriod
2.194. VuDownloadablePeriodRecordArray
2.195. VuDownloadActivityData
2.196. VuDownloadActivityDataRecordArray
2.197. VuEventData
2.198. VuEventRecord
2.199. VuEventRecordArray
2.200. VuFaultData
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 119
2.201. VuFaultRecord
2.202. VuFaultRecordArray
▼M1
2.203. VuGNSSADRecord
▼M3
2.203 bis. VuBorderCrossingRecord
2.203 ter. VuBorderCrossingRecordArray
▼M1
2.204. VuGNSSADRecordArray
▼M3
2.204 bis VuGnssMaximalTimeDifference
▼B
2.205. VuIdentification
2.206. VuIdentificationRecordArray
2.207. VuITSConsentRecord
2.208. VuITSConsentRecordArray
▼M3
2.208 bis VuLoadUnloadRecord
2.208 ter VuLoadUnloadRecordArray
▼B
2.209. VuManufacturerAddress
2.210. VuManufacturerName
2.211. VuManufacturingDate
2.212. VuOverSpeedingControlData
2.213. VuOverSpeedingControlDataRecordArray
2.214. VuOverSpeedingEventData
2.215. VuOverSpeedingEventRecord
2.216. VuOverSpeedingEventRecordArray
2.217. VuPartNumber
2.218. VuPlaceDailyWorkPeriodData
2.219. VuPlaceDailyWorkPeriodRecord
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 120
2.220. VuPlaceDailyWorkPeriodRecordArray
2.221. VuPrivateKey
2.222. VuPublicKey
▼M3
2.222 bis VuRtcTime
▼B
2.223. VuSerialNumber
2.224. VuSoftInstallationDate
2.225. VuSoftwareIdentification
2.226. VuSoftwareVersion
2.227. VuSpecificConditionData
2.228. VuSpecificConditionRecordArray
2.229. VuTimeAdjustmentData
▼M1
2.230. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
2.231. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2.232. VuTimeAdjustmentRecord
2.233. VuTimeAdjustmentRecordArray
2.234. WorkshopCardApplicationIdentification
▼M3
2.234 bis WorkshopCardApplicationIdentificationV2
2.234 ter WorkshopCardCalibrationAddData
2.234 quater WorkshopCardCalibrationAddDataRecord
▼B
2.235. WorkshopCardCalibrationData
2.236. WorkshopCardCalibrationRecord
2.237. WorkshopCardHolderIdentification
2.238. WorkshopCardPIN
2.239. W-VehicleCharacteristicConstant
2.240. VuPowerSupplyInterruptionRecord
2.241. VuPowerSupplyInterruptionRecordArray
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 121
2.242. VuSensorExternalGNSSCoupledRecordArray
2.243. VuSensorPairedRecordArray
3. DEFINITIES VAN WAARDEN- EN AFMETINGENBEREIK
4. TEKENSETS
5. CODERING
6. OBJECTIDENTIFICATIE EN TOEPASSINGSIDENTIFICATIE
6.1. Objectidentificatie
6.2. Toepassingsidentificaties
1. INLEIDING
In dit aanhangsel worden gegevensformaten, -elementen en -struc
turen gespecificeerd voor gebruik in controleapparaten en op
tachograafkaarten.
1.1. Methoden voor de definitie van soorten gegevens
In dit aanhangsel wordt Abstract Syntax Notation One (ASN.1)
gebruikt om soorten gegevens te definiëren. Daardoor is het
mogelijk enkelvoudige en gestructureerde gegevens te definiëren
zonder een toepassings- en omgevingsafhankelijke specifieke
overdrachtssyntaxis (coderingsregels).
ASN.1-conventies voor soortbenaming worden gebruikt in over
eenstemming met ISO/IEC 8824-1. Dat betekent dat:
— waar mogelijk de betekenis van de gegevenssoort door mid
del van de geselecteerde benamingen wordt aangeduid;
— waar een gegevenssoort een samenstelling van andere gege
venssoorten is, de benaming van de gegevenssoort toch een
enkele reeks alfabetische tekens is die begint met een hoofd
letter. Hoofdletters worden echter in de benaming gebruikt
om de corresponderende betekenis te verduidelijken;
— de benamingen van de soorten gegevens in het algemeen
betrekking hebben op de benaming van de soorten gegevens
waaruit ze zijn samengesteld, de apparatuur waarin de gege
vens zijn opgeslagen en de aan de gegevens gerelateerde
functie.
Als een ASN.1-soort reeds als onderdeel van een andere norm is
gedefinieerd en als hij relevant is voor gebruik in het controleap
paraat, wordt die ASN.1-soort in dit aanhangsel gedefinieerd.
Om verscheidene soorten coderingsregels mogelijk te maken, is
een aantal ASN.1-soorten in dit aanhangsel beperkt door identi
ficatiesymbolen voor het waardenbereik. Die identificatiesymbo
len voor het waardenbereik zijn gedefinieerd in punt 3 en aan
hangsel 2.
1.2. Referentienormen
In dit aanhangsel worden de volgende referentienormen gebruikt:
ISO 639 Code voor namen van talen. Eerste uitgave:
1988.
ISO 3166 Codes voor de weergave van landnamen en
hun onderverdelingen — Deel 1: Landenco
des, 2013.
ISO 3779 Wegvoertuigen — Voertuig-identificatienum
mer (VIN) — Inhoud en structuur. 2009.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 122
ISO/IEC 7816-5 Identification cards — Integrated circuit cards
— Part 5: Registration of application
providers.
Second edition: 2004.
ISO/IEC 7816-6 Identification cards — Integrated circuit cards
— Part 6: Interindustry data elements for in
terchange, 2004 + Technical Corrigendum 1:
2006.
ISO/IEC 8824-1 Information technology — Abstract Syntax
Notation One (ASN.1): Specification of basic
notation. 2008 + Technical Corrigendum 1:
2012 and Technical Corrigendum 2: 2014.
ISO/IEC 8825-2 Information technology — ASN.1 encoding
rules: Specification of Packed Encoding
Rules (PER). 2008.
ISO/IEC 8859-1 Information technology — 8-bit single-byte
coded graphic character sets — Part 1: Latin
alphabet No. 1 First edition: 1998.
ISO/IEC 8859-7 Information technology — 8-bit single-byte
coded graphic character sets — Part 7: Latin/
Greek alphabet. 2003.
ISO 16844-3 Wegvoertuigen — Tachograafsystemen —
Aansluiting van bewegingssensor. 2004 +
Technical Corrigendum 1: 2006.
TR-03110-3 BSI / ANSSI Technical Guideline TR-03110-
3, Advanced Security Mechanisms for Ma
chine Readable Travel Documents and eIDAS
Token — Part 3 Common Specifications, ver
sion 2.20, 3. February 2015.
2. DEFINITIES VAN SOORTEN GEGEVENS
▼M3
Voor elk van de volgende gegevenssoorten bestaat de standaard
waarde voor een „onbekende” of een „niet-toepasbare” inhoud in
het opvullen van het dataelement met „FF”-bytes, tenzij anders
gespecificeerd.
Tenzij anders gespecificeerd, worden alle gegevenssoorten ge
bruikt voor toepassingen van de eerste en tweede generatie. Er
wordt vermeld welke types gegevens alleen voor versie 2 van de
tweede generatie worden gebruikt.
Voor kaartgegevenstypes die worden gebruikt voor toepassingen
van de eerste en tweede generatie is het in dit aanhangsel gespeci
ficeerde formaat dat voor toepassingen van de tweede generatie.
Het formaat voor toepassingen van de eerste generatie wordt geacht
reeds bekend te zijn bij de lezer. Het voorschrift van bijlage IC met
betrekking tot dergelijke gegevenstypes heeft betrekking op toe
passingen van zowel de eerste als de tweede generatie.
Types kaartgegevens die niet zijn gedefinieerd voor kaarten van
de eerste generatie worden niet opgeslagen in toepassingen van
de eerste generatie op kaarten van de tweede generatie. Met
name:
— Typekeuringsnummers die zijn opgeslagen in toepassingen
van de eerste generatie op kaarten van de tweede generatie
worden, indien nodig, ingekort tot de eerste 8 tekens,
— Alleen het „begin VERVOER PER FERRY OF TREIN” van
een specifieke omstandigheid „VERVOER PER FERRY OF
TREIN” wordt opgeslagen in een toepassing van de eerste
generatie op kaarten van de tweede generatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 123
2.1. ActivityChangeInfo
Met deze gegevenssoort kan de status van een lezer op 00:00
en/of de status van een bestuurder op 00:00 en/of wijzigingen
van activiteit en/of wijzigingen in de status van de bestuurder
en/of wijzigingen in de status van een kaart voor een bestuurder
of een bijrijder gecodeerd worden binnen een woord van twee
bytes. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de voorschriften
105, 266, 291, 320, 321, 343 en 344 van bijlage 1C.
Waardetoekenning — Octet-uitgericht: „scpaattttttttttt”B (16-
bits)
Voor geheugenrecords (of status van de lezer):
„s”B Lezer:
„0”B: BESTUURDER,
„1”B: BIJRIJDER,
„c”B Status van de bestuurder:
„0”B: ALLEEN,
„1”B: MET EEN TEAM,
„p”B Status van de bestuurderskaart (of werkplaats
kaart) in de relevante lezer:
„0”B: INGEBRACHT, een kaart is
ingebracht,
„1”B: NIET INGEBRACHT, er is geen kaart
ingebracht (of er is een kaart uitgenomen),
„aa”B Activiteit:
„00”B: PAUZE/RUST,
„01”B: BESCHIKBAARHEID,
„10”B: WERKEN,
„11”B: RIJDEN,
„ttttttttttt”B Tijd van de wijziging: aantal minuten vanaf
00.00 uur op de betreffende dag.
Voor bestuurderskaartregistraties (of werkplaatskaartregistraties)
(en status van de bestuurder):
„s”B Lezer (niet relevant als „p” = 1, behoudens
onderstaande opmerking):
„0”B: BESTUURDER,
„1”B: BIJRIJDER,
„c”B Status van de bestuurder (geval „p” = 0) of
Volgende activiteitstatus (geval „p” = 1):
„0”B: ALLEEN,
„0”B: ONBEKEND,
„1”B: MET EEN TEAM,
„1”B: BEKEND (= manueel ingevoerd)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 124
„p”B Status van de kaart:
„0”B: INGEBRACHT, de kaart is in een con
troleapparaat ingebracht,
„1”B: NIET INGEBRACHT, de kaart is niet
ingebracht (of de kaart is uitgenomen),
„aa”B Activiteit (niet relevant als „p” = 1 en „c” = 0,
behoudens onderstaande opmerking):
„00”B: PAUZE/RUST,
„01”B: BESCHIKBAARHEID,
„10”B: WERKEN,
„11”B: RIJDEN,
„ttttttttttt”B Tijd van de wijziging: aantal minuten vanaf
00.00 uur op de betreffende dag.
Opmerking in geval van „kaartuitneming”:
Als de kaart is uitgenomen:
— „s” is relevant en geeft de lezer aan waar de kaart is
uitgenomen,
— „c” moet op 0 worden gezet,
— „p” moet op 1 worden gezet,
— „aa” moet de lopende, op dat moment geselecteerde activiteit
coderen.
Ten gevolge van een manuele invoer kunnen de bits „c” en „aa”
van het (op een kaart opgeslagen) woord later worden overschre
ven om de invoer weer te geven.
2.2. Address
Een adres.
codePage specificeert een tekenset zoals gedefinieerd in hoofd
stuk 4,
address is een adres dat is gecodeerd met de gespecificeerde
tekenset.
2.3. AESKey
2e generatie:
Een AES-sleutel met een lengte van 128, 192 of 256 bits.
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 125
2.4. AES128Key
2e generatie:
Een AES128-sleutel.
length geeft de lengte van de AES128-sleutel in bytes aan.
aes128Key is een AES-sleutel met een lengte van 128 bits.
Waardetoekenning:
de lengte heeft waarde 16.
2.5. AES192Key
2e generatie:
Een AES192-sleutel.
length geeft de lengte van de AES192-sleutel in bytes aan.
aes192Key is een AES-sleutel met een lengte van 192 bits.
Waardetoekenning:
de lengte heeft waarde 24.
2.6. AES256Key
2e generatie:
Een AES256-sleutel.
length geeft de lengte van de AES256-sleutel in bytes aan.
aes256Key is een AES-sleutel met een lengte van 256 bits.
Waardetoekenning:
de lengte heeft waarde 32.
2.7. BCDString
BCDString wordt toegepast voor de BCD-weergave (Binary
Code Decimal, binair gecodeerde decimaal). Deze datasoort
wordt gebruikt om een decimaal cijfer in een semi-byte (4 bits)
weer te geven. BCDString is gebaseerd op het „CharacterString
Type” van ISO/IEC 8824-1.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 126
BCDString gebruikt een „hstring”-notatie. Het uiterst linkse
hexadecimale cijfer moet de meest significante semi-byte van
de eerste byte zijn. Om een veelvoud van bytes aan te maken,
moeten zoveel semi-bytes eindigend op nul worden ingebracht
als nodig zijn vanaf de uiterst linkse semi-bytepositie in de eerste
byte.
Toegestane cijfers zijn: 0, 1, …, 9.
2.8. CalibrationPurpose
Code die verklaart waarom een verzameling kalibratieparameters
werd geregistreerd. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de
voorschriften 097 en 098 van bijlage 1B en voorschrift 119
van bijlage 1C.
Waardetoekenning:
1e generatie:
„00”H gereserveerde waarde,
„01”H activering: registratie van kalibratiepara
meters die op het moment van activering
van de voertuigunit (VU) bekend zijn,
„02”H eerste installatie: eerste kalibratie van de
VU na activering,
„03”H installatie: eerste kalibratie van de VU in
het huidige voertuig,
„04”H periodieke controle.
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie worden de volgende waarden
gebruikt:
„05”H invoering van kentekennummer door de
onderneming,
„06”H tijdafstelling zonder kalibratie,
„07”H tot „7F”H RFU,
„80”H tot „FF”H Specifiek voor de fabrikant.
2.9. CardActivityDailyRecord
Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de acti
viteiten van de bestuurder op een bepaalde dag. Deze gegevens
soort is gerelateerd aan de voorschriften 266, 291, 320 en 343
van bijlage 1C.
activityPreviousRecordLength is de totale lengte in bytes van
de voorafgaande dagelijkse registratie. De maximale waarde
wordt toegekend door de lengte van de OCTET STRING die
deze records bevat (zie CardActivityLengthRange aanhangsel 2,
punt 4). Als die record de oudste dagelijkse registratie is, moet
de waarde van activityPreviousRecordLength op 0 worden gezet.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 127
activityRecordLength is de totale lengte in bytes van deze re
cord. De maximale waarde wordt toegekend door de lengte van
de OCTET STRING die deze records bevat.
activityRecordDate is de datum van de record.
activityDailyPresenceCounter is de dagelijkse aanwezigheid
steller voor de kaart op die dag.
activityDayDistance is de totale op die dag afgelegde afstand.
activityChangeInfo is de verzameling ActivityChangeInfo-gege
vens voor de bestuurder op die dag. Het kan maximaal 1440
waarden bevatten (één activiteitswijziging per minuut). De ver
zameling bevat altijd de activityChangeInfo waarmee de bestuur
derstatus op 00:00 wordt gecodeerd.
2.10. CardActivityLengthRange
Aantal beschikbare bytes op een bestuurders- of werkplaatskaart
voor het opslaan van records van de activiteiten van de
bestuurder.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.11. CardApprovalNumber
Typegoedkeuringsnummer van de kaart.
Waardetoekenning:
het goedkeuringsnummer wordt verstrekt zoals het is bekendge
maakt op de overeenkomstige website van de Europese Com
missie, bijv. met eventuele koppeltekens. Het goedkeuringsnum
mer wordt links uitgelijnd.
▼M3
2.11 bis CardBorderCrossings
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot grensoverschrijdingen van het voertuig wan
neer dat een landsgrens heeft overschreden (voorschriften 306f
en 356f van bijlage IC).
borderCrossingPointerNewestRecord is de index van de laatst
gewijzigde op de kaart opgeslagen record betreffende een
grensoverschrijding.
Waardetoekenning is het cijfer dat correspondeert met de teller
van de op de kaart opgeslagen grensoverschrijding, beginnend
met „0” voor de eerste grensoverschrijding in de structuur.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 128
cardBorderCrossingRecords is de set op de kaart opgeslagen
grensoverschrijdingen.
2.11 ter CardBorderCrossingRecord
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot grensoverschrijdingen wanneer het voertuig
een landsgrens heeft overschreden (voorschriften 147b, 306e
en 356e van bijlage IC).
countryLeft is het land dat het voertuig heeft verlaten, of „geen
informatie beschikbaar” overeenkomstig voorschrift 147b van
bijlage 1C. „Rest van de wereld” (NationNumeric code „FF”H)
wordt gebruikt als de VU niet in staat is te bepalen in welk land
het voertuig zich bevindt (bv. omdat het huidige land niet op de
opgeslagen digitale kaarten staat).
countryEntered is het land waar het voertuig is binnen gereden,
of het land waar het voertuig zich bevindt op het moment waarop
de kaart wordt ingebracht. „Rest van de wereld”(NationNumeric
code „FF”H) wordt gebruikt als de VU niet in staat is te bepalen
in welk land het voertuig zich bevindt (bv. omdat het huidige
land niet op de opgeslagen digitale kaarten staat).
gnssPlaceAuthRecord bevat informatie over de positie van het
voertuig, als de VU detecteert dat het voertuig een landsgrens
heeft overschreden, of „geen informatie beschikbaar” overeen
komstig voorschrift 147b van bijlage IC, en de authenticatiestatus
daarvan.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand van het voertuig als
de VU detecteert dat het voertuig een landsgrens heeft overschre
den, of „geen informatie beschikbaar” overeenkomstig voor
schrift 147b van bijlage IC, en de authenticatiestatus daarvan.
▼B
2.12. CardCertificate
1e generatie:
Certificaat van de openbare sleutel van een kaart.
2.13. CardChipIdentification
Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de iden
tificatie van het geïntegreerd circuit (IC) van de kaart (voorschrift
249 van bijlage 1C). Het icSerialNumber vormt samen met de
icManufacturingReferences de unieke identificatie van de kaart
chip. Het icSerialNumber alleen is geen unieke identificatie van
de kaartchip.
icSerialNumber is het serienummer van het IC.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 129
icManufacturingReferences is het specifieke identificatiesym
bool van de fabrikant van het IC.
2.14. CardConsecutiveIndex
Opeenvolgende index van de kaart (definitie h)).
Waardetoekenning: (zie bijlage 1C, hoofdstuk 7).
Volgorde van verhoging: „0, …, 9, A, …, Z, a, …, z”
2.15. CardControlActivityDataRecord
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de laatste controle van de bestuurder (voor
schriften 274, 299, 327 en 350 van bijlage 1C).
controlType is de soort controle.
controlTime is de datum en het tijdstip van de controle.
controlCardNumber is het FullCardNumber van de controleur
die de controle heeft uitgevoerd.
controlVehicleRegistration is het kentekennummer en de regi
strerende lidstaat van het voertuig waarin de controle plaatsvond.
controlDownloadPeriodBegin en controlDownloadPeriodEnd
is de gedownloade periode in geval van download.
2.16. CardCurrentUse
Informatie over het werkelijke gebruik van de kaart (voorschrif
ten 273, 298, 326 en 349 van bijlage 1C).
sessionOpenTime is het tijdstip waarop de kaart voor het hui
dige gebruik ingebracht wordt. Dat element wordt bij kaartuitne
ming op nul gezet.
sessionOpenVehicle is de identificatie van het thans gebruikte
voertuig, die wordt ingesteld bij kaartinbrenging. Dat element
wordt bij kaartuitneming op nul gezet.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 130
2.17. CardDriverActivity
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de activiteiten van de bestuurder (voorschrif
ten 267, 268, 292, 293, 321 en 344 van bijlage 1C).
activityPointerOldestDayRecord is de specificatie van het be
gin van de geheugenplaats (aantal bytes vanaf het begin van de
string) van de oudste volledige dagregistratie in de
activityDailyRecords-string. De maximale waarde wordt door
de lengte van de string aangegeven.
activityPointerNewestRecord is de specificatie van het begin
van de geheugenplaats (aantal bytes vanaf het begin van de
string) van de meest recente dagregistratie in de
activityDailyRecords-string. De maximale waarde wordt door
de lengte van de string aangegeven.
activityDailyRecords is de ruimte die beschikbaar is om de
gegevens over de activiteit van de bestuurder op te slaan (gege
vensstructuur: CardActivityDaily record) voor elke kalenderdag
waarop de kaart is gebruikt.
Waardetoekenning: deze bytestring wordt periodiek met regi
straties van de CardActivityDailyRecord gevuld. Bij het eerste
gebruik begint de opslag met de eerste byte van de string. Alle
nieuwe records worden aan het einde van de voorgaande record
toegevoegd. Als de string vol is, gaat de opslag verder bij de
eerste byte van de string, onafhankelijk van een onderbreking
binnen een gegevenselement. Voor het invoeren van nieuwe ge
gevens over activiteiten in de string (uitbreiden van de lopende
activityDailyRecord of invoeren van een nieuwe activityDaily
Record), die oudere gegevens over activiteiten vervangen, moet
de activityPointerOldestDayRecord worden bijgewerkt om de
nieuwe locatie van de oudste volledige dagregistratie weer te
geven; de activityPreviousRecordLength van deze (nieuwe) oud
ste volledige dagregistratie moet op 0 worden teruggezet.
2.18. CardDrivingLicenceInformation
Op een bestuurderskaart opgeslagen informatie met betrekking
tot de rijbewijsgegevens van de kaarthouder (voorschriften 259
en 284 van bijlage 1C).
drivingLicenceIssuingAuthority is de autoriteit die verantwoor
delijk is voor de afgifte van het rijbewijs.
drivingLicenceIssuingNation is de nationaliteit van de autoriteit
die het rijbewijs heeft afgegeven.
drivingLicenceNumber is het nummer van het rijbewijs.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 131
2.19. CardEventData
1e generatie:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de aan de kaarthouder te wijten voorvallen
(Bijlage IC, voorschriften 260 en 318).
CardEventData is een sequentie, gerangschikt op oplopende
waarde van EventFaultType, van cardEventRecords (uitgezon
derd records die verband houden met pogingen tot inbreuk op
de beveiliging, die in de laatste reeks van de sequentie worden
verzameld).
cardEventRecords is een reeks voorvalrecords van een bepaald
type voorval (of categorie voor voorvallen met betrekking tot
pogingen tot inbreuk op de beveiliging).
2e generatie:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de aan de kaarthouder te wijten voorvallen
(Bijlage IC, voorschriften 285 en 341).
CardEventData is een sequentie, gerangschikt op oplopende
waarde van EventFaultType, van cardEventRecords (uitgezon
derd records die verband houden met pogingen tot inbreuk op
de beveiliging, die in de laatste reeks van de sequentie worden
verzameld).
cardEventRecords is een reeks voorvalrecords van een bepaald
type voorval (of categorie voor voorvallen met betrekking tot
pogingen tot inbreuk op de beveiliging).
▼B
2.20. CardEventRecord
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot een aan de kaarthouder te wijten voorval
(voorschriften 261, 286, 318 en 341 van bijlage 1C).
eventType is het soort voorval.
eventBeginTime is de datum en het tijdstip van het begin van
het voorval.
eventEndTime is de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval.
eventVehicleRegistration is het kentekennummer en de registre
rende lidstaat van het voertuig waarin het voorval plaatsvond.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 132
2.21. CardFaultData
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot aan de kaarthouder te wijten fouten (voor
schriften 263, 288, 318 en 341 van bijlage 1C).
CardFaultData is een sequentie van een recordsverzameling van
controleapparaatfouten gevolgd door een recordsverzameling van
kaartfouten.
cardFaultRecords is een reeks foutenrecords van een bepaalde
foutencategorie (controleapparaat of kaart).
2.22. CardFaultRecord
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot een aan de kaarthouder te wijten fout (voor
schriften 264, 289, 318 en 341 van bijlage 1C).
faultType is het soort fout.
faultBeginTime is de datum en het tijdstip van het begin van de
fout.
faultEndTime is de datum en het tijdstip van het einde van de
fout.
faultVehicleRegistration is het kentekennummer en de registre
rende lidstaat van het voertuig waarin de fout plaatsvond.
2.23. CardIccIdentification
Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de iden
tificatie van het geïntegreerde circuit (IC) van de kaart (voor
schrift 248 van bijlage 1C).
clockStop is de klokstopmodus zoals gedefinieerd in aanhang
sel 2.
cardExtendedSerialNumber is het unieke serienummer van de
IC-kaart zoals verder gespecificeerd door de gegevenssoort Ex
tendedSerialNumber.
cardApprovalNumber is het typegoedkeuringsnummer van de
kaart.
cardPersonaliserID is de persoonlijke identificatie (ID) van de
kaart gecodeerd als ManufacturerCode.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 133
embedderIcAssemblerId geeft informatie over de embedder/IC-
assembleur.
icIdentifier is het identificatiesymbool van het IC op de kaart en
van de fabrikant van het IC zoals gedefinieerd in ISO/IEC 7816-6.
2.24. CardIdentification
Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de iden
tificatie van de kaart (voorschriften 255, 280, 310, 333, 359, 365,
371 en 377 van bijlage 1C).
cardIssuingMemberState is de code van de lidstaat die de kaart
heeft afgegeven.
cardNumber is het nummer van de kaart.
cardIssuingAuthorityName is de naam van de autoriteit die de
kaart heeft afgegeven.
cardIssueDate is de datum van afgifte van de kaart aan de
huidige houder.
cardValidityBegin is de datum waarop de geldigheid van de
kaart ingaat.
cardExpiryDate is de datum waarop de geldigheid van de kaart
afloopt.
▼M3
2.24 bis CardLoadTypeEntries
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot het ladingtype als de kaart in de unit wordt
ingebracht (Bijlage IC, voorschriften 306j, en 365j).
loadTypeEntryPointerNewestRecord is de index van de laatst
gewijzigde op de kaart opgeslagen record betreffende het lading
type
Waardetoekenning is het cijfer dat correspondeert met de teller
van het record betreffende het ladingtype, beginnend met „0”
voor het eerste op de kaart opgeslagen record van het ladingtype
in de structuur.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 134
cardLoadTypeEntryRecords is de reeks records die de datum
en tijd en het ingevoerde ladingtype bevatten.
2.24 ter CardLoadTypeEntryRecord
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot wijzigingen van het ladingtype als de kaart
in de unit wordt ingebracht (Bijlage IC, voorschriften 306i,
en 365i).
timeStamp is de datum en tijd waarop het ladingtype is
ingevoerd.
loadTypeEntered is het ingevoerde ladingtype.
2.24 quater CardLoadUnloadOperations
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de laad- en losverrichtingen van het voertuig
(Bijlage IC, voorschriften 306h) en 365h).
loadUnloadPointerNewestRecord is de index van de laatst bij
gewerkte record betreffende het inbrengen/uitnemen van de kaart.
Value assignement is het cijfer dat correspondeert met de teller
van de op de kaart opgeslagen laad- en losrecord, beginnend met
„0” voor de laad- en losrecord in de structuur.
cardLoadUnloadRecords is de reeks records die de identificatie
van het type uitgevoerde verrichting bevat (laden, lossen of te
gelijkertijd laden en lossen), de datum en tijd waarop de laad- en
losverrichting is verricht, informatie over de positie van het voer
tuig en de kilometerstand.
2.24 quinquies CardLoadUnloadRecord
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de laad- en losverrichtingen van het voertuig
(voorschriften 306g en 365g van Bijlage IC).
timeStamp is de datum en het tijdstip van het begin van de laad-
en losverrichting,
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 135
operationType is het ingevoerde type verrichting (laden, lossen
of tegelijkertijd laden en lossen).
gnssPlaceAuthRecord bevat informatie met betrekking tot de
positie van het voertuig.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand bij het begin van de
laad- en losverrichting.
▼B
2.25. CardMACertificate
2e generatie:
Certificaat van de openbare sleutel van de kaart voor wederzijdse
authenticatie met een VU. De structuur van dat certificaat is
gespecificeerd in aanhangsel 11.
2.26. CardNumber
Kaartnummer zoals gedefinieerd in definitie g.
driverIdentification is de unieke identificatie van een bestuurder
in een lidstaat.
ownerIdentification is de unieke identificatie van een bedrijf of
een werkplaats of een controle-instantie in een lidstaat.
cardConsecutiveIndex is de opeenvolgende index van de kaart.
cardReplacementIndex is de vervangingsindex van de kaart.
cardRenewalIndex is de vernieuwingsindex van de kaart.
De eerste keuzesequentie is geschikt voor het coderen van een
bestuurderskaartnummer, de tweede keuzesequentie is geschikt
voor het coderen van werkplaats-, controle- en bedrijfskaartnum
mers.
▼M3
2.26 bis CardPlaceAuthDailyWorkPeriod
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de authenticatiestatus van de plaats waar de
dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt (voorschriften 306b
en 356b van bijlage 1C).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 136
placeAuthPointerNewestRecord is de index van de laatst bij
gewerkte record betreffende de plaatsauthenticatiestatus.
Waardetoekenning is het cijfer dat correspondeert met de teller
van de op de kaart opgeslagen record betreffende de plaatauthen
ticatiestatus, beginnend met „0” voor de eerste record van de
plaatsauthenticatiestatus in de structuur.
placeAuthStatusRecords is de reeks records die de record be
treffende de plaatauthenticatiestatus van de ingevoerde plaatsen
bevat.
▼B
2.27. CardPlaceDailyWorkPeriod
Op een bestuurders- en werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de plaatsen waar dagelijkse werkperioden
beginnen en/of eindigen (voorschriften 272, 297, 325 en 348
van bijlage 1C).
placePointerNewestRecord is de index van de laatst bijgewerkte
plaatsrecords.
Waardetoekenning: cijfer dat correspondeert met de teller van
de plaatsrecord, beginnend met „0” voor de eerste plaatsrecord in
de structuur.
placeRecords is de reeks records die de informatie met betrek
king tot ingevoerde plaatsen bevat.
2.28. CardPrivateKey
1e generatie:
De particuliere sleutel van een kaart.
2.29. CardPublicKey
De openbare sleutel van een kaart.
▼M1
2.30. CardRenewalIndex (Vernieuwingsindex van de kaart)
Vernieuwingsindex van de kaart (definitie i).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 137
Waardetoekenning: (zie hoofdstuk 7 van deze bijlage).
„0” Eerste afgifte.
Volgorde van verhoging: „0, …, 9, A, …, Z”
▼B
2.31. CardReplacementIndex
Vervangingsindex van de kaart (definitie j).
Waardetoekenning: (zie hoofdstuk VII van deze bijlage).
„0” Originele kaart.
Volgorde van verhoging: „0, …, 9, A, …, Z”
2.32. CardSignCertificate
2e generatie:
Certificaat van de openbare sleutel van de kaart voor onderteke
ning. De structuur van dat certificaat is gespecificeerd in aan
hangsel 11.
2.33. CardSlotNumber
Code ter onderscheiding van de twee lezers van een VU.
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
2.34. CardSlotsStatus
Code die de soort kaarten aangeeft die in de twee lezers van de
VU zijn ingebracht.
Waardetoekenning — Octet-uitgericht: „ccccdddd”B
„cccc”B Identificatie van de soort kaart die is ingebracht
in de lezer van de bijrijder,
„dddd”B Identificatie van de soort kaart die is ingebracht
in de lezer van de bestuurder,
met de volgende identificatiecodes:
„0000”B er is geen kaart ingebracht,
„0001”B er is een bestuurderskaart ingebracht,
„0010”B er is een werkplaatskaart ingebracht,
„0011”B er is een controlekaart ingebracht,
„0100”B er is een bedrijfskaart ingebracht.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 138
2.35. CardSlotsStatusRecordArray
2e generatie:
De CardSlotsStatus plus metagegevens zoals gebruikt in het
downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (CardSlotsStatus). Waar
detoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van de CardSlotsStatus in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks CardSlotsStatus-records.
2.36. CardStructureVersion
Code die de versie aangeeft van de in een tachograafkaart geïm
plementeerde structuur.
Waardetoekenning: „aabb”H:
„aa”H Index voor wijzigingen van de structuur.
„00”H voor toepassingen van de 1e generatie.
„01”H voor toepassingen van de 2e generatie.
▼M3
„bb”H Index voor wijzigingen betreffende het gebruik
van de voor de structuur gedefinieerde gegevens
elementen, gegeven door de high byte.
„00”H voor toepassingen van de 1e generatie.
„00”H voor versie 1 van toepassingen van de
tweede generatie.
„01”H voor versie 2 van toepassingen van de
tweede generatie.
▼B
2.37. CardVehicleRecord
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de gebruiksperiode van een voertuig gedu
rende een kalenderdag (voorschriften 269, 294, 322 en 345 van
bijlage 1C).
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 139
vehicleOdometerBegin is de kilometerstand van het voertuig
aan het begin van de gebruiksperiode van het voertuig.
vehicleOdometerEnd is de kilometerstand van het voertuig aan
het einde van de gebruiksperiode van het voertuig.
vehicleFirstUse is de datum en het tijdstip van het begin van de
gebruiksperiode van het voertuig.
vehicleLastUse is de datum en het tijdstip van het einde van de
gebruiksperiode van het voertuig.
vehicleRegistration is het kentekennummer en de registrerende
lidstaat van het voertuig.
vuDataBlockCounter is de waarde van de VuDataBlockCounter
bij de laatste selectie van de gebruiksperiode van het voertuig.
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie wordt het volgende gegevens
element gebruikt:
VehicleIdentificationNumber is het identificatienummer van het
voertuig dat naar het voertuig als geheel verwijst.
2.38. CardVehiclesUsed
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de door de kaarthouder gebruikte voertuigen
(voorschriften 270, 295, 323 en 346 van bijlage 1C).
vehiclePointerNewestRecord is de index van de laatst bij
gewerkte voertuigrecords.
Waardetoekenning: cijfer dat correspondeert met de teller van
de voertuigrecords, beginnend met „0” voor de eerste voertuig
records in de structuur.
cardVehicleRecords is de reeks records die informatie over ge
bruikte voertuigen bevat.
2.39. CardVehicleUnitRecord
2e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 140
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot een gebruikte voertuigunit (voorschriften
303 en 351 van bijlage 1C).
timeStamp is het begin van de gebruiksperiode van de VU
(d.w.z. de eerste invoering van de kaart in de VU voor die
periode).
manufacturerCode identificeert de fabrikant van de VU.
deviceID identificeert de soort VU van een fabrikant. De waarde
is fabrikantspecifiek.
vuSoftwareVersion is het nummer van de softwareversie van de
VU.
2.40. CardVehicleUnitsUsed
▼M3
Generatie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie
met betrekking tot de door de kaarthouder gebruikte voertuig
units (voorschriften 304 en 352 van bijlage 1C).
▼B
vehiclePointerNewestRecord is de index van de laatst bij
gewerkte VU-record.
Waardetoekenning: cijfer dat correspondeert met de teller van
de VU-record, beginnend met „0” voor de eerste VU-record in
de structuur.
cardVehicleRecords is de reeks records die informatie over ge
bruikte VU's bevat.
2.41. Certificate
Het certificaat van een openbare sleutel afgegeven door een
certificeringsautoriteit.
1e generatie:
Waardetoekenning: digitale handtekening met gedeeltelijk her
stel van een CertificateContent overeenkomstig de algemene be
veiligingsmechanismen in aanhangsel 11: handtekening (128 by
tes) || restant openbare sleutel (58 bytes) || referentie certifice
ringsautoriteit (8 bytes).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 141
2e generatie:
Waardetoekenning: zie aanhangsel 11.
2.42. CertificateContent
1e generatie:
De (duidelijke) inhoud van het certificaat van een openbare sleu
tel overeenkomstig de algemene beveiligingsmechanismen in
aanhangsel 11.
certificateProfileIdentifier is de versie van het corresponderende
certificaat.
Waardetoekenning: „01h” voor deze versie.
certificationAuthorityReference identificeert de certificerings
autoriteit die het certificaat afgeeft. Het verwijst ook naar de
openbare sleutel van die certificeringsautoriteit.
certificateHolderAuthorisation identificeert de rechten van de
certificaathouder.
certificateEndOfValidity is de datum waarop het certificaat ad
ministratief vervalt.
certificateHolderReference identificeert de certificaathouder.
Het verwijst ook naar zijn openbare sleutel.
publicKey is de openbare sleutel die door dat certificaat gecer
tificeerd wordt.
2.43. CertificateHolderAuthorisation
Identificatie van de rechten van een certificaathouder.
1e generatie:
tachographApplicationID is het toepassingsidentificatiesymbool
voor de tachograaftoepassing.
Waardetoekenning: „FFh” „54h” „41h” „43h” „48h” „4Fh”. Dit
AID is een particulier niet-geregistreerd toepassingsidentificatie
symbool overeenkomstig ISO/IEC 7816-5.
equipmentType is de identificatie van het type apparaat waar
voor het certificaat bedoeld is.
Waardetoekenning: overeenkomstig gegevenssoort Equipment
Type. 0 als het een certificaat van een lidstaat betreft.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 142
2e generatie:
tachographApplicationID verwijst naar de zes significantste by
tes van het toepassingsidentificatiesymbool (AID) van de tacho
graafkaart van de 2e generatie. De AID voor de tachograafkaart
toepassing is gespecificeerd in hoofdstuk 6.2.
Waardetoekenning: „FF 53 4D 52 44 54”.
equipmentType is de identificatie van het type voor de 2e gene
ratie gespecificeerde apparaat waarvoor het certificaat bedoeld is.
Waardetoekenning: overeenkomstig gegevenssoort Equipment
Type.
2.44. CertificateRequestID
Unieke identificatie van een certificaatverzoek. Dit kan ook als
een identificatiesymbool van de openbare sleutel van een VU
worden gebruikt als het serienummer van de VU waarvoor de
sleutel bedoeld is, ten tijde van de ontwikkeling van het certifi
caat niet bekend is.
requestSerialNumber is een serienummer voor het certificaat
verzoek, uniek voor de fabrikant en de hieronder genoemde
maand.
requestMonthYear is de identificatie van de maand en het jaar
van het certificaatverzoek.
Waardetoekenning: BCD-codering van maand (twee cijfers) en
jaar (twee laatste cijfers).
crIdentifier: is een identificatiesymbool om een certificaatver
zoek van een toegevoegd serienummer te kunnen onderscheiden.
Waardetoekenning: „FFh”.
manufacturerCode: is de numerieke code van de fabrikant die
het certificaat aanvraagt.
2.45. CertificationAuthorityKID
Identificatiesymbool van de openbare sleutel van een certifice
ringsautoriteit (een lidstaat of de Europese certificeringsautori
teit).
nationNumeric is de numerieke nationale code van de
certificeringsautoriteit.
nationAlpha is de alfanumerieke nationale code van de
certificeringsautoriteit.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 143
keySerialNumber is een serienummer om de verschillende sleu
tels van de certificeringsautoriteit te onderscheiden in het geval
dat sleutels worden gewijzigd.
additionalInfo is een veld van twee bytes voor aanvullende
codering (specifiek voor de certificeringsautoriteit).
caIdentifier is een identificatiesymbool om het sleutelidentifica
tiesymbool van een certificeringsautoriteit van andere sleuteliden
tificatiesymbolen te onderscheiden.
Waardetoekenning: „01h”.
2.46. CompanyActivityData
Op een bedrijfskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
activiteiten die met de kaart worden uitgevoerd (voorschriften
373 en 379 van bijlage 1C).
companyPointerNewestRecord is de index van het laatst bij
gewerkte companyActivityRecord.
Waardetoekenning: cijfer corresponderend met de teller van de
records van bedrijfsactiviteiten, beginnend met „0” voor de eerste
record van bedrijfsactiviteiten in de structuur.
companyActivityRecords is de verzameling van alle records van
bedrijfsactiviteiten.
companyActivityRecord is de sequentie van informatie met be
trekking tot één bedrijfsactiviteit.
companyActivityType is de soort bedrijfsactiviteit.
companyActivityTime is de datum en het tijdstip van de
bedrijfsactiviteit.
cardNumberInformation is het kaartnummer en de lidstaat van
afgifte van de gedownloade kaart, indien van toepassing.
vehicleRegistrationInformation is het kentekennummer en de
registrerende lidstaat van het gedownloade, vergrendelde of ont
grendelde voertuig.
downloadPeriodBegin en downloadPeriodEnd is de vanaf de
VU gedownloade periode, indien van toepassing.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 144
2.47. CompanyActivityType
Code die een activiteit aangeeft die door een bedrijf met gebruik
making van zijn bedrijfskaart is uitgevoerd.
2.48. CompanyCardApplicationIdentification
Op een bedrijfskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de
toepassingsidentificatie van de kaart (voorschriften 369 en 375
van bijlage 1C).
typeOfTachographCardId specificeert de geïmplementeerde
kaartsoort.
cardStructureVersion specificeert de versie van de op de kaart
geïmplementeerde structuur.
noOfCompanyActivityRecords specificeert het aantal bedrijfs
activiteiten dat op de kaart kan worden opgeslagen.
▼M3
2.48 bis CompanyCardApplicationIdentificationV2
Generatie 2, versie 2:
Op een bedrijfskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de
toepassingsidentificatie van de kaart (voorschrift 375a van
bijlage 1C).
lengthOfFollowingData is het aantal volgende bytes in de
record.
vuConfigurationLengthRange is het aantal bytes op een tacho
graafkaart dat beschikbaar is voor de opslag van VU-configuraties.
▼B
2.49. CompanyCardHolderIdentification
Op een bedrijfskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de
identificatie van de kaarthouder (voorschriften 372 en 378 van
bijlage 1C).
companyName is de naam van het bedrijf van de houder.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 145
companyAddress is het adres van het bedrijf van de houder.
cardHolderPreferredLanguage is de voorkeurtaal van de
kaarthouder.
2.50. ControlCardApplicationIdentification
Op een controlekaart opgeslagen informatie met betrekking tot de
toepassingsidentificatie van de kaart (voorschriften 357 en 363
van bijlage 1C).
typeOfTachographCardId specificeert de geïmplementeerde
kaartsoort.
cardStructureVersion specificeert de versie van de structuur die
op de kaart geïmplementeerd is.
noOfControlActivityRecords is het aantal records van contro
leactiviteiten dat op de kaart kan worden opgeslagen.
▼M3
2.50 bis ControlCardApplicationIdentificationV2
Generatie 2, versie 2:
Op een controlekaart opgeslagen informatie met betrekking tot de
toepassingsidentificatie van de kaart (voorschrift 363a van
bijlage 1C).
lengthOfFollowingData is het aantal volgende bytes in de
record.
vuConfigurationLengthRange is het aantal bytes op een tacho
graafkaart dat beschikbaar is voor de opslag van VU-configura
ties.
▼B
2.51. ControlCardControlActivityData
Op een controlekaart opgeslagen informatie met betrekking tot
controleactiviteiten die met de kaart worden uitgevoerd (voor
schriften 361 en 367 van bijlage 1C).
controlPointerNewestRecord is de index van de laatst gewij
zigde record van controleactiviteiten.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 146
Waardetoekenning: cijfer corresponderend met de teller van de
record van controleactiviteiten, beginnend met „0” voor de eerste
record van de controleactiviteiten die in de structuur voorkomt.
controlActivityRecords is de verzameling van alle records van
controleactiviteiten.
controlActivityRecord is de sequentie van informatie met be
trekking tot een controle.
controlType is de soort controle.
controlTime is de datum en het tijdstip van de controle.
controlledCardNumber is het kaartnummer en de lidstaat van
afgifte van de gecontroleerde kaart.
controlledVehicleRegistration is het kentekennummer en de re
gistrerende lidstaat van het voertuig waarin de controle
plaatsvond.
controlDownloadPeriodBegin en controlDownloadPeriodEnd
is de mogelijk gedownloade periode.
2.52. ControlCardHolderIdentification
Op een controlekaart opgeslagen informatie met betrekking tot de
identificatie van de kaarthouder (voorschriften 360 en 366 van
bijlage 1C).
controlBodyName is de naam van de controle-instantie van de
kaarthouder.
controlBodyAddress is het adres van de controle-instantie van
de kaarthouder.
cardHolderName is de naam en voorna(a)m(en) van de houder
van de controlekaart.
cardHolderPreferredLanguage is de voorkeurtaal van de
kaarthouder.
2.53. ControlType
Code die de tijdens een controle uitgevoerde activiteiten aan
geeft. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de voorschriften
126, 274, 299, 327 en 350 van bijlage 1C.
1e generatie:
Waardetoekenning — Octet-uitgericht: „cvpdxxxx”B (8-bits)
„c”B kaartdownload:
„0”B: kaart niet gedownload tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: kaart gedownload tijdens deze controleac
tiviteit
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 147
„v”B VU-download:
„0”B: VU niet gedownload tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: voertuig gedownload tijdens deze contro
leactiviteit
„p”B afdrukken:
„0”B: geen afdrukken gemaakt tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: afdrukken gemaakt tijdens deze contro
leactiviteit
„d”B display:
„0”B: geen display gebruikt tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: display gebruikt tijdens deze controleac
tiviteit
„xxxx”B Niet gebruikt.
2e generatie:
Waardetoekenning — Octet-uitgericht: „cvpdexxx”B (8-bits)
„c”B kaartdownload:
„0”B: kaart niet gedownload tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: kaart gedownload tijdens deze controleac
tiviteit
„v”B VU-download:
„0”B: VU niet gedownload tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: VU gedownload tijdens deze controleac
tiviteit
„p”B afdrukken:
„0”B: geen afdrukken gemaakt tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: afdrukken gemaakt tijdens deze contro
leactiviteit
„d”B display:
„0”B: geen display gebruikt tijdens deze
controleactiviteit,
„1”B: display gebruikt tijdens deze controleac
tiviteit
„e”B kalibratiecontrole langs de weg:
„0”B: kalibratieparameters niet gecontroleerd tij
dens deze controleactiviteit,
„1”B: kalibratieparameters gecontroleerd tijdens
deze controleactiviteit,
„xxx”B RFU.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 148
2.54. CurrentDateTime
De huidige datum en het tijd van het controleapparaat.
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
2.55. CurrentDateTimeRecordArray
2e generatie:
De huidige datum en tijd plus metagegevens zoals gebruikt in het
downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (CurrentDateTime). Waar
detoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van CurrentDateTime in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records van de huidige datum en tijd.
2.56. DailyPresenceCounter
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen teller die met
één wordt verhoogd voor elke kalenderdag waarop de kaart in
een VU is ingebracht. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de
voorschriften 266, 299, 320 en 343 van bijlage 1C.
Waardetoekenning: opeenvolgend getal met een maximale
waarde = 9 999, waarna het opnieuw met 0 begint. Bij de eerste
afgifte van de kaart wordt het getal op 0 gezet.
2.57. Datef
Datum weergegeven in een gemakkelijk af te drukken numerieke
vorm.
Waardetoekenning:
yyyy jaar
mm maand
dd dag
„00000000”H geeft expliciet geen datum aan.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 149
2.58. DateOfDayDownloaded
2e generatie:
De datum en het tijdstip van de download.
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
2.59. DateOfDayDownloadedRecordArray
2e generatie:
De datum en tijd van de download plus metagegevens zoals
gebruikt in het downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (DateOfDayDownloaded).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van CurrentDateTime in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de verzameling van datums en tijden van de
downloadrecords.
2.60. Distance
Een afgelegde afstand (resultaat van de berekening van het ver
schil tussen twee kilometerstanden van het voertuig in kilome
ters).
Waardetoekenning: niet-getekend binair getal. Waarde in km in
het operationele bereik van 0 tot 9 999 km.
▼M3
2.60 bis. DownloadInterfaceVersion
Generatie 2, versie 2:
Code die de versie van de downloadinterface van de voertuigunit
aanduidt.
Waardetoekenning: „aabb”H:
„aa”H „00”H: niet gebruikt.
„01”H: Voertuigunit van de tweede generatie
„bb”H „00”H: niet gebruikt.
„01”H: versie 2 van de VU van de tweede generatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 150
2.61. DriverCardApplicationIdentification
Op een bestuurderskaart opgeslagen informatie met betrekking
tot de toepassingsidentificatie van de kaart (voorschriften 253
en 278 van bijlage 1C).
1e generatie:
typeOfTachographCardId specificeert de geïmplementeerde
kaartsoort.
cardStructureVersion specificeert de versie van de op de kaart
geïmplementeerde structuur.
noOfEventsPerType is het aantal voorvallen per soort voorval
dat de kaart kan registreren.
noOfFaultsPerType is het aantal fouten per soort fout dat de
kaart kan registreren.
activityStructureLength geeft het aantal beschikbare bytes aan
voor het opslaan van records van activiteiten.
noOfCardVehicleRecords is het aantal voertuigrecords dat de
kaart kan bevatten.
noOfCardPlaceRecords is het aantal plaatsen dat de kaart kan
registreren.
2e generatie:
▼M1
Als aanvulling op de 1e generatie worden de volgende gegevens
elementen gebruikt:
noOfGNSSCDRecords is het aantal GNSS-records van de cu
mulatieve rijtijd dat op de kaart kan worden opgeslagen.
noOfSpecificConditionRecords is het aantal records van speci
fieke omstandigheden dat op de kaart kan worden opgeslagen.
noOfCardVehicleUnitRecords is het aantal voertuigrecords dat
op de kaart kan worden opgeslagen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 151
2.61 bis DriverCardApplicationIdentificationV2
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurderskaart opgeslagen informatie met betrekking
tot de toepassingsidentificatie van de kaart (voorschrift 278a
van bijlage 1C).
lengthOfFollowingData is het aantal volgende bytes in de
record.
noOfBorderCrossingRecords is het aantal records betreffende
grensoverschrijdingen dat op de bestuurderskaart kan worden
opgeslagen.
noOfLoadUnloadRecords is het aantal laad- en losrecords dat
op de bestuurderskaart kan worden opgeslagen.
noOfLoadTypeEntryRecords is het aantal records betreffende
het ladingtype dat op de bestuurderskaart kan worden
opgeslagen.
vuConfigurationLengthRange is het aantal bytes op een tacho
graafkaart dat beschikbaar is voor de opslag van
VU-configuraties.
▼B
2.62. DriverCardHolderIdentification
Op een bestuurderskaart opgeslagen informatie met betrekking
tot de identificatie van de kaarthouder (voorschriften 256 en
281 van bijlage 1C).
cardHolderName is de naam en voorna(a)m(en) van de houder
van de bestuurderskaart.
cardHolderBirthDate is de geboortedatum van de houder van
de bestuurderskaart.
cardHolderPreferredLanguage is de voorkeurtaal van de
kaarthouder.
▼M3
2.63. DSRCSecurityData
Generatie 2:
Zie aanhangsel 11 voor de definitie van deze datasoort.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 152
2.64. EGFCertificate
2e generatie:
Certificaat van de openbare sleutel van de externe GNSS-module
voor wederzijdse authenticatie met een VU. De structuur van dat
certificaat is gespecificeerd in aanhangsel 11.
2.65. EmbedderIcAssemblerId
Geeft informatie over de IC-embedder.
countryCode is de tweeletterige landcode van de embedder van
de module, overeenkomstig ISO 3166.
moduleEmbedder identificeert de embedder van de module.
manufacturerInformation voor intern gebruik door de
fabrikant.
2.66. EntryTypeDailyWorkPeriod
Code die een onderscheid maakt tussen begin en einde van in
voer van een plaats van de dagelijkse werkperiode en voor
waarde van de invoer.
1e generatie
Waardetoekenning: overeenkomstig ISO/IEC8824-1.
▼M3
Generatie 2:
Waardetoekenning: overeenkomstig ISO/IEC8824-1.
▼B
2.67. EquipmentType
Code die de verschillende soorten apparatuur voor de tachograaf
toepassing onderscheidt.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 153
1e generatie:
Waardetoekenning: overeenkomstig ISO/IEC8824-1.
Waarde 0 is gereserveerd voor vermelding van een lidstaat of
Europa in het CHA-veld van certififaten.
2e generatie:
▼M1
Er wordt gebruik gemaakt van dezelfde waarden als in de 1e
generatie, met de volgende aanvullingen:
Opmerking 1: de waarden van de 2e generatie voor het installa
tieplaatje, de adapter en de externe GNSS-verbinding en de waar
den van de 1e generatie voor de VU en de bewegingssensor
kunnen, indien van toepassing, in SealRecord worden gebruikt.
Opmerking 2: in het veld CardHolderAuthorisation (CHA) van
een certificaat van de 2e generatie wijzen de waarden (1), (2) en
(6) op een certificaat van wederzijdse authenticatie voor het des
betreffende type apparatuur. Om het respectieve certificaat voor
het opstellen van een digitale handtekening aan te geven, moeten
de waarden (17), (18) of (19) worden gebruikt.
▼B
2.68. EuropeanPublicKey
1e generatie:
De Europese openbare sleutel.
2.69. EventFaultRecordPurpose
Code die aangeeft waarom een voorval of een fout geregistreerd
werd.
Waardetoekenning:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 154
een van de 10 meest recente (of laatste) voorvallen of fouten
het langste voorval gedurende een van de laatste 10 dagen waarin het is opgetreden
een van de 5 langste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen
het laatste voorval gedurende een van de laatste 10 dagen waarin het is opgetreden
het ernstigste voorval gedurende een van de laatste 10 dagen waarin het is opgetreden
een van de 5 ernstigste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen
eerste na de laatste kalibrering opgetreden voorval of fout
een actief(actieve)/aan de gang zijnd(e) voorval of fout
RFU
specifiek voor de fabrikant
2.70. EventFaultType
Code die een voorval of een fout aanduidt.
Waardetoekenning:
1e generatie:
Algemene voorvallen,
Geen verdere details,
Inbrengen van een ongeldige kaart,
Kaartconflict,
Tijdsoverlapping,
Rijden zonder geschikte kaart,
Inbrengen van de kaart tijdens het rijden,
Laatste kaartsessie niet correct afgesloten,
Snelheidsoverschrijding,
Onderbreking in de stroomvoorziening,
Fout in de bewegingsgegevens,
Tegenstrijdige bewegingsgegevens,
RFU,
Poging tot inbreuk op de beveiliging van de voertuigunit,
Geen verdere details,
Authenticatiefout van de bewegingssensor,
Authenticatiefout van de tachograafkaart,
Niet-geautoriseerde wijziging van de bewegingssensor,
Integriteitsfout in de gegevensinvoer op de kaart,
Integriteitsfout in de opgeslagen gebruikersgegevens,
Overdrachtsfout in de interne gegevens,
Niet-geautoriseerde opening van de unit,
Hardwaresabotage,
RFU,
Poging tot inbreuk op de beveiliging van de sensor,
Geen verdere details,
Authenticatiefout,
Integriteitsfout in de opgeslagen gegevens,
Overdrachtsfout in de interne gegevens,
Niet-geautoriseerde opening van het omhulsel,
Hardwaresabotage,
RFU,
Fouten van het controleapparaat,
Geen verdere details,
Interne fout in de VU
Printerfout,
Displayfout,
Downloadfout,
Sensorfout,
RFU,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 155
Kaartfouten,
Geen verdere details,
RFU,
RFU,
Specifiek voor de fabrikant.
▼M3
Generatie 2, versie 1;
▼M1
Algemene voorvallen,
Geen verdere details,
Inbrengen van een ongeldige kaart,
Kaartconflict,
Tijdsoverlapping,
Rijden zonder geschikte kaart,
Inbrengen van de kaart tijdens het rijden,
Laatste kaartsessie niet correct afgesloten,
Snelheidsoverschrijding,
Onderbreking in de stroomvoorziening,
Fout in de bewegingsgegevens,
Tegenstrijdige bewegingsgegevens,
Tijdsconflict (tussen GNSS en de interne klok van de VU),
Fout in de communicatie met het systeem voor communicatie op afstand,
Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger,
Fout in de communicatie met de externe GNSS-module,
RFU,
Poging tot inbreuk op de beveiliging van de voertuigunit,
Geen verdere details,
Authenticatiefout van de bewegingssensor,
Authenticatiefout van de tachograafkaart,
Niet-geautoriseerde wijziging van de bewegingssensor,
Integriteitsfout in de gegevensinvoer op de kaart,
Integriteitsfout in de opgeslagen gebruikersgegevens,
Overdrachtsfout in de interne gegevens,
Niet-geautoriseerde opening van het omhulsel,
Hardwaresabotage,
GNSS is gemanipuleerd,
Authenticatiefout van de externe GNSS-module,
Certificaat van de externe GNSS-module is vervallen,
RFU,
Poging tot inbreuk op de beveiliging van de sensor,
Geen verdere details,
Authenticatiefout,
Integriteitsfout in de opgeslagen gegevens,
Overdrachtsfout in de interne gegevens,
Niet-geautoriseerde opening van het omhulsel,
Hardwaresabotage,
RFU,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 156
Fouten van het controleapparaat,
Geen verdere details,
Interne fout in de VU,
Printerfout,
Displayfout,
Downloadfout,
Sensorfout,
Interne GNSS-ontvanger,
Externe GNSS-module,
Systeem voor communicatie op afstand,
ITS-interface,
RFU,
Kaartfouten,
Geen verdere details,
RFU,
RFU,
Specifiek voor de fabrikant.
▼M3
Generatie 2, versie 2:
„0x”H Algemene voorvallen,
„00”H Geen verdere details,
„01”H Inbrengen van een ongeldige kaart,
„02”H Kaartconflict,
„03”H Tijdsoverlapping,
„04”H Rijden zonder geschikte kaart,
„05”H Inbrengen van de kaart tijdens het rijden,
„06”H Laatste kaartsessie niet correct afgesloten,
„07”H Snelheidsoverschrijding,
„08”H Onderbreking in de stroomvoorziening,
„09”H Fout in de bewegingsgegevens,
„0A”H Tegenstrijdige bewegingsgegevens,
„0B”H Tijdsconflict (tussen GNSS en de interne
klok van de VU),
„0C”H Fout in de communicatie met het systeem
voor communicatie op afstand,
„0D”H Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie
van de GNSS-ontvanger,
„0E”H Fout in de communicatie met de externe
GNSS-module,
„0F”H GNSS-storing
„1x”H Poging tot inbreuk op de beveiliging van
de voertuigunit,
„10”H Geen verdere details,
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 157
„11”H Authenticatiefout van de bewegingssensor,
„12”H Authenticatiefout van de tachograafkaart,
„13”H Niet-geautoriseerde wijziging van de be
wegingssensor,
„14”H Integriteitsfout bij de gegevensinvoer op de
kaart,
„15”H Integriteitsfout in de opgeslagen gebrui
kersgegevens,
„16”H Overdrachtsfout in de interne gegevens,
„17”H Niet-geautoriseerde opening van het omhulsel,
„18”H Hardwaresabotage,
„19”H GNSS is gemanipuleerd,
„1 A”H Authenticatiefout van de externe
GNSS-module,
„1 B”H Certificaat van de externe GNSS-module is
vervallen,
„1C”H Tegenstrijdigheid tussen de bewegings
gegevens en de opgeslagen gegevens over
de bestuurdersactiviteit,
„1D”H to „1F”H RFU,
„2x”H Poging tot inbreuk op de beveiliging van
de sensor,
„20”H Geen verdere details,
„21”H Authenticatiefout,
„22”H Integriteitsfout in de opgeslagen gegevens,
„23”H Fout in de interne gegevensoverdracht,
„24”H Niet-geautoriseerde opening van het
omhulsel,
„25”H Hardwaresabotage,
„26”H tot „2F”H RFU,
„3x”H Fouten van het controleapparaat,
„30”H Geen verdere details,
„31”H VU interne fout
„32”H Printerfout,
„33”H Displayfout,
„34”H Downloadfout,
„35”H Sensorfout,
„36”H Interne GNSS-ontvanger,
„37”H Externe GNSS-module,
„38”H Systeem voor communicatie op afstand,
„39”H ITS-interface,
„3 A”H Interne sensorfout
„3B”H tot „3F”H RFU,
„4x”H Kaartfouten,
„40”H Geen verdere details,
„41”H tot „4F”H RFU,
„50”H tot „7F”H RFU,
„80”H tot „FF”H Specifiek voor de fabrikant.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 158
2.71. ExtendedSealIdentifier
Generatie 2:
De verlengde zegelidentificatiecode identificeert een zegel op
unieke wijze (voorschrift 401 van bijlage IC).
manufacturerCode is een code van de zegelfabrikant. Waarde
toekenning: Zie de door de Europese Commissie te beheren da
tabaseregistratie (zie https://dtc.jrc.ec.europa.eu).
sealIdentifier is het zegelidentificatienummer dat uniek is voor de
fabrikant. Waardetoekenning: alfanumeriek getal, uniek binnen
het domein van de fabrikant overeenkomstig [ISO8859-1].
▼B
2.72. ExtendedSerialNumber
Unieke identificatie van een apparaat. Dit kan ook als een identi
ficatiesymbool van de openbare sleutel van het apparaat worden
gebruikt.
1e generatie:
serialNumber is een serienummer voor het apparaat, uniek voor
de fabrikant, het soort apparaat en onderstaande maand en jaar.
monthYear is de identificatie van de maand en het jaar van
fabricage (of van toekenning van het serienummer).
Waardetoekenning: BCD-codering van maand (twee cijfers) en
jaar (twee laatste cijfers).
type is een identificatiesymbool voor het soort apparaat.
Waardetoekenning: specifiek voor de fabrikant, met gereser
veerde waarde „FFh”.
manufacturerCode: de numerieke code aan de hand waarvan een
fabrikant van een apparaat met typegoedkeuring wordt geïdentifi
ceerd.
2e generatie:
serialNumber zie 1e generatie
monthYear zie 1e generatie
type geeft het soort apparaat aan
manufacturerCode: zie 1e generatie.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 159
2.73. FullCardNumber
Code die een tachograafkaart volledig identificeert.
cardType is de soort tachograafkaart.
cardIssuingMemberState is de code van de lidstaat die de kaart
heeft afgegeven.
cardNumber is het kaartnummer.
2.74. FullCardNumberAndGeneration
2e generatie:
Code die een tachograafkaart en haar generatie volledig
identificeert.
fullcardNumber identificeert de tachograafkaart.
generation geeft de generatie van de gebruikte tachograafkaart
aan.
2.75. Generation
2e generatie:
Geeft de generatie van de gebruikte tachograafkaart aan.
Waardetoekenning:
„00”H RFU
„01”H 1e generatie
„02”H 2e generatie
„03”H .. „FF”H RFU
2.76. GeoCoordinates
▼M3
Generatie 2:
De geografische coördinaten zijn gecodeerd als gehele getallen.
Die gehele getallen zijn veelvouden van de ±DDMM.M-codering
voor de breedte en ±DDDMM.M-codering voor de lengte. In dit
geval worden met ±DD en ±DDD de graden en met MM.M de
minuten aangeduid. Lengte- en breedtegraad van een onbekende
positie worden weergegeven als Hex „7FFFFF” (decimaal
8388607).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 160
latitude is gecodeerd als een veelvoud (factor 10) van de
± DDMM.M-weergave.
longitude is gecodeerd als een veelvoud (factor 10) van de
± DDDMM.M-weergave.
2.77. GNSSAccuracy
2e generatie:
De nauwkeurigheid van de GNSS-positiegegevens (definitie eee).
De nauwkeurigheid is gecodeerd als een geheel getal en is een
veelvoud (factor 10) van de X.Y-waarde in de GSA NMEA-zin.
▼M1
2.78. GNSSAccumulatedDriving
2e generatie:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met
betrekking tot de GNSS-positie van het voertuig als de cumula
tieve rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt (voorschriften 306
en 354 van bijlage IC).
gnssADPointerNewestRecord is de index van de laatst gewij
zigde GNSS-record van cumulatieve rijtijd.
Waardetoekenning is het cijfer dat correspondeert met de teller
van de GNSS-record van cumulatieve rijtijd, beginnend met „0”
voor de eerste GNSS-record van cumulatieve rijtijd in de
structuur.
gnssAccumulatedDrivingRecords is de reeks records die de da
tum en tijd bevat waarop de cumulatieve rijtijd een veelvoud van
drie uur bereikt en informatie over de positie van het voertuig.
2.79. GNSSAccumulatedDrivingRecord
2e generatie:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met
betrekking tot de GNSS-positie van het voertuig als de cumula
tieve rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt (voorschriften 305
en 353 van bijlage IC).
timeStamp is de datum en het tijdstip waarop de cumulatieve
rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 161
gnssPlaceRecord bevat informatie over de positie van het
voertuig.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand op het ogenblik dat
de cumulatieve rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt.
▼M3
2.79 bis GNSSAuthAccumulatedDriving
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie die
de authenticatiestatus van de GNSS-posities van het voertuig ver
strekt als de gecumuleerde rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt
(voorschriften 306d en 356d van bijlage IC).
gnssAuthADPointerNewestRecord is de index van de laatst bij
gewerkte record van de authenthicatiestatus van de GNSS-positie.
Waardetoekenning is het cijfer dat correspondeert met de teller
van de record betreffende de authenticatiestatus van de
GNSS-positie, beginnend met „0” voor de eerste record van de
authenticatiestatus van de GNSS-positie in de structuur.
gnssAuthStatusADRecords is de reeks records die de datum en
tijd waarop de gecumuleerde rijtijd een veelvoud van drie uur
bereikt en de authenticatiestatus van de GNSS-positie bevat.
2.79 ter GNSSAuthStatusADRecord
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie die
de authenticatiestatus van een GNSS-positie van het voertuig ver
strekt als de gecumuleerde rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt
(voorschriften 306c en 356c van bijlage IC). Andere informatie in
verband met de GNSS-positie zelf wordt opgeslagen in een ander
record (zie 2.79 GNSSAccumulatedDrivingRecord).
timeStamp is de datum en het tijdstip waarop de gecumuleerde
rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt (dezelfde datum en tijd als
in de overeenkomstige GNSSAccumulatedDrivingRecord),
authenticationStatus is de authenticatiestatus van de
GNSS-positie waar de gecumuleerde rijtijd een veelvoud van
drie uur bereikt.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 162
2.79 quater GNSSPlaceAuthRecord
Generatie 2, versie 2:
Informatie betreffende de GNSS-positie van het voertuig (voor
schriften 108, 109, 110, 296, 306a, 306c, 306e, 306g, 356a, 356c,
356e en 356g van bijlage IC).
timeStamp is de datum en tijd waarop de GNSS-positie van het
voertuig werd bepaald.
gnssAccuracy is de nauwkeurigheid van de
GNSS-positiegegevens.
geoCoordinates is de met gebruik van GNSS geregistreerde
plaats.
authenticationStatus is de authenticatiestatus van de
GNSS-positie op het moment waarop die werd bepaald.
▼B
2.80. GNSSPlaceRecord
2e generatie:
Informatie met betrekking tot de GNSS-positie van het voertuig
(voorschriften 108, 109, 110, 296, 305, 347 en 353 van
bijlage 1C).
timeStamp is de datum en tijd waarop de GNSS-positie van het
voertuig werd bepaald.
gnssAccuracy is de nauwkeurigheid van de
GNSS-positiegegevens.
geoCoordinates is de met gebruik van GNSS geregistreerde
plaats.
2.81. HighResOdometer
Kilometerstand van het voertuig: totale door het voertuig afge
legde afstand tijdens de gebruiksperiode.
Waardetoekenning: niet-getekend binair getal. Waarde in 1/200
km in het operationele bereik van 0 tot 21 055 406 km.
2.82. HighResTripDistance
Een afgelegde afstand tijdens de gehele reis of een gedeelte
daarvan.
Waardetoekenning: niet-getekend binair getal. Waarde in 1/200
km in het operationele bereik van 0 tot 21 055 406 km.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 163
2.83. HolderName
Naam en voorna(a)men van een kaarthouder.
holderSurname is de achternaam (familienaam) van de houder.
Deze achternaam bevat geen titels.
Waardetoekenning: Wanneer een kaart niet persoonlijk is, bevat
de holderSurname dezelfde informatie als companyName of work
shopName of controlBodyName.
holderFirstNames omvat de voornaam (voornamen) en initialen
van de houder.
▼M3
2.84. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2e generatie:
Geeft aan of de voertuigunit over een interne of externe
GNSS-ontvanger beschikt. „True” betekent dat de VU een interne
GNSS-ontvanger heeft. „False” betekent dat het om een externe
GNSS-ontvanger gaat.
2.85. K-ConstantOfRecordingEquipment
Constante van het controleapparaat (definitie m).
Waardetoekenning: pulsen per kilometer in het operationele be
reik van 0 tot 64 255 pulsen/km.
▼M1
2.86. KeyIdentifier
Een uniek identificatiesymbool van een openbare sleutel dat wordt
gebruikt ter verwijzing naar of selectie van de sleutel. Het identi
ficeert tevens de houder van de sleutel.
Met de eerste keuze wordt verwezen naar de openbare sleutel van
een voertuigunit, een tachograafkaart of een externe
GNSS-module.
Met de tweede keuze wordt verwezen naar de openbare sleutel
van een voertuigunit (wanneer het serienummer van de voertuig
unit op het moment van ontwikkeling van het certificaat nog niet
bekend is).
Met de derde keuze wordt verwezen naar de openbare sleutel van
een lidstaat.
▼B
2.87. KMWCKey
2e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 164
AES-sleutel en de geassocieerde sleutelversie die wordt gebruikt
om de VU te verbinden met de bewegingssensor. Zie voor details
aanhangsel 11.
kMWCKey is de lengte van de AES-sleutel aaneengeschakeld
met de sleutel die wordt gebruikt om de VU te verbinden met
de bewegingssensor.
keyVersion duidt de sleutelversie van de AES-sleutel aan.
2.88. Language
Code die een taal identificeert.
Waardetoekenning: een code van twee onderkastletters overeen
komstig ISO 639.
2.89. LastCardDownload
Op een bestuurderskaart opgeslagen datum en tijd van het downlo
aden van de laatste kaart (voor andere doeleinden dan controle)
(voorschriften 257 en 282 van bijlage 1C). Deze datum kan wor
den aangepast door een VU of een kaartlezer.
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
▼M3
2.89 bis LengthOfFollowingData
Generatie 2, versie 2:
Lengte-indicator voor uitbreidbare records.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
2.90. LinkCertificate
2e generatie:
Het verbindingscertificaat tussen European Root CA-sleutelparen.
▼M3
2.90 bis LoadType
Generatie 2, versie 2:
code voor het ingevoerde ladingtype.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 165
Waardetoekenning:
„00”H Niet-gedefinieerd ladingtype,
„01”H Goederen,
„02”H Passagiers,
„03”H .. „FF”H RFU.
▼B
2.91. L-TyreCircumference
Effectieve omtrek van de wielbanden (definitie u).
Waardetoekenning: niet-getekend binair getal, waarde in 1/8 mm
in het operationele bereik van 0 tot 8 031 mm.
▼M1
2.92. MAC
2e generatie:
Een cryptografische controlesom met een lengte van 8, 12 of 16
bytes die overeenkomt met het in aanhangsel 11 gespecificeerde
cijfer
▼B
2.93. ManualInputFlag
Code die aangeeft of een kaarthouder manueel activiteiten van de
bestuurder bij kaartinbrenging heeft ingevoerd of niet (voorschrift
081 van bijlage 1B en voorschrift 102 van bijlage 1C).
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
2.94. ManufacturerCode
Code die een fabrikant van apparatuur met typegoedkeuring
identificeert.
Het voor interoperabiliteitstests bevoegde laboratorium onderhoudt
de lijst met fabrikantcodes en publiceert die lijst op zijn website
(voorschrift 454 van bijlage 1C).
ManufacturerCodes worden tijdelijk toegewezen aan ontwikkelaars
van apparatuur voor tachografen, op aanvraag bij het laboratorium
dat bevoegd is voor interoperabiliteitstests.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 166
2.95. ManufacturerSpecificEventFaultData
2e generatie:
Foutcodes die specifiek voor een fabrikant zijn, vereenvoudigen
de foutenanalyse en het onderhoud van voertuigunits.
manufacturerCode identificeert de fabrikant van de VU.
manufacturerSpecificErrorCode is een foutcode specifiek voor
de fabrikant.
2.96. MemberStateCertificate
Het door de Europese certificeringsautoriteit afgegeven certificaat
van de openbare sleutel van een lidstaat.
2.97. MemberStateCertificateRecordArray
2e generatie:
Het lidstaatcertificaat plus metagegevens zoals gebruikt in het
downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (MemberStateCertificate).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van MemberStateCertificate in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records. De waarde
wordt op 1 gezet, omdat certificaten een verschillende lengte kun
nen hebben.
records is de reeks lidstaatcertificaten.
2.98. MemberStatePublicKey
1e generatie:
De openbare sleutel van een lidstaat.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 167
2.99. Name
Een naam.
codePage specificeert een tekenset zoals gedefinieerd in hoofd
stuk 4,
name is een naam die is gecodeerd met de gespecificeerde
tekenset.
2.100. NationAlpha
Alfabetische verwijzing naar een land in overeenstemming met de
kentekens op voertuigen in internationaal verkeer (Verdrag van
Wenen inzake wegverkeer, 1968, van de Verenigde Naties).
De codes NationAlpha en NationNumeric worden bijgehouden op
een lijst die wordt onderhouden op de website van het laborato
rium dat belast is met het uitvoeren van de interoperabiliteitstests,
zoals vastgesteld in voorschrift 440 van bijlage 1C.
2.101. NationNumeric
Numerieke referentie naar een land.
Waardetoekenning: zie gegevenssoort 2.100 (NationAlpha)
De hierboven beschreven specificatie van NationAlpha of Nation
Numeric wordt pas gewijzigd of bijgewerkt nadat het aangewezen
laboratorium de fabrikanten van typegoedgekeurde voertuigunits
van digitale en slimme tachografen heeft geraadpleegd.
▼M3
2.101 bis NoOfBorderCrossingRecords
Generatie 2, versie 2:
Aantal records betreffende grensoverschrijdingen dat op een
bestuurders- of werkplaatskaart kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
2.102. NoOfCalibrationRecords
Aantal kalibreringsrecords dat op een werkplaatskaart kan worden
opgeslagen.
1e generatie:
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 168
2e generatie:
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.103. NoOfCalibrationsSinceDownload
Teller die het aantal met een werkplaatskaart uitgevoerde kalibre
ringen sinds de laatste download aangeeft (voorschriften 317 en
340 van bijlage 1C).
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
2.104. NoOfCardPlaceRecords
Aantal plaatsrecords dat op een bestuurders- of werkplaatskaart
kan worden opgeslagen.
1e generatie:
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2e generatie:
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.105. NoOfCardVehicleRecords
Aantal records van gebruikte voertuigen dat op een bestuurders- of
werkplaatskaart kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.106. NoOfCardVehicleUnitRecords
2e generatie:
Aantal records van gebruikte voertuigunits dat op een bestuurders-
of werkplaatskaart kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.107. NoOfCompanyActivityRecords
Aantal records van bedrijfsactiviteiten dat op een bedrijfskaart kan
worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 169
2.108. NoOfControlActivityRecords
Aantal records van controleactiviteiten dat op een controlekaart
kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.109. NoOfEventsPerType
Aantal voorvallen per soort voorval dat op een kaart kan worden
opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
2.110. NoOfFaultsPerType
Aantal fouten per soort fout dat opeen kaart kan worden
opgeslagen.
Waardetoekenning: see Appendix 2.
▼M1
2.111. NoOfGNSSADRecords
2e generatie:
Aantal GNSS-records van cumulatieve rijtijd dat op een kaart kan
worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼M3
2.111 bis NoOfLoadUnloadRecords
Generatie 2, versie 2:
Aantal records betreffende laad- en losverrichtingen dat op een
kaart kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
2.112. NoOfSpecificConditionRecords
2e generatie:
Aantal records van specifieke omstandigheden dat op een kaart
kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 170
2.112 bis NoOfLoadTypeEntryRecords
Generatie 2, versie 2:
Aantal records betreffende de invoer van het ladingtype dat op een
bestuurders- of werkplaatskaart kan worden opgeslagen.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
2.113. OdometerShort
Kilometerstand van het voertuig in een verkorte vorm.
Waardetoekenning: niet-getekend binair getal. Waarde in km in
het operationele bereik van 0 tot 9 999 999 km.
2.114. OdometerValueMidnight
De kilometerstand van het voertuig om 0.00 uur op een bepaalde
dag (voorschrift 090 van bijlage 1B en voorschrift 113 van
bijlage 1C).
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
▼M3
2.114 bis OperationType,
Generatie 2, versie 2:
code die het ingevoerde type verrichting weergeeft
Waardetoekenning:
„00”H RFU,
„01”H Laden,
„02”H Lossen,
„03”H Tegelijkertijd laden en lossen
„04”H .. „FF”H RFU.
▼B
2.115. OdometerValueMidnightRecordArray
2e generatie:
De OdometerValueMidnight plus metagegevens zoals gebruikt in
het downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (OdometerValueMidnight).
Waardetoekenning: zie RecordType.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 171
recordSize is de grootte van OdometerValueMidnight in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks OdometerValueMidnight-records.
2.116. OverspeedNumber
Aantal snelheidsoverschrijdingen sinds de laatste controle van
snelheidsoverschrijdingen.
Waardetoekenning: 0 betekent dat er sinds de laatste controle
van snelheidsoverschrijdingen geen snelheidsoverschrijding heeft
plaatsgevonden; 1 betekent dat er sinds de laatste controle van
snelheidsoverschrijdingen een snelheidsoverschrijding heeft plaats
gevonden; … 255 betekent 255 of meer snelheidsoverschrijdingen
sinds de laatste controle van snelheidsoverschrijdingen.
▼M3
2.116 bis PlaceAuthRecord
Informatie met betrekking tot een plaats waar een dagelijkse werk
periode begint of eindigt (voorschriften 108, 271, 296, 324 en 347
van bijlage IC).
Generatie 2, versie 2:
entryTime is de een datum en tijd van invoer.
entryTypeDailyWorkPeriod is het type invoer.
dailyWorkPeriodCountry is het ingevoerde land.
dailyWorkPeriodRegion is de ingevoerde regio.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand op het moment van
invoer van de plaats.
entryGNSSPlaceAuthRecord is de opgeslagen locatie,
GNSS-authenticatiestatus en tijd.
2.116 ter PlaceAuthStatusRecord
Generatie 2, versie 2:
Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met
betrekking tot de authenticatiestatus van een plaats waar een da
gelijkse werkperiode begint en/of eindigt (voorschriften 306a
en 356a van bijlage 1C). Andere informatie in verband met de
plaats zelf wordt opgeslagen in een ander record (zie 2.117 Place
Record).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 172
entryTime is een datum en tijd in verband met de invoer (de
zelfde datum en tijd als in de overeenkomstige PlaceRecord).
authenticationStatus is de authenticatiestatus van de opgeslagen
GNSS-positie.
▼B
2.117. PlaceRecord
Informatie met betrekking tot een plaats waar een dagelijkse werk
periode begint of eindigt (voorschriften 108, 271, 296, 324 en 347
van bijlage 1C).
1e generatie:
entryTime is een datum en tijdstip met betrekking tot de invoer.
entryTypeDailyWorkPeriod is de soort invoer.
dailyWorkPeriodCountry is het ingevoerde land.
dailyWorkPeriodRegion is de ingevoerde regio.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand op het moment van
invoer van de plaats.
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie wordt de volgende component
gebruikt:
entryGNSSPlaceRecord is de geregistreerde plaats en tijd.
▼M3
2.117 bis PositionAuthenticationStatus
Generatie 2, versie 2:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 173
Waardetoekenning (zie aanhangsel 12)
„00”H Niet geauthenticeerd (zie aanhangsel 12, voor
schrift GNS_39),
„01”H Geauthenticeerd (zie aanhangsel 12, voorschrift
GNS_39),
„02”H .. „FF”H RFU.
▼B
2.118. PreviousVehicleInfo
Informatie met betrekking tot het vorige door een bestuurder ge
bruikte voertuig wanneer hij zijn kaart in een voertuigunit inbrengt
(voorschrift 081 van bijlage 1B en voorschrift 102 van
bijlage 1C).
1e generatie:
vehicleRegistrationIdentification is het kentekennummer en de
registrerende lidstaat van het voertuig.
cardWithdrawalTime is de datum en het tijdstip van
kaartuitneming.
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie wordt het volgende gegevens
element gebruikt:
vuGeneration identificeert de generatie van de VU.
2.119. PublicKey
1e generatie:
Een openbare RSA-sleutel.
rsaKeyModulus is de modulus van het sleutelpaar.
rsaKeyPublicExponent is de openbare exponent van het
sleutelpaar.
2.120. RecordType
2e generatie:
Verwijzing naar een soort record. Deze gegevenssoort wordt ge
bruikt in RecordArrays.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 174
Waardetoekenning:
► (1) M1
► (2) M3
ActivityChangeInfo,
CardSlotsStatus,
CurrentDateTime,
MemberStateCertificate,
OdometerValueMidnight,
DateOfDayDownloaded,
SensorPaired,
Signature,
SpecificConditionRecord,
VehicleIdentificationNumber,
VehicleRegistrationNumber,
VuCalibrationRecord,
VuCardIWRecord,
VuCardRecord,
VuCertificate,
VuCompanyLocksRecord,
VuControlActivityRecord,
VuDetailedSpeedBlock,
VuDownloadablePeriod,
VuDownloadActivityData,
VuEventRecord,
►M1 VuGNSSADRecord, ◄
VuITSConsentRecord,
VuFaultRecord,
VuIdentification,
VuOverSpeedingControlData,
VuOverSpeedingEventRecord,
VuPlaceDailyWorkPeriodRecord,
VuTimeAdjustmentGNSSRecord,
VuTimeAdjustmentRecord,
VuPowerSupplyInterruptionRecord,
SensorPairedRecord,
SensorExternalGNSSCoupledRecord,
►M3 VuPowerSupplyInterruptionRecord,
VuLoadUnloadRecord,
VehicleRegistrationIdentification,
RFU, ◄
Specifiek voor de fabrikant.
2.121. RegionAlpha
Alfabetische verwijzing naar een regio in een gespecificeerd land.
1e generatie:
Waardetoekenning:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 175
2e generatie:
De RegionAlpha-codes worden bijgehouden op een lijst die wordt
onderhouden op de website van het laboratorium dat belast is met
het uitvoeren van de interoperabiliteitstests.
2.122. RegionNumeric
Numerieke verwijzing naar een regio in een gespecificeerd land.
1e generatie:
Waardetoekenning:
2e generatie:
De RegionNumeric-codes worden bijgehouden op een lijst die
wordt onderhouden op de website van het laboratorium dat belast
is met het uitvoeren van de interoperabiliteitstests.
2.123. RemoteCommunicationModuleSerialNumber
2e generatie:
Serienummer van de module voor communicatie op afstand.
2.124. RSAKeyModulus
1e generatie:
De modulus van een RSA-sleutelpaar.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.125. RSAKeyPrivateExponent
1e generatie:
De particuliere exponent van een RSA-sleutelpaar.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 176
2.126. RSAKeyPublicExponent
1e generatie:
De openbare exponent van een RSA-sleutelpaar.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.127. RtmData
2e generatie:
Zie aanhangsel 14 voor de definitie van deze gegevenssoort.
2.128. SealDataCard
2e generatie:
Deze gegevenssoort slaat informatie op over de zegels die aan de
verschillende onderdelen van een voertuig zijn gehecht en dient te
worden opgeslagen op een kaart. Deze gegevenssoort is gerela
teerd aan voorschrift 337 van bijlage 1C.
noOfSealRecords is het aantal records in sealRecords.
sealRecords is een reeks zegelrecords.
2.129. SealDataVu
2e generatie:
Deze gegevenssoort slaat informatie op over de zegels die aan de
verschillende onderdelen van een voertuig zijn gehecht en dient te
worden opgeslagen in een voertuigunit.
sealRecords is een reeks zegelrecords. Als er minder dan vijf
zegels zijn, wordt de waarde van EquipmentType in alle on
gebruikte sealRecords op 16 gezet, d.w.z. ongebruikt.
2.130. SealRecord
2e generatie:
Deze gegevenssoort slaat informatie op over een zegel dat aan een
onderdeel is gehecht. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan voor
schrift 337 van bijlage 1C.
equipmentType identificeert het soort apparaat waaraan het zegel
is gehecht.
extendedSealIdentifier is het identificatiesymbool van het zegel
dat aan het apparaat is gehecht.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 177
2.131. SensorApprovalNumber
Typegoedkeuringsnummer van de sensor.
1e generatie:
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2e generatie:
Waardetoekenning:
Het goedkeuringsnummer wordt verstrekt zoals het is bekendge
maakt op de overeenkomstige website van de Europese Commis
sie, bijv. met eventuele koppeltekens. Het goedkeuringsnummer
wordt links uitgelijnd.
2.132. SensorExternalGNSSApprovalNumber
2e generatie:
Typegoedkeuringsnummer van de externe GNSS-module.
Waardetoekenning:
Het goedkeuringsnummer wordt verstrekt zoals het is bekendge
maakt op de overeenkomstige website van de Europese Commis
sie, bijv. met eventuele koppeltekens. Het goedkeuringsnummer
wordt links uitgelijnd.
2.133. SensorExternalGNSSCoupledRecord
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
identificatie van de met de voertuigunit verbonden externe
GNSS-module (voorschrift 100 van bijlage 1C).
sensorSerialNumber is het serienummer van de met de voertuig
unit verbonden externe GNSS-module.
sensorApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van deze
externe GNSS-module.
sensorCouplingDate is de datum waarop deze externe
GNSS-module met de voertuigunit is verbonden.
2.134. SensorExternalGNSSIdentification
2e generatie:
Informatie met betrekking tot de identificatie van de externe
GNSS-module (voorschrift 98 van bijlage 1C).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 178
sensorSerialNumber is het verlengde serienummer van de externe
GNSS-module.
sensorApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de ex
terne GNSS-module.
sensorSCIdentifier is het identificatiesymbool van de beveili
gingscomponent van de externe GNSS-module.
sensorOSIdentifier is het identificatiesymbool van het besturings
systeem van de externe GNSS-module.
2.135. SensorExternalGNSSInstallation
2e generatie:
In de externe GNSS-module opgeslagen informatie met betrekking
tot de installatie van de externe GNSS-sensor (voorschrift 123 van
bijlage 1C).
sensorCouplingDateFirst is de datum van de eerste verbinding
van de externe GNSS-module met een voertuigunit.
firstVuApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de eer
ste voertuigunit die met de externe GNSS-module verbonden
wordt.
firstVuSerialNumber is het serienummer van de eerste voertuig
unit die met de externe GNSS-module verbonden wordt.
sensorCouplingDateCurrent is de datum van de huidige verbin
ding van de externe GNSS-module met een voertuigunit.
currentVuApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de
voertuigunit die op dat moment met de externe GNSS-module
verbonden is.
currentVuSerialNumber is het serienummer van de voertuigunit
die op dat moment met de externe GNSS-module verbonden is.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 179
2.136. SensorExternalGNSSOSIdentifier
2e generatie:
Identificatiesymbool van het besturingssysteem van de externe
GNSS-module.
Waardetoekenning: specifiek voor de fabrikant.
2.137. SensorExternalGNSSSCIdentifier
2e generatie:
Deze soort wordt gebruikt om bijv. de cryptografische module van
de externe GNSS-module te identificeren.
Identificatiesymbool van de beveiligingscomponent van de externe
GNSS-module.
Waardetoekenning: specifiek voor de fabrikant van het
onderdeel.
2.138. SensorGNSSCouplingDate
2e generatie:
Datum van een verbinding van de externe GNSS-module met een
voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.139. SensorGNSSSerialNumber
2e generatie:
Deze soort wordt gebruikt om het serienummer van de
GNSS-ontvanger op te slaan, zowel binnen als buiten de VU.
Serienummer van de GNSS-ontvanger.
2.140. SensorIdentification
In een bewegingssensor opgeslagen informatie met betrekking tot
de identificatie van de bewegingssensor (voorschrift 077 van
bijlage 1B en voorschrift 95 van bijlage 1C).
sensorSerialNumber is het verlengde serienummer van de be
wegingssensor (inclusief onderdeelnummer en code van de fabri
kant).
sensorApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de
bewegingssensor.
sensorSCIdentifier is het identificatiesymbool van de beveili
gingscomponent van de bewegingssensor.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 180
sensorOSIdentifier is het identificatiesymbool van het besturings
systeem van de bewegingssensor.
2.141. SensorInstallation
In een bewegingssensor opgeslagen informatie met betrekking tot
de installatie van de bewegingssensor (voorschrift 099 van
bijlage 1B en voorschrift 122 van bijlage 1C).
sensorPairingDateFirst is de datum van de eerste verbinding van
de bewegingssensor met een voertuigunit.
firstVuApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de eer
ste voertuigunit die met de bewegingssensor verbonden wordt.
firstVuSerialNumber is het serienummer van de eerste met de
bewegingssensor verbonden voertuigunit.
sensorPairingDateCurrent is de datum van de huidige verbin
ding van de bewegingssensor met de voertuigunit.
currentVuApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de
op dat moment met de bewegingssensor verbonden voertuigunit.
currentVUSerialNumber is het serienummer van de op dat mo
ment met de bewegingssensor verbonden voertuigunit.
2.142. SensorInstallationSecData
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
de benodigde beveiligingsgegevens bij verbinding van een be
wegingssensor met een voertuigunit (voorschriften 308 en 331
van bijlage 1C).
1e generatie:
Waardetoekenning: overeenkomstig ISO 16844-3.
2e generatie:
Zoals beschreven in aanhangsel 11 worden op een werkplaatskaart
maximaal drie sleutels voor de verbinding van de VU met de
bewegingssensor opgeslagen. Die sleutels hebben verschillende
sleutelversies.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 181
2.143. SensorOSIdentifier
Identificatiesymbool van het besturingssysteem van de
bewegingssensor.
Waardetoekenning: specifiek voor de fabrikant.
2.144. SensorPaired
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
identificatie van de met de voertuigunit verbonden bewegingssen
sor (voorschrift 079 van bijlage 1B).
sensorSerialNumber is het serienummer van de op dat moment
met de voertuigunit verbonden bewegingssensor.
sensorApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de op
dat moment met de voertuigunit verbonden bewegingssensor.
sensorPairingDateFirst is de datum van de eerste verbinding met
een voertuigunit van de op dat moment met de voertuigunit ver
bonden bewegingssensor.
2.145. SensorPairedRecord
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
identificatie van de met de voertuigunit verbonden bewegingssen
sor (voorschrift 97 van bijlage 1C).
sensorSerialNumber is het serienummer van een met de voertuig
unit verbonden bewegingssensor.
sensorApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van die
bewegingssensor.
sensorPairingDate is een datum waarop die externe bewegings
sensor met de voertuigunit is verbonden.
2.146. SensorPairingDate
Datum van een verbinding van de bewegingssensor met een
voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 182
2.147. SensorSCIdentifier
Identificatiesymbool van de beveiligingscomponent van de
bewegingssensor.
Waardetoekenning: specifiek voor de fabrikant van de
component.
2.148. SensorSerialNumber
Serienummer van de bewegingssensor.
2.149. Handtekening
Een digitale handtekening.
1e generatie:
Waardetoekenning: overeenkomstig de algemene beveiligings
mechanismen in aanhangsel 11.
2e generatie:
Waardetoekenning: overeenkomstig de algemene beveiligings
mechanismen in aanhangsel 11.
2.150. SignatureRecordArray
2e generatie:
Een reeks handtekeningen plus metagegevens zoals gebruikt in het
downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (Signature). Waardetoe
kenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van Signature in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records. De waarde
wordt op 1 gezet, omdat de handtekeningen een verschillende
lengte kunnen hebben.
records is de reeks handtekeningen.
2.151. SimilarEventsNumber
Het aantal soortgelijke voorvallen op een bepaalde dag (voor
schrift 094 van bijlage 1B en voorschrift 117 van bijlage 1C).
Waardetoekenning: 0 is niet-gebruikt; 1 betekent dat er op die
dag maar een voorval van die soort heeft plaatsgevonden en opge
slagen is; 2 betekent dat 2 voorvallen van die soort op die dag
hebben plaatsgevonden (een ervan is opgeslagen), … 255 betekent
dat 255 of meer voorvallen van die soort hebben plaatsgevonden
op die dag.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 183
2.152. SpecificConditionRecord
Op een bestuurderskaart, een werkplaatskaart of in een voertuig
unit opgeslagen informatie met betrekking tot een specifieke om
standigheid (voorschriften 130, 276, 301, 328 en 355 van
bijlage 1C).
entryTime is de datum en het tijdstip van de invoer.
specificConditionType is de code die de specifieke omstandig
heid identificeert.
2.153. SpecificConditions
Op een bestuurderskaart, een werkplaatskaart of in een voertuig
unit opgeslagen informatie met betrekking tot een specifieke om
standigheid (voorschriften 131, 277, 302, 329 en 356 van
bijlage 1C).
2e generatie:
contditionPointerNewestRecord is de index van de laatst gewij
zigde record van een specifieke omstandigheid.
Waardetoekenning: cijfer dat correspondeert met de teller van de
record van specifieke omstandigheden, beginnend met „0” voor de
eerste record van specifieke omstandigheden in de structuur.
specificConditionRecords is de reeks records die informatie over
de geregistreerde specifieke omstandigheden bevat.
2.154. SpecificConditionType
Code die een specifieke omstandigheid identificeert (voorschriften
050b, 105a, 212a en 230a van bijlage 1B en voorschrift 62 van
bijlage 1C).
1e generatie:
Waardetoekenning:
„00”H RFU
„01”H niet verplicht — Begin
„02”H niet verplicht — Einde
„03”H Vervoer per veerboot/trein
„04”H .. „FF”H RFU
2e generatie:
Waardetoekenning:
„00”H RFU
„01”H niet verplich — Begin
„02”H niet verplicht — Einde
„03”H Vervoer per veerboot/trein — Begin
„04”H Vervoer per veerboot/trein — Einde
„05”H .. „FF”H RFU
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 184
2.155. Speed
Snelheid van het voertuig (km/u).
Waardetoekenning: kilometer per uur in het operationele bereik
van 0 tot 220 km/u.
2.156. SpeedAuthorised
Toegestane maximumsnelheid van het voertuig (definitie hh).
2.157. SpeedAverage
Gemiddelde snelheid tijdens een vooraf gedefinieerde periode
(km/u).
2.158. SpeedMax
Maximumsnelheid gemeten tijdens een vooraf gedefinieerde
periode.
▼M3
2.158 bis TachographCardsGen1Suppression
Generatie 2, versie 2:
Mogelijkheid van een VU van de tweede generatie om met de
eerste generatie bestuurders-, controle- en bedrijfskaarten te werken
(zie aanhangsel 15, MIG 002).
Waardetoekenning:
„0000”H De VU kan werken met tachograafkaarten
van de eerste generatie (defaultwaarde),
„A5E3”H De VU werkt niet met tachograafkaarten
van de eerste generatie,
Alle andere waarden. Niet gebruikt.
▼B
2.159. TachographPayload
2e generatie:
Zie aanhangsel 14 voor de definitie van deze datasoort.
▼M1
2.160. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2.161. TDesSessionKey
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 185
Een triple DES-sessiesleutel.
Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.
▼M1
2.162. TimeReal
Code voor een gecombineerd veld voor datum en tijd, waarin de
datum en het tijdstip worden uitgedrukt in seconden na
00u.00m.00s. op 1 januari 1970 UTC.
Waardetoekenning – Octet-uitgericht: aantal seconden sinds
middernacht 1 januari 1970 UTC.
De laatst mogelijke datum/tijd is in het jaar 2106.
▼B
2.163. TyreSize
Aanduiding van de afmetingen van de banden.
Waardetoekenning: overeenkomstig Richtlijn 92/23/EEG van
31 maart 1992 (PB L 129 van 14.5.1992, blz. 95).
2.164. VehicleIdentificationNumber
Identificatienummer van het voertuig (VIN) dat verwijst naar het
voertuig als geheel, in de regel het chassisnummer.
Waardetoekenning: zoals gedefinieerd in ISO 3779.
2.165. VehicleIdentificationNumberRecordArray
2e generatie:
Het identificatienummer van het voertuig plus metagegevens zoals
gebruikt in het downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (VehicleIdentificationNum
ber). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VehicleIdentificationNumber in bytes.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 186
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks identificatienummers van voertuigen.
2.166. VehicleRegistrationIdentification
Identificatie van een voertuig, uniek voor Europa (kentekennum
mer en lidstaat).
vehicleRegistrationNation is het land waar het voertuig geregis
treerd is.
vehicleRegistrationNumber is het kentekennummer van het
voertuig (VRN).
▼M3
2.166 bis VehicleRegistrationIdentificationRecordArray
Generatie 2, versie 2:
Het VIN-nummer van het voertuig plus metagegevens zoals ge
bruikt in het downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (VehicleRegistrationIdenti
fication). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VehicleIdentificationNumber in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
Records is de reeks kentekennummers van voertuigen.
▼B
2.167. VehicleRegistrationNumber
Kentekennummer van het voertuig (VRN). Het kentekennummer
wordt toegewezen door de vergunningverlenende autoriteit.
codePage specificeert een tekenset zoals gedefinieerd in hoofd
stuk 4,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 187
vehicleRegNumber is een VRN die is gecodeerd met de gespeci
ficeerde tekenset.
Waardetoekenning: specifiek voor een land.
2.168. VehicleRegistrationNumberRecordArray
▼M3
Generatie 2, versie 1:
▼B
Het kentekennummer van het voertuig plus metagegevens zoals
gebruikt in het downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (VehicleRegistrationNum
ber). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VehicleregistrationNumber in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks kentekennummers van voertuigen.
2.169. VuAbility
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie over de mogelijkheid
om in de VU al dan niet tachograafkaarten van de eerste generatie
te gebruiken (voorschrift 121 van bijlage 1C).
Waardetoekenning — Octet-uitgericht: „xxxxxxxa”B (8-bits)
Mogelijkheid om 1e generatie te ondersteunen:
„a”B Mogelijkheid om tachograafkaarten van de 1e genera
tie te ondersteunen:
„0”B 1e generatie ondersteund
„1”B 1e generatie niet ondersteund
„xxxxxxx”B RFU
2.170. VuActivityDailyData
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 188
In een VU opgeslagen informatie met betrekking tot wijzigingen
in de activiteiten en/of wijzigingen in de rijstatus en/of wijzigin
gen in de kaartstatus voor een bepaalde kalenderdag (voorschrift
084 van bijlage 1B en voorschriften 105, 106 en 107 van
bijlage 1C) en in de status van lezers op 00:00 die dag.
noOfActivityChanges is het aantal ActivityChangeInfo-woorden
in de reeks activityChangeInfos.
activityChangeInfos is de reeks ActivityChangeInfo-woorden die
in de VU is opgeslagen die dag. Het bevat altijd twee
ActivityChangeInfo-woorden waarin de status van de twee lezers
wordt gegeven op 00:00 die dag.
2.171. VuActivityDailyRecordArray
2e generatie:
In een VU opgeslagen informatie met betrekking tot wijzigingen
in de activiteiten en/of wijzigingen in de rijstatus en/of wijzigin
gen in de kaartstatus voor een bepaalde kalenderdag (voorschriften
105, 106 en 107 van bijlage 1C) en in de status van lezers op
00:00 die dag.
recordType geeft de soort record aan (ActivityChangeInfo).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van ActivityChangeInfo in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks ActivityChangeInfo-woorden die in de VU is
opgeslagen die dag. Het bevat altijd twee ActivityChangeInfo-
woorden waarin de status van de twee lezers wordt gegeven op
00:00 die dag.
2.172. VuApprovalNumber
Typegoedkeuringsnummer van de voertuigunit.
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 189
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2e generatie:
Waardetoekenning:
Het goedkeuringsnummer wordt verstrekt zoals het is bekendge
maakt op de overeenkomstige website van de Europese Commis
sie, bijv. met eventuele koppeltekens. Het goedkeuringsnummer
wordt links uitgelijnd.
2.173. VuCalibrationData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
kalibreringen van het controleapparaat (voorschrift 098 van
bijlage 1B).
noOfVuCalibrationRecords is het aantal records in de
vuCalibrationRecords-reeks.
vuCalibrationRecords is de reeks kalibreringsrecords.
2.174. VuCalibrationRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
kalibrering van het controleapparaat (voorschrift 098 van
bijlage 1B en voorschriften 119 en 120 van bijlage 1C).
1e generatie:
calibrationPurpose is het doel van de kalibrering.
workshopName, workshopAddress zijn de naam en het adres
van de werkplaats.
workshopCardNumber identificeert de werkplaatskaart die tij
dens de kalibrering wordt gebruikt.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 190
workshopCardExpiryDate is de vervaldatum van de kaart.
vehicleIdentificationNumber is het VIN.
vehicleRegistrationIdentification bevat het kentekennummer en
de registerende lidstaat.
wVehicleCharacteristicConstant is de kenmerkende coëfficiënt
van het voertuig.
kConstantOfRecordingEquipment is de constante van het
controleapparaat.
lTyreCircumference is de effectieve omtrek van de wielbanden.
tyreSize is de aanduiding van de afmeting van de banden waar
mee het voertuig uitgerust is.
authorisedSpeed is de toegestane snelheid van het voertuig.
oldOdometerValue, newOdometerValue zijn de oude en nieuwe
kilometerstanden.
oldTimeValue, newTimeValue zijn de oude en nieuwe waarden
van datum en tijd.
nextCalibrationDate is de datum van de volgende in Calibrati
onPurpose gespecificeerde soort kalibrering die door de bevoegde
controleautoriteit moet worden uitgevoerd.
▼M3
Generatie 2, versie 1:
▼B
Als aanvulling op de 1e generatie wordt het volgende gegevens
element gebruikt:
sealDataVu geeft informatie over de zegels die aan de verschil
lende onderdelen van het voertuig zijn gehecht.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 191
Generatie 2, versie 2:
Als aanvulling op de eerste generatie wordt het volgende gege
venselement gebruikt:
sensorSerialNumber is het serienummer van een met de voer
tuigunit verbonden bewegingssensor op het einde van de
kalibrering,
sensorGNSSSerialNumber is het serienummer van de met de
voertuigunit verbonden externe GNSS-module op het einde van
de kalibrering (indien aanwezig),
rcmSerialNumber is het serienummer van de apparatuur voor
communicatie op afstand die op het einde van de kalibrering
met de VU is verbonden (indien van toepassing),
sealDataVu geeft informatie over de zegels die aan de verschil
lende onderdelen van het voertuig zijn gehecht.
byDefaultLoadType is het standaard ladingtype van het voertuig
(enkel aanwezig in versie 2).
calibrationCountry is het land waar de kalibrering heeft
plaatsgevonden.
calibrationCountryTimestamp is de datum en het tijdstip waarop
de positie die wordt gebruikt om te bepalen in welk land de
kalibrering is uitgevoerd, door de GNSS-ontvanger werden
verstrekt.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 192
2.175. VuCalibrationRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
kalibreringen van het controleapparaat (voorschrift 119 en 120 van
bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuCalibrationRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuCalibrationRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks kalibreringsrecords.
2.176. VuCardIWData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot cycli
van inbrengen in en uitnemen uit een voertuigunit van
bestuurders- of werkplaatskaarten (voorschrift 081 van
bijlage 1B en voorschrift 103 van bijlage 1C).
noOfIWRecords is het aantal records in de reeks vuCardIWRe
cords.
vuCardIWRecords is een reeks records met betrekking tot cycli
van inbrengen en uitnemen van een kaart.
2.177. VuCardIWRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot cycli
van inbrengen in en uitnemen uit een voertuigunit van
bestuurders- of werkplaatskaarten (voorschrift 081 van
bijlage 1B en voorschrift 102 van bijlage 1C).
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 193
cardHolderName is de op de kaart opgeslagen naam en voor
naam (voornamen) van de houder van de bestuurders- of
werkplaatskaart.
fullCardNumber is de op de kaart opgeslagen soort kaart, de
lidstaat van afgifte en het kaartnummer.
cardExpiryDate is de op de kaart opgeslagen vervaldatum van de
kaart.
cardInsertionTime is de datum en het tijdstip van inbrenging.
vehicleOdometerValueAtInsertion is de kilometerstand van het
voertuig bij kaartinbrenging.
cardSlotNumber is de lezer waarin de kaart is ingebracht.
cardWithdrawalTime is de datum en het tijdstip van uitneming.
vehicleOdometerValueAtWithdrawal is de kilometerstand van
het voertuig bij kaartuitneming.
previousVehicleInfo bevat de op de kaart opgeslagen informatie
over het vorige door de bestuurder gebruikte voertuig.
manualInputFlag is een teken dat identificeert of de kaarthouder
bij de kaartinbrenging manueel activiteiten van de bestuurder heeft
ingevoerd.
2e generatie:
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is fullCardNumber
vervangen door het volgende gegevenselement:
fullCardNumberAndGeneration is de op de kaart opgeslagen
soort kaart, de lidstaat van afgifte, het kaartnummer en de
generatie.
2.178. VuCardIWRecordArray
2e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 194
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot cycli
van inbrengen in en uitnemen uit een voertuigunit van
bestuurders- of werkplaatskaarten (voorschrift 103 van bijage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuCardIWRecord). Waar
detoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuCardIWRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records met betrekking tot cycli van inbren
gen en uitnemen van een kaart.
▼M1
2.179. VuCardRecord
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie over een gebruikte ta
chograafkaart (voorschrift 132 van bijlage IC).
cardNumberAndGenerationInformation is het volledige kaart
nummer en de generatie van de gebruikte kaart (data type 2.74).
cardExtendedSerialNumber zoals afgelezen uit het bestand
EF_ICC onder het stambestand van de kaart.
cardStructureVersion zoals afgelezen uit het bestand EF_Appli
cation_Identification onder DF Tachograaf_G2.
cardNumber zoals afgelezen uit het bestand EF_Identification
onder DF_Tachograaf_G2.
▼B
2.180. VuCardRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie over de in die VU
gebruikte tachograafkaarten. Deze informatie is bedoeld voor de
analyse van VU- of kaartproblemen (voorschrift 132 van
bijlage 1C).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 195
recordType geeft de soort record aan (VuCardRecord). Waarde
toekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuCardRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records met betrekking tot de in de VU
gebruikte tachograafkaarten.
2.181. VuCertificate
Certificaat van de openbare sleutel van een voertuigunit.
2.182. VuCertificateRecordArray
2e generatie:
Het VU-certificaat plus metagegevens zoals gebruikt in het
downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (VuCertificate). Waarde
toekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuCertificate in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records. De waarde
wordt op 1 gezet, omdat certificaten een verschillende lengte kun
nen hebben.
records is een reeks VU-certificaten.
2.183. VuCompanyLocksData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot be
drijfsvergrendelingen (voorschrift 104 van bijlage 1B).
noOfLocks is het aantal in vuCompanyLocksRecords opgenomen
vergrendelingen.
vuCompanyLocksRecords is de reeks records van
bedrijfsvergrendelingen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 196
2.184. VuCompanyLocksRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot een
bedrijfsvergrendeling (voorschrift 104 van bijlage 1B en voor
schrift 128 van bijlage 1C).
1e generatie:
lockInTime, lockOutTime zijn de datum en het tijdstip van ver
grendeling en ontgrendeling.
companyName, companyAddress zijn de naam en het adres van
het vergrendelende bedrijf.
companyCardNumber identificeert de kaart die bij de vergren
deling wordt gebruikt.
2e generatie:
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is companyCardNum
ber vervangen door het volgende gegevenselement:
companyCardNumberAndGeneration identificeert de kaart, in
clusief de generatie, die bij de vergrendeling wordt gebruikt.
2.185. VuCompanyLocksRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot be
drijfsvergrendelingen (voorschrift 128 van bijlage 1C.
recordType geeft de soort record aan (VuCompanyLocksRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuCompanyLocksRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks registraties. Waarde
0..255.
records is de reeks records van bedrijfsvergrendelingen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 197
2.185 bis VuConfigurationLengthRange
Generatie 2, versie 2:
Het aantal bytes op een tachograafkaart dat beschikbaar is voor de
opslag van VU-configuraties.
Waardetoekenning: zie aanhangsel 2.
▼B
2.186. VuControlActivityData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot con
troles die met deze VU worden uitgevoerd (voorschrift 102 van
bijlage 1B).
noOfControls is het aantal in vuControlActivityRecords opge
nomen controles.
vuControlActivityRecords is de reeks records van
controleactiviteiten.
2.187. VuControlActivityRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot een
controle die met deze VU wordt uitgevoerd (voorschrift 102 van
bijlage 1B en voorschrift 126 van bijlage 1C).
1e generatie:
controlType is de soort controle.
controlTime is de datum en het tijdstip van de controle.
ControlCardNumber identificeert de bij de controle gebruikte
controlekaart.
downloadPeriodBeginTime is de begintijd van de gedownloade
periode, in geval van download.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 198
downloadPeriodEndTime is de eindtijd van de gedownloade pe
riode, in geval van download.
2e generatie:
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is controlCardNumber
vervangen door het volgende gegevenselement:
ControlCardNumberAndGeneration identificeert de bij de con
trole gebruikte controlekaart, inclusief de generatie.
2.188. VuControlActivityRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot con
troles die met deze VU worden uitgevoerd (voorschrift 126 van
bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuControlActivityRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuControlActivityRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks records van VU-controleactiviteiten.
2.189. VuDataBlockCounter
Op een kaart opgeslagen teller die de cycli van kaartinbrenging in
en kaartuitneming uit voertuigunits opeenvolgend identificeert.
Waardetoekenning: opeenvolgend cijfer met een maximale
waarde van 9 999, waarna het opnieuw met 0 begint.
2.190. VuDetailedSpeedBlock
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
gedetailleerde snelheid van het voertuig gedurende een minuut
waarin het voertuig rijdt (voorschrift 093 van bijlage 1B en voor
schrift 116 van bijlage 1C).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 199
speedBlockBeginDate is de datum en het tijdstip van de eerste
snelheidswaarde in het blok.
speedsPerSecond is de chronologische sequentie van gemeten
snelheden gedurende elke seconde van de minuut die begint met
speedBlockBeginDate (inclusief).
2.191. VuDetailedSpeedBlockRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
gedetailleerde snelheid van het voertuig.
recordType geeft de soort record aan (VuDetailedSpeedBlock).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuDetailedSpeedBlock in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks gedetailleerde snelheidsblokken.
2.192. VuDetailedSpeedData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
gedetailleerde snelheid van het voertuig.
noOfSpeedBlocks is het aantal snelheidsblokken in de
vuDetailedSpeedBlocks-reeks.
vuDetailedSpeedBlocks is de reeks gedetailleerde
snelheidsblokken.
▼M3
2.192 bis VuDigitalMapVersion
Generatie 2, versie 2:
de versie van de in de voertuigunit opgeslagen digitale kaart
(voorschrift 133j van bijlage IC).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 200
Waardetoekenning: als gespecificeerd op de specifieke bevei
ligde website die door de Europese Commissie is opgezet (voor
schrift 133k van bijlage IC).
▼B
2.193. VuDownloadablePeriod
De eerste en laatste datum waarvan een voertuigunit gegevens met
betrekking tot activiteiten van de bestuurder bewaart (voorschrif
ten 081, 084 of 087 van bijlage 1B en voorschriften 102, 105 en
108 van bijlage 1C).
minDownloadableTime is de datum en het tijdstip van de eerste
in de VU opgeslagen kaartinbrenging, van de wijziging van ac
tiviteiten of van de invoer van de plaats.
maxDownloadableTime is de datum en het tijdstip van de laatste
in de VU opgeslagen kaartuitneming, van de wijziging van acti
viteiten of van invoer van de plaats.
2.194. VuDownloadablePeriodRecordArray
2e generatie:
De VUDownloadablePeriod plus metagegevens zoals gebruikt in
het downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (VuDownloadablePeriod).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuDownloadablePeriod in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks VuDownloadablePeriod-records.
2.195. VuDownloadActivityData
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
laatste download (voorschrift 105 van bijlage 1B en voorschrift
129 van bijlage 1C).
1e generatie:
downloadingTime is de datum en het tijdstip van downloaden.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 201
fullCardNumber identificeert de kaart die wordt gebruikt om de
download te autoriseren.
companyOrWorkshopName is de naam van het bedrijf of de
werkplaats.
2e generatie:
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is fullCardNumber
vervangen door het volgende gegevenselement:
fullCardNumberAndGeneration identificeert de kaart die wordt
gebruikt om de download te autoriseren.
2.196. VuDownloadActivityDataRecordArray
2e generatie:
Informatie met betrekking tot de laatste VU-download (voorschrift
129 van bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuDownloadActivityData).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuDownloadActivityData in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks records van downloadactiviteitgegevens.
2.197. VuEventData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot voor
vallen (voorschrift 094 van bijlage 1B, met uitzondering van snel
heidsoverschrijding).
noOfVuEvents is het aantal in de vuEventRecords-reeks opge
nomen voorvallen.
vuEventRecords is een reeks voorvallenrecords.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 202
2.198. VuEventRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot een
voorval (voorschrift 094 van bijlage 1B en voorschrift 117 van
bijlage 1C, met uitzondering van snelheidsoverschrijding).
1e generatie:
eventType is het soort voorval.
eventRecordPurpose is het doel waarvoor dit voorval geregis
treerd werd.
eventBeginTime is de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval.
eventEndTime is de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval.
cardNumberDriverSlotBegin identificeert de aan het begin van
het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart.
cardNumberCodriverSlotBegin identificeert de aan het begin
van het voorval in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart.
cardNumberDriverSlotEnd identificeert de aan het einde van het
voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart.
cardNumberCodriverSlotEnd identificeert de aan het einde van
het voorval in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart.
similarEventsNumber is het aantal vergelijkbare voorvallen op
die dag.
Deze sequentie kan worden gebruikt voor alle voorvallen met
uitzondering van snelheidsoverschrijdingen.
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie worden de volgende gegevens
elementen gebruikt:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 203
manufacturerSpecificEventFaultData bevat aanvullende infor
matie over het voorval, specifiek voor de fabrikant.
In de gegevensstructuur van de 2e generatie zijn cardNumberDri
verSlotBegin, cardNumberCodriverSlotBegin, cardNumberDriver
SlotEnd en cardNumberCodriverSlotEnd vervangen door de vol
gende gegevenselementen:
cardNumberAndGenDriverSlotBegin identificeert de aan het be
gin van het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlotBegin identificeert de aan het
begin van het voorval in de lezer van de bijrijder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenDriverSlotEnd identificeert de aan het
einde van het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlotEnd identificeert de aan het
einde van het voorval in de lezer van de bijrijder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
Als het om een tijdsconflict gaat, moeten eventBeginTime en
eventEndTime als volgt worden geïnterpreteerd:
eventBeginTime is de datum en het tijdstip van het
controleapparaat.
eventEndTime is de datum en het tijdstip van het GNSS.
2.199. VuEventRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot voor
vallen (voorschrift 117 van bijlage 1C, met uitzondering van snel
heidsoverschrijding).
recordType geeft de soort record aan (VuEventRecord). Waar
detoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuEventRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks voorvallenrecords.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 204
2.200. VuFaultData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot fou
ten (voorschrift 096 van bijlage 1B).
noOfVuFaults is het aantal in de vuFaultRecords-reeks opge
nomen fouten.
vuFaultRecords is een reeks foutenrecords.
2.201. VuFaultRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot een
fout (voorschrift 096 van bijlage 1B en voorschrift 118 van
bijlage 1C).
1e generatie:
faultType is de soort fout van het controleapparaat.
faultRecordPurpose is het doel waarvoor deze fout geregistreerd
werd.
faultBeginTime is de datum en het tijdstip van het begin van de
fout.
faultEndTime is de datum en het tijdstip van het einde van de
fout.
cardNumberDriverSlotBegin identificeert de aan het begin van
de fout in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart.
cardNumberCodriverSlotBegin identificeert de aan het begin
van de fout in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart.
cardNumberDriverSlotEnd identificeert de aan het einde van de
fout in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart.
cardNumberCodriverSlotEnd identificeert de aan het einde van
de fout in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 205
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie wordt het volgende gegevens
element gebruikt:
manufacturerSpecificEventFaultData bevat aanvullende infor
matie over de fout, specifiek voor de fabrikant.
In de gegevensstructuur van de 2e generatie zijn cardNumberDri
verSlotBegin, cardNumberCodriverSlotBegin, cardNumberDriver
SlotEnd en cardNumberCodriverSlotEnd vervangen door de vol
gende gegevenselementen:
cardNumberAndGenDriverSlotBegin identificeert de aan het be
gin van de fout in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart,
inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlotBegin identificeert de aan het
begin van de fout in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart,
inclusief de generatie.
cardNumberAndGenDriverSlotEnd identificeert de aan het
einde van de fout in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart,
inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlotEnd identificeert de aan het
einde van de fout in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart,
inclusief de generatie.
2.202. VuFaultRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot fou
ten (voorschrift 118 van bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuFaultRecord). Waarde
toekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuFaultRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks foutrecords.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 206
2.203. VuGNSSADRecord
▼M3
Generatie 2, versie 1:
▼M1
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
GNSS-positie van het voertuig als de cumulatieve rijtijd een veel
voud van drie uur bereikt (voorschriften 108 en 110 van
bijlage IC).
timeStamp is de datum en het tijdstip waarop de cumulatieve
rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt;
cardNumberAndGenDriverSlot identificeert de in de lezer van
de bestuurder ingebrachte kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlot identificeert de in de lezer
van de bijrijder ingebrachte kaart, inclusief de generatie.
gnssPlaceRecord bevat informatie over de positie van het
voertuig.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand op het ogenblik dat
de cumulatieve rijtijd een veelvoud van drie uur bereikt.
▼M3
Generatie 2, versie 2:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
GNSS-positie van het voertuig als de gecumuleerde rijtijd een
veelvoud van drie uur bereikt (voorschriften 108 en 110 van bij
lage IC).
In versie 2 van generatie 2 wordt in plaats van gnssPlaceRecord
gebruik gemaakt van gnssPlaceAuthRecord, dat aanvullende de
GNSS-authenticatiestatus bevat.
2.203 bis VuBorderCrossingRecord
Generatie 2, versie 2:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot
grensoverschrijdingen van het voertuig wanneer dat een lands
grens heeft overschreden (voorschriften 133a en 133b van bij
lage IC).
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 207
cardNumberAndGenDriverSlot identificeert de in de lezer van
de bestuurder ingebrachte kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlot identificeert de in de lezer
van de bijrijder ingebrachte kaart, inclusief de generatie.
countryLeft is het land dat het voertuig heeft verlaten, op basis
van de laatste beschikbare positie alvorens de grensoverschrijding
werd gedetecteerd. „Rest van de wereld” (NationNumeric code
„FF”H) wordt gebruikt als de VU niet in staat is te bepalen in
welk land het voertuig zich bevindt (bv. omdat het huidige land
niet op de opgeslagen digitale kaarten staat).
countryEntered is het land waar het voertuig is binnen gereden.
„Rest van de wereld” (NationNumeric code „FF”H) wordt ge
bruikt als de VU niet in staat is te bepalen in welk land het
voertuig zich bevindt (bv. omdat het huidige land niet op de
opgeslagen digitale kaarten staat).
gnssPlaceAuthRecord bevat informatie in verband met de positie
van het voertuig op het moment waarop de grensoverschrijding
werd gedetecteerd en de authenticatiestatus daarvan.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand van het voertuig als
de VU detecteert dat het voertuig een landsgrens heeft
overschreden.
2.203 ter VuBorderCrossingRecordArray
Generatie 2, versie 2:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
grensoverschrijding van het voertuig (voorschrift 133c van
bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuBorderCrossingRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de omvang van de VuBorderCrossingRecord in
bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records van grensoverschrijdingen.
▼M1
2.204. VuGNSSADRecordArray
2e generatie:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 208
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
GNSS-positie van het voertuig als de cumulatieve rijtijd een veel
voud van drie uur bereikt (voorschriften 108 en 110 van
bijlage IC).
recordType geeft de soort record aan (VuGNSSADRecord).
Waardetoekenning: See RecordType.
recordSize is de grootte van VuGNSSADRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks GNSS-records van de cumulatieve rijtijd.
▼M3
2.204 bis VuGnssMaximalTimeDifference
Generatie 2, versie 2:
Het maximale verschil tussen de werkelijke tijd en de VU Real
Time Clock time, op basis van de maximale tijdsafwijking als
gespecificeerd in voorschrift 041 van bijlage IC, door de voertuig
unit verzonden naar externe GNSS-module; zie voorschrift
GNS_3g van aanhangsel 12.
▼B
2.205. VuIdentification
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
identificatie van het controleapparaat (voorschrift 075 van
bijlage 1B en voorschriften 93 en 121 van bijlage 1C).
1e generatie:
vuManufacturerName is de naam van de fabrikant van de
voertuigunit.
vuManufacturerAddress is het adres van de fabrikant van de
voertuigunit.
vuPartNumber is het onderdeelnummer van de voertuigunit.
vuSerialNumber is het serienummer van de VU.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 209
vuSoftwareIdentification identificeert de software die in de voer
tuigunit geïmplementeerd is.
vuManufacturingDate is het bouwjaar van de voertuigunit.
vuApprovalNumber is het typegoedkeuringsnummer van de
voertuigunit.
▼M3
Generatie 2:
Als aanvulling op de eerste generatie worden de volgende gege
venselementen gebruikt:
vuGeneration identificeert de generatie van de VU.
vuAbility geeft aan of de voertuigunit al dan niet tachograafkaar
ten van de eerste generatie ondersteunt
vuDigitalMapVersion is op de digitale kaart van de VU opge
slagen versie van de digitale kaart (enkel aanwezig in versie 2).
▼B
2.206. VuIdentificationRecordArray
2e generatie:
De VuIdentification plus metagegevens zoals gebruikt in het
downloadprotocol.
recordType geeft de soort record aan (VuIdentification). Waar
detoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuIdentification in bytes.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 210
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks VuIdentification-records.
2.207. VuITSConsentRecord
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
toestemming van de bestuurder om intelligente vervoerssystemen
te gebruiken.
cardNumberAndGen identificeert de kaart, inclusief de generatie.
Dit moet een bestuurders- of werkplaatskaart zijn.
consent is een teken dat aangeeft of de bestuurder toestemming
heeft gegeven om in zijn voertuig/voertuigunit intelligente ver
voerssystemen te gebruiken.
Waardetoekenning:
TRUE geeft dat de bestuurder heeft toegestemd om
intelligente vervoerssystemen te gebruiken
FALSE geeft dat de bestuurder heeft geweigerd om
intelligente vervoerssystemen te gebruiken
2.208. VuITSConsentRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
toestemming van de bestuurder om intelligente vervoerssystemen
te gebruiken (voorschrift 200 van bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuITSConsentRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuITSConsentRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is de reeks records van toestemmingen om ITS te
gebruiken.
▼M3
2.208 bis VuLoadUnloadRecord
Generatie 2, versie 2:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 211
In de VU opgeslagen informatie in verband met een ingevoerde
laad- en losverrichting (voorschriften 133e, 133f en 133g van
bijlage IC).
timeStamp is de datum en tijd waarop de laad- en losverrichting
is ingevoerd.
operationType is het ingevoerde type verrichting (laden, lossen of
tegelijkertijd laden en lossen),
cardNumberAndGenDriverSlot identificeert de in de lezer van
de bestuurder ingebrachte kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlot identificeert de in de lezer
van de bijrijder ingebrachte kaart, inclusief de generatie.
gnssPlaceAuthRecord bevat informatie met betrekking tot de po
sitie van het voertuig, en de authenticatiestatus daarvan.
vehicleOdometerValue is de kilometerstand in verband met de
laad- en/losverrichting,
2.208 ter VuLoadUnloadRecordArray
Generatie 2, versie 2:
In de VU opgeslagen informatie in verband met een ingevoerde
laad- en losverrichting (voorschriften 133h van bijlage IC).
recordType geeft de type record aan (VuLoadUnload
Record).Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de omvang van de VuLoadUnloadRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records van laad- en losverrichtingen.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 212
2.209. VuManufacturerAddress
Adres van de fabrikant van de voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.210. VuManufacturerName
Naam van de fabrikant van de voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.211. VuManufacturingDate
Bouwjaar van de voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.212. VuOverSpeedingControlData
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot snel
heidsoverschrijdingen sinds de laatste controle van de snelheids
overschrijding (voorschrift 095 van bijlage 1B en voorschrift 117
van bijlage 1C).
lastOverspeedControlTime is de datum en het tijdstip van de
laatste controle van de snelheidsoverschrijding.
firstOverspeedSince is de datum en het tijdstip van de eerste
snelheidsoverschrijding na deze controle van de
snelheidsoverschrijding.
numberOfOverspeedSince is het aantal snelheidsoverschrijdingen
na de laatste controle van de snelheidsoverschrijding.
2.213. VuOverSpeedingControlDataRecordArray
2e generatie:
De VuOverSpeedingControlData plus metagegevens zoals ge
bruikt in het downloadprotocol.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 213
recordType geeft de soort records aan (VuOverSpeedingControl
Data). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuOverSpeedingControlData in
bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records van gegevens over
snelheidsoverschrijdingscontroles.
2.214. VuOverSpeedingEventData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot voor
vallen van snelheidsoverschrijding (voorschrift 094 van
bijlage 094).
noOfVuOverSpeedingEvents is het aantal in de
vuOverSpeedingEventRecords-reeks opgenomen voorvallen.
vuOverSpeedingEventRecords is een reeks voorvallenrecords
van snelheidsoverschrijding.
2.215. VuOverSpeedingEventRecord
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot voor
vallen van snelheidsoverschrijding (voorschrift 094 van bijlage 1B
en voorschrift 117 van bijlage 1C).
eventType is het soort voorval.
eventRecordPurpose is het doel waarvoor dit voorval geregis
treerd werd.
eventBeginTime is de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval.
eventEndTime is de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval.
maxSpeedValue is de tijdens het voorval gemeten
maximumsnelheid.
averageSpeedValue is de tijdens het voorval gemeten rekenkun
dige gemiddelde snelheid.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 214
cardNumberDriverSlotBegin identificeert de aan het begin van
het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart.
similarEventsNumber is het aantal vergelijkbare voorvallen op
die dag.
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot voor
vallen van snelheidsoverschrijding (voorschrift 094 van bijlage 1B
en voorschrift 117 van bijlage 1C).
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is cardNumberDriver
SlotBegin vervangen door het volgende gegevenselement:
cardNumberAndGenDriverSlotBegin identificeert de aan het be
gin van het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
2.216. VuOverSpeedingEventRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot voor
vallen van snelheidsoverschrijding (voorschrift 117 van
bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuOverSpeedingEvent
Record). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuOverSpeedingEventRecord in
bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks voorvallenrecords van
snelheidsoverschrijding.
2.217. VuPartNumber
Onderdeelnummer van de voertuigunit.
Waardetoekenning: specifiek voor de fabrikant van de VU.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 215
2.218. VuPlaceDailyWorkPeriodData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot
plaatsen waar bestuurders een dagelijkse werkperiode beginnen
of eindigen (voorschrift 087 van bijlage 1B en voorschriften 108
en 110 van bijlage 1C).
noOfPlaceRecords is het aantal in de vuPlaceDailyWorkPeriod
Records-reeks opgenomen records.
vuPlaceDailyWorkPeriodRecords is een reeks records met be
trekking tot de plaats.
2.219. VuPlaceDailyWorkPeriodRecord
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot
plaatsen waar een bestuurder een dagelijkse werkperiode begint
of eindigt (voorschrift 087 van bijlage 1B en voorschriften 108 en
110 van bijlage 1C).
fullCardNumber is de soort bestuurderskaart, de lidstaat van af
gifte en het kaartnummer.
placeRecord bevat de informatie met betrekking tot de ingevoerde
plaats.
▼M3
Generatie 2, versie 1:
▼B
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot een
plaats waar een bestuurder een dagelijkse werkperiode begint of
eindigt (voorschrift 087 van bijlage 1B en voorschriften 108 en
110 van bijlage 1C).
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is fullCardNumber
vervangen door het volgende gegevenselement:
fullCardNumberAndGeneration is de op de kaart opgeslagen
soort kaart, de lidstaat van afgifte, het kaartnummer en de
generatie.
▼M3
Generatie 2, versie 2:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot een
plaats waar een bestuurder een dagelijkse werkperiode begint of
eindigt (voorschrift 087 van bijlage 1B en voorschriften 108
en 110 van bijlage 1C).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 216
In de gegevensstructuur van versie 2 van de tweede generatie is
placeRecord vervangen door het volgende gegevenselement:
placeAuthRecord bevat informatie in verband met de ingevoerde
plaats, de opgeslagen positie, GNSS-authenticatiestatus en tijd van
de positiebepaling.
▼B
2.220. VuPlaceDailyWorkPeriodRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot
plaatsen waar bestuurders een dagelijkse werkperiode beginnen
of eindigen (voorschrift 108 en 110 van bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuPlaceDailyWorkPeriod
Record). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuPlaceDailyWorkPeriodRecord in
bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records met betrekking tot de plaats.
2.221. VuPrivateKey
1e generatie:
De particuliere sleutel van een voertuigunit.
2.222. VuPublicKey
1e generatie:
De openbare sleutel van een voertuigunit.
▼M3
2.222 bis VuRtcTime
Generatie 2, versie 2:
De tijd van de VU-realtimeklok, door de VU verzonden naar de
externe GNSS-module, zie aanhangsel 12, voorschrift GNS_3f.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 217
2.223. VuSerialNumber
Serienummer van de voertuigunit (voorschrift 075 van bijlage 1B
en voorschrift 93 van bijlage 1C).
2.224. VuSoftInstallationDate
Datum van installatie van de softwareversie in de voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.225. VuSoftwareIdentification
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
geïnstalleerde software.
vuSoftwareVersion is het nummer van de softwareversie van de
VU.
vuSoftInstallationDate is de datum van installatie van de
softwareversie.
2.226. VuSoftwareVersion
Nummer van de softwareversie van de voertuigunit.
Waardetoekenning: niet gespecificeerd.
2.227. VuSpecificConditionData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot spe
cifieke omstandigheden.
noOfSpecificConditionRecords is het aantal in de specificCon
ditionRecords-reeks opgenomen records.
specificConditionRecords is een reeks records met betrekking tot
specifieke omstandigheden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 218
2.228. VuSpecificConditionRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot spe
cifieke omstandigheden (voorschrift 130 van bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (SpecificConditionRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van SpecificConditionRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records met betrekking tot specifieke
omstandigheden.
2.229. VuTimeAdjustmentData
1e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
buiten het kader van een geregelde kalibrering uitgevoerde tijd
afstellingen (voorschrift 101 van bijlage 1B).
noOfVuTimeAdjRecords is het aantal records in de vuTimeAd
justmentRecords.
vuTimeAdjustmentRecords is een reeks tijdafstellingsrecords.
▼M1
2.230. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
2.231. Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
2.232. VuTimeAdjustmentRecord
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
buiten het kader van een geregelde kalibrering uitgevoerde tijd
afstellingen (voorschrift 101 van bijlage 1B en voorschriften 124
en 125 van bijlage 1C).
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 219
oldTimeValue, newTimeValue zijn de oude en nieuwe waarden
van datum en tijd.
workshopName, workshopAddress zijn de naam en het adres
van de werkplaats.
workshopCardNumber identificeert de voor de tijdafstelling ge
bruikte werkplaatskaart.
2e generatie:
In de gegevensstructuur van de 2e generatie is workshopCard
Number vervangen door het volgende gegevenselement:
workshopCardNumberAndGeneration identificeert de voor de
tijdafstelling gebruikte werkplaatskaart, inclusief de generatie.
2.233. VuTimeAdjustmentRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot de
buiten het kader van een geregelde kalibrering uitgevoerde tijd
afstellingen (voorschriften 124 en 125 van bijlage 1C).
recordType geeft de soort record aan (VuTimeAdjustment
Record). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuTimeAdjustmentRecord in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records van tijdafstellingen.
2.234. WorkshopCardApplicationIdentification
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
de toepassingsidentificatie van de kaart (voorschriften 307 en 330
van bijlage 1C).
1e generatie:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 220
typeOfTachographCardId specificeert de geïmplementeerde
kaartsoort.
cardStructureVersion specificeert de versie van de op de kaart
geïmplementeerde structuur.
noOfEventsPerType is het aantal voorvallen per soort voorval dat
de kaart kan registreren.
noOfFaultsPerType is het aantal fouten per soort fout dat de
kaart kan registreren.
activityStructureLength geeft het aantal beschikbare bytes aan
voor het opslaan van activiteitenrecords.
noOfCardVehicleRecords is het aantal voertuigregistraties dat de
kaart kan bevatten.
noOfCardPlaceRecords is het aantal plaatsen dat de kaart kan
registreren.
noOfCalibrationRecords is het aantal kalibreringsrecords dat de
kaart kan opslaan.
2e generatie:
▼M1
Als aanvulling op de 1e generatie worden de volgende gegevens
elementen gebruikt:
noOfGNSSCDRecords is het aantal GNSS-records van de cumu
latieve rijtijd dat op de kaart kan worden opgeslagen.
noOfSpecificConditionRecords is het aantal records van speci
fieke omstandigheden dat op de kaart kan worden opgeslagen.
noOfCardVehicleUnitRecords is het aantal voertuigrecords dat
op de kaart kan worden opgeslagen.
▼M3
2.234 bis WorkshopCardApplicationIdentificationV2
Generatie 2, versie 2:
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
de toepassingsidentificatie van de kaart (voorschrift 330a van
bijlage IC).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 221
lengthOfFollowingData is het aantal volgende bytes in de record.
noOfBorderCrossingRecords is het aantal records betreffende
grensoverschrijdingen dat op de werkplaatskaart kan worden
opgeslagen.
noOfLoadUnloadRecords is het aantal laad- en losrecords dat op
de werkplaatskaart kan worden opgeslagen.
noOfLoadTypeEntryRecords is het aantal records betreffende
het ladingtype dat op de werkplaatskaart kan worden opgeslagen.
vuConfigurationLengthRange is het aantal bytes op een tacho
graafkaart, beschikbaar voor de opslag van VU-configuraties.
2.234 ter WorkshopCardCalibrationAddData
Generatie 2, versie 2:
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
aanvullende gegevens (bv. standaard ladingtype) die tijdens een
kalibrering zijn ingevoerd (voorschrift 356I van bijlage IC)
calibrationPointerNewestRecord: de index van de laatst bij
gewerkte record van de kalibrering van aanvullende gegevens.
Waardetoekenning: het cijfer dat correspondeert met de teller
van de op de kaart opgeslagen record van de kalibrering van
aanvullende gegevens, beginnend met een „0” voor de eerste ka
librering van aanvullende gegevens in de structuur.
workshopCardCalibrationAddDataRecords: is de reeks records
die de oude datum en tijd, de identificatiewaarde en het standaard
ladingtype van het voertuig bevatten.
2.234 quater WorkshopCardCalibrationAddDataRecord
Generatie 2, versie 2:
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
het standaard ladingtype dat tijdens een kalibrering is ingevoerd
(voorschrift 356k van bijlage IC)
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 222
oldTimeValue is de oude waarde en tijd die is opgenomen in de
overeenkomstige WorkshopCardCalibrationRecord,
vehicleIdentificationNumber is het VIN-nummer van het voer
tuig, ook opgenomen in de overeenkomstige WorkshopCardCali
brationRecord,
byDefaultLoadType is het standaard ladingtype van het voertuig
(enkel aanwezig in versie 2).
calibrationCountry is het land waar de kalibrering heeft
plaatsgevonden.
calibrationCountryTimestamp is de datum en het tijdstip waarop
de GNSS-ontvanger de positie om het land te bepalen heeft
verstrekt.
▼B
2.235. WorkshopCardCalibrationData
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
de met de kaart uitgevoerde activiteiten van de werkplaats (voor
schriften 314, 316, 337 en 339 van bijlage 1C).
calibrationTotalNumber is het totale aantal met de kaart uitge
voerde kalibreringen.
calibrationPointerNewestRecord is de index van de laatst bij
gewerkte kalibreringsrecord.
Waardetoekenning: getal dat correspondeert met de teller van de
kalibreringsrecord, beginnend met „0” voor de eerste kalibrerings
record in de structuur.
calibrationRecords is de reeks records die informatie over kali
brering en/of tijdafstelling bevat.
2.236. WorkshopCardCalibrationRecord
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
een met de kaart uitgevoerde kalibrering (voorschriften 314 en
337 van bijlage 1C).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 223
1e generatie:
calibrationPurpose is het doel van de kalibrering.
vehicleIdentificationNumber is het VIN.
vehicleRegistration bevat het kentekennummer en de registre
rende lidstaat.
wVehicleCharacteristicConstant is de kenmerkende coëfficiënt
van het voertuig.
kConstantOfRecordingEquipment is de constante van het
controleapparaat.
lTyreCircumference is de effectieve omtrek van de wielbanden.
tyreSize is de aanduiding van de afmeting van de banden waar
mee het voertuig uitgerust is.
authorisedSpeed is de toegestane maximumsnelheid van het
voertuig.
oldOdometerValue, newOdometerValue zijn de oude en nieuwe
kilometerstanden.
oldTimeValue, newTimeValue zijn de oude en nieuwe waarden
van datum en tijd.
nextCalibrationDate is de datum van de volgende in Calibrati
onPurpose gespecificeerde soort kalibrering die door de bevoegde
controleautoriteit moet worden uitgevoerd.
vuPartNumber, vuSerialNumber en sensorSerialNumber zijn
de gegevenselementen voor identificatie van het controleapparaat.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 224
2e generatie:
Als aanvulling op de 1e generatie worden de volgende gegevens
elementen gebruikt:
sensorGNSSSerialNumber identificeert een externe
GNSS-module.
rcmSerialNumber identificeert een module voor communicatie
op afstand.
sealDataCard geeft informatie over de zegels die aan de verschil
lende onderdelen van het voertuig zijn gehecht.
2.237. WorkshopCardHolderIdentification
Op een werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot
de identificatie van de kaarthouder (voorschriften 311 en 334 van
bijlage 1C).
workshopName is de naam van de werkplaats van de
kaarthouder.
workshopAddress is het adres van de werkplaats van de
kaarthouder.
cardHolderName is de naam en voornaam (voornamen) van de
houder (bijv. de naam van de monteur).
cardHolderPreferredLanguage is de voorkeurtaal van de
kaarthouder.
2.238. WorkshopCardPIN
Persoonlijk identificatienummer (PIN-code) van de werkplaats
kaart (voorschriften 309 en 332 van bijlage 1C).
Waardetoekenning: de bij de kaarthouder bekende PIN-code,
rechts met „FF” bytes tot maximaal 8 bytes opgevuld.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 225
2.239. W-VehicleCharacteristicConstant
Kenmerkende coëfficiënt van het voertuig (definitie k).
Waardetoekenning: pulsen per kilometer in het operationele be
reik van 0 tot 64 255 pulsen/km.
2.240. VuPowerSupplyInterruptionRecord
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot on
derbrekingen in de stroomvoorziening (voorschrift 117 van
bijlage 1C).
eventType is het soort voorval.
eventRecordPurpose is het doel waarvoor dit voorval geregis
treerd werd.
eventBeginTime is de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval.
eventEndTime is de datum en het tijdstip van het einde van het
voorval.
cardNumberAndGenDriverSlotBegin identificeert de aan het be
gin van het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenDriverSlotEnd identificeert de aan het eind
van het voorval in de lezer van de bestuurder ingebrachte kaart,
inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlotBegin identificeert de aan het
begin van het voorval in de lezer van de bijrijder ingebrachte
kaart, inclusief de generatie.
cardNumberAndGenCodriverSlotEnd identificeert de aan het
eind van het voorval in de lezer van de bijrijder ingebrachte kaart,
inclusief de generatie.
similarEventsNumber is het aantal vergelijkbare voorvallen op
die dag.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 226
2.241. VuPowerSupplyInterruptionRecordArray
2e generatie:
In een voertuigunit opgeslagen informatie met betrekking tot on
derbrekingen in de stroomvoorziening (voorschrift 117 van
bijlage 1C).
recordType staat voor de soort record (VuPowerSupplyInterrup
tionRecord). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van VuPowerSupplyInterruptionRecord
in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks records van onderbrekingen in de
stroomvoorziening.
2.242. VuSensorExternalGNSSCoupledRecordArray
2e generatie:
Een reeks SensorExternalGNSSCoupledRecord plus metagegevens
die worden gebruikt in het downloadprotocol.
recordType staat voor de soort record (SensorExternalGNSSCou
pledRecord). Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van SensorExternalGNSSCoupledRecord
in bytes.
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks SensorExternalGNSSCoupledRecords.
2.243. VuSensorPairedRecordArray
2e generatie:
Een reeks SensorPairedRecord plus metagegevens die worden ge
bruikt in het downloadprotocol.
recordType staat voor de soort record (SensorPairedRecord).
Waardetoekenning: zie RecordType.
recordSize is de grootte van SensorPairedRecord in bytes.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 227
noOfRecords is het aantal records in de reeks records.
records is een reeks SensorPairedRecords.
3. DEFINITIES VAN WAARDEN- EN AFMETINGENBEREIK
Definitie van variabele waarden die gebruikt zijn bij de definities
in paragraaf 2.
4. TEKENSETS
IA5-Strings gebruiken de ASCII-tekens zoals gedefinieerd in ISO/
IEC 8824-1. Voor de leesbaarheid en voor gemakkelijke verwij
zing wordt de waardetoekenning hieronder gegeven. In geval van
afwijkingen geldt ISO/IEC 8824-1 boven deze informatieve
notitie.
Andere tekenstrings (Address, Name, VehicleRegistrationNumber) ge
bruiken bovendien tekens die worden gedefinieerd door de codes 161
tot en met 255 van de volgende 8-bits standaardtekensets, gespecificeerd
door het CodePagenummer:
Standaardtekenset
Code Page
(decimaal)
ISO/IEC 8859-1 Latijns-1 West-Europees 1
ISO/IEC 8859-2 Latijns-2 Centraal-Europees 2
ISO/IEC 8859-3 Latijns-3 Zuid-Europees 3
ISO/IEC 8859-5 Latijns / Cyrillisch 5
ISO/IEC 8859-7 Latijns / Grieks 7
ISO/IEC 8859-9 Latijns-5 Turks 9
ISO/IEC 8859-13 Latijns-7 Baltische regio 13
ISO/IEC 8859-15 Latijns-9 15
ISO/IEC 8859-16 Latijns-10 Zuid-Oost-Europees 16
KOI8-R Latijns / Cyrillisch 80
KOI8-U Latijns / Cyrillisch 85
5. CODERING
In het geval van codering met ASN.1-coderegels moeten alle ge
definieerde gegevenssoorten gecodeerd worden overeenkomstig
ISO/IEC 8825-2, uitgerichte variant.
6. OBJECTIDENTIFICATIE EN TOEPASSINGSIDENTIFICATIE
6.1. Objectidentificatie
De in dit hoofdstuk opgenomen objectidentificatiesymbolen
(OID's) hebben alleen betrekking op de 2e generatie. Die OID's
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 228
zijn gespecificeerd in TR-03110-3 en worden hier voor de vol
ledigheid herhaald. Ze zijn opgenomen in de substructuur van
bsi-de:
VU-authenticatieprotocolidentificatoren
Voorbeeld: Als VU-authenticatie moet worden uitgevoerd met
SHA-384, is het te gebruiken objectidentificatiesymbool (in ASN.1-
notatie) .
De waarde van dit objectidentificatiesymbool in puntnotatie is
.
Puntnotatie Bytenotatie
„04 00 7F 00 07 02 02 02 02 03”
„04 00 7F 00 07 02 02 02 02 04”
„04 00 7F 00 07 02 02 02 02 05”
Chipauthenticatieprotocolidentificatoren
Voorbeeld: Veronderstel dat chipauthenticatie moet worden uitgevoerd
met het ECDH-algoritme, wat resulteert in een AES-sessiesleutel met
een lengte van 128 bits. Die sessiesleutel wordt vervolgens gebruikt in
CBC-modus om de vertrouwelijkheid van de gegevens te verzekeren en
met het CMAC-algoritme om de authenticiteit van de gegevens te ver
zekeren. Het te gebruiken objectidentificatiesymbool (in ASN.1-nota
tie) is daarom .
De waarde van dit objectidentificatiesymbool in puntnotatie is
.
Puntnotatie Bytenotatie
„04 00 7F 00 07 02 02 03 02 02”
„04 00 7F 00 07 02 02 03 02 03”
„04 00 7F 00 07 02 02 03 02 04”
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 229
6.2. Toepassingsidentificaties
2e generatie:
Het toepassingsidentificatiesymbool (AID) voor de externe
GNSS-module (2e generatie) wordt gegeven door „FF 44 54 45
47 4D”. Dit is een particuliere AID overeenkomstig ISO/IEC
7816-4.
Opmerking: De laatste 5 bytes coderen DTEGM voor een externe
GNSS-module van een slimme tachograaf.
Het toepassingsidentificatiesymbool (AID) voor de tachograaf
kaartapplicatie van de 2e generatie) wordt gegeven door „FF 53
4D 52 44 54”. Dit is een particuliere AID overeenkomstig ISO/
IEC 7816-4.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 230
Aanhangsel 2
SPECIFICATIE VAN TACHOGRAAFKAARTEN
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
1.1. Afkortingen
1.2. Referentienormen
2. ELEKTRONISCHE EN FYSIEKE KENMERKEN
2.1. Toevoerspanning en stroomverbruik
2.2. Programmeerspanning V pp
2.3. Klokgenerering en klokfrequentie
2.4. I/O-contact
2.5. Statussen van de kaart
3. HARDWARE EN COMMUNICATIE
3.1. Inleiding
3.2. Overbrengingsprotocol
3.2.1 Protocollen
3.2.2 ATR
3.2.3 PTS
3.3. Toegangsregels
3.4. Overzicht van commando's en foutcodes
3.5. Beschrijving van commando's
3.5.1 SELECT (Selecteer)
3.5.2 READ BINARY (Lees binair getal)
3.5.3 UPDATE BINARY (Werk binair getal bij)
3.5.4 GET CHALLENGE (Vraag naar identiteit)
3.5.5 VERIFY (Verifieer)
3.5.6 GET RESPONSE (Haal antwoord op)
3.5.7 PSO: VERIFY CERTIFICATE (PSO: verifieer certificaat)
3.5.8 INTERNAL AUTHENTICATE (Interne authenticatie)
3.5.9 EXTERNAL AUTHENTICATE (Externe authenticatie)
3.5.10 GENERAL AUTHENTICATE (Algemene authenticatie)
3.5.11 MANAGE SECURITY ENVIRONMENT (Beheer beveili
gingsomgeving)
3.5.12 PSO: HASH
3.5.13 PERFORM HASH OF FILE (Voer hash van bestand uit)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 231
3.5.14 PSO: COMPUTE DIGITAL SIGNATURE (PSO: bereken
digitale handtekening)
3.5.15 PSO: VERIFY DIGITAL SIGNATURE (PSO: verifieer di
gitale handtekening)
3.5.16 PROCESS DSRC MESSAGE (Verwerk dsrc-bericht)
4. BESTANDSSTRUCTUUR VAN DE TACHOGRAAF
KAARTEN
4.1. Stambestand (MF)
4.2. Tachograaftoepassingen voor de bestuurderskaart
4.2.1 Tachograaftoepassing van de eerste generatie voor de be
stuurderskaart
4.2.2 Tachograaftoepassing van de tweede generatie voor de be
stuurderskaart
4.3. Tachograaftoepassingen voor de werkplaatskaart
4.3.1 Tachograaftoepassing van de eerste generatie voor de werk
plaatskaart
4.3.2 Tachograaftoepassing van de tweede generatie voor de
werkplaatskaart
4.4. Tachograaftoepassingen voor de controlekaart
4.4.1 Tachograaftoepassing van de eerste generatie voor de con
trolekaart
4.4.2 Tachograaftoepassing van de tweede generatie voor de con
trolekaart
4.5. Tachograaftoepassingen voor de bedrijfskaart
4.5.1 Tachograaftoepassing van de eerste generatie voor de be
drijfskaart
4.5.2 Tachograaftoepassing van de tweede generatie voor de be
drijfskaart
1. INLEIDING
1.1. Afkortingen
In dit aanhangsel worden de volgende afkortingen gebruikt.
AC Toegangscondities
AES Advanced Encryption Standard
AID Toepassingsidentificator
ALW Altijd
APDU Toepassingsprotocol gegevensunit (commandostructuur)
ATR Antwoord op terugstellen
AUT Geauthenticeerd
C6, C7 Contacten nr. 6 en 7 van de kaart, zoals beschreven in
ISO/IEC 7816-2
cc Klokcycli
▼M1
CHA Autorisatie van de certificaathouder
▼B
CHV Verificatie-informatie van de kaarthouder
CLA Bytecategorie van het APDU-commando
▼M1
DO Gegevensobject
▼B
DSRC Speciale korteafstandscommunicatie
DF Toepassingsgericht bestand. Een DF kan andere bestan
den (EF of DF) bevatten
ECC Elliptische-krommecryptografie
EF Hoofdbestand
etu Elementaire tijdeenheid
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 232
G1 Eerste generatie
G2 Tweede generatie
IC Geïntegreerde schakeling
ICC Chipkaart
ID Identificator
IFD Interface-inrichting
IFS Grootte van het informatieveld
IFSC Grootte van het informatieveld voor de kaart
IFSD Inrichting voor de grootte van het informatieveld (voor
het werkstation)
INS Instructiebyte van een APDU-commando
Lc Lengte van invoergegevens voor een APDU-commando
Le Lengte van de verwachte gegevens (uitvoergegevens voor
een commando)
MF Stambestand (hoofd-DF)
NAD Knooppuntadres gebruikt in het protocol T = 1
NEV Nooit
P1-P2 Parameterbytes
PIN Persoonlijk identificatienummer (pincode)
PRO SM Beschermd door beveiligde berichtenuitwisseling
PTS Protocol voor transmissieselectie
RFU Gereserveerd voor toekomstig gebruik
RST Terugstellen (van de kaart)
SFID Korte EF-identificator
SM Beveiligde berichtenuitwisseling
SW1-SW2 Statusbytes
TS Initieel ATR-teken
VPP Programmeerspanning
VU Voertuigunit
XXh Waarde XX in hexadecimale notatie
„XXh” Waarde XX in hexadecimale notatie
|| Samenvoegingssymbool 03||04 = 0304
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 233
1.2. Referentienormen
De onderstaande referentienormen worden in dit aanhangsel gebruikt:
ISO/IEC 7816-2 Identification cards — Integrated circuit cards —
Part 2: Dimensions and location of the contacts.
ISO/IEC 7816-2:2007.
ISO/IEC 7816-3 Identification cards — Integrated circuit cards —
Part 3: Electrical interface and transmission proto
cols. ISO/IEC 7816-3:2006.
ISO/IEC 7816-4 Identification cards — Integrated circuit cards —
Part 4: Organization, security and commands for
interchange. ISO/IEC 7816-4:2013 + Cor 1: 2014.
ISO/IEC 7816-6 Identification cards — Integrated circuit cards —
Part 6: Interindustry data elements for interchange.
ISO/IEC 7816-6:2004 + Cor 1: 2006.
ISO/IEC 7816-8 Identification cards — Integrated circuit cards —
Part 8: Commands for security operations. ISO/IEC
7816-8:2004.
ISO/IEC 9797-2 Information technology — Security techniques —
Message Authentication Codes (MACs) — Part 2:
Mechanisms using a dedicated hash-function. ISO/
IEC 9797-2:2011.
2. ELEKTRISCHE EN FYSIEKE KENMERKEN
TCS_01 Tenzij anders gespecificeerd, zijn alle elektronische signa
len in overeenstemming met ISO/IEC 7816-3.
TCS_02 De plaats en afmetingen van de contacten van de kaart
voldoen aan ISO/IEC 7816-2.
2.1. Toevoerspanning en stroomverbruik
TCS_03 De kaart werkt overeenkomstig de specificaties binnen de
in ISO/IEC 7816-3 gespecificeerde verbruikslimieten.
TCS_04 De kaart werkt met Vcc = 3 V (± 0,3 V) of met Vcc = 5 V
(± 0,5 V).
De spanning wordt geselecteerd overeenkomstig ISO/IEC
7816-3.
2.2. Programmeerspanning V pp
TCS_05 De kaart gebruikt geen programmeerspanning op pin C6.
Pin C6 wordt naar verwachting niet aangesloten in een
IFD. Contact C6 kan worden verbonden met V cc in de
kaart, maar niet met de aarde. Deze spanning mag in
geen geval worden omgezet.
2.3. Klokgenerering en klokfrequentie
TCS_06 De kaart werkt binnen een frequentiebereik van 1 tot 5
MHz en kan hogere frequenties ondersteunen. Tijdens een
kaartsessie kan de klokfrequentie ± 2 % variëren. De klok
frequentie wordt door de voertuigunit en niet door de kaart
zelf gegenereerd. De inschakelduur kan variëren tussen 40
en 60 %.
TCS_07 Onder de in het kaartbestand EF ICC opgenomen voor
waarden kan de externe klok worden stilgezet („klokstop”).
De eerste byte van het EF ICC-bestandsdeel codeert de
voorwaarden voor de klokstop.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 234
Laag Hoog
Bit 3 Bit 2 Bit 1
0 0 1 klokstop toegestaan, geen voorkeurniveau
0 1 1 klokstop toegestaan, bij voorkeur hoog niveau
1 0 1 klokstop toegestaan, bij voorkeur laag niveau
0 0 0 klokstop niet toegestaan
0 1 0 klokstop alleen toegestaan op hoog niveau
1 0 0 klokstop alleen toegestaan op laag niveau
De bits 4 tot en met 8 worden niet gebruikt.
2.4. I/O-contact
TCS_08 Het I/O-contact C7 wordt gebruikt om gegevens te ontvan
gen van en over te brengen naar de IFD. Alleen tijdens de
werking staat ofwel de kaart, ofwel de IFD in overbren
gingsmodus. Indien beide units in overbrengingsmodus
staan, mag er geen schade aan de kaart ontstaan. De kaart
staat in ontvangstmodus, tenzij gegevens worden
overgebracht.
2.5. Statussen van de kaart
TCS_09 De kaart werkt in twee statussen wanneer de toevoerspan
ning aangesloten is:
▼M3
operationele status wanneer commando's worden uitgevoerd
of verbinding wordt gemaakt met de voertuigunit,
▼B
inactieve status op alle andere tijdstippen; in deze status
blijven alle gegevens bewaard op de kaart.
3. HARDWARE EN COMMUNICATIE
3.1. Inleiding
In dit punt wordt een beschrijving gegeven van de minimaal vereiste
functionaliteit voor tachograafkaarten en VU's om een correcte wer
king en interoperabiliteit te waarborgen.
Tachograafkaarten voldoen zo veel mogelijk aan de beschikbare, toe
passelijke ISO/IEC-normen (in het bijzonder ISO/IEC 7816). Com
mando's en protocollen worden echter volledig beschreven om beperkt
gebruik of eventueel aanwezige verschillen te specificeren. Tenzij
anders aangegeven, voldoen de gespecificeerde commando's integraal
aan de genoemde normen.
3.2. Overbrengingsprotocol
TCS_10 Het overbrengingsprotocol voldoet aan ISO/IEC 7816-3
voor T = 0 en T = 1. De VU herkent in het bijzonder
door de kaart verzonden verlengingen van de wachttijd.
3.2.1 Protocollen
TCS_11 De kaart biedt zowel protocol T = 0 als protocol T = 1.
Bovendien kan de kaart aanvullende contactgerichte proto
collen ondersteunen.
TCS_12 T = 0 is het standaardprotocol; bijgevolg is een PTS-com
mando noodzakelijk om het protocol te wijzigen in T = 1.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 235
TCS_13 Inrichtingen ondersteunen de directe conventie in beide
protocollen: bijgevolg is de directe conventie verplicht
voor de kaart.
TCS_14 De byte voor de grootte van het informatieveld wordt
weergegeven in teken TA3 van het ATR. Deze waarde is
ten minste gelijk aan „F0h” (= 240 bytes).
De onderstaande beperkingen zijn van toepassing op de protocollen:
TCS_15 T = 0
— De interface-inrichting ondersteunt een antwoord op I/O
na de oplopende rand van het signaal bij RST vanaf
400 cc.
— De interface-inrichting kan met 12 etu's gescheiden te
kens lezen.
— De interface-inrichting kan een foutief teken en de her
haling daarvan lezen, indien gescheiden met 13 etu's.
Indien een foutief teken wordt vastgesteld, kan de I/O-
foutsignalering tussen 1 etu en 2 etu's voorkomen. De
inrichting ondersteunt een vertraging van 1 etu.
— De interface-inrichting accepteert een ATR van 33 by
tes (TS + 32).
— Indien TC1 in het ATR staat, is Extra Guard Time
aanwezig voor door de interface-inrichting verzonden
tekens. Niettemin kunnen door de kaart verzonden te
kens nog steeds met 12 etu's worden gescheiden. Dit
geldt ook voor het door de kaart verzonden ACK-teken
na een door de interface-inrichting gezonden P3-teken.
— De interface-inrichting houdt rekening met een door de
kaart gezonden NUL-teken.
— De interface-inrichting accepteert de complementaire
modus voor ACK.
— Het GET RESPONSE-commando kan niet in ketting
modus worden gebruikt om een gegeven op te halen dat
langer kan zijn dan 255 bytes.
TCS_16 T = 1
— NAD-byte: niet gebruikt (NAD wordt op „00” gezet).
— S-blok ABORT: niet gebruikt.
— S-blok VPP state error: niet gebruikt.
▼M3
__________
▼B
— De inrichting voor de grootte van het
informatieveld (IFSD) wordt onmiddellijk na het ATR
door de IFD aangegeven: de IFD brengt het S-blok
IFS-verzoek na het ATR over en de kaart zendt het
S-blok IFS terug. De aanbevolen waarde voor IFSD
is 254 bytes.
— De kaart vraagt geen IFS-bijstelling.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 236
3.2.2 ATR
TCS_17 De inrichting controleert de ATR-bytes overeenkomstig
ISO/IEC 7816-3. Historische tekens van het ATR worden
niet geverifieerd.
Voorbeeld van basis-biprotocol ATR overeenkomstig ISO/
IEC 7816-3
Teken Waarde Opmerkingen
TS „3Bh” Geeft directe conventie aan
T0 „85h” TD1 aanwezig; 5 historische bytes zijn aanwezig
TD1 „80h” TD2 aanwezig; T=0 moet worden gebruikt
TD2 „11h” TA3 aanwezig; T=1 moet worden gebruikt
TA3 „XXh” (ten minste
„F0h”)
Grootte van het informatieveld voor de kaart (IFSC)
TH1 t/m TH5 „XXh” Historische tekens
TCK „XXh” Controleer teken (exclusieve OF (XOR))
TCS_18 Het stambestand (MF) wordt na het ATR impliciet gese
lecteerd en geldt als geldige map (directory).
3.2.3 PTS
TCS_19 Het standaardprotocol is T = 0. Om het protocol T = 1 in te
stellen, moet de inrichting een PTS (ook PPS genoemd)
naar de kaart verzenden.
TCS_20 Aangezien de protocollen T = 0 en T = 1 verplicht zijn
voor de kaart, is het basis-PTS voor protocolwisseling ver
plicht voor de kaart.
Zoals aangegeven in ISO/IEC 7816-3, kan het PTS worden
gebruikt om te wisselen naar hogere baudsnelheden dan de
standaardsnelheid die de kaart in het eventuele ATR aan
geeft (TA(1) byte).
Hogere baudsnelheden zijn facultatief voor de kaart.
TCS_21 Indien geen andere baudsnelheid dan de standaardsnelheid
wordt ondersteund (of indien de geselecteerde baudsnelheid
niet wordt ondersteund), reageert de kaart correct op het
PTS, overeenkomstig ISO/IEC 7816-3, door de PPS1-byte
weg te laten.
Voorbeelden van het basis-PTS voor protocolselectie:
Teken Waarde Opmerkingen
PPSS „FFh” Startteken
PPS0 „00h” of „01h” PPS1 t/m PPS3 niet aanwezig; „00h” om T0 te selecte
ren, „01h” om T1 te selecteren
PK „XXh” Controleteken: „XXh” = „FFh” als PPS0 = „00h”
„XXh” = „FEh” als PPS0 = „01h”
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 237
3.3. Toegangsregels
TCS_22 Een toegangsregel specificeert de toepasselijke beveiligings
voorwaarden voor een toegangsmodus, dat wil zeggen een
commando. Indien aan deze beveiligingsvoorwaarden is vol
daan, wordt het corresponderende commando verwerkt.
TCS_23 De volgende beveiligingsvoorwaarden worden gebruikt
voor de tachograafkaart:
Afkorting Betekenis
ALW De actie is altijd mogelijk en kan zonder enige beperking worden uitgevoerd.
Het APDU-commando en -antwoord worden ongecodeerd verzonden, dat wil
zeggen zonder beveiligde berichtenuitwisseling.
NEV De actie is nooit mogelijk.
PLAIN-C Het APDU-commando wordt ongecodeerd verzonden, dat wil zeggen zonder
beveiligde berichtenuitwisseling.
PWD De actie kan alleen worden uitgevoerd indien de pincode van de werkplaats
kaart met succes is geverifieerd, dat wil zeggen indien de interne beveiligings
status van de kaart is ingesteld op „PIN_Verified”. Het commando moet
zonder beveiligde berichtenuitwisseling worden verzonden.
EXT-AUT-G1 De actie kan alleen worden uitgevoerd indien het External
Authenticate-commando voor authenticatie van de eerste generatie (zie ook
aanhangsel 11, deel A) met succes werd uitgevoerd.
SM-MAC-G1 Het APDU-commando en -antwoord moeten worden toegepast met beveiligde
berichtenuitwisseling van de eerste generatie in alleen-authenticeren-modus
(zie aanhangsel 11, deel A).
SM-C-MAC-G1 Het APDU-commando moet worden toegepast met beveiligde berichtenuit
wisseling van de eerste generatie in alleen-authenticeren-modus (zie aanhang
sel 11, deel A).
SM-R-ENC-G1 Het APDU-antwoord moet worden toegepast met beveiligde berichtenuitwis
seling van de eerste generatie in coderingsmodus (zie aanhangsel 11, deel A);
er wordt bijgevolg geen berichtauthenticatiecode teruggezonden.
SM-R-ENC-
MAC-G1
Het APDU-antwoord moet worden toegepast met beveiligde berichtenuitwis
seling van de eerste generatie in eerst-coderen-dan-authenticeren-modus (zie
aanhangsel 11, deel A).
SM-MAC-G2 Het APDU-commando en -antwoord moeten worden toegepast met beveiligde
berichtenuitwisseling van de tweede generatie in alleen-authenticeren-modus
(zie aanhangsel 11, deel B).
SM-C-MAC-G2 Het APDU-commando moet worden toegepast met beveiligde berichtenuit
wisseling van de tweede generatie in alleen-authenticeren-modus (zie aan
hangsel 11, deel B).
SM-R-ENC-
MAC-G2
Het APDU-antwoord moet worden toegepast met beveiligde berichtenuitwis
seling van de tweede generatie in eerst-coderen-dan-authenticeren-modus (zie
aanhangsel 11, deel B).
▼M1
TCS_24 Deze beveiligingsvoorwaarden kunnen op de volgende wij
zen aan elkaar worden gekoppeld:
AND: alle beveiligingsvoorwaarden moeten worden
nageleefd.
OR: ten minste één beveiligingsvoorwaarde moet worden
nageleefd.
De toegangsregels voor het bestandssysteem, dat wil zeggen
de SELECT-, READ BINARY- en UPDATE BINARY-com
mando’s, worden gespecificeerd in hoofdstuk 4. De toegangs
regels voor de overige commando’s worden gespecificeerd in
de volgende tabellen. De uitdrukking „niet van toepassing”
wordt gebruikt wanneer er geen voorschrift bestaat ter onder
steuning van het commando In dat geval kan het commando al
dan niet worden ondersteund, maar de toegangsvoorwaarde is
„niet verplicht”.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 238
TCS_25 In de toepassing DF Tachograaf G1 worden de volgende
toegangsregels gebruikt:
▼M1
Commando Bestuurderskaart Werkplaatskaart Controlekaart Bedrijfskaart
External Authenticate
— Voor authenticatie van de
eerste generatie
ALW ALW ALW ALW
— Voor authenticatie van de
tweede generatie
ALW PWD ALW ALW
Internal Authenticate ALW PWD ALW ALW
General Authenticate ALW ALW ALW ALW
Get Challenge ALW ALW ALW ALW
MSE:SET AT ALW ALW ALW ALW
MSE:SET DST ALW ALW ALW ALW
Process DSRC Message Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Compute Digital Signature ALW of
SM-MAC-
G2
ALW of
SM-MAC-
G2
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Hash Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
PERFORM HASH OF FILE ALW of
SM-MAC-
G2
ALW of
SM-MAC-
G2
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Verify Certificate ALW ALW ALW ALW
PSO: Verify Digital Signature Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
Verify Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
▼B
TCS_26 In de toepassing DF Tachograaf_G2 worden de volgende
toegangsregels gebruikt:
▼M1
Commando Bestuurderskaart Werkplaatskaart Controlekaart Bedrijfskaart
External Authenticate
— Voor authenticatie van de
eerste generatie
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
— Voor authenticatie van de
tweede generatie
ALW PWD ALW ALW
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 239
Commando Bestuurderskaart Werkplaatskaart Controlekaart Bedrijfskaart
Internal Authenticate Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
General Authenticate ALW ALW ALW ALW
Get Challenge ALW ALW ALW ALW
MSE:SET AT ALW ALW ALW ALW
MSE:SET DST ALW ALW ALW ALW
Process DSRC Message Niet van toe
passing
ALW ALW Niet van toe
passing
PSO: Compute Digital Signature ALW of
SM-MAC-
G2
ALW of
SM-MAC-
G2
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Hash Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
PERFORM HASH OF FILE ALW of
SM-MAC-
G2
ALW of
SM-MAC-
G2
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Verify Certificate ALW ALW ALW ALW
PSO: Verify Digital Signature Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
Verify Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
▼B
TCS_27 In het stambestand (MF) worden de volgende toegangs
regels gebruikt:
▼M1
Commando Bestuurderskaart Werkplaatskaart Controlekaart Bedrijfskaart
External Authenticate
— Voor authenticatie van de
eerste generatie
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
— Voor authenticatie van de
tweede generatie
ALW PWD ALW ALW
Internal Authenticate Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
General Authenticate ALW ALW ALW ALW
Get Challenge ALW ALW ALW ALW
MSE:SET AT ALW ALW ALW ALW
MSE:SET DST ALW ALW ALW ALW
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 240
Commando Bestuurderskaart Werkplaatskaart Controlekaart Bedrijfskaart
Process DSRC Message Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Compute Digital Signature Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Hash Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PERFORM HASH OF FILE Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
PSO: Verify Certificate ALW ALW ALW ALW
PSO: Verify Digital Signature Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
Verify Niet van toe
passing
ALW Niet van toe
passing
Niet van toe
passing
▼B
TCS_28 Een tachograafkaart kan al dan niet een commando accep
teren met een hoger beveiligingsniveau dan in de beveili
gingsvoorwaarden is voorgeschreven. Indien bijvoorbeeld
ALW (of PLAIN-C) geldt als beveiligingsvoorwaarde,
kan de kaart een commando ontvangen met beveiligde be
richtenuitwisseling (in coderings- en/of authenticatiemo
dus). Indien in de beveiligingsvoorwaarde beveiligde be
richtenuitwisseling in authenticatiemodus wordt opgelegd,
kan de tachograafkaart een commando met beveiligde be
richtenuitwisseling van dezelfde generatie accepteren in
authenticatie- en coderingsmodus.
Opmerking: in de beschrijving van commando's wordt na
der toegelicht welke commando's door de verschillende
soorten tachograafkaarten en DF's worden ondersteund.
3.4. Overzicht van commando's en foutcodes
De commando's en bestandsorganisatie zijn afgeleid van en voldoen
aan ISO/IEC 7816-4.
In dit punt wordt een beschrijving gegeven van de volgende
APDU-commando-antwoordparen. In de beschrijving van com
mando's wordt aangegeven welke varianten van commando's door
toepassingen van de eerste en tweede generatie worden ondersteund.
Commando INS
SELECT „A4h”
READ BINARY „B0h”, „B1h”
UPDATE BINARY „D6h”, „D7h”
GET CHALLENGE „84h”
VERIFY „20h”
GET RESPONSE „C0h”
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 241
Commando INS
PERFORM SECURITY OPE
RATION
„2Ah”
— VERIFY CERTIFICATE
— COMPUTE DIGITAL SIGNA
TURE
— VERIFY DIGITAL SIGNA
TURE
— HASH
— PERFORM HASH OF FILE
— PROCESS DSRC MESSAGE
INTERNAL AUTHENTICATE „88h”
EXTERNAL AUTHENTICATE „82h”
MANAGE SECURITY ENVIRON
MENT
„22h”
— SET DIGITAL SIGNATURE
TEMPLATE
— SET AUTHENTICATION TEM
PLATE
GENERAL AUTHENTICATE „86h”
▼M1
TCS_29 De statuswoorden SW1 en SW2 worden in een antwoord
bericht teruggezonden en geven de verwerkingsstatus van
het commando aan.
SW1 SW2 Betekenis
90 00 Normale verwerking
61 XX Normale verwerking XX = aantal beschikbare antwoordbytes
62 81 Verwerking van waarschuwing. Deel van teruggezonden gege
vens kan beschadigd zijn
63 00 Authenticatie mislukt (waarschuwing)
63 CX Foutieve CHV (pincode). „X” is waarde van teller voor reste
rende pogingen.
64 00 Uitvoeringsfout — Toestand van niet-vluchtig geheugen ongewij
zigd. Integriteitsfout
65 00 Uitvoeringsfout — Toestand van niet-vluchtig geheugen gewij
zigd
65 81 Uitvoeringsfout — Toestand van niet-vluchtig geheugen gewij
zigd. Geheugenfout
66 88 Beveiligingsfout: foutieve cryptografische controlesom (tijdens
beveiligde berichtenuitwisseling) of
ongeldig certificaat (tijdens certificaatverifica
tie) of
ongeldig cryptogram (tijdens externe authenti
catie) of
ongeldige handtekening (tijdens handtekening
verificatie)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 242
SW1 SW2 Betekenis
67 00 Foutieve lengte (ongeldige Lc of Le)
68 83 Laatste commando van de ketting verwacht
69 00 Verboden commando (geen antwoord beschikbaar in T=0)
69 82 Niet voldaan aan beveiligingsstatus
69 83 Authenticatiemethode geblokkeerd
69 85 Niet voldaan aan gebruiksvoorwaarden
69 86 Commando niet toegestaan (geen geldig EF)
69 87 Verwachte gegevensobjecten voor beveiligde berichtenuitwisse
ling ontbreken
69 88 Onjuiste gegevensobjecten voor beveiligde berichtenuitwisseling
6A 80 Onjuiste parameters in gegevensveld
6A 82 Bestand niet gevonden
6A 86 Foutieve parameters P1-P2
6A 88 Referentiegegevens niet gevonden
6B 00 Onjuiste parameters (offset buiten EF)
6C XX Foutieve lengte, SW2 geeft de exacte lengte aan. Er wordt geen
gegevensveld teruggezonden
6D 00 Instructiecode niet ondersteund of ongeldig
6E 00 Categorie niet ondersteund
6F 00 — Andere controlefouten
Aanvullende statuswoorden zoals gedefinieerd in ISO/IEC
7816-4 kunnen worden teruggezonden indien hun gedrag
niet expliciet wordt genoemd in dit aanhangsel.
Bijvoorbeeld de volgende statuswoorden kunnen facultatief
worden teruggezonden:
6881: Logical channel not supported
6882: Secure messaging not supported
▼B
TCS_30 Indien in een APDU-commando meerdere foutcondities
vervuld zijn, kan de kaart een van de toepasselijke status
woorden terugzenden.
3.5. Beschrijving van commando's
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de verplichte
commando's voor de tachograafkaarten.
In aanhangsel 11 „Algemene beveiligingsmechanismen” worden na
dere bijzonderheden verstrekt over de betrokken cryptografische be
werkingen voor tachograaftoepassingen van de eerste en de tweede
generatie.
Alle commando's worden onafhankelijk van het gebruikte protocol (T
= 0 of T = 1) beschreven. De APDU-bytes CLA, INS, P1, P2, Lc en
Le worden altijd aangegeven. Indien Lc of Le niet nodig is voor het
beschreven commando, zijn de daarmee samenhangende lengte,
waarde en omschrijving leeg.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 243
TCS_31 Indien beide lengtebytes (Lc en Le) vereist zijn, moet het
beschreven commando in twee delen worden gesplitst wan
neer de IFD protocol T = 0 gebruikt: de IFD verzendt het
commando zoals beschreven met P3 = Lc + gegevens, en
verzendt vervolgens een GET RESPONSE-commando (zie
punt 3.5.6) met P3 = Le.
TCS_32 Indien beide lengtebytes vereist zijn en Le = 0 (beveiligde
berichtenuitwisseling):
— Bij gebruik van protocol T = 1 beantwoordt de kaart Le
= 0 door alle beschikbare uitvoergegevens te verzenden.
— Bij gebruik van protocol T = 0 verzendt de IFD het
eerste commando met P3 = Lc + gegevens, en beant
woordt de kaart (deze impliciete Le = 0) met de status
bytes „61La”, waarbij La het aantal beschikbare ant
woordbytes is. De IFD genereert vervolgens een GET
RESPONSE-commando met P3 = La om de gegevens
te kunnen lezen.
TCS_33 Overeenkomstig ISO/IEC 7816-4 kan een tachograafkaart
facultatief velden met uitgebreide lengte ondersteunen. Een
tachograafkaart die velden met uitgebreide lengte
ondersteunt:
— geeft in het ATR aan dat velden met uitgebreide lengte
worden ondersteund;
— verstrekt de ondersteunde buffergrootte via de informa
tie over de uitgebreide lengte in EF ATR/INFO (zie
TCS_146);
— geeft in EF Extended_Length aan of velden met uit
gebreide lengte worden ondersteund voor T = 1 en/of
T = 0 (zie TCS_147).
— ondersteunt velden met uitgebreide lengte voor tacho
graaftoepassingen van de eerste en de tweede generatie.
Opmerkingen:
Alle commando's worden gespecificeerd voor velden met
een korte lengte. Het gebruik van APDU's met uitgebreide
lengte wordt verduidelijkt in ISO/IEC 7816-4.
Doorgaans worden de commando's gespecificeerd voor de
ongecodeerde modus, dat wil zeggen zonder beveiligde
berichtenuitwisseling, aangezien de laag voor beveiligde
berichtenuitwisseling wordt gespecificeerd in aanhangsel
11. De toegangsregels voor een commando verduidelijken
of het commando beveiligde berichtenuitwisseling al dan
niet ondersteunt, en of het commando beveiligde berichte
nuitwisseling van de eerste en/of de tweede generatie on
dersteunt. Sommige varianten van commando's worden be
schreven met beveiligde berichtenuitwisseling om het ge
bruik daarvan te verduidelijken.
TCS_34 De VU voert voor een sessie het volledige protocol voor
wederzijdse authenticatie van VU-kaarten van de tweede
generatie uit, met inbegrip van de certificaatverificatie (in
dien vereist) in DF Tachograaf, DF Tachograaf_G2 of in
het MF.
3.5.1 SELECT
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4, maar heeft een beperkt
gebruik vergeleken met het in deze norm gedefinieerde commando.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 244
Het SELECT-commando wordt gebruikt:
— om een DF-toepassing te selecteren (er moet op naam worden
geselecteerd);
— om een hoofdbestand te selecteren dat overeenstemt met de opge
geven bestandsidentificator.
3.5.1.1 S e l e c t i e o p n a a m ( A I D )
Met dit commando wordt een DF-toepassing op de kaart geselecteerd.
TCS_35 Dit commando kan overal in de bestandsstructuur worden
uitgevoerd (na het ATR of wanneer dan ook).
TCS_36 Indien een toepassing wordt geselecteerd, wordt de huidige
beveiligingsomgeving teruggesteld. Na het selecteren van
de toepassing wordt geen actuele openbare sleutel meer
geselecteerd. De EXT-AUT-G1-toegangsconditie is ook
verloren gegaan. Indien het commando zonder beveiligde
berichtenuitwisseling (SM) werd uitgevoerd, zijn de vorige
SM-sessiesleutels niet langer beschikbaar.
TCS_37 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „A4h”
P1 1 „04h” Selectie op naam (AID)
P2 1 „0Ch” Geen antwoord verwacht
Lc 1 „NNh” Aantal naar de kaart verzonden bytes (lengte van AID):
„06h” voor de tachograaftoepassing
#6-#(5+NN) NN „XX..XXh” AID: „FF 54 41 43 48 4F” voor de tachograaftoepassing
van de eerste generatie
AID: „FF 53 4D 52 44 54” voor de tachograaftoepassing
van de tweede generatie
Een antwoord op het SELECT-commando is niet nodig (Le
afwezig in T = 1, of geen antwoord gevraagd in T = 0).
TCS_38 Antwoordbericht (geen antwoord gevraagd)
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de met de AID corresponderende toepassing niet
wordt gevonden, wordt de verwerkingsstatus „6A82”
teruggezonden.
— In T = 1, indien byte Le aanwezig is, wordt de status
„6700” teruggezonden.
— In T= 0, indien na het SELECT-commando een ant
woord wordt gevraagd, wordt de status „6900”
teruggezonden.
▼M1
— Indien de geselecteerde toepassing beschadigd is (inte
griteitsfout vastgesteld in de bestandsattributen), wordt
de verwerkingsstatus „6400” of „6500” teruggezonden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 245
3.5.1.2 S e l e c t i e v a n e e n h o o f d b e s t a n d ( E F ) o p b a s i s v a n
d e b e s t a n d s i d e n t i f i c a t o r
TCS_39 Commandobericht
TCS_40 Voor deze commandovariant ondersteunt een tachograaf
kaart beveiligde berichtenuitwisseling van de tweede gene
ratie, zoals gespecificeerd in aanhangsel 11, deel B.
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „A4h”
P1 1 „02h” Selectie van EF in de geldige DF
P2 1 „0Ch” Geen antwoord verwacht
Lc 1 „02h” Aantal naar de kaart verzonden bytes
#6-#7 2 „XXXXh” Bestandsidentificator
Een antwoord op het SELECT-commando is niet nodig (Le
afwezig in T = 1, of geen antwoord gevraagd in T = 0).
TCS_41 Antwoordbericht (geen antwoord gevraagd)
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien het met de bestandsidentificator corresponde
rende bestand niet wordt gevonden, wordt de verwer
kingsstatus „6A82” teruggezonden.
— In T = 1, indien byte Le aanwezig is, wordt de status
„6700” teruggezonden.
— In T = 0, indien na het SELECT-commando een ant
woord wordt gevraagd, wordt de status „6900”
teruggezonden.
▼M1
— Indien het geselecteerde bestand beschadigd is (integri
teitsfout vastgesteld in de bestandsattributen), wordt de
verwerkingsstatus „6400” of „6500” teruggezonden.
▼B
3.5.2 READ BINARY
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4, maar heeft een beperkt
gebruik vergeleken met het in deze norm gedefinieerde commando.
Het READ BINARY-commando wordt gebruikt om gegevens van een
transparant bestand te lezen.
Het antwoord van de kaart bestaat uit het terugzenden van de gelezen
gegevens, facultatief ingekapseld in een structuur van beveiligde
berichtenuitwisseling.
3.5.2.1 C o m m a n d o m e t o f f s e t i n P 1 - P 2
Met dit commando kan de IFD gegevens in het thans geselecteerde
hoofdbestand (EF) lezen zonder beveiligde berichtenuitwisseling.
Opmerking: dit commando zonder beveiligde berichtenuitwisseling
kan alleen worden gebruikt voor het lezen van een bestand dat de
ALW-beveiligingsvoorwaarde voor de toegangsmodus van de
Read-functie ondersteunt.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 246
TCS_42 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „B0h” READ BINARY (Lees binair getal)
P1 1 „XXh” Offset in bytes vanaf het begin van het bestand: meest
significante byte
P2 1 „XXh” Offset in bytes vanaf het begin van het bestand: minst
significante byte
Le 1 „XXh” Lengte van verwachte gegevens. Aantal te lezen bytes
Opmerking: bit 8 van P1 moet op „0” worden gezet.
TCS_43 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#X X „XX..XXh” Gelezen gegevens
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien geen EF is geselecteerd, wordt de verwerkings
status „6986” teruggezonden.
— Indien niet wordt voldaan aan de beveiligingsvoorwaar
den van het geselecteerde bestand, wordt het com
mando onderbroken met „6982”.
— Indien de offset niet compatibel is met de grootte van
het hoofdbestand (offset > grootte EF), wordt de ver
werkingsstatus „6B00” teruggezonden.
— Indien de grootte van de te lezen gegevens niet com
patibel is met de grootte van het hoofdbestand (Offset
+ Le > grootte EF), wordt de verwerkingsstatus „6700”
of „6Cxx” teruggezonden, waarbij „xx” de exacte
lengte aangeeft.
▼M1
— Indien binnen de bestandsattributen een integriteitsfout
wordt ontdekt, moet de kaart het bestand als beschadigd
en verloren beschouwen; de teruggezonden verwer
kingsstatus is „6400” of „6500”.
▼B
— Indien in de opgeslagen gegevens een integriteitsfout
wordt vastgesteld, zendt de kaart de gevraagde gege
vens terug en wordt de verwerkingsstatus „6281”
teruggezonden.
3.5.2.1.1 C o m m a n d o m e t b e v e i l i g d e b e r i c h t e n u i t w i s s e l i n g
( v o o r b e e l d e n )
Met dit commando kan de IFD gegevens van het thans geselecteerde
hoofdbestand (EF) met beveiligde berichtenuitwisseling lezen om de
integriteit van de ontvangen gegevens te verifiëren en de vertrouwe
lijkheid van de gegevens te beschermen in het geval dat de beveili
gingsvoorwaarde SM-R-ENC-MAC-G1 (eerste generatie) of SM-R-
ENC-MAC-G2 (tweede generatie) wordt toegepast.
TCS_44 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „0Ch” Beveiligde berichtenuitwisseling gevraagd
INS 1 „B0h” READ BINARY (Lees binair getal)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 247
Byte Lengte Waarde Omschrijving
P1 1 „XXh” P1 (offset in bytes vanaf het begin van het bestand):
meest significante byte
P2 1 „XXh” P2 (offset in bytes vanaf het begin van het bestand):
minst significante byte
Lc 1 „XXh” Lengte van invoergegevens voor beveiligde berichtenuit
wisseling
#6 1 „97h” T LE : label voor verwachte lengtespecificatie
#7 1 „01h” L LE : lengte van verwachte lengte
#8 1 „NNh” Verwachte lengtespecificatie (originele Le): aantal te le
zen bytes
#9 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom
#10 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische controlesom
„04h” voor beveiligde berichtenuitwisseling van de eer
ste generatie (zie aanhangsel 11, deel A)
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#11-#(10+L) L „XX..XXh” Cryptografische controlesom
Le 1 „00h” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
TCS_45 Antwoordbericht indien SM-R-ENC-MAC-G1 (eerste
generatie) / SM-R-ENC-MAC-G2 (tweede generatie)
niet vereist is en indien het invoerformaat van de bevei
ligde berichtenuitwisseling correct is:
▼M1
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1 1 „81h” T PV : label voor gegevens met ongecodeerde
waarde
#2 L „NNh” of
„81 NNh”
L PV : lengte van teruggezonden gegevens
(= originele Le)
L is 2 bytes indien L PV >127 bytes
#(2+L) - #(1+L+NN) NN „XX..XXh” Ongecodeerde gegevenswaarde
#(2+L+NN) 1 „99h” Label voor verwerkingsstatus (SW1-SW2)
— facultatief voor beveiligde berichtenuit
wisseling van de eerste generatie
#(3+L+NN) 1 „02h” Lengte van verwerkingsstatus — facultatief
voor beveiligde berichtenuitwisseling van de
eerste generatie
#(4+L+NN) - #(5+L+NN) 2 „XX XXh” Verwerkingsstatus van het onbeveiligde
APDU-antwoord — facultatief voor bevei
ligde berichtenuitwisseling van de eerste ge
neratie
#(6+L+NN) 1 „8Eh” TCC: label voor cryptografische controlesom
#(7+L+NN) 1 „XXh” LCC: lengte van volgende cryptografische
controlesom
„04h” voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de eerste generatie (zie aanhangsel 11,
deel A)
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichte
nuitwisseling van de tweede generatie (zie
aanhangsel 11, deel B)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 248
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#(8+L+NN) -
#(7+M+L+NN)
M „XX..XXh” Cryptografische controlesom
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
▼B
TCS_46 Antwoordbericht indien SM-R-ENC-MAC-G1 (eerste
generatie) / SM-R-ENC-MAC-G2 (tweede generatie)
vereist is en indien het invoerformaat van de beveiligde
berichtenuitwisseling correct is:
▼M1
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1 1 „87h” T PI CG : label voor gecodeerde gegevens
(cryptogram)
#2 L „MMh” of
„81 MMh”
L PI CG : lengte van teruggezonden geco
deerde gegevens (afwijkend van de originele
Le van het commando wegens padding)
L is 2 bytes indien LPI CG > 127 bytes.
#(2+L)-#(1+L+MM) MM „01XX..XXh” Gecodeerde gegevens: paddingindicator en
cryptogram
#(2+L+MM) 1 „99h” Label voor verwerkingsstatus (SW1-SW2)
— facultatief voor beveiligde berichtenuit
wisseling van de eerste generatie
#(3+L+MM) 1 „02h” Lengte van verwerkingsstatus — facultatief
voor beveiligde berichtenuitwisseling van de
eerste generatie
#(4+L+MM) - #(5+L+MM) 2 „XX XXh” Verwerkingsstatus van het onbeveiligde
APDU-antwoord — facultatief voor bevei
ligde berichtenuitwisseling van de eerste ge
neratie
#(6+L+MM) 1 „8Eh” TCC: label voor cryptografische controlesom
#(7+L+MM) 1 „XXh” LCC: lengte van volgende cryptografische
controlesom
„04h” voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de eerste generatie (zie aanhangsel 11,
deel A)
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichte
nuitwisseling van de tweede generatie (zie
aanhangsel 11, deel B)
#(8+L+MM)-
#(7+N+L+MM)
N „XX..XXh” Cryptografische controlesom
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
▼B
Het READ BINARY-commando kan gewone verwerkings
statussen terugzenden die worden opgesomd in TCS_43
onder de label „99h” (zie beschrijving in TCS_59), met
gebruikmaking van beveiligde antwoordberichtstructuren.
Bovendien kunnen bepaalde fouten optreden die meer in
het bijzonder verband houden met de beveiligde berichte
nuitwisseling. In dit geval wordt de verwerkingsstatus ge
woon teruggezonden zonder beveiligde berichtenuitwisse
lingsstructuur.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 249
TCS_47 Antwoordbericht indien het invoerformaat van de be
veiligde berichtenuitwisseling niet correct is:
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien geen lopende sessiesleutel beschikbaar is, wordt
de verwerkingsstatus „6A88” teruggezonden. Dit is het
geval wanneer de sessiesleutel nog niet werd gegene
reerd of wanneer de geldigheid van de sessiesleutel
verlopen is (in dit geval moet de IFD opnieuw een
wederzijdse authenticatie uitvoeren om een nieuwe ses
siesleutel te genereren).
— Indien een aantal verwachte gegevensobjecten (zoals
hierboven gespecificeerd) ontbreekt in het formaat van
de beveiligde berichtenuitwisseling, wordt de verwer
kingsstatus „6987” teruggezonden: deze fout treedt op
wanneer een verwacht label ontbreekt of wanneer het
commandoveld niet correct samengesteld is.
— Indien een aantal gegevensobjecten niet correct is,
wordt de verwerkingsstatus „6988” teruggezonden:
deze fout treedt op wanneer alle vereiste labels aan
wezig zijn, maar een aantal lengtes afwijkt van de ver
wachte lengtes.
— Indien de verificatie van de cryptografische controlesom
mislukt, wordt de verwerkingsstatus „6688”
teruggezonden.
3.5.2.2 C o m m a n d o m e t k o r t e E F ( E l e m e n t a r y F i l e ) - i d e n
t i f i c a t o r
Met deze commandovariant kan de IFD een hoofdbestand (EF) selec
teren met behulp van een korte EF-identificator, en gegevens van deze
EF lezen.
TCS_48 Een tachograafkaart ondersteunt deze commandovariant
voor alle hoofdbestanden met een specifieke korte
EF-identificator. Deze korte EF-identificatoren worden ge
specificeerd in hoofdstuk 4.
TCS_49 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „B0h” READ BINARY (Lees binair getal)
P1 1 „XXh” Bit 8 wordt op „1” gezet
Bits 7 en 6 worden op „00” gezet
Bits 5 t/m 1 coderen de korte EF-identificator van de
corresponderende EF
P2 1 „XXh” Codeert een offset van 0 t/m 255 bytes in de EF waar
naar P1 verwijst
Le 1 „XXh” Lengte van verwachte gegevens. Aantal te lezen bytes
Opmerking: de korte EF-identificatoren die voor tacho
graaftoepassingen van de tweede generatie worden ge
bruikt, worden gespecificeerd in hoofdstuk 4.
Indien P1 een korte EF-identificator codeert en het com
mando succesvol is, wordt het geïdentificeerde
hoofdbestand (EF) de thans geselecteerde (geldige) EF.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 250
TCS_50 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#L L „XX..XXh” Gelezen gegevens
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien het met de korte EF-identificator corresponde
rende bestand niet wordt gevonden, wordt de verwer
kingsstatus „6A82” teruggezonden.
— Indien niet wordt voldaan aan de beveiligingsvoorwaar
den van het geselecteerde bestand, wordt het com
mando onderbroken met „6982”.
— Indien de offset niet compatibel is met de grootte van
het hoofdbestand (offset > grootte EF), wordt de ver
werkingsstatus „6B00” teruggezonden.
— Indien de grootte van de te lezen gegevens niet com
patibel is met de grootte van het hoofdbestand (Offset
+ Le > grootte EF), wordt de verwerkingsstatus „6700”
of „6Cxx” teruggezonden, waarbij „xx” de exacte
lengte aangeeft.
▼M1
— Indien binnen de bestandsattributen een integriteitsfout
wordt ontdekt, moet de kaart het bestand als beschadigd
en verloren beschouwen; de teruggezonden verwer
kingsstatus is „6400” of „6500”.
▼B
— Indien in de opgeslagen gegevens een integriteitsfout
wordt vastgesteld, zendt de kaart de gevraagde gege
vens terug en wordt de verwerkingsstatus „6281”
teruggezonden.
3.5.2.3 C o m m a n d o m e t o n e v e n i n s t r u c t i e b y t e
Met deze commandovariant kan de IFD gegevens lezen van een
hoofdbestand (EF) dat 32 768 bytes of meer bevat.
TCS_51 Een tachograafkaart die ondersteuning biedt aan EF's met
32 768 bytes of meer, ondersteunt deze commandovariant
voor die EF's. Voor andere EF's, met uitzondering van de
EF Sensor_Installation_Data, kan een tachograafkaart deze
commandovariant al dan niet ondersteunen (zie TCS_156
en TCS_160).
TCS_52 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „B1h” READ BINARY (Lees binair getal)
P1 1 „00h” Geldige EF
P2 1 „00h”
Lc 1 „NNh” Lc lengte van offset-gegevensobject
#6-#(5+NN) NN „XX..XXh” Offset-gegevensobject:
Label „54h”
Lengte „01h” of „02h”
Waarde offset
▼M1
Le 1 „XXh” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 251
De IFD codeert de lengte van het offset-gegevensobject
met zo weinig mogelijk bytes, en gebruikt met andere
woorden de lengtebyte „01h” om een offset te coderen
van 0 tot en met 255 bytes, en de lengtebyte „02h” om
een offset te coderen van 256 tot en met 65 535 bytes.
▼M1
Als T=0 gaat de kaart ervan uit dat waarde Le = „00h”
wanneer geen beveiligde berichtenuitwisseling wordt
toegepast.
Als T = 1 is de teruggezonden verwerkingsstatus „6700”
als Le=„01h”.
▼B
TCS_53 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#L L „XX..XXh” Gelezen gegevens, ingekapseld in een discretionair gege
vensobject met label „53h”.
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien geen EF is geselecteerd, wordt de verwerkings
status „6986” teruggezonden.
— Indien niet wordt voldaan aan de beveiligingsvoorwaar
den van het geselecteerde bestand, wordt het com
mando onderbroken met „6982”.
— Indien de offset niet compatibel is met de grootte van
het hoofdbestand (offset > grootte EF), wordt de ver
werkingsstatus „6B00” teruggezonden.
— Indien de grootte van de te lezen gegevens niet com
patibel is met de grootte van het hoofdbestand (offset
+ Le > grootte EF), wordt de verwerkingsstatus „6700”
of „6Cxx” teruggezonden, waarbij „xx” de exacte
lengte aangeeft.
▼M1
— Indien binnen de bestandsattributen een integriteitsfout
wordt ontdekt, moet de kaart het bestand als beschadigd
en verloren beschouwen; de teruggezonden verwer
kingsstatus is „6400” of „6500”.
▼B
— Indien in de opgeslagen gegevens een integriteitsfout
wordt vastgesteld, zendt de kaart de gevraagde gege
vens terug en wordt de verwerkingsstatus „6281”
teruggezonden.
3.5.2.3.1 C o m m a n d o m e t b e v e i l i g d e b e r i c h t e n u i t w i s s e l i n g
( v o o r b e e l d )
Het volgende voorbeeld verduidelijkt het gebruik van beveiligde be
richtenuitwisseling indien de beveiligingsvoorwaarde SM-MAC-G2
van toepassing is.
TCS_54 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „0Ch” Beveiligde berichtenuitwisseling gevraagd
INS 1 „B1h” READ BINARY (Lees binair getal)
P1 1 „00h” Geldige EF
P2 1 „00h”
Lc 1 „XXh” Lengte van het beveiligde gegevensveld
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 252
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#6 1 „B3h” Label voor ongecodeerde waarde van met BER-TLV
gecodeerde gegevens
#7 1 „NNh” L PV : lengte van overgebrachte gegevens
#(8)-#(7+NN) NN „XX..XXh” Ongecodeerde waarde van met BER-TLV gecodeerde
gegevens, d.w.z. het offset-gegevensobject met label
„54”
#(8+NN) 1 „97h” T LE : label voor verwachte lengtespecificatie
#(9+NN) 1 „01h” L LE : lengte van verwachte lengtespecificatie
#(10+NN) 1 „XXh” Verwachte lengtespecificatie (originele Le): aantal te le
zen bytes
#(11+NN) 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom
#(12+NN) 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische controlesom
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#(13+NN)-
#(12+M+NN)
M „XX..XXh” Cryptografische controlesom
Le 1 „00h” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
TCS_55 Antwoordbericht indien het commando succesvol is
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1 1 „B3h” Ongecodeerde waarde van met BER-TLV gecodeerde
gegevens
#2 L „NNh” of
„81 NNh”
L PV : lengte van teruggezonden gegevens (= originele Le)
L is 2 bytes indien L PV >127 bytes
#(2+L)-
#(1+L+NN)
NN „XX..XXh” Ongecodeerde waarde van met BER-TLV gecodeerde
gegevens, d.w.z. gelezen gegevens, ingekapseld in een
discretionair gegevensobject met label „53h”
#(2+L+NN) 1 „99h” Verwerkingsstatus van het onbeveiligde APDU-antwoord
#(3+L+NN) 1 „02h” Lengte van verwerkingsstatus
#(4+L+NN) —
#(5+L+NN)
2 „XX XXh” Verwerkingsstatus van het onbeveiligde APDU-antwoord
#(6+L+NN) 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom
#(7+L+NN) 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische controlesom
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#(8+L+NN)-
#(7+M+L+N
N)
M „XX..XXh” Cryptografische controlesom
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
3.5.3 UPDATE BINARY
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4, maar heeft een beperkt
gebruik vergeleken met het in die norm gedefinieerde commando.
Het UPDATE BINARY-commandobericht start het bijwerken (wissen
+ schrijven) van de bits die al in een binair getal van een EF aan
wezig zijn met de in het APDU-commando gegeven bits.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 253
3.5.3.1 C o m m a n d o m e t o f f s e t i n P 1 - P 2
Met dit commando kan de IFD gegevens schrijven in de thans gese
lecteerde EF, zonder dat de kaart de integriteit van de ontvangen
gegevens verifieert.
Opmerking: dit commando zonder beveiligde berichtenuitwisseling
kan alleen worden gebruikt voor het bijwerken van een bestand dat
de ALW-beveiligingsvoorwaarde van de toegangsmodus van de
Update-functie ondersteunt.
TCS_56 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „D6h” Update Binary (Werk binair getal bij)
P1 1 „XXh” Offset in bytes vanaf het begin van het bestand: meest
significante byte
P2 1 „XXh” Offset in bytes vanaf het begin van het bestand: minst
significante byte
Lc 1 „NNh” Lc lengte van bij te werken gegevens. Aantal te schrijven
bytes
#6-#(5+NN) NN „XX..XXh” Te schrijven gegevens
Opmerking: bit 8 van P1 moet op „0” worden gezet.
TCS_57 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien geen EF is geselecteerd, wordt de verwerkings
status „6986” teruggezonden.
— Indien niet wordt voldaan aan de beveiligingsvoorwaar
den van het geselecteerde bestand, wordt het com
mando onderbroken met „6982”.
— Indien de offset niet compatibel is met de grootte van
het hoofdbestand (offset > grootte EF), wordt de ver
werkingsstatus „6B00” teruggezonden.
— Indien de grootte van de te schrijven gegevens niet
compatibel is met de grootte van het hoofdbestand (off
set + Lc > grootte EF), wordt de verwerkingsstatus
„6700” teruggezonden.
— Indien in de bestandsattributen een integriteitsfout
wordt vastgesteld, beschouwt de kaart het bestand als
beschadigd en definitief verloren en wordt de verwer
kingsstatus „6400” of „6500” teruggezonden.
— Indien het schrijven mislukt, wordt de verwerkingssta
tus „6581” teruggezonden.
3.5.3.1.1 C o m m a n d o m e t b e v e i l i g d e b e r i c h t e n u i t w i s s e l i n g
( v o o r b e e l d e n )
Met dit commando kan de IFD gegevens schrijven in de thans gese
lecteerde EF, waarbij de kaart de integriteit van de ontvangen gege
vens verifieert. Aangezien geen vertrouwelijkheid vereist is, worden
de gegevens niet gecodeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 254
TCS_58 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „0Ch” Beveiligde berichtenuitwisseling gevraagd
INS 1 „D6h” Update Binary (Werk binair getal bij)
P1 1 „XXh” Offset in bytes vanaf het begin van het bestand:
meest significante byte
P2 1 „XXh” Offset in bytes vanaf het begin van het bestand:
minst significante byte
Lc 1 „XXh” Lengte van het beveiligde gegevensveld
#6 1 „81h” T PV : label voor gegevens met ongecodeerde waarde
#7 L „NNh” of
„81 NNh”
L PV : lengte van overgebrachte gegevens
L is 2 bytes indien L PV > 127 bytes
#(7+L)-
#(6+L+NN)
NN „XX..XXh” Ongecodeerde gegevenswaarde (te schrijven gegevens)
#(7+L+NN) 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom
#(8+L+NN) 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische controlesom
„04h” voor beveiligde berichtenuitwisseling van de eer
ste generatie (zie deel A van aanhangsel 11)
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#(9+L+NN)-
#(8+M+L+N
N)
M „XX..XXh” Cryptografische controlesom
Le 1 „00h” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
TCS_59 Antwoordbericht indien het invoerformaat van de be
veiligde berichtenuitwisseling correct is
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1 1 „99h” T SW : label voor statuswoorden (te beveiligen door CC)
#2 1 „02h” L SW : lengte van teruggezonden statuswoorden
#3-#4 2 „XXXXh” Verwerkingsstatus van het onbeveiligde APDU-antwoord
#5 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom (CC)
#6 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische
controlesom (CC)
„04h” voor beveiligde berichtenuitwisseling van de eer
ste generatie (zie aanhangsel 11, deel A)
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#7-#(6+L) L „XX..XXh” Cryptografische controlesom (CC)
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
De „gewone” verwerkingsstatussen voor het UPDATE
BINARY-commando zonder beveiligde berichtenuitwisse
ling (zie beschrijving in punt 3.5.3.1) kunnen met gebruik
making van de hierboven omschreven antwoordbericht
structuur worden teruggezonden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 255
Bovendien kunnen bepaalde fouten optreden die meer in het
bijzonder verband houden met de beveiligde berichtenuitwis
seling. In dit geval wordt de verwerkingsstatus gewoon terug
gezonden zonder beveiligde berichtenuitwisselingsstructuur.
TCS_60 Antwoordbericht bij een fout in de beveiligde berichte
nuitwisseling
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien geen lopende sessiesleutel beschikbaar is, wordt
de verwerkingsstatus „6A88” teruggezonden.
— Indien een aantal verwachte gegevensobjecten (zoals
hierboven gespecificeerd) ontbreekt in het formaat van
de beveiligde berichtenuitwisseling, wordt de verwer
kingsstatus „6987” teruggezonden: deze fout treedt op
wanneer een verwacht label ontbreekt of wanneer het
commandoveld niet correct samengesteld is.
— Indien een aantal gegevensobjecten niet correct is,
wordt de verwerkingsstatus „6988” teruggezonden:
deze fout treedt op wanneer alle vereiste labels aan
wezig zijn, maar een aantal lengtes afwijkt van de ver
wachte lengtes.
— Indien de verificatie van de cryptografische controlesom
mislukt, wordt de verwerkingsstatus „6688”
teruggezonden.
3.5.3.2 C o m m a n d o m e t k o r t e E F - i d e n t i f i c a t o r
Met deze commandovariant kan de IFD een hoofdbestand (EF) selec
teren met behulp van een korte EF-identificator, en gegevens van deze
EF schrijven.
TCS_61 Een tachograafkaart ondersteunt deze commandovariant
voor alle hoofdbestanden met een specifieke korte
EF-identificator. Deze korte EF-identificatoren worden ge
specificeerd in hoofdstuk 4.
TCS_62 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „D6h” Update Binary (Werk binair getal bij)
P1 1 „XXh” Bit 8 wordt op „1” gezet
Bits 7 en 6 worden op „00” gezet
Bits 5 t/m 1 coderen de korte EF-identificator van de
corresponderende EF
P2 1 „XXh” Codeert een offset van 0 t/m 255 bytes in de EF waar
naar P1 verwijst
Lc 1 „NNh” Lc lengte van bij te werken gegevens. Aantal te schrijven
bytes
#6-#(5+NN) NN „XX..XXh” Te schrijven gegevens
TCS_63 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
Opmerking: de korte EF-identificatoren die voor tacho
graaftoepassingen van de tweede generatie worden ge
bruikt, worden gespecificeerd in hoofdstuk 4.
Indien P1 een korte EF-identificator codeert en het com
mando succesvol is, wordt het geïdentificeerde
hoofdbestand (EF) de thans geselecteerde (geldige) EF.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 256
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien het met de korte EF-identificator corresponde
rende bestand niet wordt gevonden, wordt de verwer
kingsstatus „6A82” teruggezonden.
— Indien niet wordt voldaan aan de beveiligingsvoorwaar
den van het geselecteerde bestand, wordt het com
mando onderbroken met „6982”.
— Indien de offset niet compatibel is met de grootte van
het hoofdbestand (offset > grootte EF), wordt de ver
werkingsstatus „6B00” teruggezonden.
— Indien de grootte van de te schrijven gegevens niet
compatibel is met de grootte van het hoofdbestand (off
set + Lc > grootte EF), wordt de verwerkingsstatus
„6700” teruggezonden.
▼M1
— Indien binnen de bestandsattributen een integriteitsfout
wordt ontdekt, moet de kaart het bestand als beschadigd
en verloren beschouwen; de teruggezonden verwer
kingsstatus is „6400” of „6500”.
▼B
— Indien het schrijven mislukt, wordt de verwerkingssta
tus „6581” teruggezonden.
3.5.3.3 C o m m a n d o m e t o n e v e n i n s t r u c t i e b y t e
Met deze commandovariant kan de IFD gegevens schrijven in een
hoofdbestand (EF) dat 32 768 bytes of meer bevat.
TCS_64 Een tachograafkaart die ondersteuning biedt aan EF's met
32 768 bytes of meer, ondersteunt deze commandovariant
voor die EF's. Een tachograafkaart kan deze commandova
riant al dan niet ondersteunen voor andere EF's.
TCS_65 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „D7h” Update Binary (Werk binair getal bij)
P1 1 „00h” Geldige EF
P2 1 „00h”
Lc 1 „NNh” Lc Lengte van gegevens in het gegevensveld van het
commando
#6-#(5+NN) NN „XX..XXh” Offset-gegevensobject met label „54h” || Discretionair
gegevensobject met label „53h”, waarin de te schrijven
gegevens zijn ingekapseld
De IFD codeert de lengte van het offset-gegevensobject en
het discretionair gegevensobject met zo weinig mogelijk
bytes, en gebruikt met andere woorden de lengtebyte „01h”
om een offset/lengte te coderen van 0 tot en met 255 bytes,
en de lengtebyte „02h” om een offset/lengte te coderen van
256 tot en met 65 535 bytes.
TCS_66 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 257
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien geen EF is geselecteerd, wordt de verwerkings
status „6986” teruggezonden.
— Indien niet wordt voldaan aan de beveiligingsvoorwaar
den van het geselecteerde bestand, wordt het com
mando onderbroken met „6982”.
— Indien de offset niet compatibel is met de grootte van
het hoofdbestand (offset > grootte EF), wordt de ver
werkingsstatus „6B00” teruggezonden.
— Indien de grootte van de te schrijven gegevens niet
compatibel is met de grootte van het hoofdbestand (off
set + Lc > grootte EF), wordt de verwerkingsstatus
„6700” teruggezonden.
— Indien in de bestandsattributen een integriteitsfout
wordt vastgesteld, beschouwt de kaart het bestand als
beschadigd en definitief verloren en wordt de verwer
kingsstatus „6400” of „6500” teruggezonden.
— Indien het schrijven mislukt, wordt de verwerkingssta
tus „6581” teruggezonden.
3.5.3.3.1 C o m m a n d o m e t b e v e i l i g d e b e r i c h t e n u i t w i s s e l i n g
( v o o r b e e l d )
Het volgende voorbeeld verduidelijkt het gebruik van beveiligde be
richtenuitwisseling indien de beveiligingsvoorwaarde SM-MAC-G2
van toepassing is.
TCS_67 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „0Ch” Beveiligde berichtenuitwisseling gevraagd
INS 1 „D7h” Update Binary (Werk binair getal bij)
P1 1 „00h” Geldige EF
P2 1 „00h”
Lc 1 „XXh” Lengte van het beveiligde gegevensveld
#6 1 „B3h” Label voor ongecodeerde waarde van met BER-TLV
gecodeerde gegevens
#7 L „NNh” of
„81 NNh”
L PV : lengte van overgebrachte gegevens
L is 2 bytes indien L PV > 127 bytes
#(7+L)-
#(6+L+NN)
NN „XX..XXh” Ongecodeerde waarde van met BER-TLV gecodeerde
gegevens, d.w.z. offset-gegevensobject met label „54h”
|| Discretionair gegevensobject met label „53h”, waarin
de te schrijven gegevens zijn ingekapseld
#(7+L+NN) 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom
#(8+L+NN) 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische controlesom
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#(9+L+NN)-
#(8+M+L+
NN)
M „XX..XXh” Cryptografische controlesom
Le 1 „00h” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 258
TCS_68 Antwoordbericht indien het commando succesvol is
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1 1 „99h” T SW : label voor statuswoorden (te beveiligen door CC)
#2 1 „02h” L SW : lengte van teruggezonden statuswoorden
#3-#4 2 „XXXXh” Verwerkingsstatus van het onbeveiligde APDU-antwoord
#5 1 „8Eh” T CC : label voor cryptografische controlesom
#6 1 „XXh” L CC : lengte van volgende cryptografische controlesom
„08h”, „0Ch” of „10h” afhankelijk van de
AES-sleutellengte voor beveiligde berichtenuitwisseling
van de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#7-#(6+L) L „XX..XXh” Cryptografische controlesom
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
3.5.4 GET CHALLENGE
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4, maar heeft een beperkt
gebruik vergeleken met het in die norm gedefinieerde commando.
Via het GET CHALLENGE-commando wordt de kaart gevraagd een
identiteit af te geven voor gebruik in een beveiligingsprocedure waar
bij een cryptogram of een aantal gecodeerde gegevens naar de kaart
wordt verzonden.
TCS_69 De door de kaart afgegeven identiteit geldt alleen voor het
volgende naar de kaart verzonden commando dat een iden
titeit gebruikt.
TCS_70 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „84h” INS
P1 1 „00h” P1
P2 1 „00h” P2
Le 1 „08h” Le (lengte van de verwachte identiteit)
TCS_71 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#8 8 „XX..XXh” Identiteit
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien Le verschilt van „08h”, is de verwerkingsstatus
„6700”.
— Indien de parameters P1-P2 niet correct zijn, is de ver
werkingsstatus „6A86”.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 259
3.5.5 VERIFY
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4, maar heeft een beperkt
gebruik vergeleken met het in die norm gedefinieerde commando.
Alleen de werkplaatskaart is vereist om dit commando te
ondersteunen.
Op andere soorten tachograafkaarten kan dit commando al dan niet
worden geïmplementeerd. Voor deze kaarten wordt echter geen
referentie-CHV gepersonaliseerd. Bijgevolg kunnen deze kaarten dit
commando niet met succes uitvoeren. Indien dit commando wordt
verzonden voor andere tachograafkaarten dan werkplaatskaarten, valt
de werking — dat wil zeggen de teruggezonden foutcode — buiten
het toepassingsgebied van deze specificatie.
Het VERIFY-commando start de vergelijking in de kaart van de door
het commando verzonden CHV-gegevens (pincode) met de op de
kaart opgeslagen referentie-CHV.
▼M1
TCS_72 De door de gebruiker ingevoerde pincode moet in ASCII
gecodeerd zijn en rechts door de IFD worden opgevuld met
„FFh”-bytes tot een lengte van 8 bytes (zie ook het gege
venstype WorkshopCardPIN in aanhangsel 1).
▼B
TCS_73 Tachograaftoepassingen van de eerste en de tweede gene
ratie gebruiken dezelfde referentie-CHV.
TCS_74 De tachograafkaart controleert of het commando juist geco
deerd is. Indien het commando niet juist gecodeerd is,
beëindigt de kaart het commando zonder de
CHV-waarden te vergelijken, zonder de teller voor reste
rende CHV-pogingen te verlagen en zonder de beveili
gingsstatus „PIN_Verified” terug te stellen. Een commando
geldt als juist gecodeerd indien de bytes CLA, INS, P1, P2
en Lc de voorgeschreven waarden bevatten, indien Le af
wezig is en indien het gegevensveld van het commando de
juiste lengte heeft.
TCS_75 Indien het commando succesvol is, wordt de teller voor
resterende CHV-pogingen opnieuw geïnitialiseerd. De be
ginwaarde van de teller voor resterende CHV-pogingen is
5. Indien het commando succesvol is, stelt de kaart de
interne beveiligingsstatus in op „PIN_Verified”. De kaart
stelt deze beveiligingsstatus terug indien de kaart wordt
teruggesteld of indien de in het commando overgebrachte
CHV-code niet overeenstemt met de opgeslagen
referentie-CHV.
Opmerking: door gebruik te maken van dezelfde
referentie-CHV en van een algemene beveiligingsstatus,
wordt vermeden dat de werkplaatsmedewerker de pincode
opnieuw moet invoeren na het selecteren van een andere
DF van de tachograaftoepassing.
TCS_76 Een niet-succesvolle vergelijking wordt op de kaart gere
gistreerd door de teller voor resterende CHV-pogingen met
1 te verlagen ter beperking van het aantal latere pogingen
om de referentie-CHV te gebruiken.
TCS_77 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „20h” INS
P1 1 „00h” P1
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 260
Byte Lengte Waarde Omschrijving
P2 1 „00h” P2 (de geverifieerde CHV is impliciet bekend)
Lc 1 „08h” Lengte van de overgebrachte CHV-code
#6-#13 8 „XX..XXh” CHV
TCS_78 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de referentie-CHV niet wordt gevonden, wordt
de verwerkingsstatus „6A88” teruggezonden.
— Indien de CHV geblokkeerd is (de teller voor resterende
CHV-pogingen staat op nul), wordt de verwerkingssta
tus „6983” teruggezonden. Zodra die status actief is,
kan de CHV niet meer met succes worden aangeboden.
— Indien de vergelijking niet succesvol is, wordt de teller
voor resterende pogingen verlaagd en wordt de status
„63CX” teruggezonden (waarbij „X” groter is dan nul
en gelijk aan de teller voor resterende CHV-pogingen).
— Indien de referentie-CHV beschadigd is, wordt de ver
werkingsstatus „6400” of „6581” teruggezonden.
— Indien Lc verschilt van „08h”, is de verwerkingsstatus
„6700”.
3.5.6 GET RESPONSE
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4.
Dit commando is alleen nodig en beschikbaar voor het protocol T = 0.
Met dit commando worden de voorbereide gegevens van de kaart
overgebracht naar de interface-inrichting (IFD) voor zover zowel Lc
als Le in het commando was opgenomen.
Het GET RESPONSE-commando moet worden gegeven onmiddellijk
na het commando om de gegevens voor te bereiden. Zo niet, gaan de
gegevens verloren. Na de uitvoering van het GET
RESPONSE-commando (tenzij de fout „61xx” of „6Cxx” optreedt,
zie hieronder) zijn de eerder voorbereide gegevens niet langer
beschikbaar.
TCS_79 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „C0h”
P1 1 „00h”
P2 1 „00h”
Le 1 „XXh” Aantal verwachte bytes
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 261
TCS_80 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#X X „XX..XXh” Gegevens
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de kaart geen gegevens heeft voorbereid, wordt
de verwerkingsstatus „6900” of „6F00” teruggezonden.
— Indien Le het aantal beschikbare bytes overschrijdt of
gelijk is aan nul, wordt de verwerkingsstatus „6Cxx”
teruggezonden, waarbij „xx” het exacte aantal beschik
bare bytes aangeeft. In dit geval zijn de voorbereide
gegevens nog beschikbaar voor een volgend GET
RESPONSE-commando.
— Indien Le verschilt van nul en kleiner is dan het aantal
beschikbare bytes, worden de vereiste gegevens ge
woon door de kaart verzonden en wordt de verwer
kingsstatus „61xx” teruggezonden, waarbij „xx” een
aantal extra bytes aangeeft dat nog beschikbaar is
voor een volgend GET RESPONSE-commando.
— Indien het commando niet wordt ondersteund (protocol
T = 1), zendt de kaart „6D00” terug.
3.5.7 PSO: VERIFY CERTIFICATE
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-8, maar heeft een beperkt
gebruik vergeleken met het in deze norm gedefinieerde commando.
De kaart gebruikt het VERIFY CERTIFICATE-commando om een
externe openbare sleutel te verkrijgen en de geldigheid ervan te
controleren.
3.5.7.1 C o m m a n d o - a n t w o o r d p a a r v o o r d e e e r s t e g e n e r a t i e
TCS_81 Deze commandovariant wordt alleen ondersteund door ta
chograaftoepassingen van de eerste generatie.
TCS_82 Wanneer een VERIFY CERTIFICATE-commando succes
vol is, wordt de openbare sleutel in de beveiligingsomge
ving opgeslagen voor toekomstig gebruik. Deze sleutel
wordt expliciet ingesteld voor gebruik in beveiligingsgere
lateerde commando's (INTERNAL AUTHENTICATE, EX
TERNAL AUTHENTICATE of VERIFY CERTIFICATE)
door het MSE-commando (zie punt 3.5.11) met behulp van
de bijbehorende sleutelidentificator.
TCS_83 Het VERIFY CERTIFICATE-commando gebruikt hoe dan
ook de openbare sleutel die het MSE-commando eerder
heeft geselecteerd om het certificaat te openen. Deze open
bare sleutel moet die van een lidstaat of van Europa zijn.
TCS_84 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit (PSO)
P1 1 „00h” P1
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 262
Byte Lengte Waarde Omschrijving
P2 1 „AEh” P2: niet met BER-TLV gecodeerde gegevens (samenvoe
ging van gegevenselementen)
Lc 1 „C2h” Lc: lengte van het certificaat, 194 bytes
#6-#199 194 „XX..XXh” Certificaat: samenvoeging van gegevenselementen (zoals
omschreven in aanhangsel 11)
TCS_85 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de certificaatverificatie mislukt, wordt de verwer
kingsstatus „6688” teruggezonden. De procedure voor
certificaatverificatie en openmaken van het certificaat
wordt nader omschreven in aanhangsel 11 voor tacho
graaftoepassingen van de eerste en de tweede generatie.
— Indien geen openbare sleutel in de beveiligingsomge
ving aanwezig is, wordt „6A88” teruggezonden.
— Indien de geselecteerde openbare sleutel (waarmee het
certificaat wordt opengemaakt) beschadigd is, wordt de
verwerkingsstatus „6400” of „6581” teruggezonden.
— Alleen voor tachograaftoepassingen van de eerste gene
ratie:
Indien de geselecteerde openbare sleutel (waarmee het
certificaat wordt opengemaakt) een andere CHA.LSB
( )
heeft dan „00” (dat wil zeggen niet die van een lidstaat
of van Europa is), wordt de verwerkingsstatus „6985”
teruggezonden.
3.5.7.2 C o m m a n d o - a n t w o o r d p a a r v o o r t a c h o g r a a f t o e p a s
s i n g e n v a n d e t w e e d e g e n e r a t i e
In verband met de grootte van de elliptische kromme kunnen
ECC-certificaten zo lang zijn dat het niet mogelijk is om ze in een
enkele APDU te verzenden. In dit geval moeten de commando's aan
elkaar worden gekoppeld („geketend”) overeenkomstig ISO/IEC
7816-4, en wordt het certificaat verzonden in twee opeenvolgende
APDU-commando's PSO: Verify Certificate.
De certificaatstructuur en domeinparameters zijn gedefinieerd in aan
hangsel 11.
▼M3
TCS_86 Het commando kan worden uitgevoerd in MF, DF Tacho
graaf en DF Tachograaf_G2 (zie ook TCS_34).
▼B
TCS_87 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „X0h” CLA-byte die aangeeft dat de commando's worden ge
ketend
„00h” het enige of laatste commando van de keten
„10h” niet het laatste commando van de keten
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit (PSO)
P1 1 „00h”
P2 1 „BEh” Verifieer zelfbeschrijvend certificaat
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 263
Byte Lengte Waarde Omschrijving
Lc 1 „XXh” Lengte van het gegevensveld van het commando (zie
TCS_88 en TCS_89).
#6-#5+L L „XX..XXh” Met DER-TLV gecodeerde gegevens: inhoud van het
ECC-certificaat als eerste gegevensobject samengevoegd
met de handtekening van het ECC-certificaat als tweede
gegevensobject of met een deel van deze samenvoeging.
Het label „7F21” en de bijbehorende lengte worden niet
verzonden.
Deze gegevensobjecten hebben een vastgelegde
volgorde.
▼M3
TCS_88 Voor APDU's met korte lengte geldt het volgende: de IFD
gebruikt het minimaal vereiste aantal APDU's om de pay
loadgegevens van het commando over te brengen en om
het maximumaantal bytes in het eerste APDU-commando te
verzenden. Elke waarde van „Lc” tot 255 bytes moet door
de kaart worden ondersteund.
TCS_89 Voor APDU's met uitgebreide lengte geldt het volgende:
indien het certificaat niet in een enkele APDU past, onder
steunt de kaart het ketenen van commando's. De IFD ge
bruikt het minimaal vereiste aantal APDU's om de paylo
adgegevens van het commando over te brengen en om het
maximumaantal bytes in het eerste APDU-commando te
verzenden. Als er moet worden geketend, moet elke waarde
van „Lc” tot de opgegeven maximale uitgebreide lengte
door de kaart worden ondersteund.
Opmerking: overeenkomstig aanhangsel 11 slaat de kaart
het certificaat of de toepasselijke inhoud daarvan op en
werkt de kaart de currentAuthenticatedTime bij.
De antwoordberichtstructuur en statuswoorden zijn vast
gelegd in TCS_85.
▼B
TCS_90 Naast de in TCS_85 opgesomde foutcodes kan de kaart de
volgende foutcodes terugzenden:
— Indien de geselecteerde openbare sleutel (waarmee het
certificaat wordt opengemaakt) een CHA.LSB (Certifi
cateHolderAuthorisation.equipmentType) heeft die niet
geschikt is voor certificaatverificatie overeenkomstig
aanhangsel 11, wordt de verwerkingsstatus „6985”
teruggezonden.
— Indien de currentAuthenticatedTime van de kaart valt
na de datum waarop de geldigheid van het certificaat
afloopt, wordt de verwerkingsstatus „6985”
teruggezonden.
— Indien het laatste commando van de keten wordt ver
wacht, zendt de kaart „6883” terug.
— Indien onjuiste parameters worden verzonden in het
gegevensveld van het commando, zendt de kaart
„6A80” terug (dat is ook het geval indien de gegevens
objecten niet in de voorgeschreven volgorde worden
verzonden).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 264
3.5.8 INTERNAL AUTHENTICATE
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4.
TCS_91 Alle tachograafkaarten ondersteunen dit commando in DF
Tachograaf G1. Dit commando kan al dan niet toegankelijk
zijn in MF en/of in DF Tachograaf_G2. Als dat het geval
is, wordt het commando beëindigd met de toepasselijke
foutcode aangezien de particuliere sleutel van de kaart
(Card.SK) voor het authenticatieprotocol van de eerste ge
neratie alleen toegankelijk is in DF_Tachograaf van de
eerste generatie.
Met het INTERNAL AUTHENTICATE-commando kan de
IFD de kaart authenticeren. De authenticatieprocedure
wordt uiteengezet in aanhangsel 11. Hierbij worden de on
derstaande instructies toegepast.
TCS_92 Het INTERNAL AUTHENTICATE-commando gebruikt de
(impliciet geselecteerde) particuliere sleutel van de kaart ter
ondertekening van de authenticatiegegevens met inbegrip
van K1 (eerste element voor sleutelovereenstemming tij
dens de sessie) en RND1, en gebruikt de thans geselec
teerde openbare sleutel (via het laatste MSE-commando)
om de handtekening te coderen en het authenticatieteken
te genereren (zie aanhangsel 11 voor meer informatie).
TCS_93 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h” CLA
INS 1 „88h” INS
P1 1 „00h” P1
P2 1 „00h” P2
Lc 1 „10h” Lengte van naar de kaart verzonden gegevens
#6 — #13 8 „XX..XXh” Identiteit gebruikt om de kaart te authenticeren
#14 -#21 8 „XX..XXh” VU.CHR (zie aanhangsel 11)
Le 1 „80h” Lengte van de gegevens die van de kaart worden ver
wacht
TCS_94 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#128 128 „XX..XXh” Kaartauthenticatieteken (zie aanhangsel 11)
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien geen openbare sleutel in de beveiligingsomge
ving aanwezig is, wordt de verwerkingsstatus „6A88”
teruggezonden.
— Indien geen particuliere sleutel in de beveiligingsomge
ving aanwezig is, wordt de verwerkingsstatus „6A88”
teruggezonden.
— Indien VU.CHR niet overeenstemt met de identificator
van de huidige openbare sleutel, wordt de verwerkings
status „6A88” teruggezonden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 265
— Indien de geselecteerde particuliere sleutel beschadigd
is, wordt de verwerkingsstatus „6400” of „6581”
teruggezonden.
▼M1
TCS_95 Indien het INTERNAL AUTHENTICATE-commando suc
cesvol is, wordt de lopende sessiesleutel van de eerste ge
neratie (indien aanwezig) gewist en is die niet langer be
schikbaar. Om een nieuwe sessiesleutel van de eerste ge
neratie te krijgen, moet het EXTERNAL
AUTHENTICATE-commando succesvol worden uitge
voerd voor het authenticatiemechanisme van de eerste
generatie.
Opmerking:
Voor sessiesleutels van de tweede generatie, zie aanhangsel
11, punten CSM_193 en CSM_195. Wanneer sessiesleutels
van de tweede generatie zijn vastgesteld en de tachograaf
kaart het ondubbelzinnige commando INTERNAL AU
THENTICATE APDU ontvangt, wordt de sessie voor be
veiligde berichtenuitwisseling van de tweede generatie af
gebroken en worden de sessiesleutels van generatie 2
vernietigd.
▼B
3.5.9 EXTERNAL AUTHENTICATE
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4.
Met het EXTERNAL AUTHENTICATE-commando kan de kaart de
IFD authenticeren. De authenticatieprocedure wordt uiteengezet in
aanhangsel 11 voor tachograaftoepassingen van de eerste en de
tweede generatie (VU-authenticatie).
TCS_96 Wat betreft het mechanisme voor wederzijdse authenticatie
van de eerste generatie wordt deze commandovariant uit
sluitend ondersteund door tachograaftoepassingen van de
eerste generatie.
▼M1
TCS_97 De commandovariant voor de wederzijdse authenticatie van
VU-kaarten van de tweede generatie kan worden uitgevoerd
in MF, DF Tachograaf en DF Tachograaf_G2 (zie ook
TCS_34). Indien dit EXTERNAL AUTHENTICATE-com
mando van de tweede generatie succesvol is, wordt de lo
pende sessiesleutel van de eerste generatie (indien aanwezig)
gewist en is die niet langer beschikbaar.
Opmerking:
Voor sessiesleutels van de tweede generatie, zie aanhangsel
11, punten CSM_193 en CSM_195. Wanneer sessiesleutels
van de tweede generatie zijn vastgesteld en de tachograaf
kaart het ondubbelzinnige commando EXTERNAL AU
THENTICATE APDU ontvangt, wordt de sessie voor be
veiligde berichtenuitwisseling van de tweede generatie af
gebroken en worden de sessiesleutels van de tweede gene
ratie vernietigd.
▼B
TCS_98 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h” CLA
INS 1 „82h” INS
P1 1 „00h” Sleutels en algoritmen impliciet bekend
P2 1 „00h”
Lc 1 „XXh” Lc: lengte van de naar de kaart verzonden gegevens
#6-#(5+L) L „XX..XXh” Authenticatie van de eerste generatie: cryptogram (zie
aanhangsel 11, deel A)
Authenticatie van de tweede generatie: handtekening ge
genereerd door de IFD (zie aanhangsel 11, deel B)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 266
TCS_99 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de CHA van de thans ingestelde openbare sleutel
niet de samenvoeging is van de AID van de tachograaf
toepassing en van een model van VU-apparatuur, wordt
de verwerkingsstatus „6F00” teruggezonden.
— Indien het commando niet onmiddellijk wordt voorafge
gaan door een GET CHALLENGE-commando, wordt
de verwerkingsstatus „6985”teruggezonden.
De tachograaftoepassing van de eerste generatie kan de
volgende aanvullende foutcodes terugzenden:
— Indien geen openbare sleutel in de beveiligingsomge
ving aanwezig is, wordt „6A88” teruggezonden.
— Indien geen particuliere sleutel in de beveiligingsomge
ving aanwezig is, wordt de verwerkingsstatus „6A88”
teruggezonden.
— Indien de verificatie van het cryptogram mislukt, wordt
de verwerkingsstatus „6688” teruggezonden.
— Indien de geselecteerde particuliere sleutel beschadigd
is, wordt de verwerkingsstatus „6400” of „6581”
teruggezonden.
De commandovariant voor authenticatie van de tweede ge
neratie kan de volgende aanvullende foutcode terugzenden:
— Indien de handtekeningverificatie mislukt is, zendt de
kaart „6300” terug.
3.5.10 GENERAL AUTHENTICATE
Dit commando wordt gebruikt voor het chipauthenticatieprotocol van
de tweede generatie, zoals gespecificeerd in deel B van aanhangsel 11,
en voldoet aan ISO/IEC 7816-4.
TCS_100 Het commando kan worden uitgevoerd in MF, DF Tacho
graaf en DF Tachograaf_G2 (zie ook TCS_34).
TCS_101 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „86h”
P1 1 „00h” Sleutels en protocol impliciet bekend
P2 1 „00h”
Lc 1 „NNh” Lc: lengte van het volgende gegevensveld
#6-#(5+L) L „7Ch” + L 7C +
„80h” + L 80 +
„XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde waarde van de tijdelijke
openbare sleutel (zie aanhangsel 11)
De VU verzendt de gegevensobjecten in deze
volgorde.
▼M3
Le 1 „00h” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 267
TCS_102 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#L L „7Ch” + L 7C + „81h”
+ „08h” +
„XX..XXh” + „82h”
+ L 82 + „XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde dynamische authen
ticatiegegevens: nonce (willekeurig getal) en
authenticatieteken (zie aanhangsel 11)
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— De kaart zendt „6A80” terug om te wijzen op onjuiste
parameters in het gegevensveld.
— De kaart zendt „6982” terug indien het External
Authenticate-commando niet met succes werd
uitgevoerd.
Het antwoord van het gegevensobject voor dynamische
authenticatie „7Ch”:
— moet aanwezig zijn indien de bewerking succesvol is,
dat wil zeggen wanneer de statuswoorden gelijk zijn
aan „9000”,
— moet afwezig zijn in geval van een uitvoerings- of con
trolefout, dat wil zeggen wanneer de statuswoorden lig
gen tussen „6400” en „6FFF”, en
— kan afwezig zijn in geval van een waarschuwing, dat
wil zeggen wanneer de statuswoorden liggen tussen
„6200” en „63FF”.
3.5.11 MANAGE SECURITY ENVIRONMENT
Het MSE-commando wordt gebruikt om een openbare sleutel voor
authenticatiedoeleinden in te stellen.
3.5.11.1 C o m m a n d o - a n t w o o r d p a a r v o o r t a c h o g r a a f t o e p a s
s i n g e n v a n d e e e r s t e g e n e r a t i e
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-4. Het gebruik van dit
commando is beperkt vergeleken met de toepasselijke norm.
TCS_103 Dit commando wordt alleen ondersteund door tachograaf
toepassingen van de eerste generatie.
TCS_104 De in het MSE-gegevensveld genoemde sleutel blijft de
huidige openbare sleutel tot het volgende correcte
MSE-commando, totdat een DF wordt geselecteerd of tot
dat de kaart wordt teruggesteld.
TCS_105 Indien de genoemde sleutel (nog) niet in de kaart aanwezig
is, blijft de beveiligingsomgeving ongewijzigd.
TCS_106 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h” CLA
INS 1 „22h” INS
P1 1 „C1h” P1: genoemde sleutel, geldig voor alle cryptografische
bewerkingen
P2 1 „B6h” P2: genoemde gegevens met betrekking tot de digitale
handtekening
Lc 1 „0Ah” Lc: lengte van het volgende gegevensveld
#6 1 „83h” Label ter verwijzing naar een openbare sleutel in asym
metrische gevallen
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 268
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#7 1 „08h” Lengte van de sleutelreferentie (sleutelidentificator)
#8-#15 8 „XX..XXh” Sleutelidentificator zoals gespecificeerd in aanhangsel 11
TCS_107 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de genoemde sleutel niet op de kaart aanwezig
is, wordt de verwerkingsstatus„6A88” teruggezonden.
— Indien een aantal verwachte gegevensobjecten in het
beveiligde berichtenuitwisselingsformaat ontbreekt,
wordt de verwerkingsstatus „6987” teruggezonden. Dit
kan gebeuren wanneer het label „83h” ontbreekt.
— Indien een aantal gegevensobjecten niet correct is,
wordt de verwerkingsstatus „6988” teruggezonden. Dit
kan gebeuren wanneer de lengte van de sleutelidentifi
cator verschilt van „08h”.
— Indien de geselecteerde sleutel beschadigd is, wordt de
verwerkingsstatus „6400” of „6581” teruggezonden.
3.5.11.2 C o m m a n d o - a n t w o o r d p a r e n v o o r t a c h o g r a a f t o e
p a s s i n g e n v a n d e t w e e d e g e n e r a t i e
Voor de authenticatie van de tweede generatie ondersteunt de tacho
graafkaart de volgende MSE: Set-commandoversies die voldoen aan
ISO/IEC 7816-4. Deze commandoversies worden niet ondersteund
voor de authenticatie van de eerste generatie.
3.5.11.2.1 M S E : S E T A T - c o m m a n d o v o o r c h i p a u t h e n t i c a t i e
Het volgende MSE:SET AT-commando wordt gebruikt om de para
meters te selecteren voor de chipauthenticatie die wordt uitgevoerd
door een volgend General Authenticate-commando.
TCS_108 Het commando kan worden uitgevoerd in MF, DF Tacho
graaf en DF Tachograaf_G2 (zie ook TCS_34).
TCS_109 MSE:SET AT-commandobericht voor chipauthenticatie
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „22h”
P1 1 „41h” Ingesteld voor interne authenticatie
P2 1 „A4h” Authenticatie
Lc 1 „NNh” Lc: lengte van het volgende gegevensveld
#6-#(5+L) L „80h” +
„0Ah” +
„XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde referentie voor het cryptogra
fisch mechanisme: objectidentificator van de chipauthen
ticatie (alleen waarde, label „06h” wordt weggelaten).
Zie aanhangsel 1 voor de waarden van de objectidenti
ficatoren; de notatie in byte wordt gebruikt. Zie aanhang
sel 11 voor meer uitleg over de wijze waarop een van
deze objectidentificatoren wordt geselecteerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 269
3.5.11.2.2 M S E : S E T A T - c o m m a n d o v o o r V U - a u t h e n t i c a t i e
Het volgende MSE:SET AT-commando wordt gebruikt om de para
meters en sleutels te selecteren voor de VU-authenticatie die wordt
uitgevoerd door een volgend External Authenticate-commando.
TCS_110 Het commando kan worden uitgevoerd in MF, DF Tacho
graaf en DF Tachograaf_G2 (zie ook TCS_34).
TCS_111 MSE:SET AT-commandobericht voor VU-authenticatie
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „22h”
P1 1 „81h” Ingesteld voor externe authenticatie
P2 1 „A4h” Authenticatie
Lc 1 „NNh” Lc: lengte van het volgende gegevensveld
#6-#(5+L) L „80h” + „0Ah”
+ „XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde referentie voor het cryptogra
fisch mechanisme: objectidentificator van de
VU-authenticatie (alleen waarde, label „06h” wordt weg
gelaten).
Zie aanhangsel 1 voor de waarden van de objectidenti
ficatoren; de notatie in byte wordt gebruikt. Zie aanhang
sel 11 voor meer uitleg over de wijze waarop een van
deze objectidentificatoren wordt geselecteerd.
„83h” + „08h”
+ „XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde referentie van de openbare
VU-sleutel op basis van de referentie van de certificaat
houder die in zijn certificaat vermeld staat.
„91h” + L 91 +
„XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde gecomprimeerde voorstelling
van de tijdelijke openbare sleutel van de VU die tijdens
de chipauthenticatie wordt gebruikt (zie aanhangsel 11)
3.5.11.2.3 M S E : S E T D S T
Het volgende MSE:SET DST-commando wordt gebruikt om een
openbare sleutel in te stellen:
— ter verificatie van een handtekening die in een volgend PSO:
Verify Digital Signature-commando wordt verstrekt, of
— voor de handtekeningverificatie van een certificaat dat in een vol
gend PSO: Verify Certificate-commando wordt verstrekt.
TCS_112 Het commando kan worden uitgevoerd in MF, DF Tacho
graaf en DF Tachograaf_G2 (zie ook TCS_33).
TCS_113 MSE:SET DST-commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h”
INS 1 „22h”
P1 1 „81h” Ingesteld ter verificatie
P2 1 „B6h” Digitale handtekening
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 270
Byte Lengte Waarde Omschrijving
Lc 1 „NNh” Lc: lengte van het volgende gegevensveld
#6-#(5+L) L „83h” + „08h”
+ „XX...XXh”
Met DER-TLV gecodeerde referentie van een openbare
sleutel, dat wil zeggen de referentie van de certificaat
houder in het openbare-sleutelcertificaat (zie aanhangsel
11)
Voor alle commandoversies worden de antwoordberichtstructuur en
statuswoorden verstrekt door:
TCS_114 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug. Het protocol is geselecteerd en geïnitia
liseerd.
— „6A80” wijst op onjuiste parameters in het gegevens
veld van het commando.
— „6A88” geeft aan dat het genoemde gegeven (dat wil
zeggen een genoemde sleutel) niet beschikbaar is.
▼M1
— Indien de currentAuthenticatedTime van de kaart valt
na de datum waarop de geldigheid van geselecteerde
openbare sleutel afloopt, wordt de verwerkingsstatus
„6A88” teruggezonden.
Opmerking:
In het geval van een commando MSE:SET AT for VU
Authentication is de genoemde sleutel een openbare sleutel
VU_MA. Voor zover beschikbaar in haar geheugen, stelt
de kaart de openbare sleutel VU_MA die overeenstemt met
de referentie van de certificaathouder (CHR) in het gege
vensveld van het commando (de kaart kan openbare sleu
tels VU_MA identificeren aan de hand van het CHA-veld
van het certificaat) in voor gebruik. Een kaart antwoordt
alleen met „6A 88” op dit commando wanneer de openbare
sleutel VU_Sign niet beschikbaar is of geen enkele open
bare sleutel van de voertuigunit beschikbaar is. Zie aan
hangsel 11 voor de definitie van het CHA-veld en aan
hangsel 1 voor de definitie van het gegevenstype equip
mentType.
In het geval een MSE:SET DST-commando dat verwijst
naar een EQT (d.w.z. een VU of een kaart) wordt verzon
den naar een controlekaart, is de genoemde sleutel volgens
CSM_234 altijd een EQT_Sign-sleutel die moet worden
gebruikt voor de verificatie van een digitale handtekening.
Volgens figuur 13 in aanhangsel 11 slaat de controlekaart
altijd de relevante openbare sleutel EQT_Sign op. In som
mige gevallen is het mogelijk dat de controlekaart de over
eenkomstige openbare sleutel EQT_MA opslaat. De contro
lekaart stelt altijd de openbare sleutel EQT_Sign in voor
gebruik wanneer zij een MSE:SET DST-commando
ontvangt.
▼B
3.5.12 PSO: HASH
Dit commando wordt gebruikt om het resultaat van een hashbereke
ning van een aantal gegevens over te brengen op de kaart. Dit com
mando dient ter verificatie van digitale handtekeningen. De
hashwaarde wordt tijdelijk opgeslagen voor het volgende PSO: Verify
Digital Signature-commando.
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-8. Het gebruik van dit
commando is beperkt vergeleken met de toepasselijke norm.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 271
Alleen de controlekaart is vereist om dit commando te ondersteunen
in DF Tachograaf en DF Tachograaf_G2.
Op andere soorten tachograafkaarten kan dit commando al dan niet
worden geïmplementeerd. Dit commando kan al dan niet toegankelijk
zijn in het stambestand (MF).
Controlekaarten voor tachograaftoepassingen van de eerste generatie
ondersteunen alleen SHA-1.
TCS_115 De tijdelijk opgeslagen hashwaarde wordt verwijderd in
dien een nieuwe hashwaarde wordt berekend met behulp
van het PSO: HASH-commando, indien een DF wordt ge
selecteerd, en indien de tachograafkaart wordt teruggesteld.
TCS_116 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h” CLA
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit (PSO)
P1 1 „90h” Zend hashcode terug
P2 1 „A0h” Label: gegevensveld bevat voor hashfunctie relevante
gegevensobjecten (DO's)
Lc 1 „XXh” Lengte Lc van het volgende gegevensveld
#6 1 „90h” Label voor de hashcode
#7 1 „XXh” Lengte L van de hashcode
„14h” voor tachograaftoepassingen van de eerste genera
tie (zie aanhangsel 11, deel A)
„20h”, „30h” of „40h” voor tachograaftoepassingen van
de tweede generatie (zie aanhangsel 11, deel B)
#8-#(7+L) L „XX..XXh” Hashcode
TCS_117 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien een aantal verwachte gegevensobjecten (zoals
hierboven gespecificeerd) ontbreekt, wordt de verwer
kingsstatus „6987” teruggezonden. Dit kan gebeuren
wanneer een van de labels „90h” ontbreekt.
— Indien een aantal gegevensobjecten niet correct is,
wordt de verwerkingsstatus „6988” teruggezonden.
Deze fout treedt op wanneer het vereiste label aanwezig
is, maar een lengte heeft die verschilt van: „14h” voor
SHA-1, „20h” voor SHA-256, „30h” voor SHA-384,
„40h” voor SHA-512 (tachograaftoepassing van de
tweede generatie).
3.5.13 PERFORM HASH OF FILE
Dit commando voldoet niet aan ISO/IEC 7816-8. De CLA-byte van
dit commando geeft dus een particulier gebruik van PERFORM SE
CURITY OPERATION/HASH.
Alleen de bestuurders- en werkplaatskaart zijn vereist om dit com
mando te ondersteunen in DF Tachograaf en DF Tachograaf_G2.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 272
Op andere soorten tachograafkaarten kan dit commando al dan niet wor
den geïmplementeerd. Voor een bedrijfs- of controlekaart wordt dit com
mando geïmplementeerd op de in dit hoofdstuk vastgelegde wijze.
Dit commando kan al dan niet toegankelijk zijn in het
stambestand (MF). Als dat het geval is, wordt het commando geïm
plementeerd op de in dit hoofdstuk vastgelegde wijze: er wordt met
andere woorden geen hashwaarde berekend, maar het commando
wordt beëindigd met een geschikte foutcode.
TCS_118 Het PERFORM HASH of FILE-commando wordt gebruikt
om het gegevensgebied van de thans geselecteerde trans
parante EF te hashen.
TCS_119 Een tachograafkaart ondersteunt dit commando alleen voor
de hoofdbestanden (EF's) die worden opgesomd in
hoofdstuk 4 onder DF Tachograaf en DF Tachograaf_G2,
zij het met de volgende uitzondering: een tachograafkaart
ondersteunt het commando niet voor de EF Sensor_Instal
lation_Data van DF Tachograaf_G2.
TCS_120 Het resultaat van de hashbewerking wordt tijdelijk in de
kaart opgeslagen. Het kan vervolgens worden gebruikt om
een digitale handtekening van het bestand te krijgen met
gebruikmaking van het PSO: COMPUTE DIGITAL
SIGNATURE-commando.
▼M1
TCS_121 De tijdelijk opgeslagen hashwaarde wordt verwijderd indien
een nieuwe hashwaarde wordt berekend met behulp van het
PERFORM HASH of FILE-commando, indien een DF is
geselecteerd en indien de tachograafkaart wordt teruggesteld.
▼B
TCS_122 Tachograaftoepassingen van de eerste generatie ondersteu
nen SHA-1.
▼M1
TCS_123 Tachograaftoepassingen van de tweede generatie ondersteu
nen het SHA-2-algoritme, SHA-256, SHA-384 of SHA-512,
gespecificeerd aan de hand van de coderingssuite in aanhang
sel 11, deel B, voor de handtekeningssleutel Card_Sign.
▼B
TCS_124 Commandobericht
▼M1
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „80h” CLA
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit
P1 1 „90h” Label: Hash
P2 1 „00h” Algoritme impliciet bekend
Voor tachograaftoepassingen van de eerste generatie:
SHA-1
Voor tachograaftoepassingen van de tweede generatie:
SHA-2-algorithme (SHA-256, SHA-384 of SHA-512),
gedefinieerd aan de hand van de coderingssuite in aan
hangsel 11, deel B, voor de handtekeningssleutel
Card_Sign
▼B
TCS_125 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de geldige EF dit commando niet toestaat (EF
Sensor_Installation_Data in DF Tachograaf_G2), wordt
de verwerkingsstatus „6985” teruggezonden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 273
— Indien de geselecteerde EF beschadigd is (integriteits
fouten in bestandsattributen of opgeslagen gegevens),
wordt de verwerkingsstatus „6400” of „6581”
teruggezonden.
— Indien het geselecteerde bestand geen transparant be
stand is of indien er geen geldige EF is, wordt de ver
werkingsstatus „6986” teruggezonden.
3.5.14 PSO: COMPUTE DIGITAL SIGNATURE
▼M1
Dit commando wordt gebruikt om de digitale handtekening van een
eerder berekende hashcode te berekenen (zie PERFORM HASH of
FILE-commando in punt 3.5.13).
Alleen de bestuurders- en werkplaatskaart zijn vereist om dit com
mando te ondersteunen in DF Tachograaf en DF Tachograaf_G2.
Op andere soorten tachograafkaarten kan dit commando al dan niet
worden geïmplementeerd. In het geval van tachograaftoepassingen
van de tweede generatie hebben alleen de bestuurderskaart en de
werkplaatskaart een handtekeningssleutel van de tweede generatie;
andere kaarten kunnen het commando niet met succes uitvoeren en
beëindigen het commando met een geschikte foutcode.
Dit commando kan al dan niet toegankelijk zijn in het
stambestand (MF). Als het commando niet toegankelijk is in het
MF, eindigt het met een passende foutcode.
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-8. Het gebruik van dit
commando is beperkt vergeleken met de toepasselijke norm.
▼B
TCS_126 Dit commando berekent geen digitale handtekening van een
eerder met het PSO: HASH-commando berekende
hashcode.
TCS_127 De particuliere sleutel van de kaart wordt gebruikt om de
digitale handtekening te berekenen en is impliciet bij de
kaart bekend.
TCS_128 Tachograaftoepassingen van de eerste generatie gebruiken
voor de digitale handtekening een paddingmethode over
eenkomstig PKCS1 (zie aanhangsel 11 voor meer bijzon
derheden).
TCS_129 Tachograaftoepassingen van de tweede generatie berekenen
de digitale handtekening op basis van een elliptische
kromme (zie aanhangsel 11 voor meer bijzonderheden).
TCS_130 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h” CLA
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit (PSO)
P1 1 „9Eh” Terug te zenden digitale handtekening
P2 1 „9Ah” Label: gegevensveld bevat te ondertekenen gegevens.
Als geen gegevensveld opgenomen is, wordt aange
nomen dat de gegevens al op de kaart aanwezig zijn
(hashwaarde van bestand)
Le 1 „NNh” Lengte van de verwachte handtekening
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 274
TCS_131 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#L L „XX..XXh” Handtekening van de eerder berekende hashwaarde
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de impliciet geselecteerde particuliere sleutel be
schadigd is, wordt de verwerkingsstatus „6400” of
„6581” teruggezonden.
— Indien de eerder met een Perform Hash of
File-commando berekende hashwaarde niet beschikbaar
is, wordt de verwerkingsstatus „6985” teruggezonden.
3.5.15 PSO: VERIFY DIGITAL SIGNATURE
Dit commando wordt gebruikt ter verificatie van de digitale hand
tekening die als invoer is opgegeven en waarvan de hashwaarde bij
de kaart bekend is. Het handtekeningalgoritme is impliciet bij de kaart
bekend.
Dit commando voldoet aan ISO/IEC 7816-8. Het gebruik van dit
commando is beperkt vergeleken met de toepasselijke norm.
Alleen de controlekaart is vereist om dit commando te ondersteunen
in DF Tachograaf en DF Tachograaf_G2.
Op andere soorten tachograafkaarten kan dit commando al dan niet
worden geïmplementeerd. Dit commando kan al dan niet toegankelijk
zijn in het stambestand (MF).
TCS_132 Het VERIFY DIGITAL SIGNATURE-commando gebruikt
altijd de door het voorafgaande MSE: SET DST-commando
geselecteerde openbare sleutel en de voorafgaande, door
een PSO: HASH-commando ingevoerde hashcode.
TCS_133 Commandobericht
▼M1
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „00h” CLA
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit
P1 1 „00h”
P2 1 „A8h” Label: gegevensveld bevat voor verificatie relevante
DO's
Lc 1 „XXh” Lengte Lc van het volgende gegevensveld
#6 1 „9Eh” Label voor digitale handtekening
# 7 of
#7-#8
L „NNh” of
„81 NNh”
Lengte van de digitale handtekening (L is 2 bytes als de
digitale handtekening langer is dan 127 bytes):
128 bytes, gecodeerd overeenkomstig deel A van aan
hangsel 11 voor tachograaftoepassingen van de eerste
generatie.
Afhankelijk van de geselecteerde elliptische kromme
voor tachograaftoepassingen van de tweede generatie
(zie deel B van aanhangsel 11).
#(7+L)-
#(6+L+NN)
NN „XX..XXh” Inhoud van de digitale handtekening
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 275
TCS_134 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— Indien de handtekeningverificatie mislukt, wordt de ver
werkingsstatus „6688” teruggezonden. De verificatie
procedure wordt uiteengezet in aanhangsel 11.
— Indien geen openbare sleutel wordt geselecteerd, wordt
de verwerkingsstatus „6A88” teruggezonden.
— Indien een aantal verwachte gegevensobjecten (zoals
hierboven gespecificeerd) ontbreekt, wordt de verwer
kingsstatus „6987” teruggezonden. Dit kan gebeuren
wanneer een van de vereiste labels ontbreekt.
— Indien geen hashcode beschikbaar is om het commando
te verwerken (als gevolg van een voorafgaand PSO:
Hash-commando), wordt de verwerkingsstatus „6985”
teruggezonden.
— Indien een aantal gegevensobjecten niet correct is,
wordt de verwerkingsstatus „6988” teruggezonden. Dit
kan gebeuren wanneer de lengte van een van vereiste
gegevensobjecten niet correct is.
— Indien de geselecteerde openbare sleutel beschadigd is,
wordt de verwerkingsstatus „6400” of „6581”
teruggezonden.
▼M1
— Indien de geselecteerde openbare sleutel (waarmee de
digitale handtekening wordt geverifieerd) een
CHA.LSB (CertificateHolderAuthorisation.equipment
Type) heeft die niet geschikt is voor de verificatie
van digitale handtekeningen overeenkomstig aanhangsel
11, wordt de verwerkingsstatus „6985” teruggezonden.
▼B
3.5.16 PROCESS DSRC MESSAGE
Dit commando wordt gebruikt om de integriteit en authenticiteit van
het DSRC-bericht te verifiëren, alsook om de gegevens te decoderen
die via de DSRC-verbinding worden overgebracht van een VU naar
een controleautoriteit of een werkplaats. De kaart bepaalt de code
ringssleutel en de MAC-sleutel waarmee het DSRC-bericht is bevei
ligd (zie beschrijving in aanhangsel 11, deel B, hoofdstuk 13).
Alleen de controle- en werkplaatskaart zijn vereist om dit commando
te ondersteunen in DF Tachograaf_G2.
Op andere soorten tachograafkaarten kan dit commando al dan niet
worden geïmplementeerd. Deze kaarten hebben echter geen
DSRC-hoofdsleutel („master key”). Bijgevolg wordt dit commando
op deze kaarten niet met succes uitgevoerd, maar beëindigd met een
geschikte foutcode.
Dit commando kan al dan niet toegankelijk zijn in MF en/of in DF
Tachograaf. Als dat het geval is, wordt het commando beëindigd met
een geschikte foutcode.
TCS_135 De DSRC-hoofdsleutel is alleen toegankelijk in DF Tacho
graaf G2; de controle- en werkplaatskaart ondersteunen met
andere woorden alleen een succesvolle uitvoering van dit
commando in DF Tachograaf G2.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 276
TCS_136 Dit commando decodeert alleen de DSRC-gegevens en
controleert de cryptografische controlesom, zij het zonder
de invoergegevens te interpreteren.
TCS_137 De volgorde van de gegevensobjecten (DO's) in het gege
vensveld van het commando wordt vastgelegd in deze
specificatie.
TCS_138 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „80h” Particuliere CLA
INS 1 „2Ah” Voer beveiligingsoperatie uit (PSO)
P1 1 „80h” Antwoordgegevens: ongecodeerde waarde
P2 1 „B0h” Commandogegevens: ongecodeerde waarde van met
BER-TLV gecodeerde gegevens, met inbegrip van SM
DO's
Lc 1 „NNh” Lengte Lc van het volgende gegevensveld
#6-#(5+L) L „87h” + L 87 +
„XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde padding-indicatorbyte ge
volgd door gecodeerde payloadgegevens van de tacho
graaf. Voor de padding-indicatorbyte wordt de waarde
„00h” („geen nadere details” overeenkomstig ISO/IEC
7816-4:2013, tabel 52) gebruikt. Zie aanhangsel 11,
deel B, hoofdstuk 13 voor meer informatie over het co
deringsmechanisme.
De toegestane waarden voor de lengte L 87 zijn veelvou
den van de AES-bloklengte + 1 voor de
padding-indicatorbyte, dat wil zeggen van 17 bytes tot
en met 193 bytes.
Opmerking: zie ISO/IEC 7816-4:2013, tabel 49 voor het
SM-gegevensobject met label „87h”.
„81h” + „10h” Met DER-TLV gecodeerd referentiemodel (template)
voor vertrouwelijkheidscontrole, waarin de samenvoe
ging van de volgende gegevenselementen is ingesloten
(zie DSRCSecurityData in aanhangsel 1 en zie aanhang
sel 11, deel B, hoofdstuk 13):
— tijdaanduiding van 4 bytes
— teller van 3 bytes
— VU-serienummer van 8 bytes
— versie van DSRC-hoofdsleutel van 1 byte
Opmerking: zie ISO/IEC 7816-4:2013, tabel 49 voor het
SM-gegevensobject met label „81h”.
„8Eh” + L 8E +
„XX..XXh”
Met DER-TLV gecodeerde MAC van het DSRC-bericht.
Zie aanhangsel 11, deel B, hoofdstuk 13 voor meer in
formatie over het MAC-algoritme en de berekening van
deze berichtauthenticatiecode.
Opmerking: zie ISO/IEC 7816-4:2013, tabel 49 voor het
SM-gegevensobject met label „8Eh”.
▼M3
Le 1 „00h” Zoals gespecificeerd in ISO/IEC 7816-4
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 277
TCS_139 Antwoordbericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#L L „XX..XXh” Afwezige gegevens (in geval van fout) of gedecodeerde
gegevens (padding verwijderd)
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de kaart
„9000” terug.
— „6A80” wijst op onjuiste parameters in het gegevens
veld van het commando (ook gebruikt wanneer de ge
gevensobjecten niet in de voorgeschreven volgorde
worden verzonden).
— „6A88” geeft aan dat het genoemde gegeven (dat wil
zeggen de genoemde DSRC-hoofdsleutel) niet beschik
baar is.
— „6900” geeft aan dat de verificatie van de cryptografi
sche controlesom of de decodering van de gegevens is
mislukt.
▼M1
— „6985” geeft aan dat de tijdstempel van 4 byte in het
gegevensveld van het commando vroeger is dan card
ValidityBegin of later dan cardExpiryDate.
▼B
4. STRUCTUUR VAN DE TACHOGRAAFKAARTEN
In dit punt worden de bestandsstructuren van de tachograafkaarten
gespecificeerd voor het opslaan van toegankelijke gegevens.
De interne bestandsstructuren die specifiek zijn voor de fabrikant van
de kaart, zoals de beginlabels (headers) van bestanden, worden niet
gespecificeerd, evenmin als de opslag en verwerking van gegevens
elementen voor intern gebruik zoals ,
, of .
TCS_140 Een tachograafkaart van de tweede generatie bevat het
stambestand (MF) alsook een gelijksoortige tachograaftoe
passing van de eerste en de tweede generatie (bijvoorbeeld
toepassingen voor de bestuurderskaart).
TCS_141 Een tachograafkaart ondersteunt ten minste het minimum
aantal registraties dat voor de bijbehorende toepassingen is
gespecificeerd, en ondersteunt niet meer registraties dan het
maximumaantal dat voor de bijbehorende tachograaftoepas
singen is gespecificeerd.
▼M3
In dit hoofdstuk worden het maximum- en minimumaantal
registraties voor de verschillende tachograaftoepassingen
gespecificeerd. Op versie 2 van de tweede generatie
bestuurders- en werkplaatskaarten, moet de toepassing van
de eerste generatie het in TCS_150 en TCS_158 gespecifi
ceerde maximumaantal records ondersteunen.
▼B
Zie punt 3.3 voor meer informatie over de beveiligings
voorwaarden die in dit hoofdstuk worden toegepast op de
toegangsregels. Doorgaans verwijst de toegangsmodus van
de Read-functie naar het READ BINARY-commando met
een even en — voor zover ondersteund — oneven
instructiebyte (INS), met uitzondering van de EF Sen
sor_Installation_Data op de werkplaatskaart (zie TCS_156
en TCS_160). De toegangsmodus van de Update-functie
verwijst naar het Update Binary-commando met een even
en — voor zover ondersteund — oneven instructiebyte
(INS). De toegangsmodus voor de Select-functie verwijst
naar het SELECT-commando.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 278
4.1. Stambestand (MF)
TCS_142 Na personalisatie heeft het stambestand (MF) de onderstaande
permanente bestandsstructuur en bestandstoegangsregels:
Opmerking: de korte EF-identificator SFID wordt opge
geven als decimaal getal; zo komt de waarde „30” overeen
met „11110” in binaire notatie.
In deze tabel wordt de volgende afkorting voor de beveili
gingsvoorwaarde gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
TCS_143 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_144 Het stambestand (MF) heeft de onderstaande
gegevensstructuur:
TCS_145 Het hoofdbestand EF DIR bevat de volgende toepassings
gerelateerde gegevensobjecten: „61 08 4F 06 FF 54 41 43
48 4F 61 08 4F 06 FF 53 4D 52 44 54”
TCS_146 Het hoofdbestand EF ATR/INFO is aanwezig indien de
tachograafkaart in het ATR aangeeft dat velden met uit
gebreide lengte worden ondersteund. In dit geval bevat
EF ATR/INFO het gegevensobject van informatie met uit
gebreide lengte (DO „7F66”), zoals gespecificeerd in ISO/
IEC 7816-4:2013 onder 12.7.1.
TCS_147 Het hoofdbestand EF Extended_Length is aanwezig indien
de tachograafkaart in het ATR aangeeft dat velden met
uitgebreide lengte worden ondersteund. In dit geval bevat
het hoofdbestand (EF) het volgende gegevensobject: „02 01
xx” waarbij „xx” aangeeft of velden met uitgebreide lengte
worden ondersteund voor het protocol T = 1 en/of T = 0.
De waarde „01” betekent dat velden met uitgebreide lengte
worden ondersteund voor het protocol T = 1.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 279
De waarde „10” betekent dat velden met uitgebreide lengte
worden ondersteund voor het protocol T = 0.
De waarde „11” betekent dat velden met uitgebreide lengte
worden ondersteund voor het protocol T = 1 en T = 0.
4.2. Toepassingen voor de bestuurderskaart
4.2.1 Toepassing van de eerste generatie voor de bestuurderskaart
TCS_148 Na personalisatie heeft de toepassing van de eerste genera
tie voor de bestuurderskaart de onderstaande permanente
bestandsstructuur en bestandstoegangsregels:
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC2 ALW OR SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
SC3 SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
TCS_149 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_150 De tachograaftoepassing van de eerste generatie voor de
bestuurderskaart heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 280
► (1) (2) M3
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 281
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 282
TCS_151 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de be
stuurderskaart moet gebruiken voor een toepassing van de
eerste generatie:
4.2.2 Toepassing van de tweede generatie voor de bestuurderskaart
▼M3
TCS_152 Na personalisatie heeft de toepassing van de tweede gene
ratie voor de bestuurderskaart de onderstaande permanente
bestandsstructuur en bestandstoegangsregels:
Toelichting:
— de korte EF-identificator SFID wordt opgegeven als
decimaal getal; zo komt de waarde „30” overeen met
„11110” in binaire notatie.
— EF Application_Identification_V2, EF Places_Authenti
cation, EF GNSS_Places_Authentication, EF Bor
der_Crossings, EF Load_Unload_Operations, EF
VU_Configuration en EF Load_Type_Entries zijn enkel
aanwezig op versie 2 van de tweede generatie
bestuurderskaarten.
— cardStructureVersion in EF Application_Identification
is gelijk aan {01 01} voor versie 2 van de tweede
generatie bestuurderskaarten, terwijl dit voor versie 1
van de tweede generatie bestuurderskaarten gelijk was
aan {01 00}.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 283
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC5 voor het READ BINARY-commando met even
instructiebyte (INS): SM-C-MAC-G2 AND SM-R-
ENC-MAC-G2
voor het READ BINARY-commando met oneven
instructiebyte (indien ondersteund): NEV
▼B
TCS_153 Alle EF-structuren zijn transparant.
▼M3
TCS_154 De toepassing van de tweede generatie voor de bestuurders
kaart heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 284
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 285
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 286
TCS_155 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de be
stuurderskaart moet gebruiken voor een toepassing van de
tweede generatie:
▼M3
Min Max
n 1 NoOfEventsPerType 12 12
n 2 NoOfFaultsPerType 24 24
n 3 NoOfCardVehicleRecords 200 200
n 4 NoOfCardPlaceRecords 112 112
n 6 CardActivityLengthRange 13776 Bytes
(56 dagen * 117 wijzi
gingen van activiteit)
13776 Bytes
(56 dagen * 117 wijzi
gingen van activiteit)
n 7 NoOfCardVehicleUnitRecords 200 200
n 8 NoOfGNSSADRecords 336 336
n 9 NoOfSpecificConditionRecords 112 112
n 10 NoOfBorderCrossingRecords 1120 1120
n 11 NoOfLoadUnloadRecords 1624 1624
n 12 NoOfLoadTypeEntryRecords 336 336
n 13 VuConfigurationLengthRange 3072 Bytes 3072 Bytes
▼B
4.3. Toepassingen voor de werkplaatskaart
4.3.1 Toepassing van de eerste generatie voor de werkplaatskaart
TCS_156 Na personalisatie heeft de toepassing van de eerste genera
tie voor de werkplaatskaart de onderstaande permanente
bestandsstructuur en bestandstoegangsregels:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 287
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC2 ALW OR SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
SC3 SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
▼M1
SC4 Voor het READ BINARY-commando met even
instructiebyte (INS):
(SM-C-MAC-G1 AND SM-R-ENC-MAC-G1) OR
(SM-C-MAC-G2 AND SM-R-ENC-MAC-G2)
Voor het READ BINARY-commando met oneven
instructiebyte (indien ondersteund): NEV
▼B
TCS_157 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_158 De toepassing van de eerste generatie voor de werkplaats
kaart heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 288
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 289
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 290
TCS_159 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de
werkplaatskaart moet gebruiken voor een toepassing van
de eerste generatie:
4.3.2 Toepassing van de tweede generatie voor de werkplaatskaart
▼M3
TCS_160 Na personalisatie heeft de toepassing van de tweede gene
ratie voor de werkplaatskaart de onderstaande permanente
bestandsstructuur en bestandstoegangsregels:
Toelichting:
— de korte EF-identificator SFID wordt opgegeven als
decimaal getal; zo komt de waarde „30” overeen met
„11110” in binaire notatie.
— EF Application_Identification_V2, EF Places_Authenti
cation, EF GNSS_Places_Authentication, EF Bor
der_Crossings, EF Load_Unload_Operations, EF
Load_Type_Entries, EF VU_Configuration en EF Cali
bration_Add_Data zijn enkel aanwezig op versie 2 van
de tweede generatie werkplaatskaarten.
— cardStructureVersion in EF Application_Identification
is gelijk aan {01 01} voor versie 2 van de tweede
generatie werkplaatskaarten, terwijl dit voor versie 1
van de tweede generatie werkplaatskaarten gelijk was
aan {01 00}.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 291
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC5 voor het READ BINARY-commando met even
instructiebyte (INS): SM-C-MAC-G2 AND SM-R-
ENC-MAC-G2
voor het READ BINARY-commando met oneven
instructiebyte (indien ondersteund): NEV
▼B
TCS_161 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_162 De tachograaftoepassing van de tweede generatie voor de
werkplaatskaart heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 292
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 293
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 294
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 295
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 296
TCS_163 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de
werkplaatskaart moet gebruiken voor een toepassing van
de tweede generatie:
▼M3
Min Max
n 1 NoOfEventsPerType 3 3
n 2 NoOfFaultsPerType 6 6
n 3 NoOfCardVehicleRecords 8 8
n 4 NoOfCardPlaceRecords 8 8
n 5 NoOfCalibrationRecords 255 255
n 6 CardActivityLengthRange 492 bytes (1 dag * 240
veranderingen van acti
viteit)
492 bytes (1 dag *
240 veranderingen van
activiteit)
n 7 NoOfCardVehicleUnitRecords 8 8
n 8 NoOfGNSSADRecords 24 24
n 9 NoOfSpecificConditionRecords 4 4
n 10 NoOfBorderCrossingRecords 4 4
n 11 NoOfLoadUnloadRecords 8 8
n 12 NoOfLoadTypeEntryRecords 4 4
n 13 VuConfigurationLengthRange 3072 Bytes 3072 Bytes
▼B
4.4. Toepassingen voor de controlekaart
4.4.1 Toepassing van de eerste generatie voor de controlekaart
TCS_164 Na personalisatie heeft de toepassing van de eerste genera
tie voor de controlekaart de onderstaande permanente be
standsstructuur en bestandstoegangsregels:
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC2 ALW OR SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
SC3 SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
SC6 EXT-AUT-G1 OR SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
TCS_165 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_166 De toepassing van de eerste generatie voor de controlekaart
heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 297
TCS_167 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de
controlekaart moet gebruiken voor een toepassing van de
eerste generatie:
4.4.2 Toepassing van de tweede generatie voor de controlekaart
▼M3
TCS_168 Na personalisatie heeft de toepassing van de tweede gene
ratie voor de controlekaart de onderstaande permanente be
standsstructuur en bestandstoegangsregels.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 298
Toelichting:
— de korte EF-identificator SFID wordt opgegeven als
decimaal getal; zo komt de waarde „30” overeen met
„11110” in binaire notatie.
— EF Application_Identification_V2, en EF VU_Configu
ration komen alleen voor op versie 2 van controlekaar
ten van de tweede generatie,
— cardStructureVersion in EF Application_Identification
is gelijk aan {01 01} voor versie 2 van de tweede
generatie controlekaarten, terwijl dit voor versie 1 van
de tweede generatie controlekaarten gelijk was aan {01
00}.
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC5 voor het READ BINARY-commando met even
instructiebyte (INS): SM-C-MAC-G2 AND
SM-R-ENC-MAC-G2
voor het READ BINARY-commando met on
even instructiebyte (indien ondersteund): NEV
▼B
TCS_169 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_170 De toepassing van de tweede generatie voor de contro
lekaart heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 299
▼B
TCS_171 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de
controlekaart moet gebruiken voor een toepassing van de
tweede generatie:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 300
Min Max
n 7 NoOfControlActivityRecords 230 520
n 13 VuConfigurationLengthRange 3072 Bytes 3072 Bytes
▼B
4.5. Toepassingen voor de bedrijfskaart
4.5.1 Toepassing van de eerste generatie voor de bedrijfskaart
TCS_172 Na personalisatie heeft de toepassing van de eerste genera
tie voor de bedrijfskaart de onderstaande permanente be
standsstructuur en bestandstoegangsregels:
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC2 ALW OR SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
SC3 SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
SC6 EXT-AUT-G1 OR SM-MAC-G1 OR SM-MAC-G2
TCS_173 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_174 De toepassing van de eerste generatie voor de bedrijfskaart
heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 301
TCS_175 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de be
drijfskaart moet gebruiken voor een toepassing van de eer
ste generatie:
4.5.2 Toepassing van de tweede generatie voor de bedrijfskaart
▼M3
TCS_176 Na personalisatie heeft de toepassing van de tweede gene
ratie voor de bedrijfskaart de onderstaande permanente be
standsstructuur en bestandstoegangsregels:
Toelichting:
— de korte EF-identificator SFID wordt opgegeven als
decimaal getal; zo komt de waarde „30” overeen met
„11110” in binaire notatie.
— EF Application_Identification_V2, en EF VU_Configu
ration zijn komen alleen voor op versie 2 van bedrijfs
kaarten van de tweede generatie,
— cardStructureVersion in EF Application_Identification
is gelijk aan {01 01} voor versie 2 van de tweede
generatie bedrijfskaarten, terwijl dit voor versie 1 van
de tweede generatie bedrijfskaarten gelijk was aan {01
00}.
In deze tabel worden de volgende afkortingen voor de
beveiligingsvoorwaarden gebruikt:
SC1 ALW OR SM-MAC-G2
SC5 voor het READ BINARY-commando met even
instructiebyte (INS): SM-C-MAC-G2 AND
SM-R-ENC-MAC-G2
voor het READ BINARY-commando met on
even instructiebyte (indien ondersteund): NEV
▼B
TCS_177 Alle EF-structuren zijn transparant.
TCS_178 De toepassing van de tweede generatie voor de bedrijfs
kaart heeft de onderstaande gegevensstructuur:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 302
▼B
TCS_179 De volgende waarden geven de grootte in de bovenstaande
tabel aan en komen overeen met het minimum- en maxi
mumaantal registraties dat de gegevensstructuur van de be
drijfskaart moet gebruiken voor een toepassing van de
tweede generatie:
▼M3
Min Max
n 8 NoOfCompanyActivityRecords 230 520
n 13 VuConfigurationLengthRange 3072 Bytes 3072 Bytes
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 303
Aanhangsel 3
PICTOGRAMMEN
PIC_001 Het controleapparaat kan naar keuze gebruik maken van de volgende
pictogrammen en combinaties van pictogrammen (of pictogrammen of
combinaties daarvan die voldoende gelijkenis vertonen om ermee ver
eenzelvigd te worden):
1. BASISPICTOGRAMMEN
Personen Activiteiten Werkingsmodi
Bedrijf Bedrijfsmodus
Controleur Controle Controlemodus
Bestuurder Rijden Operationele modus
Werkplaats/controlestation Controle/kalibrering Kalibreringsmodus
Fabrikant
Activiteiten Duur
Beschikbaar Lopende periode van beschikbaarheid
Rijden Ononderbroken rijtijd
Rust Lopende rustperiode
Andere werkzaamheden Lopende werkperiode
Pauze Cumulatieve pauzetijd
Onbekend
Apparatuur Functies
Lezer bestuurder
Lezer bijrijder
Kaart
Klok
Display Weergeven
Externe opslag Downloaden
Stroomvoorziening
Printer/afdruk Afdrukken
Sensor
Bandenmaat
Voertuig/voertuigunit
GNSS-module
Voorziening voor detectie op af
stand
ITS-interface
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 304
Specifieke omstandigheden, manuele invoer
Niet verplicht
Vervoer per veerboot/trein
Laden
Lossen
Tegelijkertijd laden en lossen
Ladingtype: passagiers
Ladingtype: goederen,
Ladingtype: niet-gedefinieerd ladingtype
▼B
Diversen
Voorvallen Fouten
Begin van de dagelijkse werkperiode Einde van de dagelijkse werk
periode
Plaats
Manuele invoer van werkzaamheden
bestuurder
▼M3
Beveiliging/geauthenticeerde gege
vens/zegels
▼B
Snelheid
Tijd
Totaal/overzicht
▼M3
Digitale kaart/grensoverschrijding
▼B
Kwalificerende elementen
24 h Dagelijks
Wekelijks
Om de twee weken
Van of tot
2. PICTOGRAMCOMBINATIES
Diversen
Controleplaats
Plaats begin dagelijkse werkperiode Plaats einde dagelijkse werkperi
ode
▼M1
Positie na 3 uur cumulatieve rijtijd
▼B
Van (tijd) Tot (tijd)
Van voertuig
Niet verplicht (begin) Niet verplicht (einde)
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 305
de positie waar het voertuig een grens
tussen twee landen heeft overschreden
de positie waar een laadverrichting
heeft plaatsgevonden
de positie waar een losverrichting
heeft plaatsgevonden
de positie waar gelijktijdig is geladen
en gelost
▼B
Kaarten
Bestuurderskaart
Bedrijfskaart
Controlekaart
Werkplaatskaart
Geen kaart
Rijden
Rijden met een team
Rijtijd van een week
Rijtijd van twee weken
Afdrukken
Dagelijkse afdruk van de kaart van de activiteiten van de bestuurder
Dagelijkse afdruk van de voertuigunit van de activiteiten van de bestuurder
Afdruk van de kaart van voorvallen en fouten
Afdruk van de voertuigunit van voorvallen en fouten
Afdruk van technische gegevens
Afdruk van snelheidsoverschrijding.
▼M3
Geschiedenis van ingebrachte kaarten
▼B
Voorvallen
Inbrengen van een ongeldige kaart
Kaartconflict
Tijdsoverlapping
Rijden zonder een geschikte kaart
Inbrengen van de kaart tijdens het rijden
Laatste kaartsessie niet correct afgesloten
Snelheidsoverschrijding
Onderbreking in de stroomvoorziening
Fout in de bewegingsgegevens
Tegenstrijdige bewegingsgegevens
Inbreuk op de beveiliging
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 306
Tijdsconflict of tijdsafstelling (door werkplaats)
▼B
Controle op snelheidsoverschrijding
▼M1
Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger of fout
in de communicatie met de externe GNSS-module
Fout in de communicatie met het systeem voor communicatie op afstand
▼M3
GNSS-storing
▼B
Fouten
Kaartfout (lezer van de bestuurder)
Kaartfout (lezer van de bijrijder)
Displayfout
Downloadfout
Printerfout
Sensorfout
Interne fout in de VU
GNSS-fout
Fout in de detectie op afstand
Procedure bij manuele invoer
Nog altijd dezelfde dagelijkse werkperiode?
Einde van de voorafgaande werkperiode?
Bevestig plaats van het einde van de werkperiode of voer deze in
Voer begintijd in
Voer plaats van het begin van de werkperiode in.
Opmerking: Aanvullende pictogramcombinaties voor het vormen van een afdruk
blok of recordidentificatiesymbolen worden in aanhangsel 4 gedefinieerd.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 307
Aanhangsel 4
AFDRUKKEN
INHOUDSOPGAVE
1. ALGEMEEN
2. SPECIFICATIE VAN GEGEVENSBLOKKEN
3. AFDRUKSPECIFICATIES
3.1. Dagelijkse afdruk van de kaart met de bestuurdersactiviteiten
3.2. Dagelijkse afdruk van de VU met de bestuurdersactiviteiten
3.3. Afdruk van de kaart van voorvallen en fouten
3.4. Afdruk van de voertuigunit van voorvallen en fouten
3.5. Afdruk van technische gegevens
3.6. Afdruk van snelheidsoverschrijding
3.7. Geschiedenis van ingebrachte kaarten
1. ALGEMEEN
Elke afdruk wordt opgebouwd door het achter elkaar plaatsen van di
verse gegevensblokken, mogelijk geïdentificeerd met een
blokidentificatiesymbool.
Een gegevensblok bevat een of meer records, mogelijk geïdentificeerd
met een recordidentificatiesymbool.
PRT_001 Wanneer een blokidentificatiesymbool onmiddellijk voor
afgaat aan een recordidentificatiesymbool, wordt het recordi
dentificatiesymbool niet afgedrukt.
PRT_002 Als een gegevensbestanddeel onbekend is of niet afgedrukt
mag worden wegens gegevenstoegangsrechten, worden in
plaats daarvan spaties afgedrukt.
PRT_003 Als de inhoud van een volledige regel onbekend is of niet
afgedrukt hoeft te worden, wordt de volledige regel
weggelaten.
PRT_004 Numerieke gegevensvelden worden rechts uitgelijnd afge
drukt, met een spatie voor duizendtallen en miljoenen en
zonder voorafgaande nullen.
▼M3
PRT_005 Gegevensvelden met opeenvolgende tekens worden links uit
gelijnd afgedrukt en opgevuld met spaties tot de lengte van
het gegevensbestanddeel of, indien nodig, afgekapt tot de
lengte van het gegevensbestanddeel. Namen en adressen mo
gen op twee regels worden afgedrukt.
▼B
PRT_006 Als een regel wordt afgebroken als gevolg van een lange
tekst, moet een bijzonder teken (een punt op halve regel
hoogte, „•”) worden afgedrukt als eerste teken van de nieuwe
regel.
2. SPECIFICATIE VAN GEGEVENSBLOKKEN
In dit hoofdstuk zijn de onderstaande opmaakcriteria gehanteerd:
— vet gedrukte letters geven standaardtekst aan die afgedrukt moet
worden (afdrukken gebeurt in gewone letters);
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 308
— gewone letters geven variabelen aan (pictogrammen of gegevens) die
door hun afdrukwaarden moeten worden vervangen;
— namen van variabelen zijn onderstreept om de lengte van het gege
vensbestanddeel te tonen die voor de variabele ter beschikking is;
— datums worden gespecificeerd in de vorm „dd/mm/jjjj” (dag, maand,
jaar). De vorm „dd.mm.jjjj” mag ook worden gebruikt;
— de term „kaartidentificatie” verwijst naar: de kaartsoort door middel
van een pictogramcombinatie van de kaart, de code van de lidstaat
van afgifte, een schuine streep en het kaartnummer waarin de ver
vangingsindex en de vernieuwingsindex door een spatie gescheiden
zijn:
P x x x / x x x x x x x x x x x x x x x x
K
aa
rt
pi
ct
og
ra
m
-
co
m
bi
na
ti
es
C
od
e
va
n
de
l
id
st
aa
t
va
n
af
gi
ft
e
Eerste 14 tekens van het kaartnummer
(bevat eventueel een opeenvolgende index)
V
er
va
ng
in
gs
in
de
x
V
er
ni
eu
w
in
gs
in
de
x
▼M3
— In een datablok verwijst de tekst na „pi=” naar het overeenkomstige
pictogram of de overeenkomstige pictogramcombinatie als gedefini
eerd in aanhangsel 3,
— Als het wordt afgedrukt na de lengte- en breedtegraad van een
opgeslagen positie, of na de tijdsstempel van het moment waarop
de positie is bepaald, geeft het
pictogram aan dat de positie is berekend op basis van geauthen
ticeerde navigatieberichten,
— * gegevens uitsluitend beschikbaar in (alle versies van) tachografen
van de tweede generatie,
— ** gegevens uitsluitend beschikbaar in versie 2 van de tweede
generatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 309
PRT_007 Afdrukken maken gebruik van de volgende gegevensblokken en/of
-records overeenkomstig de volgende betekenissen en opmaken:
► (1) (2) (3) (4) (5) M3
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 310
► (1) (2) (3) M3
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 311
► (1) (2) M3
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 312
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 313
► (1) (2) (3) (4) M3
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 314
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 315
► (1) M3
3. AFDRUKSPECIFICATIES
In dit hoofdstuk worden de onderstaande standaardtekens gebruikt:
N Afdrukblok of record nummer N
N
Afdrukblok of record nummer N, zo vaak als nodig herhaald
X/Y
Afdrukblokken of records X en/of Y indien nodig, en zo vaak als
nodig herhaald
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 316
3.1. Dagelijkse afdruk van de kaart met de bestuurdersactiviteiten
▼M3
PRT_008 De dagelijkse afdruk van de kaart met de activiteiten van de
bestuurder moet in overeenstemming zijn met onderstaande
opmaak:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 317
3.2. Dagelijkse afdruk van de VU met de bestuurdersactiviteiten
▼M3
PRT_009 De dagelijkse afdruk van de VU van de activiteiten van de
bestuurder moet in overeenstemming zijn met onderstaande
opmaak:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 318
3.3. Afdruk van de kaart van voorvallen en fouten
PRT_010 De afdruk van de kaart met voorvallen en fouten moet in
overeenstemming zijn met onderstaande opmaak:
1 Datum en tijdstip waarop het document is afgedrukt.
2 Soort afdruk
3 Identificatie van de controleur (indien een controlekaart in de VU is
ingebracht + GEN)
3 Identificatie van de bestuurder (van de kaart waarvan de afdruk ge
maakt wordt)
4 Identificatie van het voertuig (voertuig waarvan de afdruk wordt ge
maakt)
12.2 Begrenzer van voorvallen
12.4 Voorvalrecords (alle op de kaart opgeslagen voorvallen)
12.3 Begrenzer van fouten
12.4
Foutrecords (alle op de kaart opgeslagen fouten)
22.1 Controleplaats
22.2 Handtekening van de controleur
22.5 Handtekening van de bestuurder
3.4. Afdruk van de voertuigunit van voorvallen en fouten
PRT_011 De afdruk van de VU met voorvallen en fouten moet in
overeenstemming zijn met onderstaande opmaak:
1 Datum en tijdstip waarop het document is afgedrukt.
2 Soort afdruk
3
Identificatie van de kaarthouder (voor alle in de VU ingebrachte
kaarten + GEN)
4 Identificatie van het voertuig (voertuig waarvan de afdruk wordt ge
maakt)
13.2 Begrenzer van voorvallen
13.4
Voorvalrecords (alle in de VU opgeslagen of aanhoudende voorval
len)
13.3 Begrenzer van fouten
13.4
Foutrecords (alle in de VU opgeslagen of aanhoudende fouten)
22.1 Controleplaats
22.2 Handtekening van de controleur
22.5 Handtekening van de bestuurder
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 319
3.5. Afdruk van technische gegevens
▼M3
PRT_012 De afdruk van technische gegevens moet in overeenstemming
zijn met onderstaande opmaak:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 320
3.6. Afdruk van snelheidsoverschrijding.
PRT_013 De afdruk van snelheidsoverschrijding moet in overeenstem
ming zijn met onderstaande opmaak:
1 Datum en tijdstip waarop het document is afgedrukt.
2 Soort afdruk
3
Identificatie van de kaarthouder (voor alle in de VU ingebrachte
kaarten + GEN)
4 Identificatie van het voertuig (voertuig waarvan de afdruk wordt ge
maakt)
20 Informatie over snelheidsoverschrijdingscontrole
21.1 Identificatiesymbool snelheidsoverschrijdingsgegevens
21.4 / 21.5 Eerste snelheidsoverschrijding na de laatste kalibrering
21.2 Identificatiesymbool snelheidsoverschrijdingsgegevens
21.4 / 21.5
De 5 grootste snelheidsoverschrijdingen in de afgelopen 365 dagen
21.3 Identificatiesymbool snelheidsoverschrijdingsgegevens
21.4 / 21.5 De grootste snelheidsoverschrijding op elk van de laatste 10 dagen
waarop snelheidsoverschrijdingen plaatsvonden
22.1 Controleplaats
22.2 Handtekening van de controleur
22.5 Handtekening van de bestuurder
3.7. Geschiedenis van ingebrachte kaarten
▼M3
PRT_014 De afdruk van de geschiedenis van ingebrachte kaarten moet
in overeenstemming zijn met onderstaande opmaak:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 321
Aanhangsel 5
DISPLAY
In dit aanhangsel worden de onderstaande opmaakcriteria gehanteerd:
— vet gedrukte letters geven standaardtekst aan die getoond moet worden (weer
gave blijft in gewone letters);
— gewone letters geven variabelen aan (pictogrammen of gegevens) die bij de
weergave door hun waarden moeten worden vervangen:
— dd mm yyyy: dag, maand, jaar,
— hh: uren,
— mm: minuten,
— D: duurpictogram,
— EF: pictogramcombinatie van voorvallen of fouten,
— O: pictogram van de werkingsmodus.
DIS_001 Het controleapparaat toont de gegevens met gebruikmaking van onder
staande opmaak:
Gegevens Format
Standaarddisplay
Plaatselijke tijd
Werkingsmodus
Informatie over de bestuurder
Informatie over de bijrijder
„Niet verplicht” -omstandigheid geopend
Waarschuwingsdisplay
Overschrijden van de ononderbroken rijtijd
Voorval of fout
Overige displays
UTC-datum
Tijd
Ononderbroken rijtijd en cumulatieve rusttijd van de be
stuurder
Ononderbroken rijtijd en cumulatieve rusttijd van de bijrij
der
Cumulatieve rijtijd van de bestuurder in de voorafgaande en
de lopende week
Cumulatieve rijtijd van de bijrijder in de voorafgaande en de
lopende week
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 322
Aanhangsel 6
FRONTCONNECTOR VOOR KALIBRERING EN DOWNLOADEN
INHOUDSOPGAVE
1. HARDWARE
1.1. Connector
1.2. Contacttoewijzing
1.3. Blokschema
2. DOWNLOADINTERFACE
3. KALIBRERINGSINTERFACE
1. HARDWARE
1.1. Connector
INT_001 De download-/kalibreringsconnector is een 6-pinsconnector die
via het frontpaneel toegankelijk is zonder dat daarvoor delen van
de tachograaf moeten worden losgekoppeld. De connector stemt
overeen met de onderstaande tekening (alle maten in millime
ters):
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 323
Het onderstaande schema toont een normale 6-pinscontrastekker:
1.2. Contacttoewijzing
INT_002 Contacten moeten overeenkomstig de onderstaande tabel worden
toegewezen:
Pin Beschrijving Opmerking
1 Minpool Verbonden met de minpool van het voertuig
2 Gegevensoverdracht K-lijn (ISO 14230-1)
3 RxD — Download Gegevensinvoer naar tachograaf
4 Invoer-/uitvoersignaal Kalibrering
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 324
Pin Beschrijving Opmerking
5 Permanente vermogensafgifte Het spanningsbereik wordt gespecificeerd als het vermogen
van het voertuig minus 3 V met het oog op optredend span
ningsverlies in de veiligheidsschakelingen
Output 40 mA
6 TxD — Download Gegevensuitvoer van tachograaf
1.3. Blokschema
INT_003 Het blokschema moet aan het onderstaande voldoen:
2. DOWNLOADINTERFACE
INT_004 De downloadinterface moet voldoen aan RS232-specificaties.
INT_005 De downloadinterface moet een startbit, 8 gegevensbits met LSB
als eerste bit, een even pariteitsbit en 1 stopbit gebruiken.
Organisatie van gegevensbits
Startbit: een bit met logisch niveau 0;
Gegevensbits: verzonden met LSB als eerste bit;
Pariteitsbit: even pariteit
Stopbit: een bit met logisch niveau 1
Wanneer numerieke gegevens verzonden worden die uit meer dan een byte
bestaan, wordt de significantste byte het eerst verzonden en de minst
significante byte het laatst.
INT_006 Baudsnelheden van de transmissie moeten instelbaar zijn tussen
9 600 bps en 115 200 bps. De transmissie moet met de hoogst
mogelijke transmissiesnelheid worden uitgevoerd, waarbij de ini
tiële baudsnelheid na het begin van de overdracht op 9 600 bps
moet worden gezet.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 325
3. KALIBRERINGSINTERFACE
INT_007 De gegevensoverdracht moet voldoen aan ISO 14230-1 Road
vehicles — Diagnostic systems — Keyword protocol 2000 —
Part 1: Physical layer, First edition: 1999.
INT_008 Het invoer-/uitvoersignaal moet voldoen aan de onderstaande
elektrische specificatie:
Parameter Minimum Normaal Maximum Opmerking
U low (in) 1,0 V I = 750 μA
U high (in) 4 V I = 200 μA
Frequentie 4 kHz
U low (uit) 1,0 V I = 1 mA
U high (uit) 4 V I = 1 mA
INT_009 Het invoer-/uitvoersignaal moet voldoen aan de onderstaande
tijdschema's:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 326
Aanhangsel 7
PROTOCOL VOOR GEGEVENSOVERDRACHT
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
1.1. Toepassingsgebied
1.2. Acroniemen en notaties
2. GEGEVENSOVERDRACHT VAN DE VU
2.1. Downloadprocedure
2.2. Protocol voor gegevensoverdracht
2.2.1 Berichtenstructuur
2.2.2 Soorten berichten
2.2.2.1 Start Communication Request (SID 81)
2.2.2.2 Positive Response Start Communication (SID C1)
2.2.2.3 Start Diagnostic Session Request (SID 10)
2.2.2.4 Positive Response Start Diagnostic (SID 50)
2.2.2.5 Link Control Service (SID 87)
2.2.2.6 Link Control Positive Response (SID C7)
2.2.2.7 Request Upload (SID 35)
2.2.2.8 Positive Response Request Upload (SID 75)
2.2.2.9 Transfer Data Request (SID 36)
2.2.2.10 Positive Response Transfer Data (SID 76).
2.2.2.11 Request Transfer Exit (SID 37)
2.2.2.12 Positive Response Request Transfer Exit (SID 77)
2.2.2.13 Stop Communication Request (SID 82)
2.2.2.14 Positive Response Stop Communication (SID C2)
2.2.2.15 Acknowledge Sub Message (SID 83)
2.2.2.16 Negative Response (SID 7F)
2.2.3 Berichtenstroom
2.2.4 Tijdschema
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 327
2.2.5 Behandeling van fouten
2.2.5.1 Start communicatie-fase
2.2.5.2 Overbrengingsfase
2.2.6 Inhoud van het antwoordbericht
▼M3
2.2.6.1 Positive Response Transfer Data Download Interface Version (Positief
antwoord op verzoek tot downloaden van gegevensoverdrachten, inter
face, versie)
2.2.6.2 Positive Response Transfer Data Overview (Positief antwoord op een
overzicht van gegevensoverdrachten)
2.2.6.3 Positive Response Transfer Data Activities (Positief antwoord op een
verzoek tot overdracht van gegevens met betrekking tot activiteiten)
2.2.6.4 Positive Response Transfer Data Events and Faults (Positief antwoord
op een verzoek tot overdracht van gegevens met betrekking tot voor
vallen en fouten)
2.2.6.5 Positive Response Transfer Data Detailed Speed (Positief antwoord op
een verzoek tot overdracht van gegevens met betrekking tot de exacte
snelheid)
2.2.6.6 Positive Response Transfer Data Technical Data (Positief antwoord op
een verzoek tot overdracht van technische gegevens)
▼B
2.3. ESM bestandsopslag
3. DOWNLOADPROTOCOL VAN TACHOGRAAFKAARTEN
3.1. Toepassingsgebied
3.2. Definities
3.3. Kaartdownload
3.3.1 Initialisatiesequentie
3.3.2 Sequentie voor niet-getekende gegevensbestanden
3.3.3 Sequentie voor getekende gegevensbestanden
3.3.4 Sequentie voor het resetten van de kalibreringsteller
3.4. Opmaak gegevensopslag
3.4.1 Inleiding
3.4.2 Bestandsopmaak
4. DOWNLOADEN VAN EEN TACHOGRAAFKAART VIA EEN
VOERTUIGUNIT
1. INLEIDING
In dit aanhangsel worden de te volgen procedures gespecificeerd voor
het uitvoeren van de verschillende soorten gegevensoverdrachten naar
een extern opslagmedium (ESM), alsmede de te implementeren proto
collen om de correcte gegevensoverdracht en de volledige compatibi
liteit van het overgebrachte gegevensformaat te waarborgen zodat een
controleur deze gegevens kan inspecteren en de authenticiteit en inte
griteit ervan kan controleren voordat hij de gegevens analyseert.
▼M1
1.1. Toepassingsgebied
Gegevens kunnen naar een ESM worden gedownload:
— uit een voertuigeenheid (VU), door met de VU verbonden intelli
gente toepassingsgerichte apparatuur (IDE),
— vanaf een tachograafkaart door een met een kaartinterface-inrichting
(IFD) uitgeruste IDE,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 328
— vanaf een tachograafkaart via een voertuigunit door een met de VU
verbonden IDE.
Om de authenticiteit en integriteit van de overgedragen, op een ESM
opgeslagen gegevens te kunnen verifiëren, worden gegevens ge
download met een toegevoegde handtekening overeenkomstig de alge
mene beveiligingsmechanismen van aanhangsel 11. De identificatie van
het bronapparaat (VU of kaart) en de beveiligingscertificaten (lidstaat
en apparaat) worden ook gedownload. De controleur van de gegevens
moet zelf een betrouwbare Europese openbare sleutel in zijn bezit
hebben.
Gegevens die worden gedownload van een VU worden ondertekend
overeenkomstig aanhangsel 11 (Algemene beveiligingsmechanismen),
deel B (Tachograafsystemen van de tweede generatie), behalve wan
neer de controle op de bestuurder wordt uitgevoerd door een contro
leautoriteit van buiten de EU, waarbij gebruik wordt gemaakt van een
controlekaart van de eerste generatie; in dat geval worden de gegevens
ondertekend overeenkomstig aanhangsel 11 (Algemene beveiligings
mechanismen), deel A (Tachograafsystemen van de eerste generatie),
zoals vereist uit hoofde van punt MIG_015 van aanhangsel 15 (Migra
tie).
In dit aanhangsel worden dus twee types van gegevensdownload van
de VU gespecificeerd:
— gegevensdownloads van VU’s van de tweede generatie, met de gege
vensstructuur van de tweede generatie, ondertekend overeenkomstig
aanhangsel 11 (Algemene beveiligingsmechanismen), deel B,
— gegevensdownloads van VU’s van de eerste generatie, met de ge
gevensstructuur van de eerste generatie, ondertekend overeenkom
stig aanhangsel 11 (Algemene beveiligingsmechanismen), deel A.
Naar analogie hiermee bestaan er ook twee soorten gegevensdownload
van bestuurderskaarten van de tweede generatie die in een VU worden
ingebracht, zoals gespecificeerd in punten 3 en 4 van dit aanhangsel.
▼B
1.2. Acroniemen en notaties
In dit aanhangsel worden de onderstaande acroniemen gebruikt:
AID Applicatie-identificatie
ATR Antwoord op reset
CS Controlesombyte
DF Toepassingsgericht bestand
DS_ Diagnostische sessie
EF Hoofdbestand
ESM Extern opslagmedium
FID Bestandsidentificatiesymbool (bestands-ID)
FMT Opmaakbyte (eerste byte van het beginlabel van het bericht)
ICC Chipkaart
IDE Intelligente toepassingsgerichte apparatuur: de apparatuur die
wordt gebruikt voor het downloaden van gegevens naar het
ESM (bijv. pc)
IFD Interface-apparaat
KWP Sleutelwoordprotocol 2000
LEN Lengtebyte (laatste byte van het beginlabel van het bericht)
PPS Protocol parameterselectie
PSO Voer beveiligingsoperatie uit
SID Dienstidentificatiesymbool
SRC Bronbyte
TGT Doelbyte
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 329
TLV Waarde van de labellengte
TREP Parameter overdracht antwoord
TRTP Parameter overdracht verzoek
VU Voertuigunit
2. GEGEVENSOVERDRACHT VAN DE VU
2.1. Downloadprocedure
Om gegevens van een VU te downloaden, moet de operator de onder
staande handelingen verrichten:
— zijn tachograafkaart in een kaartlezer van de VU inbrengen (*);
— de IDE met de downloadconnector van de VU verbinden;
— de verbinding tussen de IDE en de VU tot stand brengen;
— de over te brengen gegevens in de IDE selecteren en het verzoek
naar de VU sturen;
— de downloadsessie sluiten.
2.2. Protocol voor gegevensoverdracht
Het protocol is gestructureerd op een master-slavebasis, waarbij de IDE
de rol van master speelt en de VU de rol van slave.
De berichtenstructuur, berichtensoorten en berichtenstroom zijn hoofd
zakelijk gebaseerd op het Sleutelwoordprotocol 2000 (KWP) (ISO
14230-2 Road vehicles — Diagnostic systems — Keyword protocol
2000 — Part 2: Data link layer).
De applicatielaag is hoofdzakelijk gebaseerd op het huidige ontwerp
van ISO 14229-1 (Road vehicles — Diagnostic systems — Part 1:
Diagnostic services, version 6 of 22 February 2001).
2.2.1 Berichtenstructuur
DDP_002 Alle tussen de IDE en de VU uitgewisselde berichten zijn
opgemaakt volgens een uit drie delen bestaande structuur:
— beginlabel bestaande uit een opmaakbyte (FMT), een
doelbyte (TGT), een bronbyte (SRC) en eventueel een
lengtebyte (LEN);
— gegevensveld bestaande uit een identificatiebyte van de
dienst (SID) en een variabel aantal gegevensbytes, die
een facultatieve diagnosesessiebyte (DS_) dan wel een
facultatieve overdrachtparameterbyte (TRTP of TREP)
kunnen omvatten;
— controlesom bestaande uit een controlesombyte (CS).
Beginlabel Gegevensveld Controlesom
FMT TGT SRC LEN SID DATA … … … CS
4 bytes Max. 255 bytes 1 byte
De TGT- en SRC-byte vertegenwoordigen het fysieke adres
van de ontvanger en verzender van het bericht. Waarden
zijn F0 Hex voor de IDE en EE Hex voor de VU.
De LEN-byte is de lengte van het gegevensvelddeel.
▼B
(*) De ingebrachte kaart geeft de vereiste toegangsrechten voor het downloaden en tot de
gegevens. Het is echter mogelijk gegevens over te brengen van een in één van de
VU-lezers ingebrachte kaart als geen andere kaart in de andere lezer is ingebracht.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 330
De controlesombyte is de 8-bits somserie module 256 van
alle bytes van het bericht exclusief de CS zelf.
FMT, SID, DS_, TRTP en TREP-bytes worden verderop in
dit document gedefinieerd.
DDP_003 Als de door het bericht over te dragen gegevens groter zijn
dan de beschikbare ruimte in het gegevensvelddeel, wordt
het bericht in een aantal subberichten verzonden. Elk sub
bericht heeft een beginlabel, hetzelfde SID en dezelfde
TREP en een teller van 2 bytes voor de subberichten die
het volgnummer van het subbericht binnen het totale bericht
aangeeft. Met het oog op foutencontrole en voortijdige be
ëindiging bevestigt de IDE elk subbericht. De IDE kan het
subbericht accepteren, vragen om het opnieuw te zenden, de
VU verzoeken om opnieuw te beginnen of de overbrenging
afbreken.
DDP_004 Indien het laatste subbericht precies 255 bytes in het gege
vensveld bevat, moet een laatste subbericht met een leeg
gegevensveld (met uitzondering van SID, TREP en teller
van de subberichten) worden toegevoegd dat het einde van
het bericht aangeeft.
Voorbeeld:
Beginlabel SID TREP Bericht CS
4 bytes Langer dan 255 bytes
Wordt overgebracht als:
Beginlabel SID TREP 00 01 Subbericht 1 CS
4 bytes 255 bytes
Beginlabel SID TREP 00 02 Subbericht 2 CS
4 bytes 255 bytes
…
Beginlabel SID TREP xx yy Subbericht n CS
4 bytes Minder dan 255 bytes
of als:
Beginlabel SID TREP 00 01 Subbericht 1 CS
4 bytes 255 bytes
Beginlabel SID TREP 00 02 Subbericht 2 CS
4 bytes 255 bytes
…
Beginlabel SID TREP xx yy Subbericht n CS
4 bytes 255 bytes
Beginlabel SID TREP xx yy + 1 CS
4 bytes 4 bytes
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 331
2.2.2 Soorten berichten
Het communicatieprotocol voor de gegevensoverdracht tussen de VU
en de IDE vereist de uitwisseling van 8 verschillende berichtensoorten.
De onderstaande tabel vat deze berichten samen.
▼M3
Berichtstructuur Max. 4 bytes Max. 255 bytes 1 byte
Header Gegevens
Controle
som
IDE ->
Start Communication Request 81 EE F0 81 E0
Positive Response Start Communica
tion
80 F0 EE 03 C1 EA, 8F 9B
Start Diagnostic Session Request 80 EE F0 02 10 81 F1
Positive Response Start Diagnostic 80 F0 EE 02 50 81 31
Link Control Service
Verify Baud Rate (stage 1)
9 600 Bd 80 EE F0 04 87 01 01,01 EC
19 200 Bd 80 EE F0 04 87 01 01,02 ED
38 400 Bd 80 EE F0 04 87 01 01,03 EE
57 600 Bd 80 EE F0 04 87 01 01,04 EF
115 200 Bd 80 EE F0 04 87 01 01,05 F0
Positive Response Verify Baud Rate 80 F0 EE 02 C7 01 28
Verify Baud Rate (stage 2) 80 EE F0 03 87 02 03 ED
Request Upload 80 EE F0 0A 35 00,00,00,00
,00,FF,FF,
FF,FF
99
Positive Response Request Upload 80 F0 EE 03 75 00,FF D5
Transfer Data Request
Download interface version 80 EE F0 02 36 00 96
Overview 80 EE F0 02 36 01, 21 of 1 CS
Activities 80 EE F0 06 36 02, 22 of 32 Date CS
Events & Faults 80 EE F0 02 36 03, 23 of 33 Date CS
Detailed Speed 80 EE F0 02 36 04 of 24 Date CS
Technical Data 80 EE F0 02 36 05, 25 of 35 Date CS
Card download 80 EE F0 02 of 03 36 06 Slot CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 332
Berichtstructuur Max. 4 bytes Max. 255 bytes 1 byte
Header Gegevens
Controle
som
IDE ->
Positive Response Transfer Data 80 F0 EE Len 76 TREP Data CS
Request Transfer Exit 80 EE F0 01 37 96
Positive Response Request Transfer
Exit
80 F0 EE 01 77 D6
Stop Communication Request 80 EE F0 01 82 E1
Positive Response Stop Communica
tion
80 F0 EE 01 C2 21
Acknowledge sub message 80 EE F0 LEN 83 Data CS
Negative responses
General reject 80 F0 EE 03 7F Sid Req 10 CS
Service not supported 80 F0 EE 03 7F Sid Req 11 CS
Sub function not supported 80 F0 EE 03 7F Sid Req 12 CS
Incorrect Message Length 80 F0 EE 03 7F Sid Req 13 CS
Conditions not correct or Request se
quence error
80 F0 EE 03 7F Sid Req 22 CS
Request out of range 80 F0 EE 03 7F Sid Req 31 CS
Upload not accepted 80 F0 EE 03 7F Sid Req 50 CS
Response pending 80 F0 EE 03 7F Sid Req 78 CS
Data not available 80 F0 EE 03 7F Sid Req FA CS
Opmerkingen:
— Sid Req = het Sid van het corresponderende verzoek.
— TREP = de TRTP van het corresponderende verzoek.
— Zwarte cellen geven aan dat niets wordt overgebracht.
— De term upload (vanaf de IDE) wordt gebruikt voor compatibiliteit
met ISO 14229. Het betekent hetzelfde als download (vanaf de
VU).
— Potentiële tellers van 2 bytes voor het tellen van subberichten wor
den in deze tabel niet getoond.
— Lezer is het lezernummer, „1” (kaart in de lezer van de bestuurder)
of „2” (kaart in de lezer van de bijrijder).
— Indien de lezer niet is gespecificeerd, kiest de VU lezer 1 indien
een kaart in die lezer is ingebracht en kiest hij lezer 2 alleen als die
specifiek door de gebruiker wordt geselecteerd.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 333
— TRTP 24 wordt gebruikt voor verzoeken tot het downloaden van
gegevens van VU’s van de tweede generatie, versies 1 en 2.
— TRTP 00, 31, 32, 33 en 35 worden gebruikt voor verzoeken tot het
downloaden van gegevens van VU’s van de tweede generatie, ver
sie 2.
— TRTP 21, 22, 23 en 25 worden gebruikt voor verzoeken tot het
downloaden van gegevens van VU’s van de tweede generatie, ver
sie 1.
— TRTP 01 tot en met 05 worden gebruikt voor verzoeken tot het
downloaden van gegevens van VU van de eerste generatie. Ze
kunnen ook worden aanvaard door VU’s van de tweede generatie,
maar alleen in het kader van de controle van bestuurders door een
controle-instantie van buiten de EU die een controlekaart van de
eerste generatie gebruikt.
— TRTP 11 tot en met 1F zijn voorbehouden voor fabrikantspecifieke
downloadverzoeken.
▼B
2.2.2.1 S t a r t C o m m u n i c a t i o n R e q u e s t ( S I D 8 1 )
DDP_005 Dit bericht wordt door de IDE verstrekt om de overdrachts
verbinding met de VU tot stand te brengen. Aanvankelijk
vindt overdracht steeds plaats bij 9 600 baud (tot de baud
snelheid uiteindelijk wordt gewijzigd met behulp van de
passende Link Control Service).
2.2.2.2 P o s i t i v e R e s p o n s e S t a r t C o m m u n i c a t i o n ( S I D C 1 )
DDP_006 Dit bericht wordt door de VU verstrekt om positief te ant
woorden op een verzoek om de start van de overdracht. Het
bevat de 2 sleutelbytes „EA” en „8F”, die aangeven dat de
unit het protocol met beginlabel inclusief informatie over
doel, bron en lengte ondersteunt.
2.2.2.3 S t a r t D i a g n o s t i c S e s s i o n R e q u e s t ( S I D 1 0 )
DDP_007 Het bericht Start Diagnostic Session Request wordt door de
IDE verstrekt om een nieuwe diagnostische sessie met de
VU aan te vragen. De subfunctie „defaultsessie” (81 Hex)
geeft aan dat een standaard diagnostische sessie wordt
geopend.
2.2.2.4 P o s i t i v e R e s p o n s e S t a r t D i a g n o s t i c ( S I D 5 0 )
DDP_008 Het bericht Positive Response Start Diagnostic wordt door
de VU gezonden om positief te antwoorden op Diagnostic
Session Request.
2.2.2.5 L i n k C o n t r o l S e r v i c e ( S I D 8 7 )
DDP_052 De Link Control Service wordt door de IDE gebruikt om
een wijziging in de baudsnelheid te starten. Dat gebeurt in
twee stappen. In stap een stelt de IDE voor de baudsnelheid
te wijzigen, met vermelding van de nieuwe snelheid. Na
ontvangst van een positief bericht van de VU zendt de
IDE bevestiging van de wijziging van de baudsnelheid
naar de VU (stap twee). De IDE gaat dan over op de nieuwe
baudsnelheid. Na ontvangst van de bevestiging gaat de VU
over op de nieuwe baudsnelheid.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 334
2.2.2.6 L i n k C o n t r o l P o s i t i v e R e s p o n s e ( S I D C 7 )
DDP_053 De Link Control Positive Response wordt door de VU ge
geven om positief te antwoorden op het verzoek van de
Link Control Service (stap een). Merk op dat het bevesti
gingsbericht niet wordt beantwoord (stap twee).
2.2.2.7 R e q u e s t U p l o a d ( S I D 3 5 )
DDP_009 Het bericht Request Upload wordt door de IDE verstrekt om
aan de VU te melden dat een downloadoperatie wordt ge
vraagd. Om aan het vereiste in ISO 14229 te voldoen, wor
den daarin gegevens opgenomen met betrekking tot het
adres, de grootte en het formaat voor de gevraagde gege
vens. Aangezien de IDE deze vóór de overbrenging niet
kent, wordt het geheugenadres op 0 ingesteld, wordt het
formaat niet geëncrypteerd en gecomprimeerd en wordt de
geheugengrootte op het maximum ingesteld.
2.2.2.8 P o s i t i v e R e s p o n s e R e q u e s t U p l o a d ( S I D 7 5 )
DDP_010 Het bericht Positive Response Request Upload wordt door
de VU gezonden om de IDE te laten weten dat de VU
gereed is om gegevens te downloaden. Om aan het vereiste
in ISO 14229 te voldoen, worden in dit positieve antwoord
bericht gegevens opgenomen om de IDE te laten weten dat
verdere Positive Response Transfer Data-berichten maxi
maal 00FF hex bytes zullen bevatten.
2.2.2.9 T r a n s f e r D a t a R e q u e s t ( S I D 3 6 )
▼M1
DDP_011 Het Transfer Data Request wordt door de IDE gezonden om
de soort over te brengen gegevens mee te delen aan de VU.
Een Transfer Request Parameter (TRTP) van één byte geeft
de soort overdracht aan.
▼M3
Er zijn zeven soorten gegevensoverdracht. Voor gegevens
downloads van VU kunnen twee verschillende
TRTP-waarden worden gebruikt voor elk type overdracht:
Type gegevensoverdracht
TRTP-waarden voor gegevens
downloads van VU’s
van de eerste generatie
TRTP-waarden voor gegevens
downloads van VU’s
van de tweede generatie, ver
sie 1
TRTP-waarden voor gegevens
downloads van VU’s
van de tweede generatie, ver
sie 2
Versie downloadinterface niet gebruikt niet gebruikt 00
Overzicht 01 21 31
Activiteiten van een gespeci
ficeerde datum
02 22 32
Voorvallen en fouten 03 23 33
Exacte snelheid 04 24 24
Technische gegevens 05 25 35
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 335
Type gegevens
overdracht
TRTP-waarde
Card download 06
▼M3
DDP_054 De IDE is verplicht gedurende een overbrengingssessie de
overdracht van overzichtsgegevens (TRTP 01, 21 of 31) aan
te vragen, omdat alleen dit garandeert dat de VU-certificaten
in het gedownloade bestand worden geregistreerd (en de
digitale handtekening kan worden geverifieerd).
In het tweede geval (TRTP 02, 22 of 32) bevat het bericht Transfer
Data Request de aanwijzing van de te downloaden kalenderdag (Time
Real opmaak).
▼B
2.2.2.10 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a ( S I D 7 6 ) .
DDP_012 Het Positive Response Transfer Data wordt door de VU
verzonden in antwoord op het Transfer Data Request. Het
bericht bevat de gevraagde gegevens met een Transfer Res
ponse Parameter (TREP) die correspondeert met de TRTP
van het verzoek.
▼M3
DDP_055 In het eerste geval (TREP 01, 21 of 31) zendt de VU
gegevens waarmee de operator van de IDE kan kiezen
welke gegevens hij verder wil overdragen. De in dit bericht
opgenomen informatie bestaat uit:
▼M1
— veiligheidscertificaten,
— identificatie van het voertuig,
— huidige datum en tijd van de VU,
— min. en max. opvraagbare datum (VU-gegevens),
— indicatie van in de VU aanwezige kaarten,
— vorige download naar een bedrijf,
— bedrijfsvergrendelingen,
— vorige controles.
▼B
2.2.2.11 R e q u e s t T r a n s f e r E x i t ( S I D 3 7 )
DDP_013 Het bericht Request Transfer Exit wordt door de IDE ge
zonden om de VU te melden dat de overdrachtssessie be
ëindigd is.
2.2.2.12 P o s i t i v e R e s p o n s e R e q u e s t T r a n s f e r E x i t ( S I D 7 7 )
DDP_014 Het bericht Positive Response Request Transfer Exit wordt
door de VU gezonden om het Request Transfer Exit te
bevestigen.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 336
2.2.2.13 S t o p C o m m u n i c a t i o n R e q u e s t ( S I D 8 2 )
DDP_015 Het bericht Stop Communication Request wordt door de
IDE gezonden om de overdrachtsverbinding met de VU te
verbreken.
2.2.2.14 P o s i t i v e R e s p o n s e S t o p C o m m u n i c a t i o n ( S I D C 2 )
DDP_016 Het bericht Positive Response Stop Communication wordt
door de VU gezonden om het Stop Communication Request
te bevestigen.
2.2.2.15 A c k n o w l e d g e S u b M e s s a g e ( S I D 8 3 )
DDP_017 Het Acknowledge Sub Message wordt door de IDE gezon
den om de ontvangst te bevestigen van elk deel van een
bericht dat in een aantal subberichten wordt overgebracht.
Het gegevensveld bevat het van de VU ontvangen SID en
een code van 2 bytes:
— MsgC + 1 bevestigt de correcte ontvangst van het sub
bericht met de code MsgC.
Verzoek van de IDE aan de VU om het volgende sub
bericht te zenden.
— MsgC geeft een probleem met de ontvangst van het
subbericht met de code MsgC aan.
Verzoek van de IDE aan de VU om het volgende sub
bericht te zenden.
— FFFF verzoekt om de beëindiging van het bericht.
Dit kan door de IDE worden gebruikt om de overbren
ging van het bericht van de VU om welke reden dan
ook te beëindigen.
Het laatste subbericht van een bericht (LEN byte
met gebruikmaking van een van deze codes bevestigd of
niet bevestigd worden.
De uit verschillende subberichten bestaande antwoorden van
de VU zijn:
— Positive Response Transfer Data (SID 76).
2.2.2.16 N e g a t i v e R e s p o n s e ( S I D 7 F )
DDP_018 Het bericht Negative Response wordt door de VU gezonden
in antwoord op de bovengenoemde verzoeken wanneer de
VU niet aan het verzoek kan voldoen. De gegevensvelden
van het bericht bevatten het SID van het antwoord (7F), het
SID van het verzoek en een code die de reden van het
negatieve antwoord specificeert. De onderstaande codes
zijn beschikbaar:
— 10 algemene verwerping
De actie kan niet worden uitgevoerd om een reden die
hieronder niet wordt genoemd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 337
— 11 dienst niet ondersteund
Het SID van het verzoek wordt niet herkend.
— 12 subfunctie niet ondersteund
Het DS_ of TRTP van het verzoek wordt niet herkend
of er zijn geen over te brengen subberichten meer.
— 13 onjuiste lengte van het bericht
De lengte van het ontvangen bericht is fout.
— 22 voorwaarden niet correct of verzoeksequentiefout
De gevraagde dienst is niet actief of de sequentie van
verzoekberichten is niet correct.
— 31 verzoek buiten bereik
De verzoek parameter record (gegevensveld) is niet
geldig.
— 50 upload niet geaccepteerd
Het verzoek kan niet worden uitgevoerd (VU in een
niet-geschikte werkingsmodus of interne fout van de
VU).
— 78 antwoord in behandeling
De verzochte actie kan niet op tijd worden beëindigd en
de VU is niet klaar om een ander verzoek te accepteren.
▼M1
— FA-gegevens niet beschikbaar
Het gegevensobject van een verzoek om gegevensover
dracht is niet beschikbaar in de VU (omdat er bijv. geen
kaart is ingebracht, verzoek om download van gegevens
van een VU van de eerste generatie buiten het kader van
een bestuurderscontrole door een controleautoriteit van
buiten de EU).
▼B
2.2.3 Berichtenstroom
Een typische berichtenstroom tijdens een normale gegevensdownloads
procedure ziet er als volgt uit:
IDE VU
Start Communication Request ⇨
⇦ Positive Response
Start Diagnostic Service Request ⇨
⇦ Positive Response
Request Upload ⇨
⇦ Positive Response
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 338
IDE VU
Transfer Data Request Overview ⇨
⇦ Positive Response
Transfer Data Request #2 ⇨
⇦ Positive Response #1
Acknowledge Sub Message #1 ⇨
⇦ Positive Response #2
Acknowledge Sub Message #2 ⇨
⇦ Positive Response #m
Acknowledge Sub Message #m ⇨
⇦ Positive Response (Data Field
Acknowledge Sub Message (optional) ⇨
…
Transfer Data Request #n ⇨
⇦ Positive Response
Request Transfer Exit ⇨
⇦ Positive Response
Stop Communication Request ⇨
⇦ Positive Response
2.2.4 Tijdschema
DDP_019 Tijdens de normale werking zijn de in de onderstaande
figuur getoonde timingparameters relevant:
Figuur 1
Berichtenstroom, timing
Waarbij:
P1 = Interbytetijd voor antwoord van de VU.
P2 = Tijd tussen het einde van het verzoek van de IDE en
de start van het antwoord van de VU, of tussen het
einde van de bevestiging van de IDE en de start van
het volgende antwoord van de VU.
P3 = Tijd tussen het einde van het antwoord van de VU en
de start van een nieuw verzoek van de IDE, of tussen
het einde van het antwoord van de VU en de start van
de bevestiging van de IDE, of tussen het einde van
het verzoek van de IDE en de start van een nieuw
verzoek van de IDE, indien de VU niet antwoordt.
P4 = Interbytetijd voor verzoek van de IDE.
P5 = Toegevoegde waarde van P3 voor kaartdownload.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 339
De toegestane waarden van de timingparameters worden in
de onderstaande tabel aangegeven (toebedeelde reeks ti
mingparameters van het KWP, gebruikt in geval van fysieke
adressering voor snellere overdracht).
Tijdschemaparameter
Benedengrenswaarde
(ms)
Bovengrenswaarde
(ms)
P1 0 20
P2 20 1 000 (*)
P3 10 5 000
P4 5 20
P5 10 20 minuten
(*) Indien de VU antwoordt met een Negative Response die een code met de betekenis „verzoek correct
ontvangen, antwoord in behandeling” bevat, wordt deze waarde toegevoegd aan dezelfde bovengrenswaarde
van P3.
2.2.5 Behandeling van fouten
Indien tijdens de uitwisseling van berichten een fout optreedt, wordt het
berichtenstroomschema gewijzigd volgens de apparatuur die de fout
heeft opgespoord en het bericht dat de fout heeft veroorzaakt.
In figuur 2 en figuur 3 worden de procedures voor de behandeling van
fouten voor respectievelijk de VU en de IDE getoond.
2.2.5.1 S t a r t c o m m u n i c a t i e - f a s e
DDP_020 Indien de IDE tijdens de start communicatie-fase, door ti
ming of door de bitstroom, een fout opspoort, dan moet de
IDE een P3min-periode wachten alvorens het verzoek op
nieuw te doen.
DDP_021 Indien de VU in de door de IDE gezonden sequentie een
fout opspoort, mag de VU geen antwoord zenden maar moet
hij wachten op een ander Start Communication
Request-bericht binnen een P3max-periode.
2.2.5.2 O v e r b r e n g i n g s f a s e
Er kunnen twee verschillende gebieden voor de behandeling van fouten
worden gedefinieerd:
1. De VU spoort een overbrengingsfout van de IDE op.
DDP_022 Voor elk ontvangen bericht moet de VU timingfouten,
byteopmaakfouten (bijv. foutieve start- en stopbits) en
frame errors (verkeerd aantal bytes ontvangen, foutieve
controlesombyte) opsporen.
DDP_023 Indien de VU een van de bovengenoemde fouten op
spoort, dan zendt hij geen antwoord en negeert hij het
ontvangen bericht.
DDP_024 De VU kan andere fouten in de opmaak of inhoud van
het ontvangen bericht opsporen (bijv. bericht niet onder
steund), zelfs indien het bericht voldoet aan de lengte- en
controlesomeisen; in dat geval moet de VU aan de IDE
met een Negative Response-bericht antwoorden waarin de
aard van de fout wordt gespecificeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 340
Figuur 2
VU-foutbehandeling
▼B
2. De IDE spoort een overbrengingsfout van de VU op.
DDP_025 Voor elk ontvangen bericht moet de IDE timingfouten,
fouten in de byteopmaak (bijv. foutieve start- en stopbits)
en frame errors (verkeerd aantal bytes ontvangen, fou
tieve controlesombyte) opsporen.
DDP_026 De IDE moet sequentiefouten opsporen, bijv. niet cor
recte standverhogingen bij de teller van de subberichten
bij na elkaar ontvangen berichten.
DDP_027 Indien de IDE een fout opspoort of indien er binnen een
P2max-periode geen antwoord van de VU was, wordt het
verzoekbericht opnieuw gezonden met een maximum van
totaal drie overbrengingen. Voor het doel van deze fou
tenopsporing wordt de bevestiging van een subbericht
beschouwd als een verzoek aan de VU.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 341
DDP_028 De IDE moet ten minste een P3min-periode wachten voor
de start van elke overbrenging; de wachttijd moet worden
gemeten vanaf de laatst berekende optreding van een
stopbit nadat de fout was opgespoord.
Figuur 3
IDE-foutbehandeling
2.2.6 Inhoud van het antwoordbericht
Dit punt specificeert de inhoud van de gegevensvelden van de verschil
lende positieve antwoordberichten.
Gegevenselementen worden gedefinieerd in de data dictionary in aan
hangsel 1.
Opmerking: Voor downloads van de 2e generatie wordt elk gegevens
element op het hoogste niveau vertegenwoordigd door een reeks re
cords, zelfs als het maar één record bevat. Een reeks records begint met
een beginlabel. Dat beginlabel bevat het soort record, de grootte van
het record en het aantal records. Reeksen records worden in de vol
gende tabellen aangeduid door „…RecordArray” (met beginlabel).
▼M3
2.2.6.1 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a D o w n l o a d I n t e r
f a c e V e r s i o n ( P o s i t i e f a n t w o o r d o p v e r z o e k t o t h e t
d o w n l o a d e n v a n g e g e v e n s o v e r d r a c h t e n , i n t e r f a c e ,
v e r s i e )
DDP_028a Het gegevensveld van het bericht „Positive Response
Transfer Data Download Interface Version” moet de on
derstaande gegevens in de onderstaande volgorde onder het
SID 76 Hex en het TREP 00 Hex verstrekken:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 342
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 2 (TREP 00 Hex)
Gegevenselement Opmerking
DownloadInterfaceVersion Generatie en versie van de VU: 02,02 Hex voor
de tweede generatie, versie 2.
Niet ondersteund door VU van de eerste en de
tweede generatie, versie 1, die negatief zullen rea
geren (subfunctie niet ondersteund, zie DDP_018)
2.2.6.2 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a O v e r v i e w ( P o s i
t i e f a n t w o o r d o p e e n o v e r z i c h t v a n g e g e v e n s o v e r
d r a c h t e n )
DDP_029 Het gegevensveld van het bericht „Positive Response
Transfer Data Overview” moet de onderstaande gegevens
in de onderstaande volgorde onder het SID 76 Hex, het
TREP 01, 21 of 31 Hex en de passende splitsing en telling
van de subberichten verstrekken:
Gegevensstructuur eerste generatie (TREP 01 Hex)
Gegevenselement Opmerking
MemberStateCertificate VU-veiligheidscertificaten
VUCertificate
VehicleIdentificationNumber Identificatie van het voertuig (VIN)
VehicleRegistrationIdentification
CurrentDateTime Huidige datum en tijd van de VU
VuDownloadablePeriod Downloadbare periode
CardSlotsStatus Soorten in de VU ingebrachte kaarten
VuDownloadActivityData Vorige VU-download
VuCompanyLocksData Alle bedrijfsversleutelingen opgeslagen. Indien dit
segment leeg is, wordt alleen noOfLocks = 0
verzonden.
VuControlActivityData Alle in de VU opgeslagen controlerecords. Indien
dit segment leeg is, wordt alleen noOfControls =
0 verzonden.
Handtekening RSA-handtekening van alle gegevens (behalve
certificaten) vanaf VehicleIdentificationNumber
tot de laatste byte van de laatste VuControlActi
vityData.
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 1 (TREP 21 Hex)
Gegevenselement Opmerking
MemberStateCertificateRecordArray Lidstaatcertificaat
VUCertificateRecordArray VU-certificaat
VehicleIdentificationNumberRecordArray Identificatie van het voertuig
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 343
Gegevenselement Opmerking
VehicleRegistrationIdentificationRecordArray Voertuigregistratienummer
CurrentDateTimeRecordArray Huidige datum en tijd van de VU
VuDownloadablePeriodRecordArray Downloadbare periode
CardSlotsStatusRecordArray Soorten in de VU ingebrachte kaarten
VuDownloadActivityDataRecordArray Vorige VU-download
VuCompanyLocksRecordArray Alle bedrijfsversleutelingen opgeslagen. Indien
het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel
van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuControlActivityRecordArray Alle in de VU opgeslagen controlerecords. Indien
het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel
van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens
behalve de certificaten.
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 2 (TREP 31 Hex)
Gegevenselement Opmerking
MemberStateCertificateRecordArray Lidstaatcertificaat
VUCertificateRecordArray VU-certificaat
VehicleIdentificationNumberRecordArray Identificatie van het voertuig
VehicleRegistrationNumberRecordArray Voertuigregistratienummer
CurrentDateTimeRecordArray Huidige datum en tijd van de VU
VuDownloadablePeriodRecordArray Downloadbare periode
CardSlotsStatusRecordArray Soorten in de VU ingebrachte kaarten
VuDownloadActivityDataRecordArray Vorige VU-download
VuCompanyLocksRecordArray Alle bedrijfsversleutelingen opgeslagen. Indien
het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel
van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuControlActivityRecordArray Alle in de VU opgeslagen controlerecords. Indien
het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel
van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens
behalve de certificaten.
2.2.6.3 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a A c t i v i t i e s ( P o s i
t i e f a n t w o o r d o p e e n v e r z o e k t o t o v e r d r a c h t v a n
g e g e v e n s m e t b e t r e k k i n g t o t a c t i v i t e i t e n )
DDP_030 Het gegevensveld van het bericht „Positive Response
Transfer Data Activities” moet de onderstaande gegevens
in de onderstaande volgorde onder het SID 76 Hex, het
TREP 02, 22 of 32 Hex en de passende splitsing en telling
van de subberichten verstrekken:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 344
Gegevensstructuur eerste generatie (TREP 02 Hex)
Gegevenselement Opmerking
TimeReal Datum van de gedownloade dag
OdometerValueMidnight Kilometerstand aan het einde van de gedownloade dag
VuCardIWData Gegevens over de cycli van inbrengen en uitnemen van
kaarten.
— Indien deze passage geen beschikbare gegevens be
vat, wordt alleen noOfVuCardIWRecords = 0 ver
zonden.
— Wanneer een VuCardIWRecord 00:00 (kaart in
gebracht op de vorige dag) of 24:00 (kaart uitgeno
men de volgende dag) overschrijdt, wordt het vol
ledig getoond op de twee betrokken dagen.
VuActivityDailyData Status van de lezers op 00:00 en opgeslagen activiteits
wijzigingen op de gedownloade dag.
VuPlaceDailyWorkPeriodData Opgeslagen plaatsgegevens op de gedownloade dag. In
dien dit segment leeg is, wordt alleen noOfPlaceRecords
= 0 verzonden.
VuSpecificConditionData Gegevens over specifieke omstandigheden die geregis
treerd zijn voor de gedownloade dag. Indien dit punt
leeg is, wordt alleen noOfSpecificConditionRecords=0
verzonden.
Handtekening RSA-handtekening van alle gegevens vanaf TimeReal
tot de laatste byte van de laatste specifieke
omstandigheden-record
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 1 (TREP 22 Hex)
Gegevenselement Opmerking
DateOfDayDownloadedRecordArray Datum van de gedownloade dag
OdometerValueMidnightRecordArray Kilometerstand aan het einde van de gedownloade dag
VuCardIWRecordArray Gegevens over de cycli van inbrengen en uitnemen van
kaarten.
— Indien dit segment geen beschikbare gegevens be
vat, wordt een beginlabel van een reeks met noOf
Records = 0 verzonden.
— Wanneer een VuCardIWRecord 00:00 (kaart in
gebracht op de vorige dag) of 24:00 (kaart uitgeno
men de volgende dag) overschrijdt, wordt het vol
ledig getoond op de twee betrokken dagen.
VuActivityDailyRecordArray Status van de lezers op 00:00 en opgeslagen activiteits
wijzigingen op de gedownloade dag.
VuPlaceDailyWorkPeriodRecordArray Gegevens over plaatsen die geregistreerd zijn voor de
gedownloade dag. Indien dit punt leeg is, wordt een
beginlabel van een reeks met noOfRecords = 0
verzonden.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 345
Gegevenselement Opmerking
VuGNSSADRecordArray GNSS-posities van het voertuig indien de gecumuleerde
rijtijd van het voertuig een veelvoud van drie uur be
reikt. Indien het segment leeg is, wordt alleen een be
ginlabel van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuSpecificConditionRecordArray Gegevens over specifieke omstandigheden die geregis
treerd zijn voor de gedownloade dag. Indien dit punt
leeg is, wordt een beginlabel van een reeks met noOf
Records = 0 verzonden.
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 2 (TREP 32 Hex)
Gegevenselement Opmerking
DateOfDayDownloadedRecordArray Datum van de gedownloade dag
OdometerValueMidnightRecordArray Kilometerstand aan het einde van de gedownloade dag
VuCardIWRecordArray Gegevens over de cycli van inbrengen en uitnemen van
kaarten.
— Indien dit segment geen beschikbare gegevens be
vat, wordt een beginlabel van een reeks met noOf
Records = 0 verzonden.
— Wanneer een VuCardIWRecord 00:00 (kaart in
gebracht op de vorige dag) of 24:00 (kaart uitgeno
men de volgende dag) overschrijdt, wordt het vol
ledig getoond op de twee betrokken dagen.
VuActivityDailyRecordArray Status van de lezers op 00:00 en opgeslagen activiteits
wijzigingen op de gedownloade dag.
VuPlaceDailyWorkPeriodRecordArray Gegevens over plaatsen die geregistreerd zijn voor de
gedownloade dag. Indien dit punt leeg is, wordt een
beginlabel van een reeks met noOfRecords = 0
verzonden.
VuGNSSADRecordArray GNSS-posities van het voertuig indien de opgetelde rij
tijd van het voertuig een veelvoud van drie uur bereikt.
Indien het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel
van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuSpecificConditionRecordArray Gegevens over specifieke omstandigheden die geregis
treerd zijn voor de gedownloade dag. Indien dit punt
leeg is, wordt een beginlabel van een reeks met noOf
Records = 0 verzonden.
VuBorderCrossingRecordArray Grensoverschrijdingen voor de gedownloade dag. Indien
dit punt leeg is, wordt een beginlabel van een reeks met
noOfRecords = 0 verzonden.
VuLoadUnloadRecordArray Laad-/losverrichtingen op de gedownloade dag. Indien
het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel van een
reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 346
2.2.6.4 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a E v e n t s a n d F a u l t s
( P o s i t i e f a n t w o o r d o p e e n v e r z o e k t o t o v e r d r a c h t
v a n g e g e v e n s m e t b e t r e k k i n g t o t v o o r v a l l e n e n
f o u t e n )
DDP_031 Het gegevensveld van het bericht „Positive Response
Transfer Data Events and Faults” moet de onderstaande
gegevens in de onderstaande volgorde onder het SID 76
Hex, het TREP 03, 23 of 33 Hex en de passende splitsing
en telling van de subberichten verstrekken:
Gegevensstructuur eerste generatie (TREP 03 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuFaultData Alle in de VU opgeslagen of lopende fouten.
Indien dit segment leeg is, wordt alleen noOfVuFaults =
0 verzonden.
VuEventData Alle in de VU opgeslagen of lopende voorvallen (be
halve snelheidsoverschrijding).
Indien het segment leeg is, wordt alleen noOfVuEvents
= 0 verzonden.
VuOverSpeedingControlData Gegevens met betrekking tot de laatste snelheidsover
schrijdingscontrole (standaardwaarde indien er geen ge
gevens zijn).
VuOverSpeedingEventData Alle in de VU opgeslagen snelheidsoverschrijdingen.
Indien het segment leeg is, wordt alleen noOfVuOver
SpeedingEvents = 0 verzonden.
VuTimeAdjustmentData Alle in de VU opgeslagen tijdafstellingen (buiten het
kader van een volledige kalibratie).
Indien het segment leeg is, wordt alleen noOfVuTime
Adjrecords = 0 verzonden.
Handtekening RSA-handtekening van alle gegevens vanaf noOfVu
Faults tot de laatste byte van de laatste
tijdafstellingsrecord.
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 1 (TREP 23 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuFaultRecordArray Alle in de VU opgeslagen of lopende fouten.
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuEventRecordArray Alle in de VU opgeslagen of lopende voorvallen (be
halve snelheidsoverschrijding).
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuOverSpeedingControlDataRecordArray Gegevens met betrekking tot de laatste snelheidsover
schrijdingscontrole (standaardwaarde indien er geen ge
gevens zijn).
VuOverSpeedingEventRecordArray Alle in de VU opgeslagen snelheidsoverschrijdingen.
Indien het segment leeg is, wordt alleen een beginlabel
van een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 347
Gegevenselement Opmerking
VuTimeAdjustmentRecordArray Alle in de VU opgeslagen tijdafstellingen (buiten het
kader van een volledige kalibratie).
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 2 (TREP 33 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuFaultRecordArray Alle in de VU opgeslagen of lopende fouten.
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuEventRecordArray Alle in de VU opgeslagen of lopende voorvallen (be
halve snelheidsoverschrijding).
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuOverSpeedingControlDataRecordArray Gegevens met betrekking tot de laatste snelheidsover
schrijdingscontrole (standaardwaarde indien er geen ge
gevens zijn).
VuOverSpeedingEventRecordArray Alle in de VU opgeslagen snelheidsoverschrijdingen.
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
VuTimeAdjustmentRecordArray Alle in de VU opgeslagen tijdafstellingen (buiten het
kader van een volledige kalibratie).
Indien het segment leeg is, wordt een beginlabel van
een reeks met noOfRecords = 0 verzonden.
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
2.2.6.5 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a D e t a i l e d S p e e d
( P o s i t i e f a n t w o o r d o p e e n v e r z o e k t o t o v e r d r a c h t
v a n g e g e v e n s m e t b e t r e k k i n g t o t d e g e d e t a i l l e e r d e
s n e l h e i d )
DDP_032 Het gegevensveld van het bericht „Positive Response
Transfer Data Detailed Speed” moet de onderstaande ge
gevens in de onderstaande volgorde onder het SID 76 Hex,
het TREP 04 of 24 Hex en de passende splitsing en telling
van de subberichten verstrekken:
Gegevensstructuur eerste generatie (TREP 04 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuDetailedSpeedData Alle in de VU opgeslagen gegevens over gedetailleerde
snelheid (één snelheidsblok per minuut waarin het voer
tuig rijdt).
60 snelheidswaarden per minuut (één per seconde).
Handtekening RSA-handtekening van alle gegevens vanaf noOfSpeed
Blocks tot de laatste byte van het laatste snelheidsblok.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 348
Gegevensstructuur tweede generatie (TREP 24 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuDetailedSpeedBlockRecordArray Alle in de VU opgeslagen gegevens over gedetailleerde
snelheid (één snelheidsblok per minuut waarin het voer
tuig rijdt).
60 snelheidswaarden per minuut (één per seconde).
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
2.2.6.6 P o s i t i v e R e s p o n s e T r a n s f e r D a t a T e c h n i c a l D a t a
( P o s i t i e f a n t w o o r d o p e e n v e r z o e k t o t o v e r d r a c h t
v a n t e c h n i s c h e g e g e v e n s )
DDP_033 Het gegevensveld van het bericht „Positive Response Trans
fer Data Technical Data” moet de onderstaande gegevens in
de onderstaande volgorde onder het SID 76 Hex, het TREP
05, 25 of 35 Hex en de passende splitsing en telling van de
subberichten verstrekken:
Gegevensstructuur eerste generatie (TREP 05 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuIdentification
SensorPaired
VuCalibrationData Alle in de VU opgeslagen kalibratierecords.
Handtekening RSA-handtekening van alle gegevens vanaf vuManufac
turerName tot de laatste byte van de laatste VuCalibra
tionRecord.
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 1 (TREP 25 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuIdentificationRecordArray
VuSensorPairedRecordArray Alle in de VU opgeslagen sensorverbindingen.
VuSensorExternalGNSSCoupledRecordAr
ray
Alle in de VU opgeslagen verbindingen met de externe
GNSS-module.
VuCalibrationRecordArray Alle in de VU opgeslagen kalibreringsrecords.
VuCardRecordArray Alle in de VU opgeslagen gegevens over kaartinbren
ging.
VuITSConsentRecordArray
VuPowerSupplyInterruptionRecordArray
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 349
Gegevensstructuur tweede generatie, versie 2 (TREP 35 Hex)
Gegevenselement Opmerking
VuIdentificationRecordArray
VuSensorPairedRecordArray Alle in de VU opgeslagen sensorverbindingen.
VuSensorExternalGNSSCoupledRecordAr
ray
Alle in de VU opgeslagen verbindingen met de externe
GNSS-module.
VuCalibrationRecordArray Alle in de VU opgeslagen kalibreringsrecords.
VuCardRecordArray Alle in de VU opgeslagen gegevens over kaartinbren
ging.
VuITSConsentRecordArray
VuPowerSupplyInterruptionRecordArray
SignatureRecordArray ECC-handtekening van alle voorgaande gegevens.
▼B
2.3. ESM bestandsopslag
DDP_034 Wanneer tijdens een downloadsessie een gegevensover
dracht van een VU heeft plaatsgevonden, moet de IDE
alle tijdens de downloadsessie van de VU in de berichten
Positive Response Transfer Data ontvangen gegevens in één
fysiek veld opslaan. Opgeslagen gegevens zijn exclusief
beginlabels van berichten, tellers van subberichten, lege
subberichten en controlesommen maar inclusief het SID
en TREP (alleen van het eerste subbericht indien er ver
scheidene subberichten zijn).
3. DOWNLOADPROTOCOL VAN TACHOGRAAFKAARTEN
3.1. Toepassingsgebied
Dit punt beschrijft de directe gegevensoverdracht van een tachograaf
kaart naar een IDE. De IDE maakt geen deel uit van de beveiligde
omgeving; daarom vindt er geen authenticatie tussen de kaart en de
IDE plaats.
3.2. Definities
Downloadsessie: Elke keer dat er gegevens van
de chipkaart worden ge
download. De sessie omvat de
volledige procedure vanaf het
resetten van de chipkaart door
een IFD tot de inactivering
van de chipkaart (uitnemen
van de kaart of volgende reset).
Getekend gegevensbestand: Een bestand van de chipkaart.
Het bestand wordt ongecodeerd
naar de IFD overgebracht. Op
de chipkaart wordt het bestand
gehashed en getekend; de hand
tekening wordt naar de IFD
overgebracht.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 350
3.3. Kaartdownload
▼M3
DDP_035 De download van een tachograafkaart omvat de onder
staande stappen:
— Download van de algemene informatie van de kaart naar
de ICC en IC van het EF. Deze informatie is facultatief
en wordt niet met een digitale handtekening beveiligd.
— Voor tachograafkaarten van de eerste en tweede genera
tie
— Download EF’s in Tachograph DF:
— Download het Card_Certificate en CA_Certifi
cate van het EF. Deze informatie wordt niet
met een digitale handtekening beveiligd.
Het is verplicht om deze bestanden voor elke
sessie te downloaden.
— Download van de andere toepassingsgegevens
van de EF’s (in Tachograph DF) met uitzon
dering van EF Card_Download. Deze informatie
wordt beveiligd met een digitale handtekening,
overeenkomstig aanhangsel 11 „Algemene bevei
ligingsmechanismen”, deel A.
— Het is verplicht om ten minste de Applica
tion_Identification en Identification van het EF
voor elke sessie te downloaden.
— Bij het downloaden van een bestuurderskaart is
het ook verplicht de onderstaande EF's over te
brengen:
Events_Data,
Faults_Data,
Driver_Activity_Data,
Vehicles_Used,
Places,
Control_Activity_Data,
Specific_Conditions.
— Alleen voor tachograafkaarten van de tweede generatie:
— Download van de EF’s in Tachograph_G2 DF, be
halve wanneer een in een VU ingebrachte bestuur
derskaart wordt gedownload tijdens een bestuurders
controle door een controle-instantie van buiten de
EU, waarbij een controlekaart van de eerste generatie
wordt gebruikt:
— Download van het CardSignCertificate, CA_Cer
tificate en Link_Certificate van het EF. Deze in
formatie wordt niet met een digitale handteke
ning beveiligd.
— Het is verplicht om deze bestanden voor elke
sessie te downloaden.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 351
— Download van de andere toepassingsgegevens
van de EF’s (in Tachograph_G2 DF) met uitzon
dering van Card_Download van het EF. Deze
informatie wordt beveiligd met een digitale hand
tekening, overeenkomstig aanhangsel 11 „Alge
mene beveiligingsmechanismen”, deel B.
— Het is verplicht om ten minste de Applica
tion_Identification, Application_Identifica
tion_V2 (indien aanwezig) en Identification van
het EF voor elke sessie te downloaden
— Bij het downloaden van een bestuurderskaart is
het ook verplicht de onderstaande EF's over te
brengen:
Events_Data,
Faults_Data,
Driver_Activity_Data,
Vehicles_Used,
Places,
Control_Activity_Data,
Specific_Conditions,
VehicleUnits_Used,
GNSS_Places,
Places_Authentication, indien aanwezig,
GNSS_Places_Authentication, indien aanwezig,
Border_Crossings, indien aanwezig,
Load_Unload_Operations, indien aanwezig,
Load_Type_Entries, indien aanwezig.
— Bij het downloaden van een bestuurderskaart
moet de datum van LastCardDownload worden
aangepast in Card_Download van het EF, in de
Tachograph en, voor zover van toepassing, in de
DF’s van Tachograph_G2.
— Bij het downloaden van een werkplaatskaart
moet de kalibratieteller worden gereset in
Card_Download in de DF’s van Tachograph
en, voor zover van toepassing, Tachograph_G2.
— Bij het downloaden van een werkplaatskaart mag
EF Sensor_Installation_Data in de Tachograph
en, voor zover van toepassing, de DF’s van Ta
chograph_G2 niet worden gedownload.
▼B
3.3.1 Initialisatiesequentie
DDP_036 De IDE moet de sequentie als volgt initiëren:
Kaart Richting IDE/IFD Betekenis/Opmerkingen
⇦ Hardware resetten
ATR ⇨
Het gebruik van PPS om over te schakelen op een hogere
baudsnelheid is facultatief zolang de chipkaart dit
ondersteunt.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 352
3.3.2 Sequentie voor niet-getekende gegevensbestanden
DDP_037 ►M1 De sequentie voor download van de chipkaart, IC,
Card_Certificate (of CardSignCertificate voor DF Tacho
graph_G2), CA_Certificate en Link_Certificate (uitsluitend
voor DF Tachograph_G2) van het EF is als volgt: ◄
Kaart Richting IDE/IFD Betekenis/Opmerkingen
⇦ Select file Selecteer met bestandsidenti
ficatiesymbolen
OK ⇨
⇦ Read binary Indien het bestand meer ge
gevens bevat dan de grootte
van het buffergeheugen van
de lezer of van de kaart,
moet het commando worden
herhaald totdat het volledige
bestand gelezen is.
Bestandsgegevens
OK
⇨ Sla gegevens in ESM op overeenkomstig 3.4 Opmaak
gegevensopslag
Noot 1: Voor het selecteren van het Card_Certificate (of
CardSignCertificate) van het EF, moet de tachograaftoepas
sing worden geselecteerd (selectie met AID).
Noot 2: Een bestand lezen en selecteren kan ook in één stap
worden uitgevoerd met het Read Binary-commando met een
kort EF-identificatiesymbool.
3.3.3 Sequentie voor getekende gegevensbestanden
DDP_038 De onderstaande sequentie moet worden gebruikt voor elk
van de volgende bestanden die met hun handtekening moe
ten worden overgebracht:
▼M1
Kaart Richting IDE / IFD Betekenis/Opmerkingen
Select file
OK
Perform Hash of File — Berekent de hashwaarde
van de inhoud van de ge
gevens van het geselec
teerde bestand met het
voorgeschreven hashal
goritme overeenkomstig
aanhangsel 11, deel A
of B. Dit commando is
geen ISO-commando.
Bereken Hash of File
en sla hashwaarde
tijdelijk op
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 353
Kaart Richting IDE / IFD Betekenis/Opmerkingen
OK
Read Binary Indien het bestand meer ge
gevens bevat dan het buffer
geheugen van de lezer of van
de kaart kan bewaren, moet
het commando worden her
haald tot het volledige be
stand is gelezen.
Bestandsgegevens
OK
Sla ontvangen gegevens in
ESM op
Overeenkomstig 3.4 Data sto
rage format
PSO: Compute Digital
Signature
Voer beveiligingsope
ratie „Bereken digitale
handtekening” uit met
de tijdelijk opgeslagen
hashwaarde
Handtekening
OK
Koppel gegevens aan de
vorige in het ESM opgesla
gen gegevens
Overeenkomstig 3.4 Data sto
rage format
▼B
Noot: Een bestand selecteren en lezen kan ook in één stap
worden uitgevoerd met het Read Binary-commando met een
kort EF-identificatiesymbool. In dit geval kan het EF wor
den geselecteerd en gelezen vóór het commando „perform
hash of file” wordt toegepast.
3.3.4 Sequentie voor het resetten van de kalibreringsteller
DDP_039 De sequentie voor het resetten van de
-teller in de
van het EF op een werkplaatskaart is
de volgende:
Kaart Richting IDE/IFD Betekenis/Opmerkingen
⇦ Select File EF Card_Download Selecteer met bestandsidenti
ficatiesymbolen
OK ⇨
⇦ Update Binary
NoOfCalibrationsSince
Download = „00 00”
Reset het volgnummer
van kaartdownload
OK ⇨
Noot: Een bestand selecteren en lezen kan ook in één stap
worden uitgevoerd met het Update Binary-commando met
een kort EF-identificatiesymbool.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 354
3.4. Opmaak gegevensopslag
3.4.1 Inleiding
DDP_040 De gedownloade gegevens moeten overeenkomstig de on
derstaande voorwaarden worden opgeslagen:
— De gegevens moeten transparant worden opgeslagen.
Dat betekent dat de volgorde van de bytes en de volg
orde van de bits in de byte die vanaf de kaart worden
overgebracht, tijdens de opslag gehandhaafd moeten
blijven.
— Alle tijdens een downloadsessie overgebrachte bestanden
van de kaart worden in één bestand in het ESM
opgeslagen.
3.4.2 Bestandsopmaak
DDP_041 De bestandsopmaak is een aaneenschakeling van diverse
TLV-objecten.
DDP_042 Het label voor een EF moet het FID plus de toevoeging
„00” zijn.
DDP_043 Het label van een handtekening van een EF moet het FID
van het bestand plus de toevoeging „01” zijn.
DDP_044 De lengte is een waarde van twee bytes. De waarde defini
eert het aantal bytes in het waardeveld. De waarde „FF FF”
in het lengteveld wordt voor toekomstig gebruik
gereserveerd.
DDP_045 Wanneer een bestand niet wordt gedownload, moeten geen
gegevens met betrekking tot het bestand worden opgeslagen
(geen label en geen nullengte).
▼M1
DDP_046 Een handtekening moet als het volgende TLV-object wor
den opgeslagen, onmiddellijk na het TLV-object dat de ge
gevens van het bestand bevat.
Definitie Betekenis Lengte
FID (2 Bytes) || „00” Tag voor EF (FID) in de
of voor ge
meenschappelijke informa
tie van de kaart
3 bytes
FID (2 Bytes) || „01” Label voor handtekening
van EF (FID) in de
3 bytes
FID (2 Bytes) || „02” Label voor EF (FID) in
de DF
3 bytes
FID (2 Bytes) || „03” Label voor handtekening
van EF (FID) in de
DF
3 bytes
xx xx Lengte van waardeveld 2 bytes
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 355
Voorbeeld van gegevens in een naar een ESM overgedragen
bestand:
Label Lengte Waarde
— Gegevens van EF ICC
— Gegevens van EF Card_Certificate
— ...
Gegevens van EF
(in de DF)
Handtekening van EF
(in de
DF)
Gegevens van EF
in de DF
Handtekening van EF
in de
DF
▼B
4. DOWNLOADEN VAN EEN TACHOGRAAFKAART VIA EEN
VOERTUIGUNIT
DDP_047 De VU moet mogelijk maken de inhoud te downloaden van
een bestuurderskaart die in een met de VU verbonden IDE
is ingebracht
DDP_048 De IDE moet een „Transfer Data Request Card Download”-
bericht naar de VU zenden om deze modus te initiëren (zie
2.2.2.9).
▼M1
DDP_049 Bestuurderskaarten van de eerste generatie: de gegevens
moeten worden gedownload door gebruik te maken van
het downloadprotocol van de eerste generatie, en de ge
downloade gegevens moeten hetzelfde formaat hebben als
gegevens die zijn gedownload van een voertuigunit van de
eerste generatie.
Bestuurderskaarten van de tweede generatie: de VU moet
vervolgens overeenkomstig het in punt 3 gedefinieerde
kaartdownloadprotocol de hele kaart downloaden, bestand
voor bestand, en alle van de kaart ontvangen gegevens in
de vereiste TLV-bestandsopmaak (zie 3.4.2) en ingekapseld
in een „Positive Response Transfer Data”-bericht naar de
IDE zenden.
▼B
DDP_050 De IDE moet de kaartgegevens van het „Positive Response
Transfer Data”-bericht lezen (alle beginlabels, SID's,
TREP's, tellers van subberichten en controlesommen verwij
deren) en deze gegevens opslaan in een fysiek bestand zoals
beschreven in punt 2.3.
DDP_051 De VU moet vervolgens, naar gelang van het geval, het
bestand of van
de bestuurderskaart bijwerken.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 356
Aanhangsel 8
KALIBRERINGSPROTOCOL
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
2. TERMEN, DEFINITIES EN REFERENTIES
3. OVERZICHT VAN DIENSTEN
3.1. Beschikbare diensten
3.2. Antwoordcodes
4. COMMUNICATIEDIENSTEN
4.1. StartCommunication-dienst (Start overdracht)
4.2. StopCommunication Service
4.2.1 Omschrijving van het bericht
4.2.2 Berichtformaat
4.2.3 Parameterdefinitie
4.3. TesterPresent-dienst (Testapparaat actief)
4.3.1 Omschrijving van het bericht
4.3.2 Berichtformaat
5. BEHEERSDIENSTEN
5.1. StartDiagnosticSession-dienst (Start diagnostische sessie)
5.1.1 Omschrijving van het bericht
5.1.2 Berichtformaat
5.1.3 Parameterdefinitie
5.2. SecurityAccess-dienst (Veiligheidstoegang)
5.2.1 Omschrijving van het bericht
5.2.2 Berichtformaat — SecurityAccess — requestSeed
5.2.3 Berichtformaat — SecurityAccess — sendKey
6. GEGEVENSOVERBRENGINGSDIENSTEN
6.1. ReadDataByIdentifier-dienst (Lees gegevens met identificatiesymbool)
6.1.1 Omschrijving van het bericht
6.1.2 Berichtformaat
6.1.3 Parameterdefinitie
6.2. WriteDataByIdentifier service
6.2.1 Omschrijving van het bericht
6.2.2 Berichtformaat
6.2.3 Parameterdefinitie
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 357
7. CONTROLE VAN TESTIMPULSEN — INVOER-/UITVOERCON
TROLE FUNCTIONELE EENHEID
7.1. InputOutputControlByIdentifier-dienst
7.1.1 Omschrijving van het bericht
7.1.2 Berichtformaat
7.1.3 Parameterdefinitie
▼M3
8 ROUTINECONTROL SERVICE (TIJDAFSTELLING)
8.1. Omschrijving van het bericht
8.2. Berichtformaat
9. FORMATEN VAN DATARECORDS
9.1. Overgebrachte parameterreeksen
9.2. formaten van dataRecords
▼B
1. INLEIDING
In dit aanhangsel wordt beschreven hoe gegevens worden uitgewisseld
tussen een voertuigunit en een testapparaat via de K-lijn die deel uit
maakt van de in aanhangsel 6 beschreven kalibreringsinterface. Voorts
wordt ook de controle van de input/output-signaallijn op de kalibre
ringsconnector beschreven.
Het tot stand brengen van communicatie via de K-lijn wordt beschre
ven in punt 4 „Overdrachtsdiensten”.Communicatiediensten
In dit aanhangsel wordt gebruik gemaakt van het idee van diagnosti
sche „sessies” om het toepassingsgebied van K-lijncontrole onder ver
schillende omstandigheden vast te stellen. De standaardsessie is de
„StandardDiagnosticSession”, waarin alle gegevens van een voertuig
unit kunnen worden gelezen maar waarin geen gegevens naar een
voertuigunit kunnen worden geschreven.
De selectie van de diagnostische sessie wordt beschreven in het punt 5
„Beheerdiensten”.
Dit aanhangsel moet worden beschouwd als relevant voor beide gene
raties VU's en werkplaatskaarten, overeenkomstig de in deze verorde
ning vastgestelde interoperabiliteitseisen.
CPR_001 Met de „ECUProgrammingSession” kunnen gegevens in de
voertuigunit worden ingevoerd. Wanneer kalibreringsgege
vens worden ingevoerd, moet de voertuigunit bovendien in
de werkingsmodus CALIBRATION staan.
Gegevensoverdracht via K-lijn wordt beschreven in het punt
6 „Gegevensoverbrengingsdiensten”.Gegevensoverbren
gingsdiensten Formaten van overgebrachte gegevens worden
nader beschreven in het punt 8 „Formaten van gegevens
registraties”.Formaten van dataRecords
CPR_002 Met de „ECUAdjustmentSession” kan de I/O-modus van de
I/O-signaallijn voor kalibrering via de K-lijninterface wor
den geselecteerd. De controle van de kalibrerings-I/O-sig
naallijn wordt beschreven in punt 7 „Controle van testim
pulsen — Invoer-/uitvoercontrole functionele eenheid”.
CPR_003 Overal in dit document wordt naar het testapparaat ver
wezen met het adres „tt”. Hoewel er mogelijk voorkeur
adressen zijn voor testapparaten, moet de VU correct rea
geren op elk adres van een testapparaat. Het fysieke adres
van de VU is 0xEE.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 358
2. TERMEN, DEFINITIES EN REFERENTIES
De protocollen, berichten en foutcodes zijn voornamelijk gebaseerd op
een ontwerp van ISO 14229-1 (Road vehicles — Diagnostic systems
— Part 1: Diagnostic services, versie 6 van 22 februari 2001).
Bytecodering en hexadecimale waarden worden voor de dienstidentifi
catiesymbolen, de dienstverzoeken en dienstantwoorden en de stan
daardparameters gebruikt.
De term „testapparaat” verwijst naar de inrichting die wordt gebruikt
om programmeer-/kalibreringsgegevens in de VU in te voeren.
De termen „cliënt” en „server” verwijzen respectievelijk naar het test
apparaat en de VU.
De term ECU betekent „elektronische controle-unit” en verwijst naar de
VU.
Referenties:
▼M1
ISO 14230-2: Road Vehicles — Diagnostic Systems — Keyword Pro
tocol 2000 — Part 2: Data Link Layer.
Eerste editie: 1999.
▼B
3. OVERZICHT VAN DIENSTEN
3.1. Beschikbare diensten
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de in de tachograaf
beschikbare diensten; deze worden in dit document gedefinieerd.
CPR_004 De tabel geeft de diensten aan die in een actieve diagnosti
sche sessie beschikbaar zijn.
— De 1ste kolom vermeldt de beschikbare diensten.
— De 2de kolom bevat het nummer van het punt in dit
aanhangsel, waarin de dienst nader wordt gedefinieerd.
— De 3de kolom kent de waarden van het dienstidentifi
catiesymbool toe voor verzoekberichten.
— De 4de kolom specificeert de diensten van de
„StandardDiagnosticSession” (SD) (standaard diagnos
tische sessie) die in elke VU geïmplementeerd moeten
worden.
— De 5de kolom specificeert de diensten van de
„ECUAdjustmentSession” (ECUAS) (ECU-afstellings
sessie) die geïmplementeerd moeten worden om controle
van de I/O-signaallijn in het frontpaneel van de kalibre
ringsconnector van de VU mogelijk te maken.
— De 6de kolom specificeert de diensten van de ECUPS
(ECU-ProgrammingSession) die geïmplementeerd moe
ten worden om programmering van de parameters in de
VU mogelijk te maken.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 359
Tabel 1
Verzameltabel 1waarden dienstidentificatiesymbolen
Diagnostische sessies
Naam van de diagnostische dienst Sectie nr.
SId Vereiste
waarde
SD ECUAS ECUPS
StartCommunication 4.1 81 ■ ■ ■
StopCommunication 4.2 82 ■
TesterPresent 4.3 3E ■ ■ ■
StartDiagnosticSession 5.1 10 ■ ■ ■
SecurityAccess 5.2 27 ■ ■ ■
ReadDataByIdentifier 6.1 22 ■ ■ ■
WriteDataByIdentifier 6.2 2E ■
InputOutputControlByIdentifier 7.1 2F ■
▼M3
RoutineControl 8 31
▼B
■ Dit symbool geeft aan dat deze dienst verplicht is in deze diagnostische sessie.
Geen symbool geeft aan dat deze dienst in deze diagnostische sessie niet is
toegestaan.
3.2. Antwoordcodes
Voor elke dienst zijn antwoordcodes bepaald.
4. COMMUNICATIEDIENSTEN
Een aantal diensten zijn noodzakelijk voor het tot stand brengen en
handhaven van de overdracht. Ze komen niet voor op de toepassings
laag. De beschikbare diensten worden in de onderstaande tabel
beschreven:
Tabel 2
Communicatiediensten
Naam van de dienst Beschrijving
StartCommunication De cliënt verzoekt een overdrachtsessie
met (een) server(s) te starten.
StopCommunication De cliënt verzoekt de huidige over
drachtsessie te beëindigen.
TesterPresent De cliënt wijst de server erop dat de
verbinding nog actief is.
CPR_005 De StartCommunication Service wordt gebruikt voor het
starten van een overdracht. Om een dienst uit te kunnen
voeren, moet de overdracht geïnitialiseerd worden en moe
ten de overdrachtparameters geschikt zijn voor de gewenste
modus.
4.1. StartCommunication-dienst (Start overdracht)
CPR_006 Na ontvangst van een StartCommunication-indicatieprimitief
moet de VU controleren of de gevraagde overdrachtverbin
ding onder de aanwezige voorwaarden geïnitialiseerd kan
worden. Geldige voorwaarden voor de initialisatie van een
overdrachtverbinding worden in document ISO 14230-2
beschreven.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 360
CPR_007 Vervolgens moet de VU alle noodzakelijke acties uitvoeren
om de overdrachtverbinding te initialiseren en een
StartCommunication-antwoordprimitief met de geselecteerde
Positive Response-parameters zenden.
CPR_008 Indien een reeds geïnitialiseerde VU (die begonnen is aan
een diagnostische sessie) een nieuw StartCommunication
Request ontvangt (bijv. ten gevolge van het herstellen van
fouten in het testapparaat), moet het verzoek geaccepteerd
worden en moet de VU opnieuw geïnitialiseerd worden.
CPR_009 Indien de overdrachtverbinding om de een of andere reden
niet geïnitialiseerd kan worden, moet de VU blijven functi
oneren op de manier onmiddellijk voorafgaande aan de po
ging om de overdrachtverbinding te initialiseren.
CPR_010 Het bericht StartCommunication Request moet fysiek ge
adresseerd worden.
CPR_011 De VU wordt voor diensten geïnitialiseerd via een „snelle
initialisatie”-methode.
— Aan elke activiteit gaat een bus-stilstandtijd vooraf.
— Het testapparaat zendt vervolgens een initialisatiepa
troon.
— Het antwoord van de VU bevat alle noodzakelijke in
formatie om de overdracht tot stand te brengen.
CPR_012 Na voltooiing van de initialisatie:
— Alle overdrachtparameters worden overeenkomstig de
sleutelbytes op de in tabel 4 bepaalde waarden gezet.
— De VU wacht op het eerste verzoek van het testapparaat.
— De VU staat in de standaard diagnostische modus, d.w.z.
StandardDiagnosticSession.
— De kalibrerings-I/O-signaallijn staat in de standaard
instelling, d.w.z. geblokkeerde instelling.
CPR_014 De snelheid van de gegevensoverdracht op de K-lijn be
draagt 10 400 baud.
CPR_016 De snelle initialisatie wordt door het testapparaat gestart
door het zenden van een Wake-up-patroon (Wup) op de
K-lijn. Het patroon begint na de stilstandtijd op de K-lijn
met een lage Tinil-tijd. Het testapparaat zendt de eerste bit
van de StartCommunication-dienst na een Twup-tijd vol
gend op de eerste aflopende rand.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 361
CPR_017 De timingwaarden voor snelle initialisatie en overdracht in
het algemeen worden beschreven in de onderstaande tabel
len. Er zijn verschillende mogelijkheden voor de
stilstandtijd:
— Eerste overbrenging na inschakeling, Tidle = 300 ms.
— Na voltooiing van een StopCommunication-dienst, Tidle
= P3 min.
— Na beëindiging van de overdracht door time-out P3
max, Tidle = 0.
Tabel 3
Timingwaarden voor snelle initialisatie
Parameter Minimumwaarde Maximumwaarde
Tinil 25 ± 1 ms 24 ms 26 ms
Twup 50 ± 1 ms 49 ms 51 ms
Tabel 4
Timingwaarden voor overdracht
Timing Pa
rameter
Parameteromschrijving
laagste waarden
[ms]
hoogste waarden
[ms]
min. max.
P1 Interbytetijd voor antwoord
van de VU
0 20
P2 Tijd tussen verzoek van test
apparaat en antwoord van de
VU of twee antwoorden van
de VU
25 250
P3 Tijd tussen einde van de ant
woorden van de VU en begin
van een nieuw verzoek van het
testapparaat
55 5 000
P4 Interbytetijd voor verzoek van
het testapparaat
5 20
CPR_018 Het berichtenformaat voor snelle initialisatie wordt omschre
ven in de onderstaande tabellen. (N.B.: hex staat voor hexa
decimaal)
Tabel 5
StartCommunication Request-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
81 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 362
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 4 StartCommunication Request
Service Id
81 SCR
# 5 Controlesom 00-FF CS
Tabel 6
StartCommunication Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 StartCommunication Positive
Response Service Id
C1 SCRPR
# 6 Sleutelbyte 1 EA KB1
# 7 Sleutelbyte 2 8F KB2
# 8 Controlesom 00-FF CS
CPR_019 Er is geen negatief antwoord op het bericht StartCommuni
cation Request. Indien er geen positief antwoordbericht
moet worden verzonden, dan wordt de VU niet geïnitiali
seerd. Er wordt niets verzonden en de VU blijft normaal
functioneren.
4.2. StopCommunication Service
4.2.1 Omschrijving van het bericht
Het doel van de dienst van deze overdrachtslaag is het afsluiten van
een overdrachtssessie.
CPR_020 Na ontvangst van een StopCommunication indicatieprimitief
moet de VU controleren of de lopende condities een afslui
ting van deze overdracht toestaan. In dit geval moet de VU
alle noodzakelijke handelingen uitvoeren om deze over
dracht af te sluiten.
CPR_021 Indien het mogelijk is de overdracht af te sluiten, moet de
VU een StopCommunication-antwoordprimitief met de ge
selecteerde Positive Response-parameters afgeven voordat
de overdracht afgesloten wordt.
CPR_022 Indien de overdracht om de een of andere reden niet kan
worden afgesloten, moet de VU een StopCommunication-
antwoordprimitief met de geselecteerde Negative Response-
parameter afgeven.
CPR_023 Indien een time-out van P3max door de VU opgespoord
wordt, moet de overdracht zonder een afgegeven antwoord
primitief worden afgesloten.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 363
4.2.2 Berichtformaat
CPR_024 De berichtformaten voor de StopCommunication-primitieven
worden omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 7
StopCommunication Request-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte 01 LEN
# 5 StopCommunication Request
Service Id
82 SPR
# 6 Controlesom 00-FF CS
Tabel 8
StopCommunication Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 01 LEN
# 5 StopCommunication Positive
Response Service Id
C2 SPRPR
# 6 Controlesom 00-FF CS
Tabel 9
StopCommunication Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 364
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 StopCommunication Request
Service Identification SPR
82 SPR
# 7 ResponseCode = generalReject
RC_GR
10 RC_GR
# 8 Controlesom 00-FF CS
4.2.3 Parameterdefinitie
Deze dienst vereist geen parameterdefinitie.
4.3. TesterPresent-dienst (Testapparaat actief)
4.3.1 Omschrijving van het bericht
De TesterPresent-dienst wordt door het testapparaat gebruikt om de
server erop te wijzen dat het nog steeds aanwezig is, teneinde te voor
komen dat de server automatisch naar normaal bedrijf terugkeert en
mogelijk de verbinding verbreekt. Deze dienst, die periodiek wordt
verzonden, houdt de diagnostische sessie/overdracht actief door, telkens
als een verzoek voor deze dienst wordt ontvangen, de P3-timer op
nieuw in te stellen.
4.3.2 Berichtformaat
CPR_079 De berichtformaten voor de TesterPresent-primitieven wor
den omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 10
TesterPresent Request-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte 02 LEN
# 5 TesterPresent Request Ser
vice Id
3E TP
# 6 Subfunctie = respon
seRequired-
(antwoord vereist) =
[ ja 01 RESPREQ_Y
nee ] 02 RESPREQ_NO
# 7 Controlesom 00-FF CS
CPR_080 Indien de responseRequired-parameter op „ja” wordt in
gesteld, dan antwoordt de server met het volgende bericht
van positief antwoord. Indien op „nee”, dan zendt de server
geen antwoord.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 365
Tabel 11
TesterPresent Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 01 LEN
# 5 TesterPresent Positive Res
ponse Service Id
7E TPPR
# 6 Controlesom 00-FF CS
CPR_081 De dienst ondersteunt de volgende negatieve-antwoordcodes:
Tabel 12
TesterPresent Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 TesterPresent Request Service Identi
fication
3E TP
#7 Response
Code =
[SubFunctionNotSup
ported-InvalidFormat
12 RC_SFNS_IF
incorrectMessage
Length ]
13 RC_IML
#8 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 366
5. BEHEERSDIENSTEN
De beschikbare diensten worden in de onderstaande tabel beschreven:
Tabel 13
Beheersdiensten
Naam van de dienst Beschrijving
StartDiagnosticSession De cliënt verzoekt een diagnostische sessie
met een VU te starten.
SecurityAccess De cliënt verzoekt om toegang tot functies
die alleen voor bevoegde gebruikers toegan
kelijk zijn.
5.1. StartDiagnosticSession-dienst (Start diagnostische sessie)
5.1.1 Omschrijving van het bericht
CPR_025 De dienst StartDiagnosticSession wordt gebruikt om ver
schillende diagnostische sessies in de server mogelijk te
maken. Een diagnostische sessie maakt een specifieke reeks
diensten mogelijk volgens tabel 17. Een sessie kan speci
fieke diensten voor voertuigfabrikanten mogelijk maken die
geen deel van dit document uitmaken. Implementatieregels
moeten aan de volgende eisen voldoen:
— In de VU moet altijd precies één diagnostische sessie
actief zijn.
— De VU moet bij het aanzetten altijd de StandardDia
gnosticSession starten. Indien geen andere diagnostische
sessie wordt gestart, moet de StandardDiagnosticSession
actief blijven zolang de VU wordt aangedreven.
— Indien een diagnostische sessie die reeds actief is, door
het testapparaat wordt aangevraagd, moet de VU een
bericht van positief antwoord zenden.
— Telkens als het testapparaat een nieuwe diagnostische
sessie aanvraagt, moet de VU eerst een StartDiagnostic
Session positive response-bericht zenden voordat de
nieuwe sessie in de VU actief wordt. Indien de VU de
gevraagde nieuwe diagnostische sessie niet kan starten,
moet deze antwoorden met een StartDiagnosticSession
negative response-bericht en de lopende sessie wordt
voortgezet.
CPR_026 Een diagnostische sessie kan alleen worden gestart indien
overdracht tussen de cliënt en de VU tot stand gebracht is.
CPR_027 De timingparameters van tabel 4 moeten actief zijn na een
succesvolle StartDiagnosticSession waarbij de diagnostic
Session-parameter in het verzoekbericht ingesteld is op
„StandardDiagnosticSession” indien voorheen een andere
diagnostische sessie actief was.
5.1.2 Berichtformaat
CPR_028 De berichtformaten voor de StartDiagnosticSession-primitie
ven worden omschreven in de onderstaande tabellen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 367
Tabel 14
StartDiagnosticSession Request-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte 02 LEN
# 5 StartDiagnosticSession Re
quest Service Id
10 STDS
# 6 DiagnosticSession = [een
waarde uit tabel 17]
xx DS_…
# 7 Controlesom 00-FF CS
Tabel 15
StartDiagnosticSession Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 02 LEN
# 5 # 5 StartDiagnosticSession
Positive Response Service Id
50 STDSPR
# 6 DiagnosticSession = [zelfde
waarde als in Byte-# 6 tabel
14]
xx DS_…
# 7 Controlesom 00-FF CS
Tabel 16
StartDiagnosticSession Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 368
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 StartDiagnosticSession Request Ser
vice Id
10 STDS
# 7 Response
Code =
[subFunctionNotSup
ported ( α )
12 RC_SFNS
incorrectMessage
Length ( β )
13 RC_IML
conditionsNotCor
rect ( γ )
22 RC_CNC
# 8 Controlesom 00-FF CS
( α ) — de waarde opgenomen in Byte-# 6 van het verzoekbericht wordt niet onder
steund, d.w.z. niet in tabel 17,
( β ) — de lengte van het ontvangen bericht is fout,
( γ ) — er is niet voldaan aan de criteria voor het verzoek StartDiagnosticSession.
5.1.3 Parameterdefinitie
CPR_029 De parameter diagnosticSession (DS_) wordt gebruikt door
de StartDiagnosticSession-dienst om de specifieke werking
van de server(s) te selecteren. De onderstaande diagnosti
sche sessies worden in dit document gespecificeerd:
Tabel 17
Definitie van diagnosticSession-waarden
Hex Beschrijving Mnemoniek
81 StandardDiagnosticSession
Deze diagnostische sessie maakt alle in tabel 1
— Verzameltabel 1, kolom 4 „SD” gespecifi-
ceerde diensten mogelijk. Met deze diensten
kunnen gegevens van een server (VU) worden
gelezen. Deze diagnostische sessie is actief nadat
de initialisatie tussen cliënt (testapparaat) en
server (VU) succesvol is afgesloten. Deze
diagnostische sessie kan door andere in dit punt
gespecificeerde diagnostische sessies overschre-
ven worden
SD
85 ECUProgrammingSession
Deze diagnostische sessie maakt alle in tabel 1
— Verzameltabel 1, kolom 6 „ECUPS”
gespecificeerde diensten mogelijk. Deze diensten
ondersteunen het programmeren van het geheu-
gen van een server (VU). Deze diagnostische
sessie kan door andere in dit punt gespecificeerde
diagnostische sessies overschreven worden.
ECUPS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 369
Hex Beschrijving Mnemoniek
87 ECUAdjustmentSession
Deze diagnostische sessie maakt alle in tabel 1
— Verzameltabel 1, kolom 5 „ECUAS”
gespecificeerde diensten mogelijk. Deze diensten
ondersteunen de invoer-/uitvoercontrole van een
server (VU). Deze diagnostische sessie kan door
andere in dit punt gespecificeerde diagnostische
sessies overschreven worden.
ECUAS
5.2. SecurityAccess-dienst (Veiligheidstoegang)
Het schrijven van kalibreringsgegevens is niet mogelijk tenzij de VU in
de CALIBRATION-modus staat. Naast het inbrengen van een geldige
werkplaatskaart moet de juiste PIN-code worden ingevoerd voordat
toegang tot de CALIBRATION-modus wordt toegestaan.
Als de VU in de CALIBRATION- of CONTROL-modus staat, is
toegang tot de invoer-/uitvoerlijn van de kalibrering ook mogelijk.
De SecurityAccess-dienst verschaft een middel om de PIN-code in te
voeren en om aan het testapparaat aan te geven of de VU in de
CALIBRATION-modus staat.
De PIN-code kan ook door middel van alternatieve methoden worden
ingevoerd.
5.2.1 Omschrijving van het bericht
De SecurityAccess-dienst bestaat uit een SecurityAccess „requestSeed”-
bericht (aanvraag van „seed”), eventueel gevolgd door een Security
Access „sendKey”-bericht (verzoek om sleutel te zenden). De
SecurityAccess-dienst moet na de StartDiagnosticSession-dienst worden
uitgevoerd.
CPR_033 Het testapparaat moet het SecurityAccess „requestSeed”-be
richt gebruiken om te controleren of de voertuigunit gereed
is om een PIN-code te accepteren.
CPR_034 Indien de voertuigunit reeds in CALIBRATION-modus is,
moet de unit het verzoek beantwoorden door het zenden van
een „seed” van 0x0000 met gebruikmaking van de dienst
SecurityAccess Positive Response.
CPR_035 Indien de voertuigunit gereed is om een PIN-code voor
verificatie door een werkplaatskaart te accepteren, moet de
unit het verzoek beantwoorden door het zenden van een
„seed” groter dan 0x0000 met gebruikmaking van de dienst
SecurityAccess Positive Response.
CPR_036 Indien de voertuigunit niet gereed is om een PIN-code van het
testapparaat te accepteren, omdat de ingebrachte werkplaats
kaart niet geldig is of omdat er geen werkplaatskaart ingebracht
is of omdat de voertuigunit de PIN-code via een andere me
thode verwacht, moet de unit het verzoek beantwoorden met
een Negative Response met een op conditionsNotCorrectOrRe
questSequenceError ingestelde antwoordcode.
CPR_037 Het testapparaat moet dan het SecurityAccess „sendKey”-
bericht gebruiken om een PIN-code naar de voertuigunit te
zenden. Om de uitvoering van het kaartauthenticatieproces
voldoende tijd te geven, moet de VU de negatieve ant
woordcode requestCorrectlyReceived-ResponsePending
(verzoek goed ontvangen — antwoord volgt) gebruiken
om de tijd voor beantwoording te verlengen. De maximum
tijd voor beantwoording mag evenwel niet meer dan 5 mi
nuten bedragen. Zodra de gevraagde dienst is voltooid, moet
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 370
de VU een bericht van positief antwoord zenden dan wel
een bericht van negatief antwoord met een andere antwoord
code dan de eerste. De negatieve antwoordcode
requestCorrectlyReceived-ResponsePending mag door de
VU worden herhaald totdat de gevraagde dienst is voltooid
en het definitieve antwoordbericht is gezonden.
CPR_038 De voertuigunit mag dit verzoek alleen met gebruikmaking
van de dienst SecurityAccess Positive Response beantwoor
den wanneer hij in CALIBRATION-modus staat.
CPR_039 In de onderstaande gevallen moet de voertuigunit dit ver
zoek met een Negative Response beantwoorden met de ant
woordcode ingesteld op:
— subFunctionNot supported: ongeldig formaat voor de
subfunctieparameter (accessType);
— conditionsNotCorrectOrRequestSequenceError: voertuig
unit niet gereed om de invoer van een PIN-code te
accepteren;
— invalidKey: PIN-code niet geldig en aantal controlepo
gingen van de PIN-code niet overschreden;
— exceededNumberOfAttempts: PIN-code niet geldig en
aantal controlepogingen van de PIN-code overschreden;
— generalReject: correcte PIN-code maar wederzijdse au
thenticatie met werkplaatskaart mislukt.
5.2.2 Berichtformaat — SecurityAccess — requestSeed
CPR_040 De berichtformaten voor de SecurityAccess „requestSeed”-
primitieven worden omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 18
SecurityAccess REQUEST- requestSeed-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte 02 LEN
# 5 SecurityAccess Request Ser
vice Id
27 SA
# 6 AccessType — requestSeed 7D AT_RSD
# 7 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 371
Tabel 19
SecurityAccess — requestSeed Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 04 LEN
# 5 SecurityAccess Positive Res
ponse Service Id
67 SAPR
# 6 AccessType — requestSeed 7D AT_RSD
# 7 Seed High 00-FF SEEDH
# 8 Seed Low 00-FF SEEDL
# 9 Controlesom 00-FF CS
Tabel 20
SecurityAccess Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 SecurityAccess Request Service Id 27 SA
# 7 Response
Code =
[conditionsNotCorrec
tOrRequestSequen
ceError
22 RC_CNC
incorrectMessage
Length]
13 RC_IML
# 8 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 372
5.2.3 Berichtformaat — SecurityAccess — sendKey
CPR_041 De berichtformaten voor de SecurityAccess „sendKey”-pri
mitieven worden omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 21
SecurityAccess Request — sendKey-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte m + 2 LEN
# 5 SecurityAccess Request Ser
vice Id
27 SA
# 6 accessType — sendKey 7E AT_SK
# 7 tot # m
+ 6
Key # 1 (High) xx KEY
… …
Key # m (low, m moet mini
maal 4 en maximaal 8 zijn)
xx
# m + 7 Controlesom 00-FF CS
Tabel 22
SecurityAccess — sendKey Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 02 LEN
# 5 SecurityAccess Positive Res
ponse Service Id
67 SAPR
# 6 accessType — sendKey 7E AT_SK
# 7 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 373
Tabel 23
SecurityAccess Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 SecurityAccess Request Service Id 27 SA
# 7 Response
Code =
[generalReject 10 # 8
subFunctionNotSup
ported
12 RC_SFNS
incorrectMessage
Length
13 RC_IML
conditionsNotCorrec
tOrRequestSequen
ceError
22 RC_CNC
invalidKey 35 RC_IK
exceededNumberO
fAttempts
36 RC_ENA
requestCorrectlyRe
ceived-ResponsePen
ding]
78 RC_RCR_RP
# 8 Controlesom 00-FF CS
6. GEGEVENSOVERBRENGINGSDIENSTEN
De beschikbare diensten worden in de onderstaande tabel beschreven:
Tabel 24
Gegevensoverbrengingsdiensten
Naam van de dienst Beschrijving
ReadDataByIdentifier De cliënt verzoekt om overbrenging van de
huidige waarde van een registratie met toe
gang door recordDataIdentifier.
WriteDataByIdentifier De cliënt verzoekt een voor recordDataIden
tifier toegankelijke registratie te schrijven.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 374
6.1. ReadDataByIdentifier-dienst (Lees gegevens met identificatiesym
bool)
6.1.1 Omschrijving van het bericht
CPR_050 De ReadDataByIdentifier-dienst wordt door de cliënt ge
bruikt om van een server om gegevensregistratiewaarden
te vragen. De gegevens worden geïdentificeerd door een
recordDataIdentifier. Het is de verantwoordelijkheid van
de VU-fabrikant dat bij het verrichten van de dienst aan
de servervoorwaarden wordt voldaan.
6.1.2 Berichtformaat
CPR_051 De berichtformaten voor de ReadDataByLocalIdentifier-pri
mitieven worden omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 25
ReadDataByIdentifier Request-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 ReadDataByIdentifier Re
quest Service Id
22 RDBI
# 6 en # 7 RecordDataIdentifier = [een
waarde uit tabel 28]
xxxx RDI_…
# 8 Controlesom 00-FF CS
Tabel 26
ReadDataByIdentifier Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte m + 3 LEN
# 5 ReadDataByIdentifier Positive Res
ponse Service Id
62 RDBIPR
# 6 en # 7 recordDataIdentifier = [zelfde waarde
als byte-nrs. 6 en 7 tabel 25 Tabel
23]
xxxx RDI_ …
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 375
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 8 tot #
m+7
dataRecord[] = [data # 1 xx DREC_DAT
A1
: : :
data # m] xx DREC_DA
TAm
# m+8 Controlesom 00-FF CS
Tabel 27
ReadDataByIdentifier Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 ReadDataByIdentifier Request Ser
vice Id
22 RDBI
# 7 ResponseCode
=
[requestOutO
fRange
31 RC_ROOR
incorrectMessage
Length
13 RC_IML
conditionsNotCor
rect]
22 RC_CNC
# 8 Controlesom 00-FF CS
6.1.3 Parameterdefinitie
CPR_052 De parameter recordDataIdentifier (RDI_) in het verzoek
bericht ReadDataByIdentifier identificeert een gegevensregi
stratie.
▼M3
CPR_053 De in dit document gedefinieerde waarden van de record
DataIdentifier worden in de onderstaande tabel getoond.
De tabel recordDataIdentifier bestaat uit vijf kolommen en
meerdere rijen.
— De 1 ste kolom (Hex) bevat de „Hex-waarde” die aan de
in de 3 de kolom gespecificeerde recordDataIdentifier is
toegekend.
— De 2 de kolom (Gegevenselement) specificeert het gege
venselement van aanhangsel 1 waarop de recordDataI
dentifier is gebaseerd (soms is transcodering nodig).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 376
— De 3 de kolom (Omschrijving) specificeert de correspon
derende recordDataIdentifier-naam.
— De 4 de kolom (Toegangsrechten) specificeert de toe
gangsrechten tot deze recordDataIdentifier.
— De 5 de kolom (Mnemonisch) specificeert de mnemo
nische notatie van deze recordDataIdentifier.
Tabel 28
Definitie van recordDataIdentifier-waarden
Hex Gegevenselement
recordDataIdentifier-naam
(zie formaat in punt 8.2)
Toegangs
rechten
(Lezen/
schrijven)
Mnemoniek
F90B CurrentDateTime TimeDate L/S RDI_TD
F912 HighResOdometer HighResolutionTotalVehicleDis
tance
L/S RDI_HRTVD
F918 K-ConstantOfRecordingEquipment Kfactor L/S RDI_KF
F91C L-TyreCircumference LfactorTyreCircumference L/S RDI_LF
F91D W-VehicleCharacteristicConstant WvehicleCharacteristicFactor L/S RDI_WVCF
F921 TyreSize TyreSize L/S RDI_TS
F922 nextCalibrationDate NextCalibrationDate L/S RDI_NCD
F92C SpeedAuthorised SpeedAuthorised L/S RDI_SA
F97D vehicleRegistrationNation RegisteringMemberState L/S RDI_RMS
F97E VehicleRegistrationNumber VehicleRegistrationNumber L/S RDI_ VRN
F190 VehicleIdentificationNumber VIN L/S RDI_ VIN
F9D0 SensorSerialNumber MotionSensorSerialNumber L RDI_SSN
F9D1 RemoteCommunicationModuleSerial
Number
RemoteCommunicationFacility
SerialNumber
L RDI_RCSN
F9D2 SensorGNSSSerialNumber ExternalGNSSFacilitySerialNum
ber
L RDI_GSSN
F9D3 SealDataVu SmartTachographSealsSerial
Number
L/S RDI_SDV
F9D4 VuSerialNumber VuSerialNumber L RDI_VSN
F9D5 ByDefaultLoadType ByDefaultLoadType L/S RDI_BDLT
F9D6 TachographCardsGen1Suppression TachographCardsGen1Suppres
sion
L/S RDI_TCG1S
F9D7 VehiclePosition VehiclePosition L RDI_VP
F9D8 LastCalibrationCountry CalibrationCountry L RDI_CC
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 377
CPR_054 De parameter dataRecord (DREC_) wordt gebruikt door het
ReadDataByIdentifier positive response-bericht om de door
de recordDataIdentifier geïdentificeerde gegevensregistratie
waarde aan de cliënt (testapparaat) te leveren. Gegevensfor
maten worden in punt 8 nader gespecificeerd. Aanvullende
voor de gebruiker facultatieve dataRecords, met inbegrip
van voor de VU specifieke invoergegevens, interne gege
vens en uitvoergegevens kunnen worden geïmplementeerd,
maar zijn niet in dit document gedefinieerd.
6.2. WriteDataByIdentifier service
6.2.1 Omschrijving van het bericht
CPR_056 De dienst WriteDataByIdentifier wordt door de cliënt ge
bruikt om gegevensregistratiewaarden naar een server te
schrijven. De gegevens worden geïdentificeerd door een re
cordDataIdentifier. Het is de verantwoordelijkheid van de
VU-fabrikant dat bij het verrichten van de dienst aan de
servervoorwaarden wordt voldaan. Om de parameters van
tabel 28 bij te werken moet de VU in CALIBRATION-
modus staan.
6.2.2 Berichtformaat
CPR_057 De berichtformaten voor de WriteDataByIdentifier-primitie
ven worden omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 29
WriteDataByIdentifier Request-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte m+3 LEN
# 5 WriteDataByIdentifier Request
Service Id
2E WDBI
# 6 en # 7 RecordDataIdentifier = [een waarde
uit tabel 28]
xxxx RDI_ …
# 8 tot #
m+7
dataRecord[] = [data # 1 xx DREC_DAT
A1
: : :
data # m] xx DREC_DA
TAm
# m+8 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 378
Tabel 30
WriteDataByIdentifier Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 WriteDataByIdentifier Posi
tive Response Service Id
6E WDBIPR
# 6 en # 7 recordDataIdentifier = [zelfde
waarde als byte-nrs. 6 en 7 ta
bel 29]
xxxx RDI_ …
# 8 Controlesom 00-FF CS
Tabel 31
WriteDataByIdentifier Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam
Hex-
waarde
Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adressering 80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F NR
# 6 WriteDataByIdentifier Request Ser
vice Id
2E WDBI
# 7 ResponseCode
=
[requestOutO
fRange
31 RC_ROOR
incorrectMessage
Length
13 RC_IML
conditionsNotCor
rect]
22 RC_CNC
# 8 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 379
6.2.3 Parameterdefinitie
De parameter recordDataIdentifier (RDI_) wordt in tabel 28 gedefini
eerd.
De parameter dataRecord (DREC_) wordt gebruikt door het WriteDa
taByIdentifier request-bericht om aan de server (VU) de gegevensregi
stratiewaarden te leveren die door de recordDataIdentifier zijn geïden
tificeerd. Gegevensformaten worden in punt 8 nader gespecificeerd.
7. CONTROLE VAN TESTIMPULSEN — INVOER-/UITVOERCON
TROLE FUNCTIONELE EENHEID
De beschikbare diensten worden in de onderstaande tabel beschreven:
Tabel 32
Invoer-/uitvoercontrole functionele eenheid
Naam van de dienst Beschrijving
InputOutputControlBy
Identifier
De cliënt verzoekt om controle van een voor
de server specifieke invoer/uitvoer.
7.1. InputOutputControlByIdentifier-dienst
7.1.1 Omschrijving van het bericht
Er is een verbinding via de frontconnector waarmee testpulsen met
gebruikmaking van een geschikt testapparaat gecontroleerd of gemoni
tord kunnen worden.
CPR_058 Deze kalibrerings-I/O-signaallijn kan door het
K-lijncommando geconfigureerd worden met gebruikmaking
van de dienst InputOutputControlByIdentifier om de vereiste
invoer- of uitvoerfunctie voor de lijn te selecteren. De be
schikbare instellingen van de lijn zijn:
— geblokkeerd,
— speedSignalInput, waarbij de kalibrerings-I/O-signaallijn
wordt gebruikt om een snelheidssignaal (testsignaal) in
te voeren dat het snelheidssignaal van de bewegingssen
sor vervangt, deze functie is niet beschikbaar in de
CONTROL-modus,
— realTimeSpeedSignalOutputSensor, waarbij de kalibre
rings-I/O-signaallijn wordt gebruikt om het snelheidssig
naal van de bewegingssensor uit te voeren,
— RTCOutput, waarbij de kalibrerings-I/O-signaallijn wordt
gebruikt om het UTC-kloksignaal uit te voeren, deze func
tie is niet beschikbaar in de CONTROL-modus.
CPR_059 De voertuigunit moet een afstellingssessie ingevoerd hebben
en in CALIBRATION- of CONTROL-modus staan om de
instelling van de lijn te configureren. Indien de VU in de
CALIBRATION-modus staat, kunnen de vier statussen van
de lijn worden geselecteerd (uitgeschakeld, speedSignalIn
put, realTimeSpeedSignalOutputSensor, RTCOutput). Indien
de VU in de CONTROL-modus staat, kunnen slechts twee
statussen van de lijn worden geselecteerd (uitgeschakeld,
realTimeSpeedSignalOutputSensor). Bij het verlaten van de
afstellingssessie of van de CALIBRATION- of
CONTROL-modus moet de voertuigunit ervoor zorgen dat
de kalibrerings-I/O-signaallijn teruggebracht wordt in de
„geblokkeerde” (standaard)instelling.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 380
CPR_060 Indien snelheidspulsen op de real-time-invoerlijn van het
snelheidssignaal van de VU worden ontvangen terwijl de
kalibrerings-I/O-signaallijn op invoer staat, moet de
kalibrerings-I/O-signaallijn op uitvoer worden gezet of wor
den teruggebracht naar de geblokkeerde instelling.
CPR_061 De sequentie moet zijn:
— breng met de StartCommunication-dienst de overdracht
tot stand;
— voer met de StartDiagnosticSession-dienst een afstel
lingssessie in en zet de VU in de CALIBRATION- of
CONTROL-modus (de volgorde van deze twee opdrach
ten is niet belangrijk);
— wijzig de instelling van de uitvoer met de
InputOutputControlByIdentifier-dienst.
7.1.2 Berichtformaat
CPR_062 De berichtformaten voor de InputOutputControlByIdentifier-
primitieven worden omschreven in de onderstaande tabellen.
Tabel 33
InputOutputControlByIdentifier Request-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres EE TGT
# 3 Byte van het bronadres tt SRC
# 4 Additionele lengtebyte xx LEN
# 5 InputOutputControlByIden
tifier Request Sid
2F IOCBI
# 6 en # 7 InputOutputIdentifier = [Cali
brationInputOutput]
F960 IOI_CIO
# 8 of
# 8 en # 9
ControlOptionRecord = [ COR_…
InputOutputControlParameter
— één waarde uit tabel 36
xx IOCP_…
controlState — één waarde uit
tabel 37 (zie onderstaande op
merking)]
xx CS_…
# 9 of # 10 Controlesom 00-FF CS
Opmerking: De parameter controlState is slechts in een paar
gevallen aanwezig (zie 7.1.3).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 381
Tabel 34
InputOutputControlByIdentifier Positive Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte xx LEN
# 5 inputOutputControlByIdenti
fier Positive Response SId
6F IOCBIPR
# 6 en # 7 inputOutputIdentifier = [Cali
brationInputOutput]
F960 IOI_CIO
# 8 of
# 8 en # 9
controlStatusRecord = [ CSR_
inputOutputControlParameter
(zelfde waarde als byte-# 8 ta
bel 33)
xx IOCP_…
controlState (zelfde waarde als
byte-# 9 tabel 33)] (indien van
toepassing)
xx CS_…
# 9 of # 10 Controlesom 00-FF CS
Tabel 35
InputOutputControlByIdentifier Negative Response-bericht
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 1 Formaatbyte — fysieke adres
sering
80 FMT
# 2 Byte van het doeladres tt TGT
# 3 Byte van het bronadres EE SRC
# 4 Additionele lengtebyte 03 LEN
# 5 Negative Response Service Id 7F # 6
# 6 inputOutputControlByIdentifier
Request SId
2F IOCBI
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 382
Byte-# Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
# 7 responseCode=[
incorrectMessageLength 13 RC_IML
conditionsNotCorrect 22 RC_CNC
requestOutOfRange 31 conditionsNot
Correct]
deviceControlLimitsExceeded] 7A RC_DCLE
# 8 Controlesom 00-FF CS
7.1.3 Parameterdefinitie
CPR_064 De parameter inputOutputControlParameter (IOCP_)
wordt omschreven in de onderstaande tabel.
Tabel 36
Definitie van inputOutputControlParameter-waarden
Hex Beschrijving Mnemoniek
00 ReturnControlToECU
Deze waarde moet aan de server (VU) aangeven
dat het testapparaat niet langer controle heeft over
de kalibrerings-I/O-signaallijn.
RCTECU
01 ResetToDefault
Deze waarde moet aan de server (VU) aangeven
dat gevraagd wordt de kalibrerings-I/O-signaal-
lijn terug te stellen op de standaardinstelling.
RTD
03 ShortTermAdjustment
Deze waarde moet aan de server (VU) aangeven
dat gevraagd wordt de kalibrerings-I/O-signaal-
lijn af te stellen op de waarde in de controlState
parameter.
STA
CPR_065 De parameter controlState is alleen aanwezig wanneer de
inputOutputControlParameter op ShortTermAdjustment in
gesteld is en wordt in de onderstaande tabel omschreven:
Tabel 37
Definitie van controlState-waarden
Modus Hex-waarde Beschrijving
Uitschakelen 00 I/O-lijn is geblokkeerd (standaardinstelling)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 383
Modus Hex-waarde Beschrijving
Inschakelen 01 Kalibrerings-I/O-lijn kan worden gebruikt
als speedSignalInput
Inschakelen 02 Kalibrerings-I/O-lijn kan worden gebruikt
als realTimeSpeedSignalOutputSensor
Inschakelen 03 Kalibrerings-I/O-lijn kan worden gebruikt
als RTCOutput
▼M3
8. ROUTINECONTROL-FUNCTIE (TIJDAFSTELLING)
8.1. Omschrijving van het bericht
CPR_065a De functie RoutineControl (tijdafstelling) voorziet in de
mogelijkheid om een afstemming van de VU-klok op de
door de GNSS-ontvanger verstrekte tijd te initiëren.
Voor de uitvoering van de functie RoutineControl (tijd
afstelling) moet de VU in de stand CALIBRATION staan.
Voorwaarde: er moet worden op toegezien dat de VU in
staat is authentiek verklaarde positieberichten te ontvangen
van de GNSS-ontvanger.
Zolang de tijdafstelling aan de gang is, antwoordt de VU
op het verzoek RoutineControl, subfunctie requestRoutine
Results, met routineInfo = 0x78.
Opmerking: de tijdafstelling kan enige tijd in beslag ne
men. Het diagnostisch testapparaat vraagt de status van de
tijdafstelling door gebruik te maken van de subfunctie re
questRoutineResults.
8.2. Berichtformaat
CPR_065b De berichtformaten voor de dienst RoutineControl (tijd
afstelling) en primitieven daarvan zijn nader beschreven
in de volgende tabellen.
Tabel 37a
RoutineControl, routine (TimeAdjustment) Request Message subfunctie startRoutine
Byte # Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
#1 Formaatbyte - fysieke adressering 80 FMT
#2 Byte van het doeladres EE TGT
#3 Byte van het bronadres tt SRC
#4 Additionele lengtebyte xx LEN
#5 RoutineControl Request Sid (routinecontrole gevraagd) 31 RC
#6 routineControlType = [startRoutine] 01 RCTP_STR
# 7 en # 8 routineIdentifier = [TimeAdjustment] 0100 RI_TA
#9 Controlesom 00-FF CS
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 384
Tabel 37b
RoutineControl, routine (TimeAdjustment), subfunctie startRoutine, positief antwoord
Byte # Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
#1 Formaatbyte - fysieke adressering 80 FMT
#2 Byte van het doeladres tt TGT
#3 Byte van het bronadres EE SRC
#4 Additionele lengtebyte xx LEN
#5 RoutineControl Positive Response Sid (positief antwoord op ver
zoek om routinecontrole)
71 RCPR
#6 routineControlType = [startRoutine] 01 RCTP_STR
# 7 en # 8 routineIdentifier= [TimeAdjustment] 0100 RI_TA
#9 Controlesom 00-FF CS
Tabel 37c
RoutineControl, routine (TimeAdjustment) berichtverzoek, subfunctie requestRoutineResults
Byte # Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
#1 Formaatbyte - fysieke adressering 80 FMT
#2 Byte van het doeladres EE TGT
#3 Byte van het bronadres tt SRC
#4 Additionele lengtebyte xx LEN
#5 RoutineControl Request Sid (routinecontrole gevraagd) 31 RC
#6 routineControlType = [requestRoutineResults] 03 RCTP_RRR
# 7 en # 8 routineIdentifier= [TimeAdjustment] 0100 RI_TA
#9 Controlesom 00-FF CS
Tabel 37d
RoutineControl, routine (TimeAdjustment), subfunctie requestRoutineResults, positief antwoord
Byte # Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
#1 Formaatbyte - fysieke adressering 80 FMT
#2 Byte van het doeladres tt TGT
#3 Byte van het bronadres EE SRC
#4 Additionele lengtebyte xx LEN
#5 RoutineControl Positive Response Sid (positief antwoord op ver
zoek om routinecontrole)
71 RCPR
#6 routineControlType = [requestRoutineResults] 03 RCTP_RRR
# 7 en # 8 routineIdentifier= [TimeAdjustment] 0100 RI_TA
#9 routineInfo (zie Tabel 37f) XX RINF_TA
#10 routineStatusRecord[] = routineStatus#1 (zie Tabel 37g) XX RS_TA
#11 Controlesom 00-FF CS
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 385
Tabel 37e
RoutineControl, routine (TimeAdjustment) negatief antwoord
Byte # Parameternaam Hex-waarde Mnemoniek
#1 Formaatbyte - fysieke adressering 80 FMT
#2 Byte van het doeladres tt TGT
#3 Byte van het bronadres EE SRC
#4 Additionele lengtebyte 03 LEN
#5 Negative Response Service Id (identificatie negatieve antwoord
dienst)
7F NR
#6 inputOutputControlByIdentifier Request SId 31 RC
#7 responseCode=[
sub-functionNotSupported
incorrectMessageLengthOrInvalidFormat
conditionsNotCorrect
requestOutOfRange
]
12
13
22
31
SFNS
IMLOIF
CNC
ROOR
#8 Controlesom 00-FF CS
Tabel 37f
RoutineControl, routine (TimeAdjustment), routineInfo
routineInfo Hex-waarde Beschrijving
NormalExitWithResultAvailable 61 De routine is volledig uitgevoerd; aanvullende routinere
sultaten beschikbaar.
RoutineExecutionOngoing 78 De gevraagde routine is nog aan de gang.
Tabel 37g
RoutineControl, routine (TimeAdjustment), routineStatus
Hex-waarde Testresultaat Beschrijving
01 positief De tijdafstelling is met succes voltooid.
02..0F RFU
10 negatief Geen GNSS-ontvangst.
11..7F RFU
80..FF Specifiek voor de fabrikant
9. FORMATEN VAN DATARECORDS
Dit punt bevat nadere bijzonderheden betreffende:
— algemene regels die moeten worden toegepast op reeksen parame
ters die door de voertuigunit aan het testapparaat worden
doorgegeven,
— formaten die moeten worden gebruikt voor gegevens die via de in
punt 6 beschreven diensten voor gegevensoverbrenging worden
doorgegeven.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 386
CPR_067 Alle geïdentificeerde parameters moeten door de VU wor
den ondersteund.
CPR_068 Gegevens die door de VU aan het testapparaat worden
doorgegeven in antwoord op een verzoekbericht, moeten
van het gemeten type zijn (d.w.z. huidige waarde van de
gevraagde parameter zoals gemeten of waargenomen door
de VU).
9.1. Overgebrachte parameterreeksen
CPR_069 Tabel 38 definieert de reeksen die worden gebruikt om de
geldigheid van een overgebrachte parameter te bepalen.
CPR_070 De waarden in de reeks „foutindicator” de voertuigunit om
onmiddellijk aan te geven dat geldige parametrische gege
vens momenteel niet beschikbaar zijn wegens een of andere
fout in de tachograaf.
CPR_071 De waarden in de reeks „niet beschikbaar” vormen een
middel voor de voertuigunit om een bericht over te brengen
dat een parameter bevat welke in die module niet beschik
baar is of niet wordt ondersteund. De waarden in de reeks
„niet gevraagd” vormen een middel voor een inrichting om
een commandobericht over te brengen en de parameters te
identificeren waarvoor geen antwoord van de ontvangst
inrichting wordt verwacht.
CPR_072 Indien een storing in een onderdeel het onmogelijk maakt
geldige gegevens voor een parameter over te brengen, moet
de foutindicator, als beschreven in tabel 38, worden ge
bruikt in plaats van de gegevens van die parameter. Indien
de gemeten of berekende gegevens echter een waarde op
leveren die geldig is, maar de gedefinieerde parameterreeks
overschrijdt, mag de foutindicator niet worden gebruikt. De
gegevens moeten worden overgebracht met gebruikmaking
van de passende minimale of maximale parameterwaarde.
Tabel 38
bereik van dataRecords
Reeksnaam
1 byte
(Hex-waarde)
2 bytes
(Hex-waarde)
4 bytes
(Hex-waarde)
ASCII
Geldig signaal 00 t.e.m. FA 0000 t.e.m. FAFF 00000000 tot FAFFFFFF 1 t.e.m. 254
Parameterspecifieke indicator FB FB00 t.e.m. FBFF FB000000 tot FBFFFFFF geen
Gereserveerde reeks voor toekomstige
indicatorbits
FC t.e.m. FD FC00 t.e.m. FDFF FC000000 t.e.m. FDFFFFFF geen
Foutindicator FE FE00 t.e.m. FEFF FE000000 t.e.m. FEFFFFFF 0
Niet beschikbaar of niet gevraagd FF FF00 t.e.m. FFFF FF000000 t.e.m. FFFFFFFF FF
CPR_073 Voor in ASCII gecodeerde parameters is het ASCII-teken
„*” gereserveerd als begrenzer.
9.2. Formaten van dataRecords
De tabellen 39 tot en met 42 bevatten bijzonderheden over de formaten
die moeten worden gebruikt via de ReadDataByIdentifier- en
WriteDataByIdentifier-diensten.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 387
CPR_074 Tabel 39 geeft de lengte, resolutie en bedrijfsreeks voor
elke parameter die door zijn recordDataIdentifier is geïden
tificeerd:
Tabel 39
Formaat van dataRecords
Parameternaam
Data lengte
(bytes)
Resolutie Bedrijfsreeks
TimeDate 8 Zie nadere informatie in tabel 40
HighResolutionTotalVehicleDis
tance
4 5 m/bit toename, 0 m offset 0 tot +21 055 406 km
Kfactor 2 0,001 pulse/m /bit toename, 0
offset
0 tot 64,255 pulsen/m
LfactorTyreCircumference 2 0,125 10 -3 m /bit toename, 0
offset
0 tot + 8,031 m
WvehicleCharacteristicFactor 2 0,001 pulse/m /bit toename, 0
offset
0 tot 64,255 pulse/m
Bandenmaat 15 ASCII ASCII
NextCalibrationDate 3 Zie nadere informatie in tabel 41
SpeedAuthorised 2 1/256 km/h/bit toename, 0 offset 0 tot 250,996 km/h
RegisteringMemberState 3 ASCII ASCII
VehicleRegistrationNumber 14 Zie nadere informatie in tabel 42
VIN 17 ASCII ASCII
SealDataVu 55 Zie nadere informatie in tabel 43
ByDefaultLoadType 1 Zie nadere informatie in tabel 44
VuSerialNumber 8 Zie nadere informatie in tabel 45
SensorSerialNumber 8 Zie nadere informatie in tabel 45
SensorGNSSSerialNumber 8 Zie nadere informatie in tabel 45
RemoteCommunicationModuleSeri
alNumber
8 Zie nadere informatie in tabel 45
TachographCardsGen1Suppression 2 Zie nadere informatie in tabel 46
VehiclePosition 14 Zie nadere informatie in tabel 47
CalibrationCountry 3 ASCII NationAlpha zoals gedefinieerd
in aanhangsel 1
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 388
CPR_075 In tabel 40 is het formaat van de verschillende bytes van de
parameter TimeDate uiteengezet:
Tabel 40
Gedetailleerd formaat van TimeDate (recordDataIdentifier-waarde # F90B)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 Seconden 0,25 s/bit toename, 0 s offset 0 tot 59,75 s
2 Minuten 1 min/bit toename, 0 min offset 0 tot 59 min
3 Uren 1 h/bit toename, 0 h offset 0 tot 23 h
4 Maand 1 maand/bit toename, 0 maand offset 1 tot 12 maand
5 Dag 0,25 dag/bit toename, 0 day offset (zie OP
MERKING onder tabel 41)
0,25 tot 31,75 dagen
6 Jaar 1 jaar/bit toename, +1985 jaar offset
(zie OPMERKING onder tabel 41)
jaar 1985 tot 2235
7 Lokale minuutoffset 1 min/bit toename, -125 min offset -59 tot +59 min
8 Lokale uuroffset 1 h/bit toename, -125 h offset - 23 tot +23 h
CPR_076 In tabel 41 zijn de formaten van de verschillende bytes van
de parameter NextCalibrationDate toegelicht:
Tabel 41
Gedetailleerd formaat van NextCalibrationDate (recordDataIdentifier-waarde # F922)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 Maand 1 maand/bit toename, 0 maand offset 1 tot 12 maand
2 Dag 0,25 dag/bit toename, 0 dag offset (zie OP
MERKING hieronder)
0,25 tot 31,75 dagen
3 Jaar 1 jaar/bit toename, +1985 jaar offset
(zie OPMERKING hieronder)
jaar 1985 tot 2235
OPMERKING betreffende het gebruik van de „Dag”-para
meter:
1) Een waarde van 0 voor de datum is ongeldig. De waar
den 1, 2, 3 en 4 worden gebruikt om de eerste dag van
de maand aan te geven; 5, 6, 7 en 8 geven de tweede
dag van de maand aan; enz.
2) Deze parameter beïnvloedt of wijzigt de bovenstaande
uur-parameter niet.
OPMERKING betreffende het gebruik van de parameter
„Jaar”:
Een waarde van 0 voor het jaar geeft het jaar 1985 aan; een
waarde 1 geeft 1986 aan; enz.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 389
CPR_078 Tabel 42 bevat bijzonderheden betreffende de formaten van
de verschillende bytes van de VehicleRegistrationNumber-
parameter.
Tabel 42
Gedetailleerd formaat van VehicleRegistrationNumber (recordDataIdentifier-waarde # F97E)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 Code Page (zoals gedefinieerd in aanhangsel 1) niet van toepassing VehicleRegistrationNumber
2 – 14 Vehicle Registration Number (zoals gedefini
eerd in aanhangsel 1)
niet van toepassing VehicleRegistrationNumber
CPR_090 In tabel 43 wordt het formaat van de verschillende bytes
van de parameter SealDataVu toegelicht:
Tabel 43
Gedetailleerd formaat van SealDataVu (recordDataIdentifier waarde # F9D3)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 – 11 sealRecord1. Formaat SealRecord, zoals ge
definieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing SealRecord
12 - 22 sealRecord2. Formaat SealRecord, zoals ge
definieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing SealRecord
23 – 33 sealRecord3. Formaat SealRecord, zoals ge
definieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing SealRecord
34 – 44 sealRecord4. Formaat SealRecord, zoals ge
definieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing SealRecord
45 – 55 sealRecord5. Formaat SealRecord, zoals ge
definieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing SealRecord
OPMERKING: Als er minder dan vijf zegels zijn, wordt de
waarde van EquipmentType in alle ongebruikte sealRecords
op 15 gezet, d.w.z. ongebruikt.
CPR_091 In tabel 44 is het formaat van de verschillende bytes van de
parameter ByDefaultLoadType nader toegelicht:
Tabel 44
Detailed format of ByDefaultLoadType (recordDataIdentifier value # F9D5)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 loadType
'00'H: Type lading niet gedefinieerd
'01'H: Goederen
'02'H: Passagiers
niet van toepassing '00'H t.e.m. '02'H
CPR_092 Tabel 45 bevat bijzonderheden betreffende de formaten van
de verschillende bytes van de parameters VuSerialNumber,
SensorSerialNumber, SensorGNSSSerialNumber en Remo
teCommunicationModuleSerialNumber:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 390
Tabel 45
Gedetailleerd formaat van VuSerialNumber, SensorSerialNumber, SensorGNSSSerialNumber en
RemoteCommunicationModuleSerialNumber (recordDataIdentifier values # F9D4, F9D0, F9D2, F9D1)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 VuSerialNumber, SensorSerialNumber, Sen
sorGNSSSerialNumber en RemoteCommuni
cationModuleSerialNumber:
Formaat ExtendedSerialNumber, zoals gede
finieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing ExtendedSerialNumber
CPR_093 In tabel 46 is het formaat van de verschillende bytes van de
parameter TachographCardsGen1Suppression nader
toegelicht:
Tabel 46
Gedetailleerd formaat van ByDefaultLoadType (recordDataIdentifier value # F9D6)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1-2 TachographCardsGen1Suppression. Formaat
TachographCardsGen1Suppression als gede
finieerd in aanhangsel 1.
niet van toepassing '0000'H, 'A5E3'H
CPR_094 In tabel 47 is het formaat van de verschillende bytes van de
parameter VehiclePosition nader toegelicht.
Tabel 47
Detailed format of VehiclePosition (recordDataIdentifier value # F9D7)
Byte Parameterdefinitie Resolutie Bedrijfsreeks
1 - 4 Het tijdstempel van de positie van het voer
tuig was bepaald.
Niet van toepassing TimeReal
5 GNSS-nauwkeurigheid Niet van toepassing GNSSAccuracy
6 - 11 Positie van het voertuig Niet van toepassing GeoCoordinates
12 Authenticatiestatus Niet van toepassing PositionAuthenticationStatus
13 Huidig land Niet van toepassing NationNumeric
14 Huidige regio Niet van toepassing RegionNumeric
Opmerking: na de update van de positie van het voertuig,
kan de update van het huidige land en de huidige regio
worden uitgesteld.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 391
Aanhangsel 9
TYPEGOEDKEURING LIJST VAN MINIMAAL VEREISTE TESTS
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
2. FUNCTIETESTS VAN DE VOERTUIGUNIT
3. FUNCTIETESTS VAN DE BEWEGINGSSENSOR
4. FUNCTIETESTS VAN TACHOGRAAFKAARTEN
5. TESTS EXTERNE GNSS-MODULE
▼M1
6. TESTS VAN DE EXTERNE APPARATUUR VOOR COMMUNICATIE
OP AFSTAND
▼B
7. FUNCTIETESTS VAN DOCUMENTATIE
8. INTEROPERABILITEITSTESTS
▼M3
9. OSNMA-TESTS
▼B
1. INLEIDING
1.1. Typegoedkeuring
De EG-typegoedkeuring van een controleapparaat (of een component daar
van) of van een tachograafkaart is gebaseerd op:
▼M1
— een veiligheidscertificering volgens de specificaties van de gemeen
schappelijke criteria en met een veiligheidsdoelstelling die volledig
voldoet aan aanhangsel 10 van deze bijlage;
▼B
— een functiecertificering uitgevoerd door een autoriteit van de lidstaat
die certificeert dat het geteste apparaat voldoet aan de voorschriften
van deze bijlage met betrekking tot uitgevoerde functies, meetnauw
keurigheid en milieukenmerken;
— een interoperabiliteitscertificering uitgevoerd door de bevoegde in
stantie die certificeert dat het controleapparaat (of de tachograafkaart)
volledig interoperabel is met de vereiste modellen tachograafkaarten
(of controleapparaten) (zie hoofdstuk 8 van deze bijlage).
Dit aanhangsel specificeert welke tests minimaal door een autoriteit van de
lidstaat tijdens de functietests moeten worden uitgevoerd, en welke tests
minimaal door de bevoegde instantie tijdens de interoperabiliteitstests
moeten worden uitgevoerd. De voor het uitvoeren van de tests te volgen
procedures of de soort tests worden niet nader gespecificeerd.
Aspecten in verband met de veiligheidscertificering worden niet behandeld
in dit aanhangsel. Indien sommige voor de typegoedkeuring vereiste tests
tijdens de veiligheidsevaluatie en het certificeringsproces uitgevoerd zijn,
hoeven deze tests niet opnieuw te worden uitgevoerd. In dat geval moeten
alleen de resultaten van deze veiligheidstests worden gecontroleerd. Ter
informatie worden de voorschriften die naar verwachting tijdens de veilig
heidscertificering worden getest (of die nauw verband houden met de tests
die naar verwachting worden uitgevoerd) in dit aanhangsel met een „*”
aangeduid.
De genummerde voorschriften verwijzen naar het geheel van bijlagen; de
overige voorschriften verwijzen naar de andere aanhangsels. Zo verwijst
PIC_001 bijvoorbeeld naar het voorschrift PIC_001 van aanhangsel 3
„Pictogrammen”.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 392
Dit aanhangsel behandelt afzonderlijk de typegoedkeuring van de be
wegingssensor, de voertuigunit en de externe GNSS-module als samen
stellende delen van het controleapparaat. Elk samenstellend deel krijgt een
eigen typegoedkeuringscertificaat waarin de andere compatibele com
ponenten zijn aangegeven. De functietest van de bewegingssensor (of
van de externe GNSS-module) wordt uitgevoerd samen met de voertuig
unit, en omgekeerd.
Er is geen interoperabiliteit vereist tussen elk model bewegingssensor (of
externe GNSS-module) en elk model voertuigunit. In dit geval kan de
typegoedkeuring van een bewegingssensor (of externe GNSS-module) al
leen in combinatie met de typegoedkeuring van de desbetreffende voer
tuigunit worden verleend, en omgeke erd.
▼M3
De instantie van de lidstaten die bevoegd is voor de functionele tests van
een voertuigunit of een externe GNSS-module moet erop toezien dat de
ingebouwde GNSS-ontvanger de in dit aanhangsel gespecificeerde
OSNMA-tests met succes heeft doorstaan. Deze tests worden als een
onderdeel van de functionele tests van de voertuigunit of de externe
GNSS-module beschouwd.
▼B
1.2. Referentienormen
De onderstaande referentienormen worden in dit aanhangsel gebruikt:
IEC 60068-2-1: Environmental testing — Part 2-1: Tests — Test A: Cold.
IEC 60068-2-2: Basic environmental testing procedures — Part 2: tests —
Tests B: Dry heat (sinusoidal).
IEC 60068-2-6: Environmental testing — Part 2: Tests — Test Fc: Vi
bration.
IEC 60068-2-14: Environmental testing — Part 2-14: Tests — Test N:
Change of temperature.
IEC 60068-2-27: Environmental testing — Part 2: Tests — Test Ea and
guidance: Shock.
IEC 60068-2-30: Environmental testing — Part 2-30: Tests — Test Db:
Damp heat, cyclic (12 h + 12 h cycle).
IEC 60068-2-64: Environmental testing — Part 2-64: Tests — Test Fh:
Vibration, broadband random and guidance.
IEC 60068-2-78 Environmental testing — Part 2-78: Tests — Test Cab:
Damp heat, steady state.
ISO 16750-3 — Mechanical loads (2012-12).
ISO 16750-4 — Climatic loads (2010-04).
ISO 20653: Road vehicles — Degree of protection (IP code) — Protection
of electrical equipment against foreign objects, water and access.
ISO 10605:2008 + Technical Corrigendum 1:2010 + AMD 1:2014 Road
vehicles — Test methods for electrical disturbances from electrostatic
discharge.
ISO 7637-1: 2002 + AMD 1: 2008 Road vehicles — Electrical disturban
ces from conduction and coupling — Part 1: Definitions and general
considerations.
ISO 7637-2 Road vehicles — Electrical disturbances from conduction and
coupling — Part 2: Electrical transient conduction along supply lines only.
ISO 7637-3 Road vehicles — Electrical disturbances from conduction and
coupling — Part 3: Electrical transient transmission by capacitive and
inductive coupling via lines other than supply lines.
ISO/IEC 7816-1 Identification cards — Integrated circuit(s) cards with
contacts — Part 1: Physical characteristics.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 393
ISO/IEC 7816-2 Information technology — Identification cards — Inte
grated circuit(s) cards with contacts — Part 2: Dimensions and location of
the contacts.
ISO/IEC 7816-3 Information technology — Identification cards — Inte
grated circuit(s) cards with contacts — Part 3: Electronic signals and
transmission protocol.
ISO/IEC 10373-1:2006 + AMD 1:2012 Identification cards — Test me
thods — Part 1: General characteristics.
ISO/IEC 10373-3:2010 + Technical Corrigendum 1:2013 Identification
cards — Test methods — Part 3: Integrated circuit cards with contacts
and related interface devices.
ISO 16844-3:2004, Cor 1:2006 Road vehicles — Tachograph systems —
Part 3: Motion sensor interface (with vehicle units).
ISO 16844-4 Road vehicles — Tachograph systems — Part 4: CAN
interface.
ISO 16844-6 Road vehicles — Tachograph systems — Part 6: Diagnostics
ISO 16844-7 Road vehicles — Tachograph systems — Part 7: Parameters.
ISO 534 Paper and board — Determination of thickness, density and
specific volume.
▼M3
RGODP JRC Technisch verslag - Ontvangerrichtsnoeren voor
OSNMA-gegevensverwerking
▼B
UN ECE R10 Uniform provisions concerning the approval of vehicles
with regard to electromagnetic compatibility (United Nation Economic
Commission for Europe)
2. FUNCTIETESTS VAN DE VOERTUIGUNIT
▼M1
Nr. Test Omschrijving Gerelateerde voorschriften
1. Administratieve controle
1.1 Documentatie Juistheid van de documentatie
1.2 Testresultaten van de
fabrikant
Resultaten van de tijdens integratie door de
fabrikant uitgevoerde test.
Papierdemonstraties.
88, 89, 91
2. Visuele inspectie
2.1 Naleving van de documentatie
2.2 Identificatie/opschriften 224 t.e.m. 226
2.3 Materiaal 219 t.e.m. 223
2.4 Verzegeling 398, 401 t.e.m. 405
2.5 Externe interfaces
3. Functietests
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 394
Nr. Test Omschrijving Gerelateerde voorschriften
▼M3
3.1 Aanwezige functies 02, 03, 04, 05, 07, 382,
3.2 Werkingsmodi 09 t.e.m. 11*, 134, 135
3.3 Functies en gegevenstoegangsrechten 12*, 13*, 382, 383, 386 t.e.m.
389
3.4 Controle op het inbrengen en uitnemen van kaarten 15, 16, 17, 18, 19*, 20*, 134
3.5 Meting van snelheid, positie en afstand 21 t.e.m. 37
3.6 Tijdmeting (test uitgevoerd bij 20 °C) 38 t.e.m. 43
3.7 Controle op activiteiten van de bestuurder 44 t.e.m. 53, 134
3.8 Controle op de status van de bestuurders 54, 55, 134
3.9 Invoer door bestuurders 56 t.e.m. 62c
3.10 Beheer van bedrijfsversleutelingen 63 t.e.m. 68
3.11 Bewaking van controleactiviteiten 69, 70
3.12 Detectie van voorvallen en/of fouten 71 t.e.m. 88a, 134
3.13 Identificatiegegevens van de apparatuur 93*, 94*, 97, 100
3.14 Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurders- of werk
plaatskaart
102* t.e.m. 104*
3.15 Activiteiten van de bestuurder 105* t.e.m. 107*
3.16 Plaats- en positiegegevens 108* t.e.m. 112*
3.17 Gegevens over de kilometerstand 113* t.e.m. 115*
3.18 Gedetailleerde snelheidsgegevens 116*
3.19 Gegevens over voorvallen 117*
3.20 Foutgegevens 118*
3.21 Kalibratiegegevens 119* t.e.m. 121*
3.22 Tijdafstellingsgegevens 124*, 125*
3.23 Controleactiviteiten 126*, 127*
3.24 Gegevens over bedrijfsversleutelingen 128*
3.25 Downloadactiviteiten 129*
3.26 Gegevens over specifieke omstandigheden 130*, 131*
3.27 Gegevens tachograafkaarten 132*, 133*
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 395
Nr. Test Omschrijving Gerelateerde voorschriften
3.28 Grensoverschrijdingen 133a* t.e.m. 133d*
3.29 Laad-/losverrichtingen 133e* t.e.m. 133i*
3.30 Digitale kaart 133j* t.e.m. 133t*
3.31 Registreren en opslaan op tachograafkaarten 136, 137, 138*, 139*, 141*,
142, 143
144, 145, 146*, 147*, 147a*,
147b*, 148*, 149, 150, 150a
3.32 Weergeven 90, 134,
151 t.e.m. 168,
PIC_001, DIS_001
3.33 Afdrukken 90, 134,
169 t.e.m. 181, PIC_001,
PRT_001 t.e.m. PRT_014
3.34 Waarschuwingssignalen 134, 182 t.e.m. 191,
PIC_001
3.35 Doorsturen van gegevens naar externe media 90, 134, 192 t.e.m. 196
3.36 Communicatie op afstand voor gerichte wegcontroles 197 t.e.m. 199
3.37 Gegevensuitwisselingen met extra externe inrichtingen 200, 201
3.38 Kalibratie 202 t.e.m. 206*, 383, 384, 386
t.e.m. 391
3.39 Kalibratiecontrole langs de weg 207 t.e.m. 209
3.40 Tijdafstelling 210 t.e.m. 212
3.41 Toezicht op grensoverschrijdingen 226a t.e.m. 226c
3.42 Software-update 226d t.e.m. 226f
3.43 Geen interferentie van aanvullende functies 06, 425
3.44 Interface van de bewegingssensor 02, 122
3.45 Externe GNSS-module 03, 123
3.46 Verifieer of de voertuigunit (VU) de door de VU-fabrikant bepaalde
voorvallen en/of fouten detecteert, registreert en opslaat, wanneer een
gekoppelde bewegingssensor reageert op een magnetisch veld dat de
bewegingsdetectie van het voertuig stoort
217
3.47 Codereeks en gestandaardiseerde domeinparameters CSM_48, CSM_50
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 396
Nr. Test Omschrijving Gerelateerde voorschriften
4. Milieutests
4.1 Temperatuur Controleer de functionaliteit aan de hand van:
ISO 16750-4, punt 5.1.1.2: test bij lage tem
peratuur in ingeschakelde toestand (72 uur bij
– 20 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-1: Environ
mental testing — Part 2-1: Tests — Test A:
Cold.
Test overeenkomstig ISO 16750-4: punt
5.1.2.2: test bij hoge temperatuur in ingescha
kelde toestand (72 uur bij + 70 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-2: Basic
environmental testing procedures Deel 2: tes
ten; Tests B: Dry heat
Test overeenkomstig ISO 16750-4: punt
5.3.2: snelle temperatuurwisselingen binnen
de voorgeschreven overgangsduur (20 wisse
lingen met een temperatuur variërend van – 20
°C tot + 70 °C, bij een verblijf gedurende
2 uur bij de laagste en de hoogste tempera
tuur)
Een kleiner aantal tests (zoals gedefinieerd in
punt 3 van deze tabel) kan worden uitgevoerd
bij de laagste temperatuur, bij de hoogste
temperatuur en tijdens de temperatuurwisse
lingen
213
4.2 Vochtigheid Controleer de bestandheid van de voertuigunit
tegen cyclische vochtigheid (warmteproef)
aan de hand van IEC 60068-2-30, test Db,
zes cycli van 24 uur, elke temperatuur varië
rend van + 25 °C tot + 55 °C en een relatieve
vochtigheid van 97 % bij + 25 °C en gelijk
aan 93 % bij + 55 °C
214
4.3 Vibratie en mecha
nische schokken
1. Sinusoïdale vibraties
Controleer of de voertuigunit bestand is
tegen sinusoïdale vibraties met de onder
staande kenmerken:
constante verplaatsing tussen 5 en 11 Hz:
10 mm piek
constante acceleratie tussen 11 en 300 Hz:
5 g
Dit voorschrift wordt gecontroleerd aan de
hand van IEC 60068-2-6, test Fc, met een
minimale testduur van drie keer 12 uur
(12 uur per as)
Apparatuur die zich in de aparte bestuur
derscabine bevindt, moet volgens ISO
16750-3 niet op sinusoïdale vibraties wor
den getest
2. Willekeurige vibraties
Test overeenkomstig ISO 16750-3: punt
4.1.2.8: test VIII: bedrijfsvoertuigen met
aparte bestuurderscabine
219
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 397
Nr. Test Omschrijving Gerelateerde voorschriften
Test op willekeurige vibraties, 10...2 000 Hz,
effectieve waarde in verticale richting 21,3 m/
s 2 , effectieve waarde in lengterichting 11,8 m/
s 2 , effectieve waarde in zijwaartse richting 13,1
m/s 2 , drie assen, 32 uur per as, inclusief tem
peratuurwisseling tussen – 20 °C en + 70 °C
Deze test berust op IEC 60068-2-64: Environ
mental testing - Part 2-64: Tests - Test Fh: Vi
bration, broadband random and guidance.
3. Schokken
Mechanische schok met halve-sinuspuls van
3 g overeenkomstig ISO 16750
De bovengenoemde tests worden op twee ver
schillende modellen van de te testen apparatuur
uitgevoerd
4.4 Bescherming tegen wa
ter en vreemde licha
men
Test overeenkomstig ISO 20653: Road vehi
cles – Degree of protection (IP code) – Pro
tection of electrical equipment against foreign
objects, water and access (gelijkblijvende pa
rameters); beveiligingsindex ten minste IP 40
220, 221
4.5 Overspanningsbeveili
ging
Controleer of de voertuigunit bestand is tegen
een stroomvoorziening van:
24V-uitvoeringen: 34 V bij + 40 °C 1 uur
12 V-uitvoeringen: 17 V bij + 40 °C
1 uur(ISO 16750-2)
216
4.6 Beveiliging tegen om
polen
Controleer of de voertuigunit bestand is tegen
een omkering in de stroomvoorziening
(ISO 16750-2)
216
4.7 Kortsluitbeveiliging Controleer of de invoer-/uitvoersignalen be
veiligd zijn tegen kortsluiting in de stroom
voorziening en tegen aardsluiting
(ISO 16750-2)
216
5. EMC-tests
5.1 Stralingsemissies en
gevoeligheid
Overeenkomstig VN/ECE-reglement nr. 10 218
5.2 Elektrostatische ontla
dingen
Overeenkomstig ISO 10605:2008 +
technische rectificatie 1:2010 +
AMD 1:2014: ± 4 kV contactontlading en
± 8 kV luchtontlading
218
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 398
Nr. Test Omschrijving Gerelateerde voorschriften
5.3 Transiënte geleidings
verschijnselen in de
stroomvoorziening
Voor 24V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO
7637-2 + VN/ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1a: Vs= – 450V Ri=50 ohms
puls 2 a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 20 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 150 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 150 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 16 V, Va = – 12 V, t6 =
100 ms
puls 5: Vs = + 120 V, Ri = 2,2 ohm, td =
250 ms
Voor 12 V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO
7637-1 + VN/ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1: Vs = – 75 V, Ri = 10 ohm
puls 2 a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 10 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 112 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 75 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 6 V, Va = – 5 V, t6 = 15 ms
puls 5: Vs = + 65 V, Ri = 3 ohm, td = 100
ms
Puls 5 moet alleen worden getest bij voertuig
units die in voertuigen worden geïnstalleerd
waarvoor geen externe gewone beveiliging
tegen een plotselinge spanningsverlaging
geïmplementeerd is
Wat betreft de voorstelwaarde voor span
ningsverlaging: zie ISO 16750-2, vierde uit
gave, punt 4.6.4
218
▼B
3. FUNCTIETESTS VAN DE BEWEGINGSSENSOR
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
1. Administratieve controle
1.1 Documentatie Juistheid van de documentatie
2 Visuele inspectie
2.1 Naleving van de documentatie
2.2 Identificatie/opschriften 225, 226
2.3 Materiaal 219 t.e.m. 223
2.4 Verzegeling 398, 401 t.e.m. 405
3 Functietests
3.1 Identificatiegegevens van de sensor 95 t.e.m. 97
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 399
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
3.2 Koppeling bewegingssensor — voertuigunit 122*, 204
3.3 Bewegingsdetectie
Juistheid van bewegingsmeting
30 t.e.m. 35
3.4 Interface van de voertuigunit 02
3.5 Controleer of de bewegingssensor bestand is tegen een constant magnetisch
veld. Verifieer, als alternatief, of de bewegingssensor reageert op een constant
magnetisch veld dat de bewegingsdetectie van het voertuig stoort, zodat een
aangesloten VU sensorfouten kan detecteren, registreren en opslaan
217
4 Milieutests
4.1 Bedrijfstemperatuur Controleer de functionaliteit (zoals gedefinieerd
in test nr. 3.3) in het temperatuurbereik
[– 40 °C; + 135 °C] aan de hand van:
IEC 60068-2-1, test Ad, met een testduur van
96 uur bij de laagste temperatuur To min ,
IEC 60068-2-2, test Bd, met een testduur van
96 uur bij de hoogste temperatuur To max
Test overeenkomstig ISO 16750-4, punt 5.1.1.2:
test bij lage temperatuur in ingeschakelde toe
stand (24 uur bij – 40 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-1: Environ
mental testing — Part 2-1: Tests — Test A:
Cold; IEC 68-2-2, test Bd, met een testduur
van 96 uur bij de laagste temperatuur van –
40 °C
Test overeenkomstig ISO 16750-4, punt 5.1.2.2:
test bij hoge temperatuur in ingeschakelde toe
stand (96 uur bij + 135 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-2: Basic envi
ronmental testing procedures — Part 2: tests —
Tests B: Dry heat
213
4.2 Temperatuur-wisseltest Test overeenkomstig ISO 16750-4, punt 5.3.2:
snelle temperatuurwisselingen binnen de voor
geschreven overgangsduur (20 wisselingen met
een temperatuur variërend van – 40 °C tot +
135 °C, bij een verblijf gedurende 30 minuten
bij de laagste en de hoogste temperatuur)
IEC 60068-2-14: Environmental testing — Part
2-14: Tests — Test N: Change of temperature.
213
4.3 Vochtigheidscycli Controleer de functionaliteit (als gedefinieerd in
test nr. 3.3) aan de hand van IEC 60068-2-30,
test Db, zes cycli van 24 uur, elke temperatuur
variërend van + 25 °C tot + 55 °C en een rela
tieve vochtigheid van 97 % bij + 25 °C en ge
lijk aan 93 % bij + 55 °C
214
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 400
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
4.4 Vibratie ISO 16750-3: punt 4.1.2.6: test VI: bedrijfsvoer
tuigen, motor — versnellingsbak,
vibratietest in gemengde modus, met inbegrip
van
a) test sinusoïdale vibraties, 20…520 Hz, 11,4
… 120 m/s 2 , ≤ 0,5 octaaf per minuut
b) test willekeurige vibraties, 10…2 000 Hz, ef
fectieve waarde 177 m/s 2
94 uur per as, inclusief temperatuurwisselingen
tussen – 20 °C en + 70 °C?)
Deze test berust op IEC 60068-2-80: Environ
mental testing — Part 2-80: Tests — Test Fi:
Vibration — Mixed mode
219
4.5 Mechanische schokken ISO 16750-3: punt 4.2.3: test VI: test van ap
paratuur in of op de versnellingsbak;
half-sinusoïdale schok, acceleratie overeen te
komen binnen een bereik van 3 000…15 000
m/s 2 , pulsduur overeen te komen, maar kleiner
dan 1 ms, aantal schokken overeen te komen
Deze test berust op IEC 60068-2-27: Environ
mental testing — Part 2: Tests — Test Ea and
guidance: Shock
219
4.6 Bescherming tegen water en
vreemde lichamen
Test overeenkomstig ISO 20653: Road vehicles
— Degree of protection (IP code) — Protection
of electrical equipment against foreign objects,
water and access
(beveiligingsindex ten minste IP 64)
220, 221
4.7 Beveiliging tegen ompolen Controleer of de bewegingssensor bestand is
tegen een omkering in de stroomvoorziening
216
4.8 Kortsluitbeveiliging Controleer of de invoer-/uitvoersignalen bevei
ligd zijn tegen kortsluiting in de stroomvoorzie
ning en tegen aardsluiting
216
5 Elektromagnetische compatibiliteit (EMC)
5.1 Stralingsemissies en gevoe
ligheid
Controleer de overeenstemming met VN/ECE-
reglement nr. 10
218
5.2 Elektrostatische ontlading Overeenkomstig ISO 10605:2008 + Technical
corrigendum: 2010 + AMD 1:2014: ± 4 kV
contactontlading en ± 8 kV luchtontlading
218
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 401
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
5.3 Transiënte
geleidings-verschijnselen in
datatransmissielijnen
Voor 24V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO
7637-2 + VN/ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1a: Vs = – 450 V, Ri = 50 ohm
puls 2a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 20 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 150 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 150 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 16 V, Va = – 12 V, t6 = 100 ms
puls 5: Vs = + 120 V, Ri = 2,2 ohm, td = 250
ms
Voor 12V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO
7637-1 + VN/ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1: Vs = – 75 V, Ri = 10 ohm
puls 2a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 10 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 112 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 75 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 6 V, Va = – 5 V, t6 = 15 ms
puls 5: Vs = + 65 V, Ri = 3 ohm, td = 100 ms
Puls 5 moet alleen worden getest bij voertuig
units die in voertuigen worden geïnstalleerd
waarvoor geen externe gewone beveiliging te
gen een plotselinge spanningsverlaging geïm
plementeerd is
Wat betreft de voorstelwaarde voor spannings
verlaging: zie ISO 16750-2, vierde uitgave, punt
4.6.4
218
4. FUNCTIETESTS VAN TACHOGRAAFKAARTEN
Tests overeenkomstig dit punt 4,
nr. 5 „Protocoltests”,
nr. 6 „Kaartstructuur” en
nr. 7 „Functietests”
kunnen worden uitgevoerd door de beoordelings- of certificeringsinstantie
tijdens de veiligheidscertificering van voor de chipmodule op basis van
gemeenschappelijke criteria (CC).
Tests nr. 2.3 en 4.2 zijn identiek. Dit zijn de mechanische tests van de
combinatie voertuigcarrosserie en chipmodule. Bij vervanging van een van
deze samenstellende delen (voertuigcarrosserie, chipmodule) moeten deze
tests worden uitgevoerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 402
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
1 Administratieve controle
1.1 Documentatie Juistheid van de documentatie
2 Kaart
2.1 Opdruk
Controleer of alle beveiligingskenmerken en zicht
bare gegevens naar behoren en conform de regels
op de kaart zijn afgedrukt
[Code]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 227
De voorkant bevat:
naar gelang van de kaartsoort de vermelding „Be
stuurderskaart” of „Controlekaart” of „Werkplaats
kaart” of „Bedrijfskaart” in hoofdletters, gedrukt in
de officiële taal/talen van de lidstaat die de kaart
afgeeft.
[Naam van de lidstaat]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 229
De voorkant bevat:
de vermelding van de naam van de lidstaat die de
kaart afgeeft (facultatief).
[Teken]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 229
De voorkant bevat:
het onderscheidingsteken van de lidstaat die de kaart
afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele
sterren omringde blauwe rechthoek.
[Enumeratie]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 232
De achterkant bevat:
een toelichting bij de genummerde rubrieken op de
voorkant van de kaart;
[Kleur]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 234
Tachograafkaarten moeten worden gedrukt met de
volgende achtergrondkleuren:
— bestuurderskaart: wit,
— werkplaatskaart: rood,
— controlekaart: blauw,
— bedrijfskaart: geel.
227 t.e.m. 229, 232,
234 t.e.m. 236
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 403
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Beveiliging]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 235
Tachograafkaarten moeten ten minste de volgende
eigenschappen hebben om de kaart te beschermen
tegen vervalsing en misbruik/manipulatie:
— een beveiligde achtergrond met fijne guillochepa-
tronen en regenboogdruk,
— ten minste één tweekleurige microzeefdrukregel.
[Opschriften]
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 236
De lidstaten mogen kleuren of aanduidingen, zoals
nationale symbolen of beveiligingstekens, toevoegen.
[Goedkeuringsmerk]
Tachograafkaarten bevatten een goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk bestaat uit:
— een rechthoek waarbinnen een kleine letter „e” is
aangebracht, gevolgd door een onderscheidings-
nummer of een onderscheidingsletter van het land
waar de goedkeuring werd afgegeven,
— een goedkeuringsnummer, overeenkomend met
het nummer op het goedkeuringscertificaat dat is
opgesteld voor de tachograafkaart, en aangebracht
op een willekeurige positie vlak bij de rechthoek.
2.2 Mechanische tests
[Kaartformaat]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[5] Dimension of card,
[5.1] Card size,
[5.1.1] Card dimensions and tolerances,
card type ID-1 Unused card
[Kaartranden]
Tachograafkaarten moeten aan de volgende norm
voldoen:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[5] Dimension of card,
[5.1] Card size,
[5.1.2] Card edges
240, 243
ISO/IEC 7810
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 404
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Kaartvorm]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[6] Card construction
[Kaartmateriaal]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[7] Card materials
[Buigstijfheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.1] Bending stiffness
[Toxiciteit]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.3] Toxicity
[Chemicaliënbestendigheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.4] Resistance to chemicals
[Maatvastheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.5] Card dimensional stability and warpage with
temperature and humidity
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 405
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Lichtechtheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.6] Light
[Duurzaamheid]
Bijlage 1 C, punt 4.4 „Milieu- en elektrotechnische
specificaties”, 241
De tachograafkaarten moeten vijf jaar lang naar
behoren kunnen functioneren indien de vastgestelde
milieu- en elektrotechnische grenswaarden niet wor-
den overschreden.
[Afpelsterkte]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.8] Peel strength
[Hechting of contactadhesie]
De tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.9] Adhesion or blocking
[Kromtrekking]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.11] Overall card warpage
[Hittevastheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.12] Resistance to heat
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 406
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Oppervlaktevervormingen]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.13] Surface distortions
[Verontreiniging]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810, Identification cards — Physical
characteristics,
[8] Card characteristics,
[8.14] Contamination and interaction of card
components
2.3 Mechanische tests met
ingebouwde chipmo
dule
[Buigvastheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810:2003/AMD 1:2009, Identification
cards — Physical characteristics, Amendment 1:
Criteria for cards containing integrated circuits
[9.2] Dynamic bending stress
Totaal aantal buigcycli 4 000
[Torsiesterkte]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810:2003/AMD 1:2009, Identification cards
— Physical characteristics, Amendment 1: Criteria for
cards containing integrated circuits
[9.3] Dynamic torsional stress
Totaal aantal torsiecycli 4 000
ISO/IEC 7810
3 Module
3.1 Module
Module is te verstaan als de ingekapselde chip en het
contactplaatje
[Oppervlakteprofiel]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7816-1:2011, Identification cards — Inte
grated circuit cards — Part 1: Cards with contacts
— Physical characteristics
[4.2] Surface profile of contacts
ISO/IEC 7816
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 407
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Mechanische sterkte]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7816-1:2011, Identification cards — Inte
grated circuit cards — Part 1: Cards with contacts
— Physical characteristics
[4.3] Mechanical strength (of a card and contacts)
[Elektrische weerstand:]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7816-1:2011, Identification cards — Inte-
grated circuit cards — Part 1: Cards with contacts —
Physical characteristics
[4.4] Electrical resistance (of contacts)
[Afmeting]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7816-2:2007, Identification cards — Inte-
grated circuit cards — Part 2: Cards with contacts —
Dimension and location of the contacts
[3] Dimension of the contacts
[Plaats]
Tachograafkaarten moeten voldoen aanmoeten vol-
doen aan:
ISO/IEC 7816-2:2007, Identification cards — Inte-
grated circuit cards — Part 2: Cards with contacts —
Dimension and location of the contacts
[4] Number and location of the contacts
Voor modules met zes contacten vallen contacten
„C4” en „C8” niet onder dit testvoorschrift.
4 Chip
4.1 Chip
[Bedrijfstemperatuur]
De chip van de tachograafkaart werkt bij een omge
vingstemperatuur tussen – 25 °C en + 85 °C.
241 t.e.m. 244
VN/ECE-reglement
nr. 10
ISO/IEC 7810
ISO/IEC 10373
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 408
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Temperatuur en vochtigheid]
Bijlage 1 C, punt 4.4 „Milieu- en elektrotechnische
specificaties”, 241
Tachograafkaarten moeten naar behoren kunnen
functioneren onder alle klimatologische omstandighe
den die zich normaliter op het grondgebied van de
Unie voordoen, en ten minste binnen het tempera
tuurbereik van – 25 °C tot + 70 °C met incidentele
pieken tot + 85 °C; „incidenteel” betekent niet meer
dan 4 uur per keer en niet meer dan 100 keer tijdens
de levensduur van de kaart.
Tachograafkaarten worden achtereenvolgens bloot
gesteld aan de volgende temperatuur en relatieve
vochtigheid (RV) binnen de opgegeven tijdsduur.
Na elke stap worden de tachograafkaarten getest op
goede werking van de elektrische onderdelen.
1 Temperatuur van – 20 °C gedurende 2 uur
2 Temperatuur van ± 0 °C gedurende 2 uur
3 Temperatuur van + 20 °C en RV van 50 % gedu
rende 2 uur
4 Temperatuur van + 50 °C en RV van 50 % gedu
rende 2 uur
5 Temperatuur van + 70 °C en RV van 50 % gedu
rende 2 uur
De temperatuur wordt intermitterend verhoogd tot
+ 85 °C, bij een RV van 50 %, gedurende 60 min.
6 Temperatuur van + 70 °C en RV van 85 % gedu
rende 2 uur
De temperatuur wordt intermitterend verhoogd tot
+ 85 °C, bij een RV van 85 %, gedurende 30 min.
[Vochtigheid]
Bijlage 1 C, punt 4.4 „Milieu- en elektrotechnische
specificaties”, 242
Tachograafkaarten moeten naar behoren kunnen
functioneren binnen het vochtigheidsbereik van
10 % tot 90 %
[Elektromagnetische compatibiliteit (EMC)]
Bijlage 1 C, punt 4.4 „Milieu- en elektrotechnische
specificaties”, 244
Tijdens de werking moeten de tachograafkaarten
voldoen aan VN/ECE-reglement nr. 10 wat hun
elektromagnetische compatibiliteit betreft
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 409
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
[Statische elektriciteit]
Bijlage 1 C, punt 4.4 „Milieu- en elektrotechnische
specificaties”, 244
Tijdens de werking moeten de tachograafkaarten
beveiligd zijn tegen elektrostatische ontladingen
De tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810:2003/AMD 1:2009, Identification
cards — Physical characteristics, Amendment 1:
Criteria for cards containing integrated circuits
[9.4] Static electricity
[9.4.1] Contact IC cards
Testspanning: 4 000 V
[Röntgenstralen]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810:2003/AMD 1:2009, Identification
cards — Physical characteristics, Amendment 1:
Criteria for cards containing integrated circuits
[9.1] X-rays
[Ultraviolet licht]
ISO/IEC 10373-1:2006 Identification cards — Test
methods — Part 1: General characteristics
[5.11] Ultraviolet light
[Driewieler]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 10373-1:2006/AMD 1:2012 Identification
cards — Test methods — Part 1: General character-
istics, Amendment 1
[5.22] ICC — Mechanical strength: 3 wheel test for
ICCs with contacts
[Omhulsel]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
MasterCard CQM V2.03:2013
[11.1.3] R-L3-14-8: Wrapping Test Robustness
[13.2.1.32] TM-422: Mechanical Reliability: Wrap-
ping Test
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 410
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
4.2 Mechanische tests van
in de kaart ingebedde
chipmodule -> als on
der 2.3
[Buigvastheid]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810:2003/AMD 1:2009, Identification
cards — Physical characteristics, Amendment 1:
Criteria for cards containing integrated circuits
[9.2] Dynamic bending stress
Totaal aantal buigcycli 4 000
[Torsiesterkte]
Tachograafkaarten moeten voldoen aan:
ISO/IEC 7810:2003/AMD 1:2009, Identification
cards — Physical characteristics, Amendment 1:
Criteria for cards containing integrated circuits
[9.3] Dynamic torsional stress
Totaal aantal torsiecycli 4 000
ISO/IEC 7810
5 Protocoltests
5.1 ATR Controleer of het antwoord op terugstellen (ATR) vol
doet
ISO/IEC 7816-3
TCS_14, TCS_17,
TCS_18
5.2 T=0 Controleer of het protocol T=0 voldoet ISO/IEC 7816-3
TCS_11, TCS_12,
TCS_13, TCS_15
5.3 PTS Controleer of het PTS-commando (protocol voor trans
missieselectie) voldoet door T=0 op T=1 te zetten
ISO/IEC 7816-3
TCS_12, TCS_19,
TCS_20, TCS_21
5.4 T=1 Controleer of het protocol T=1 voldoet ISO/IEC 7816-3
TCS_11, TCS_13,
TCS_16
6 Kaartstructuur
6.1 Ga na of de bestandsstructuur van de kaart voldoet
door de kaart te controleren op de aanwezigheid van
verplichte bestanden en bijbehorende
toegangscondities (AC)
TCS 22 t.e.m.
TCS 28
TCS_140 to
TCS_179
7 Functietests
7.1 Normale verwerking Test ten minste een keer het toegestane gebruik van
elk commando (test bijvoorbeeld het Update
Binary-commando met CLA = „00”, CLA = „0C”
en met verschillende P1-, P2- en Lc-parameters)
Controleer of de bewerkingen daadwerkelijk op de
kaart werden uitgevoerd (bijvoorbeeld door het be
stand te lezen waarop het commando werd uitgevoerd)
TCS 29 t.e.m. TCS
139
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 411
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
7.2 Foutmeldingen Test voor elk commando ten minste een keer elke
foutmelding (zoals gespecificeerd in aanhangsel 2)
Test ten minste een keer elke algemene fout (met uit
zondering van de tijdens de veiligheidscertificering ge
controleerde integriteitsfouten „6400”)
7.3 Codereeks en gestandaardiseerde domeinparameters CSM_48, CSM_50
8 Personalisatie
8.1 Optische personalisatie
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 230
De voorkant bevat:
de gegevens die specifiek zijn voor de afgegeven
kaart.
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 231
De voorkant bevat:
datums in de notatie „dd/mm/jjjj” of „dd.mm.jjjj”
(dag, maand, jaar).
Bijlage 1 C, punt 4.1 „Zichtbare gegevens”, 235
Tachograafkaarten moeten ten minste de volgende
eigenschappen hebben om de kaart te beschermen
tegen vervalsing en misbruik/manipulatie:
— bij de foto moeten de beveiligde achtergrond en de
foto elkaar overlappen.
230, 231, 235
5. TESTS EXTERNE GNSS-MODULE
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
1 Administratieve controle
1.1 Documentatie Juistheid van de documentatie
2 Visuele inspectie externe GNSS-module
2.1 Naleving van de documentatie
2.2 Identificatie/opschriften 224 t.e.m. 226
2.3 Materiaal 219 t.e.m. 223
3 Functietests
3.1 Identificatiegegevens van de sensor 98, 99
3.2 Koppeling tussen externe GNSS-module — voertuigunit 123,205
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 412
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
3.3 GNSS-positie 36, 37
3.4 Interface van de voertuigunit wanneer de GNSS-ontvanger niet in de voertuig
unit zit
03
3.5 Codereeks en gestandaardiseerde domeinparameters CSM_48, CSM_50
4 Milieutests
4.1 Temperatuur Controleer de functionaliteit aan de hand van:
ISO 16750-4, punt 5.1.1.2: test bij lage temperatuur in in
geschakelde toestand (72 uur bij – 20 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-1: Environmental testing —
Part 2-1: Tests — Test A: Cold
Test overeenkomstig ISO 16750-4, punt 5.1.2.2: test bij hoge
temperatuur in ingeschakelde toestand (72 uur bij + 70 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-2: Basic environmental tes
ting procedures — Part 2: tests — Tests B: Dry heat
Test overeenkomstig ISO 16750-4, punt 5.3.2: snelle tempe
ratuurwisselingen binnen de voorgeschreven overgangsduur
(20 wisselingen met een temperatuur variërend van – 20 °C
tot + 70 °C, bij een verblijf gedurende 1 uur bij de laagste en
de hoogste temperatuur)
Een kleiner aantal tests (zoals gedefinieerd in punt 3 van
deze tabel) kan worden uitgevoerd bij de laagste temperatuur,
bij de hoogste temperatuur en tijdens de temperatuurwisse
lingen
213
4.2 Vochtigheid Controleer of de voertuigunit bestand is tegen een cyclische
vochtigheid (warmtetest) aan de hand van IEC 60068-2-30,
test Db, zes cycli van 24 uur, elke temperatuur variërend
van + 25 °C tot + 55 °C en een relatieve vochtigheid van
97 % bij + 25 °C en gelijk aan 93 % bij + 55 °C
214
4.3 Vibratie en me
chanische
schokken
1. Sinusoïdale vibraties
Controleer of de voertuigunit bestand is tegen sinusoïdale
vibraties met de onderstaande kenmerken:
constante verplaatsing tussen 5 en 11 Hz: 10 mm piek
constante acceleratie tussen 11 en 300 Hz: 5 g
Dit voorschrift wordt gecontroleerd aan de hand van IEC
60068-2-6, test Fc, met een minimale testduur van drie
keer 12 uur (12 uur per as)
Apparatuur die zich in de aparte bestuurderscabine be
vindt, moet volgens ISO 16750-3 niet op sinusoïdale vi
braties worden getest
219
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 413
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
2. Willekeurige vibraties
Test overeenkomstig ISO 16750-3, punt 4.1.2.8: test VIII:
bedrijfsvoertuigen met aparte bestuurderscabine
Test op willekeurige vibraties, 10…2 000 Hz, effectieve
waarde in verticale richting 21,3 m/s 2 , effectieve waarde in
lengterichting 11,8 m/s 2 , effectieve waarde in zijwaartse
richting 13,1 m/s 2 , drie assen, 32 uur per as, inclusief
tem p eratu u rw iss eling tu ss en – 2 0 °C en + 70 °C
Deze test berust op IEC 60068-2-64: Environmental testing
— Part 2-64: Tests — Test Fh: Vibration, broadband
random and guidance.
3. Schokken
Mechanische schok met halve-sinuspuls van 3 g over-
eenkomstig ISO 16750
De bovengenoemde tests worden op twee verschillende
modellen van de te testen apparatuur uitgevoerd
4.4 Bescherming
tegen water en
vreemde licha
men
Test overeenkomstig ISO 20653: Road vehicles — Degree of
protection (IP code) — Protection of electrical equipment
against foreign objects, water and access (gelijkblijvende pa
rameters)
220, 221
4.5 Overspannings-
beveiliging
Controleer of de voertuigunit bestand is tegen een stroom
voorziening van:
216
24V-uitvoeringen: 34 V bij + 40 °C 1 uur
12V-uitvoeringen: 17 V bij + 40 °C 1 uur
(ISO 16750-2, punt 4.3)
4.6 Beveiliging te
gen ompolen
Controleer of de voertuigunit bestand is tegen een omkering
in de stroomvoorziening
(ISO 16750-2, punt 4.7)
216
4.7 Kortsluit-bevei
liging
Controleer of de invoer-/uitvoersignalen beveiligd zijn tegen
kortsluiting in de stroomvoorziening en tegen aardsluiting
(ISO 16750-2, punt 4.10)
216
5 EMC-tests
5.1 Stralingsemis
sies en gevoe
ligheid
Overeenkomstig VN/ECE-reglement nr. 10 218
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 414
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
5.2 Elektrostatische
ontlading
Overeenkomstig ISO 10605:2008 + Technical Corrigen
dum:2010 + AMD 1:2014: ± 4 kV contactontlading en
± 8 kV luchtontlading
218
5.3 Transiënte
geleidings-ver
schijnselen in
de stroomvoor
ziening
Voor 24V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO 7637-2 + VN/
ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1a: Vs = – 450 V, Ri = 50 ohm
puls 2a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 20 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 150 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 150 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 16 V, Va = – 12 V, t6 = 100 ms
puls 5: Vs = + 120 V, Ri = 2,2 ohm, td = 250 ms
Voor 12V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO 7637-1 + VN/
ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1: Vs = – 75 V, Ri = 10 ohm
puls 2a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 10 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 112 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 75 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 6 V, Va = – 5 V, t6 = 15 ms
puls 5: Vs = + 65 V, Ri = 3 ohm, td = 100 ms
Puls 5 moet alleen worden getest bij voertuigunits die in
voertuigen worden geïnstalleerd waarvoor geen externe ge
wone beveiliging tegen een plotselinge spanningsverlaging
geïmplementeerd is
Wat betreft de voorstelwaarde voor spanningsverlaging: zie
ISO 16750-2, vierde uitgave, punt 4.6.4
218
▼M1
6. TEST VAN DE EXTERNE APPARATUUR VOOR COMMUNICATIE
OP AFSTAND
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
1. Administratieve controle
1.1 Documentatie Juistheid van de do
cumentatie
2. Visuele inspectie
2.1 Naleving van de documentatie
2.2 Identificatie/opschriften 225, 226
2.3 Materiaal 219 t.e.m. 223
3. Functietests
3.1 Communicatie op afstand voor gerichte wegcontroles 4, 197 tot en met 199
3.2 Registreren en opslaan in het geheugen 91
3.3 Communicatie met de voertuigunit Aanhangsel 14
DSC_66 tot en met
DSC_70, DSC_71
tot en met DSC_76
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 415
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
4. Milieutests
4.1 Temperatuur Controleer de functionaliteit aan de hand van:
ISO 16750-4, punt 5.1.1.2: test bij lage temperatuur in
ingeschakelde toestand (72 uur bij – 20 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-1: Environmental tes
ting — Part 2-1: Tests — Test A: Cold.
Test overeenkomstig ISO 16750-4: punt 5.1.2.2: test bij
hoge temperatuur in ingeschakelde toestand (72 uur bij
+ 70 °C)
Deze test berust op IEC 60068-2-2: Basic environmental
testing procedures Deel 2: testen; Tests B: Dry heat
Test overeenkomstig ISO 16750-4: punt 5.3.2: snelle
temperatuurwisselingen binnen de voorgeschreven over
gangsduur (20 wisselingen met een temperatuur varië
rend van – -20 °C tot + 70 °C, bij een verblijf gedurende
1 uur bij de laagste en de hoogste temperatuur)
Een kleiner aantal tests (zoals gedefinieerd in punt 3 van
deze tabel) kan worden uitgevoerd bij de laagste tempe
ratuur, bij de hoogste temperatuur en tijdens de tempe
ratuurwisselingen
213
4.2 Bescherming tegen
water en vreemde
lichamen
Test overeenkomstig ISO 20653: Road vehicles – Degree
of protection (IP code) – Protection of electrical equip
ment against foreign objects, water and access (beveili
gingsindex ten minste IP 40)
220, 221
5 EMC-tests
5.1 Stralingsemissies en
gevoeligheid
Overeenkomstig VN/ECE-reglement nr. 10 218
5.2 Elektrostatische ont
ladingen
Overeenkomstig ISO 10605:2008 + technische rectifica
tie 1:2010 + AMD 1:2014: +/– 4 kV contactontlading en
+/– 8 kV luchtontlading
218
5.3 Transiënte gelei
dingsverschijnselen
in de stroomvoor
ziening
Voor 24V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO 7637-2 +
VN/ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1a: Vs=– 450V Ri=50 ohms
puls 2a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 20 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 150 V, Ri = 50 ohm
puls 3b: Vs = + 150 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 16 V, Va = – 12 V, t6 = 100 ms
puls 5: Vs = + 120 V, Ri = 2,2 ohm, td = 250 ms
Voor 12 V-uitvoeringen: overeenkomstig ISO 7637-1 +
VN/ECE-reglement nr. 10, herz. 3:
puls 1: Vs = – 75 V, Ri = 10 ohm
puls 2a: Vs = + 37 V, Ri = 2 ohm
puls 2b: Vs = + 10 V, Ri = 0,05 ohm
puls 3a: Vs = – 112 V, Ri = 50 ohm
218
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 416
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
puls 3b: Vs = + 75 V, Ri = 50 ohm
puls 4: Vs = – 6 V, Va = – 5 V, t6 = 15 ms
puls 5: Vs = + 65 V, Ri = 3 ohm, td = 100 ms
Puls 5 moet alleen worden getest bij voertuigunits die in
voertuigen worden geïnstalleerd waarvoor geen externe
gewone beveiliging tegen een plotselinge spanningsver
laging geïmplementeerd is
Wat betreft de voorstelwaarde voor spanningsverlaging:
zie ISO 16750-2, vierde uitgave, punt 4.6.4
▼B
7. FUNCTIETESTS VAN DOCUMENTATIE
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
1 Administratieve controle
1.1 Documentatie Juistheid van de documentatie
2 Algemene tests
2.1 Aantal tekens per re
gel
Visuele inspectie van afdrukken 172
2.2 Minimale teken
grootte
Visuele inspectie van afdrukken en tekens 173
2.3 Ondersteunde teken
sets
De printer ondersteunt de tekens zoals gespecificeerd in
aanhangsel 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”
174
2.4 Afdrukscherpte Controle van de typekeuring van de tachograaf en visu
ele inspectie van afdrukken
174
2.5 Leesbaarheid en
identificatie van af
drukken
Inspectie van afdrukken
Aangetoond aan de hand van door de fabrikant ver
strekte testverslagen en testprotocollen
Het printpapier is bedrukt met alle homologatienummers
van tachografen waarmee dit wordt gebruikt
175, 177, 178
2.6 Toevoeging van
handgeschreven aan
tekeningen
Visuele inspectie: er is ruimte beschikbaar voor de
handtekening van de bestuurder.
Er is ruimte beschikbaar voor andere handgeschreven
vermeldingen
180
2.7 Aanvullende details
over papierbladen
Op de voor- en achterzijde van het blad kunnen aan
vullende details en gegevens worden vermeld
Dit mag geen afbreuk doen aan de leesbaarheid van de
afdrukken
Visuele inspectie
177, 178
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 417
Nr. Test Omschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
3 Opslagtests
3.1 Droge hitte Voorbehandeling: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 %
± 3 % RV
Testomgeving: 72 uur bij + 70 °C ± 2 °C
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
IEC 60068-2-2-Bb
2.2 Vochtige hitte Voorbehandeling: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 %
± 3 % RV
Testomgeving: 144 uur bij + 55 °C ± 2 °C en 93 %
± 3 % RV
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
IEC 60068-2-78-Cab
4 Tests van documentatie tijdens het gebruik
4.1 Vochtbestendig-heid
ondergrond (onbe
drukt papier)
Voorbehandeling: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 %
± 3 % RV
Testomgeving: 144 uur bij + 55 °C ± 2 °C en 93 %
± 3 % RV
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
IEC 60068-2-78-Cab
4.2 Bedrukbaarheid Voorbehandeling: 24 uur bij + 40 °C ± 2 °C en 93 %
± 3 % RV
Testomgeving: afdruk gemaakt bij + 23 °C ± 2 °C
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
4.3 Hittevastheid Voorbehandeling: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 %
± 3 % RV
Testomgeving: 2 uur bij + 70 °C ± 2 °C, droge hitte
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
IEC 60068-2-2-Bb
4.4 Bestendigheid tegen
lage temperaturen
Voorbehandeling: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 %
± 3 % RV
Testomgeving: 24 uur bij – 20 °C ± 3 °C, droge koude
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
ISO 60068-2-1-Ab
4.5 Lichtechtheid Voorbehandeling: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 %
± 3 % RV
Testomgeving: 100 uur onder een verlichtingssterkte
van 5 000 lux bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 % RV
Hersteltijd: 16 uur bij + 23 °C ± 2 °C en 55 % ± 3 %
RV
176, 178
Leesbaarheidscriteria voor tests 3.x en 4.x:
Ee afdruk moet leesbaar zijn indien de optische dichtheid binnen de
volgende grenswaarden ligt:
gedrukte tekens: min. 1,0
ondergrond (onbedrukt papier): max. 0,2
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 418
De optische dichtheid van de gemaakte afdrukken wordt gemeten over
eenkomstig DIN EN ISO 534.
De afdrukken moeten maatvast en goed leesbaar blijven
8. INTEROPERABILITEITSTESTS
▼M1
Nr. Test Omschrijving
8.1 Tests van de interoperabiliteit tussen voertuigunits en tachograafkaarten
1 Wederzijdse authenticatie Controleer of de wederzijdse authenticatie tussen de voertuigunit
en de tachograafkaart normaal functioneert.
2 Lees-/schrijftests Voer een typisch functiescenario in de voertuigunit uit. Het scena
rio moet aan de te testen kaartsoort worden aangepast en schrijf
opdrachten in zoveel mogelijk hoofdbestanden (EF’s) op de kaart
bevatten.
Controleer of alle corresponderende registraties correct zijn inge
voerd door gegevens van de voertuigunit over te brengen.
Controleer of alle corresponderende registraties correct zijn inge
voerd door gegevens van de kaart over te brengen.
Controleer of alle corresponderende registraties correct kunnen
worden gelezen door middel van een dagelijkse afdruk.
8.2 Tests van de interoperabiliteit tussen voertuigunits en bewegingssensoren
1 Koppeling Controleer of de koppelingsprocedure tussen de voertuigunit en de
bewegingssensoren foutloos wordt uitgevoerd.
2 Activiteitstests Voer een typisch activiteitsscenario op de bewegingssensor uit. Het
scenario heeft betrekking op een normale activiteit waarbij zoveel
mogelijk voorvallen en fouten worden gegenereerd.
Controleer of alle corresponderende registraties correct zijn inge
voerd door gegevens van de voertuigunit over te brengen.
Controleer of alle corresponderende registraties correct zijn inge
voerd door gegevens van de kaart over te brengen.
Controleer of alle corresponderende registraties correct kunnen
worden gelezen door middel van een dagelijkse afdruk.
8.3 Interoperabiliteitstests tussen voertuigunits en externe GNSS-modules (indien van toepassing)
1 Wederzijdse authenticatie Controleer of de wederzijdse authenticatie (verbindingsopbouw)
tussen de voertuigunit en de externe GNSS-module normaal
functioneert.
2 Activiteitstests Voer een typisch activiteitsscenario uit op de externe
GNSS-module. Het scenario heeft betrekking op een normale ac
tiviteit waarbij zoveel mogelijk voorvallen en fouten worden gege
nereerd.
Controleer of alle corresponderende registraties correct zijn inge
voerd door gegevens van de voertuigunit over te brengen.
Controleer of alle corresponderende registraties correct zijn inge
voerd door gegevens van de kaart over te brengen.
Controleer of alle corresponderende registraties correct kunnen
worden gelezen door middel van een dagelijkse afdruk.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 419
9. OSNMA-TESTS
9.1. Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de tests voor de correcte toe
passing van OSNMA in de GNSS-ontvanger. Aangezien de authenticatie
van het satellietsignaal uitsluitend door de GNSS-ontvanger wordt uitge
voerd, onafhankelijk van de andere componenten van de tachograaf, kun
nen de in dit hoofdstuk beschreven tests worden uitgevoerd op losse
GNSS-ontvangers. In dat geval dient de tachograaffabrikant een verslag
in bij de typegoedkeuringsinstanties waarin hij nadere informatie verstrekt
over de opstelling en de resultaten van de tests die onder verantwoorde
lijkheid van de fabrikant van de GNSS-ontvanger zijn uitgevoerd.
9.2. Toepasselijke voorwaarden
— De in de OSNMA-testen gedefinieerde criteria voor het goed- of af
keuren, worden alleen als geldig beschouwd voor de vastgestelde
testomstandigheden.
— De criteria kunnen worden herzien wanneer de
OSNMA-dienstverklaring van Galileo wordt herzien, rekening hou
dende met de bijbehorende verbintenissen inzake prestaties van de
diensten.
9.3. Definities en afkortingen
9.3.1 Definities
GNSS koude/
warme/hete start::
verwijst naar de startstand van een
GNSS-ontvanger, gebaseerd op de beschik
baarheid van tijd (T), almanak (A)- en
astronavigatiegegevens (E), positie (P):
— koude start van de GNSS-ontvanger: geen
— warme start van de GNSS-ontvanger: T,
A, P
— hete start van de GNSS-ontvanger: T, A,
E, P
koude-/warme-/hete
start van OSNMA:
verwijst naar de starttoestand van de
OSNMA-functie, gebaseerd op de beschik
baarheid van de informatie van de openbare
sleutel (P) en DSM-KROOT (K) (zoals gede
finieerd in de in aanhangsel 12 bedoelde
richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers):
— koude start van OSNMA: geen
— warme start van OSNMA: P
— hete start van OSNMA: P, K
9.3.2 Afkortingen
ADKD Authentication Data & Key Delay (authenticatiegegevens
en sleutelvertraging)
DSM-KROOT Digital Signature Message KROOT (digitale handteke
ning van het KROOT-bericht)
GNSS Global Navigation Satellite System (wereldwijd satelliet
navigatiesysteem)
KROOT Root Key of the TESLA key chain (basissleutel van de
TESLA-sleutelketen)
MAC Message Authentication Code (berichtauthenticatiecode)
NMACK Number of MAC & key blocks (per 30 seconds) (aantal
MAC en sleutelblokken (per 30 seconden))
OSNMA Galileo Open Service Navigation Message Authentication
(authenticatie van de navigatieberichten van de open
dienst van Galileo)
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 420
SLMAC Slow MAC (trage MAC)
TESLA Timed Efficient Stream Loss-tolerant Authentication (ver
liestolerante authenticatie met efficiënte tijdsgestuurde
stroom) (het protocol dat voor OSNMA wordt gebruikt).
9.4. Apparatuur voor het opwekken van de GNSS-signalen
Voor het opwekken van de GNSS-signalen kan gebruik worden gemaakt
van een multiconstellatie GNSS-simulator die de verzending van
OSNMA-berichten ondersteunt. Bij wijze van alternatief kan gebruik wor
den gemaakt van een signaalrepeater die in staat is GNSS-signaalsamples
van bestanden te herhalen. De bitdiepte en samplingfrequentie zijn daarbij
gewoonlijk 4 bits I/Q en 10MHz.
Er wordt van uitgegaan dat de GNSS-ontvanger over interfaces beschikt
om het commando te geven om het geheugen van de ontvanger vrij te
maken (om zelfstandig de openbare sleutel, KROOT, klokinformatie,
positie-informatie en almanak- en astronavigatiegegevens te wissen), om
de lokale tijdsvaststelling van de ontvanger in te stellen voor de eis inzake
OSNMA-tijdsverificatie en om de cryptografische informatie te laden.
Deze commando’s kunnen beperkt zijn tot testomstandigheden; het is
dus mogelijk dat ze niet beschikbaar zijn voor de nominale werking van
de ontvanger.
9.5. Testomstandigheden
9.5.1 GNSS-omstandigheden
De gesimuleerde of herhaalde GNSS-signalen hebben de volgende
kenmerken:
— Ontvangstscenario bij stilstaande gebruiker;
— Minstens GPS- en Galileo-constellaties;
— E1/L1 frequentie;
— Minstens 4 Galileo-satellieten met een hoogtehoek van meer dan 5°;
— Duur zoals vereist voor elke test;
— Constantie navigatie-ephemeriden van de satellieten tijdens de test.
9.5.2 OSNMA-omstandigheden
Het OSNMA-bericht dat in het RF-signaal wordt verzonden, heeft de
volgende kenmerken:
— Een HKROOT-bericht met OSNMA-status ingesteld op operationeel
of test en een vaste DSM-KROOT van 8 blokken voor de geldende
keten;
— Ten minste 4 Galileo-satellieten die OSNMA uitzenden;
— Een MACK-bericht met één MACK-blok (d.w.z. NMACK=1), en
minstens één ADKD=0 en één ADKD=12 per satelliet en
MACK-blok;
— Een taggrootte van 40 bits;
— De gelijkwaardige minimumtaglengte, zoals vereist in de richtsnoeren
voor OSNMA-ontvangers (momenteel 80 bits).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 421
Behalve indien opgemerkt, moet de tijdsinstelling van de interne ontvan
ger voldoende nauwkeurig gekend zijn en zijn afgestemd op de gesimu
leerde tijd. Dit garandeert dat de eis inzake initiële tijdsynchronisatie van
OSNMA vervuld is voor elke testomstandigheid, d.w.z. nominale synchro
nisatie voor alle tests, behalve de SLMAC-test. Zie de richtsnoeren voor
OSNMA-ontvangers voor nadere informatie over de tijdinitialisatie.
Opmerking: de vastgestelde criteria voor goed- of afkeuren zijn conserva
tief en vormen geen weerspiegeling van de verwachte prestaties van Ga
lileo OSNMA.
9.6. Specificatie van de tests
Nr. Test Beschrijving
Gerelateerde voor
schriften
1. Administratieve controle
1.1. Documentatie Juistheid van de documentatie
2. Algemene tests
2.1 Hete start van OSNMA Doel: nagaan of de GNSS-ontvanger een positie met
OSNMA berekent na een hete start.
Procedure:
De GNSS-ontvanger start in GNSS- en OSNMA-hetes
tartomstandigheden en vangt het signaal van zichtbare
Galileo-satellieten op.
De ontvanger authenticeert de Galileo-satellietnavigatie
gegevens met OSNMA (ADKD = 0) en stelt een positie
vast met geauthenticeerde gegevens.
Criteria voor goed- of afkeuren: de ontvanger berekent
binnen 160 seconden een geauthenticeerde plaatsbepa
ling.
Aanhangsel 12,
GNS_3b
2.2 warme start van
OSNMA:
Doel: nagaan of de GNSS-ontvanger een positie met
OSNMA berekent na een warme start.
Procedure:
alvorens van start te gaan met de test worden de astro
navigatiegegevens en KROOT-informatie gewist uit het
geheugen van de ontvanger om een warme GNSS- en
OSNMA-start af te dwingen.
De GNSS-ontvanger start en vangt de signalen van de
zichtbare Galileo-satellieten op.
De DSM-KROOT is ontvangen en geverifieerd.
De ontvanger authenticeert de Galileo-satellietnavigatie
gegevens met OSNMA (ADKD = 0) en stelt een positie
vast met geauthenticeerde gegevens.
Criteria voor goed- of afkeuren: de ontvanger berekent
binnen 430 seconden een geauthenticeerde geldige
plaatsbepaling.
Aanhangsel 12,
GNS_3b
2.3 Warme OSNMA-start
met SLMAC
Doel: nagaan of de GNSS-ontvanger een positie met
OSNMA berekent na een warme start met een tijds
initialisering die SLMAC-modus vereist, zoals gedefini
eerd in de richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers.
Procedure:
De tijdsvaststelling van de interne ontvanger wordt ge
configureerd om over een initiële tijdsonzekerheid met
een waarde tussen 2 en 2,5 minuten te beschikken,
zodat, overeenkomstig de richtsnoeren voor
OSNMA-ontvangers, de trage MAC-stand wordt
geactiveerd.
Aanhangsel 12,
GNS_3b
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 422
Nr. Test Beschrijving
Gerelateerde voor
schriften
Alvorens van start te gaan met de tests worden de
astronavigatiegegevens en KROOT-informatie gewist
uit het geheugen van de ontvanger om een warme
GNSS- en OSNMA-start af te dwingen.
De GNSS-ontvanger start en vangt de signalen van de
zichtbare Galileo-satellieten op.
De DSM-KROOT is ontvangen en geverifieerd.
De ontvanger authenticeert de Galileo-satellietnavigatie
gegevens met uitsluitend OSNMA trage MAC (ADKD
= 12) en stelt een positie vast met geauthenticeerde
gegevens.
Criteria voor goed- of afkeuren: de ontvanger berekent
binnen 730 seconden een geauthenticeerde geldige
plaatsbepaling.
2.4 Hete OSNMA-start met
herhaald signaal
Doel: nagaan of de GNSS-ontvanger een herhaald sig
naal vindt.
Procedure:
De GNSS-ontvanger start in GNSS- en
OSNMA-hetestartomstandigheden en vangt het signaal
van zichtbare Galileo-satellieten op.
De ontvanger authenticeert de Galileo-satellietnavigatie
gegevens met OSNMA (ADKD = 0) en stelt een positie
vast met geauthenticeerde gegevens.
Zodra de ontvanger een PVT-oplossing verstrekt met
geauthenticeerde gegevens, wordt hij uitgeschakeld.
Een herhaald signaal met een vertraging van 40 secon
den ten opzichte van het vorige wordt gesimuleerd, en
de ontvanger wordt ingeschakeld.
De ontvanger detecteert dat de Galileo-systeemtijd van
het signaal uit de ruimte en de lokale tijdvaststelling
niet voldoen aan de synchronisatievereiste en stopt
met de verwerking van OSNMA-gegevens, zoals gede
finieerd in de richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers.
Criteria voor goed- of afkeuren: de ontvanger detecteert
de herhaling en berekent geen geauthenticeerde geldige
positie vanaf het begin van de herhaling tot het einde
van de test.
Aanhangsel 12,
GNS_3b
2.5 Hete OSNMA-start met
valse gegevens
Doel: nagaan of OSNMA valse gegevens detecteert.
Procedure:
de GNSS-ontvanger start in GNSS- en OSNMA-hetes
tartomstandigheden.
De GNSS-ontvanger is in staat het signaal op te vangen
van alle zichtbare Galileo-satellieten en de authenticiteit
van hun navigatieberichten na te gaan door middel van
OSNMA.
Ten minste één bit van de door elke Galileo-satelliet
verstrekte astronavigatiegegevens stemt niet overeen
met de oorspronkelijke en geauthenticeerde gegevens,
maar het Galileo I/NAV-bericht moet coherent zijn, met
inbegrip van CRC.
Criteria voor goed- of afkeuren: de ontvanger detecteert
de valse gegevens binnen 160 seconden en berekent
geen geauthenticeerde geldige positie tot het einde
van de test.
Aanhangsel 12,
GNS_3b
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 423
Aanhangsel 10
BEVEILIGINGSVOORSCHRIFTEN
Dit aanhangsel beschrijft de voorschriften inzake de IT-beveiliging van de onder
delen van slimme tachografen (tachografen van de tweede generatie).
SEC_001 De volgende onderdelen van slimme tachografen worden gecertifi
ceerd op basis van de gemeenschappelijke criteria:
— voertuigunit
— tachograafkaart
— bewegingssensor
— externe GNSS-module
SEC_002 In een overeenkomstig de gemeenschappelijke criteria opgesteld on
derdeelbeveiligingsprofiel wordt voor elk onderdeel waarvoor een vei
ligheidscertificering vereist is, bepaald aan welke minimumeisen dat
onderdeel moet voldoen op het gebied van IT-beveiliging.
SEC_003 De Europese Commissie zorgt ervoor dat de vier beveiligingsprofielen
die aan deze bijlage voldoen, worden gesponsord, ontwikkeld en ge
valideerd door de met IT-beveiligingscertificering belaste autoriteiten
die deel uitmaken van de Joint Interpretation Working Group (JIWG),
die de wederzijdse erkenning van certificaten ondersteunt onder de
auspiciën van de Europese SOGIS-MRA-overeenkomst (Agreement
on Mutual Recognition of Information Technology Security Evalua
tion Certificates), en dat deze worden geregistreerd:
— beveiligingsprofiel voertuigunit
— beveiligingsprofiel tachograafkaart
— beveiligingsprofiel bewegingssensor
— beveiligingsprofiel externe GNSS-module
Het beveiligingsprofiel voor voertuigunits regelt de gevallen waarin de VU al dan
niet is ontworpen voor gebruik met een externe GNSS-module. In het laatste
geval worden de beveiligingseisen voor de externe GNSS-module opgenomen in
het specifieke beveiligingsprofiel.
SEC_004 Fabrikanten van onderdelen verfijnen en vervolledigen waar nodig het
passende onderdeelbeveiligingsprofiel, zonder de bestaande bedreigin
gen, doelstellingen, procedurele middelen en specificaties van veilig
heidsversterkende functies te wijzigen of te schrappen, teneinde een
beveiligingsdoelstelling te ontwikkelen die als toetssteen voor de vei
ligheidscertificering van het onderdeel zal fungeren.
SEC_005 Tijdens het beoordelingsproces moet worden bevestigd dat de bevei
ligingsdoelstelling volledig conform is met het overeenkomstige
beveiligingsprofiel.
SEC_006 Voor elk beveiligingsprofiel geldt betrouwbaarheidsniveau EAL4, ver
sterkt door de betrouwbaarheidsonderdelen ATE_DPT.2 en
AVA_VAN.5.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 424
Aanhangsel 11
ALGEMENE BEVEILIGINGSMECHANISMEN
INHOUD
PREAMBULE
DEEL A TACHOGRAAFSYSTEEM VAN DE EERSTE GENERATIE
1. INLEIDING
1.1. Referentienormen
1.2. Begrippen en afkortingen
2. CRYPTOGRAFISCHE SYSTEMEN EN ALGORITMEN
2.1. Cryptografische systemen
2.2. Cryptografische algoritmen
2.2.1 RSA-algoritme
2.2.2 Hashalgoritme
2.2.3 Algoritme voor gegevenscodering
3. SLEUTELS EN CERTIFICATEN
3.1. Generering en verspreiding van sleutels
3.1.1 Generering en verspreiding van RSA-sleutels
3.1.2 RSA-testsleutels
3.1.3 Sleutels voor de bewegingssensor
3.1.4 Generering en verspreiding van TDES-sessiesleutels
3.2. Sleutels
3.3. Certificaten
3.3.1 Inhoud van de certificaten
3.3.2 Afgegeven certificaten
3.3.3 Certificaatverificatie en uitpakken
4. MECHANISME VOOR WEDERZIJDSE AUTHENTICATIE
5. VERTROUWELIJKHEIDS-, INTEGRITEITS- EN AUTHENTI
CATIEMECHANISMEN VOOR GEGEVENSOVERDRACHT
VIA VU-KAARTEN
5.1. Beveiligde berichtenuitwisseling
5.2. Behandeling van fouten bij beveiligde berichtenuitwisseling (SM)
5.3. Algoritme voor het berekenen van cryptografische controlesommen
5.4. Algoritme voor het berekenen van cryptogrammen voor
vertrouwelijkheids-DO's
6. DIGITALE HANDTEKENINGMECHANISMEN OM GEGE
VENS TE DOWNLOADEN
6.1. Generering van de handtekening
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 425
6.2. Handtekeningverificatie
DEEL B DIGITAAL TACHOGRAAFSYSTEEM VAN DE TWEEDE GE
NERATIE
7. INLEIDING
7.1. Referentienormen
7.2. Notaties en afkortingen
7.3. Definities
8. CRYPTOGRAFISCHE SYSTEMEN EN ALGORITMEN
8.1. Cryptografische systemen
8.2. Cryptografische algoritmen
8.2.1 Symmetrische algoritmen
8.2.2 Asymmetrische algoritmen en gestandaardiseerde domeinparame
ters
8.2.3 Hashalgoritmen
8.2.4 Coderingssuites
9. SLEUTELS EN CERTIFICATEN
9.1. Asymmetrische sleutelparen en openbare-sleutelcertificaten
9.1.1 Algemeen
9.1.2 Europees niveau
9.1.3 Lidstaatniveau
9.1.4 Apparatuurniveau Voertuigunits
9.1.5 Apparatuurniveau: tachograafkaarten
9.1.6 Apparatuurniveau: externe GNSS-modules
9.1.7 Overzicht: vervanging van het certificaat
9.2. Symmetrische sleutels
9.2.1 Sleutels ter beveiliging van de communicatie tussen VU en be
wegingssensor
9.2.2 Sleutels ter beveiliging van de DSRC-communicatie
9.3. Certificaten
9.3.1 Algemeen
9.3.2 Inhoud van het certificaat
9.3.3 Certificaataanvragen
10. WEDERZIJDSE AUTHENTICATIE TUSSEN VU EN KAART,
EN BEVEILIGDE BERICHTENUITWISSELING
10.1. Algemeen
10.2. Wederzijdse verificatie van de certificaatketen
10.2.1 Verificatie van de certificaatketen op kaartniveau door de VU
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 426
10.2.2 Verificatie van de certificaatketen op VU-niveau door de kaart
10.3. VU-authenticatie
10.4. Chipauthenticatie en sleutelovereenstemming tijdens de sessie
10.5. Beveiligde berichtenuitwisseling
10.5.1 Algemeen
10.5.2 Structuur van het beveiligde bericht
10.5.3 Afbreken van een sessie voor beveiligde berichtenuitwisseling
11. KOPPELING, WEDERZIJDSE AUTHENTICATIE EN BEVEI
LIGDE BERICHTENUITWISSELING TUSSEN VU EN EX
TERNE GNSS-MODULE
11.1. Algemeen
11.2. Koppeling tussen VU en externe GNSS-module
11.3. Wederzijdse verificatie van de certificaatketen
11.3.1 Algemeen
11.3.2 Tijdens de koppeling tussen VU en externe GNSS-module
11.3.3 Tijdens normaal bedrijf
11.4. VU-authenticatie, chipauthenticatie en sleutelovereenstemming tij
dens de sessie
11.5. Beveiligde berichtenuitwisseling
12. KOPPELING EN COMMUNICATIE TUSSEN VU EN BE
WEGINGSSENSOR
12.1. Algemeen
12.2. Koppeling tussen VU en bewegingssensor met gebruikmaking van
sleutels van verschillende generaties
12.3. Koppeling en communicatie tussen VU en bewegingssensor via
AES
12.4. Koppeling tussen VU en bewegingssensor voor apparatuur van
verschillende generaties
13. BEVEILIGING VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND VIA
DE DSRC-INTERFACE
13.1. Algemeen
13.2. Codering van de payloadgegevens van de tachograaf en
MAC-generering
13.3. Verificatie en decodering van de payloadgegevens van de tacho
graaf
14. ONDERTEKENING VAN GEDOWNLOADE GEGEVENS EN
HANDTEKENINGVERIFICATIE
14.1. Algemeen
14.2. Generering van de handtekening
14.3. Handtekeningverificatie
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 427
PREAMBULE
Dit aanhangsel specificeert de beveiligingsmechanismen die het volgende
waarborgen:
— de wederzijdse authenticatie tussen de verschillende onderdelen van het
tachograafsysteem;
— de vertrouwelijkheid, integriteit, authenticiteit en/of onweerlegbaarheid van de
gegevens die tussen verschillende onderdelen van het tachograafsysteem wor
den uitgewisseld of die op externe opslagmedia worden gedownload.
Dit aanhangsel bestaat uit twee delen: deel A specificeert de beveiligingsmecha
nismen voor het tachograafsysteem van de eerste generatie (digitale tachograaf);
deel B specificeert de beveiligingsmechanismen voor het tachograafsysteem van
de tweede generatie (slimme tachograaf).
De in deel A van dit aanhangsel gespecificeerde mechanismen zijn van toepas
sing indien minstens een van de bij de wederzijdse authenticatie en/of gegevens
overdracht betrokken onderdelen van het tachograafsysteem van de eerste gene
ratie is.
De in deel B van dit aanhangsel gespecificeerde mechanismen zijn van toepas
sing indien de bij de wederzijdse authenticatie en/of gegevensoverdracht betrok
ken onderdelen van het tachograafsysteem allebei van de tweede generatie zijn.
In aanhangsel 15 wordt meer informatie verstrekt over het gebruik van onder
delen van de eerste generatie in combinatie met onderdelen van de tweede
generatie.
DEEL A
TACHOGRAAFSYSTEEM VAN DE EERSTE GENERATIE
1. INLEIDING
1.1. Referentienormen
De onderstaande referentienormen worden in dit aanhangsel gebruikt:
SHA-1 National Institute of Standards and Technology
(NIST). FIPS Publication 180-1: Secure Hash Stan
dard. April 1995.
PKCS1 RSA Laboratories. PKCS 1: RSA Encryption Stan
dard. Versie 2.0. Oktober 1998.
TDES National Institute of Standards and Technology
(NIST). FIPS Publication 46-3: Data Encryption Stan
dard. Ontwerp 1999.
TDES-OP ANSI X9.52, Triple Data Encryption Algorithm Mo
des of Operation. 1998.
ISO/IEC 7816-4 Information Technology — Identification cards — In
tegrated circuit(s) cards with contacts — Part 4: Inter
industry commands for interexchange. First edition:
1995 + Amendment 1: 1997.
ISO/IEC 7816-6 Information Technology — Identification cards — In
tegrated circuit(s) cards with contacts — Part 6: Inter
industry data elements. First edition: 1996 + Cor 1:
1998.
ISO/IEC 7816-8 Information Technology — Identification cards — In
tegrated circuit(s) cards with contacts — Part 8: Secu
rity related interindustry commands. First edition
1999.
ISO/IEC 9796-2 Information Technology — Security techniques —
Digital signature schemes giving message recovery
— Part 2: Mechanisms using a hash function. First
edition: 1997.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 428
ISO/IEC 9798-3 Information Technology — Security techniques —
Entity authentication mechanisms — Part 3: Entity
authentication using a public key algorithm. Second
edition 1998.
ISO 16844-3 Road vehicles — Tachograph systems — Part 3: Mo
tion sensor interface
1.2. Begrippen en afkortingen
De onderstaande begrippen en afkortingen worden in dit aanhangsel
gebruikt:
(K a , K b , K c ) Reeks sleutels voor gebruik door het algoritme voor
drievoudige gegevenscodering
CA Certificeringsautoriteit
CAR Referentie van de certificeringsautoriteit
CC Cryptografische controlesom
CG Cryptogram
CH Koplabel (header) van het commando
CHA Autorisatie van de certificaathouder
CHR Referentie van de certificaathouder
D() Decodering op basis van DES (Data Encryption Stan
dard)
DE Gegevenselement
DO Gegevensobject
d Particuliere RSA-sleutel, particuliere exponent
e Openbare RSA-sleutel, openbare exponent
E() Codering op basis van DES (Data Encryption Stan
dard)
EQT Apparatuur
Hash() Hashwaarde als resultaat van Hash
Hash Hashfunctie
KID Sleutelidentificator
Km TDES-sleutel. Master Key (hoofdsleutel), gedefinieerd
in ISO 16844-3
Km VU TDES-sleutel ingebracht in voertuigunits
Km WC TDES-sleutel ingebracht in werkplaatskaarten
m Berichtsymbool, een geheel getal tussen 0 en n-1
n RSA-sleutels, modulus
PB Opvulbytes (padding)
PI Padding-indicatorbyte (voor gebruik in cryptogram ter
waarborging van vertrouwelijkheid DO)
PV Ongecodeerde waarde
s Handtekeningsymbool, een geheel getal tussen 0 en
n-1
SSC Zendsequentieteller
SM Beveiligde berichtenuitwisseling
TCBC TDEA Cipher Block Chaining-werkingsmodus
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 429
TDEA Algoritme voor drievoudige gegevenscodering
TLV Waarde van de labellengte
VU Voertuigunit
X.C Door de certificeringsautoriteit afgegeven certificaat
van gebruiker X
X.CA Certificeringsautoriteit van gebruiker X
X.CA.PK o X.C Handeling van uitpakken van een certificaat om een
openbare sleutel op te halen. Het is een infix-operator;
de linker operand is de openbare sleutel van de certi
ficeringsautoriteit en de rechter operand is het door
die certificeringsautoriteit afgegeven certificaat. Het
resultaat is de openbare sleutel van gebruiker X wiens
certificaat de rechter operand is
X.PK Openbare RSA-sleutel van gebruiker X
X.PK[I] RSA-codering van informatie I, met gebruikmaking
van de openbare sleutel van gebruiker X
X.SK Particuliere RSA-sleutel van gebruiker X
X.SK[I] RSA-codering van informatie I, met gebruikmaking
van de particuliere sleutel van gebruiker X
„xx” Hexadecimale waarde
|| Samenvoegingsoperator
2. CRYPTOGRAFISCHE SYSTEMEN EN ALGORITMEN
2.1. Cryptografische systemen
CSM_001 Voertuigunits en tachograafkaarten gebruiken een standaard
cryptografisch systeem van openbare RSA-sleutels om de on
derstaande beveiligingsmechanismen te bieden:
— authenticatie tussen voertuigunits en kaarten,
— overbrenging van drievoudige DES-sessiesleutels tussen
voertuigunits en tachograafkaarten,
— digitale handtekening van de gegevens die van voertuig
units of tachograafkaarten worden gedownload op externe
media.
CSM_002 Voertuigunits en tachograafkaarten gebruiken een sym
metrisch cryptografisch systeem van TDES-sleutels, enerzijds
om een mechanisme te bieden dat de integriteit waarborgt van
de tussen voertuigunits en de tachograafkaarten uitgewisselde
gebruikersgegevens en anderzijds om waar nodig de vertrou
welijkheid te garanderen van de tussen voertuigunits en ta
chograafkaarten uitgewisselde gegevens.
2.2. Cryptografische algoritmen
2.2.1 RSA-algoritme
CSM_003 Het RSA-algoritme wordt door de onderstaande vergelijkin
gen volledig gedefinieerd:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 430
X.SK[m] = s = m d mod n
X.PK[s] = m = s e mod n
Een uitgebreidere beschrijving van de RSA-functie is te vin
den in de referentienorm [PKCS1]. De in het RSA-algoritme
gebruikte openbare exponent e is een geheel getal tussen 3 en
n-1 dat voldoet aan gcd(e, lcm(p-1, q-1))=1.
2.2.2 Hashalgoritme
CSM_004 De digitale handtekeningmechanismen gebruiken het in refe
rentienorm [SHA-1] gedefinieerde hashalgoritme SHA-1.
2.2.3 Algoritme voor gegevenscodering
CSM_005 Op DES gebaseerde algoritmen worden in de Cipher Block
Chaining-werkingsmodus gebruikt.
3. SLEUTELS EN CERTIFICATEN
3.1. Generering en verspreiding van sleutels
3.1.1 Generering en verspreiding van RSA-sleutels
CSM_006 RSA-sleutels worden op drie functionele hiërarchieniveaus
gegenereerd:
— Europees niveau,
— lidstaatniveau,
— apparatuurniveau.
CSM_007 Op Europees niveau wordt een enkel Europees sleutelpaar
(EUR.SK en EUR.PK) gegenereerd. De Europese particuliere
sleutel wordt gebruikt om de openbare sleutels van de lid
staten te certificeren. Van alle gecertificeerde sleutels worden
registraties bijgehouden. Deze taken worden uitgevoerd door
de Europese certificeringsautoriteit in opdracht en onder ver
antwoordelijkheid van de Europese Commissie.
CSM_008 Op lidstaatniveau wordt een lidstaat-sleutelpaar (MS.SK en
MS.PK) gegenereerd. Openbare sleutels van lidstaten worden
door de Europese certificeringsautoriteit gecertificeerd. De
particuliere sleutel van de lidstaat wordt gebruikt ter certifi
cering van de openbare sleutels die in apparatuur (voertuig
unit of tachograafkaart) worden ingebracht. Van alle gecerti
ficeerde openbare sleutels worden registraties bijgehouden
met de identificatie van de apparatuur waarvoor zij bedoeld
zijn. Deze taken worden door de certificeringsautoriteit van de
lidstaat uitgevoerd. Een lidstaat kan zijn sleutelpaar regelma
tig wijzigen.
CSM_009 Op apparatuurniveau wordt een enkel sleutelpaar (EQT.SK en
EQT.PK) gegenereerd en in elke apparatuur ingebracht.
Openbare sleutels voor apparatuur worden door de certifice
ringsautoriteit van de lidstaat gecertificeerd. Deze taken kun
nen door de fabrikanten en installateurs van de apparatuur of
door de autoriteiten van de lidstaat worden uitgevoerd. Dit
sleutelpaar dient voor de authenticatie, digitale handtekening
en codering.
CSM_010 De vertrouwelijkheid van de particuliere sleutels blijft ge
waarborgd tijdens de generering, eventuele overbrenging en
opslag.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 431
De gegevensstroom van dit proces wordt samengevat in het
onderstaande schema:
3.1.2 RSA-testsleutels
CSM_011 Voor testdoeleinden van de apparatuur (inclusief interoperabi
liteitstests) genereert de Europese certificeringsautoriteit een
afzonderlijk Europees testsleutelpaar en ten minste twee test
sleutelparen voor de lidstaten. De openbare sleutels van deze
testsleutelparen worden op basis van de Europese particuliere
testsleutel gecertificeerd. Voor typegoedkeuringstests van ap
paratuur brengen de fabrikanten testsleutels in die door een
van deze testsleutels van de lidstaten gecertificeerd zijn.
3.1.3 Sleutels voor de bewegingssensor
Tijdens de generering, eventuele overbrenging en opslag wordt de ver
trouwelijkheid van de drie hieronder beschreven drievoudige
DES-sleutels op adequate wijze gewaarborgd.
Ter ondersteuning van ISO 16844-conforme tachograafonderdelen zorgen
de Europese certificeringsautoriteit en de certificeringsautoriteiten van de
lidstaten bovendien voor het volgende:
CSM_036 De Europese certificeringsautoriteit genereert KmVU en
KmWC, twee onafhankelijke en unieke drievoudige
DES-sleutels, en genereert Km als: Km = Km VU XOR Km WC .
De Europesecertificeringsautoriteit geeft deze sleutels des
gevraagd door aan de certificeringsautoriteiten van de lidsta
ten, via adequaat beveiligde procedures.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 432
CSM_037 De certificeringsautoriteiten van de lidstaten:
— gebruiken Km om door de fabrikanten van bewegingssen
soren gevraagde gegevens van de bewegingssensor te co
deren (de met Km te coderen gegevens worden gedefini
eerd in ISO 16844-3);
— geven Km VU via adequaat beveiligde procedures door aan
de fabrikanten van voertuigunits voor gebruik in
voertuigunits;
— zorgen ervoor dat Km WC wordt ingebracht in alle werk
plaatskaarten ( in het
hoofdbestand ) bij de
personalisering van de kaart.
3.1.4 Generering en verspreiding van TDES-sessiesleutels
CSM_012 Voertuigunits en tachograafkaarten moeten als onderdeel van
de wederzijdse authenticatie de vereiste gegevens genereren
en uitwisselen teneinde een gemeenschappelijke drievoudige
DES-sessiesleutel te ontwikkelen. Met het oog op de vertrou
welijkheid
wordt deze gegevensuitwisseling beveiligd door een
RSA-coderingsmechanisme.
CSM_013 Deze sleutel wordt gebruikt bij alle navolgende cryptografi
sche bewerkingen met beveiligde berichtenuitwisseling. De
geldigheid van de sleutel vervalt aan het einde van de sessie
(kaartuitneming of kaartterugstelling) en/of na 240 toepassin
gen (een toepassing van de sleutel = een via beveiligde be
richtenuitwisseling naar de kaart verzonden commando en
bijbehorend antwoord).
3.2. Sleutels
CSM_014 RSA-sleutels hebben (ongeacht het niveau) de volgende
lengte: modulus n 1 024 bits, openbare exponent e maximaal
64 bits, particuliere exponent d 1 024 bits.
CSM_015 Drievoudige DES-sleutels hebben de vorm (K a , K b , K a ),
waarbij K a en K b onafhankelijke sleutels van 64 bits zijn.
Er worden geen bits ingesteld om pariteitsfouten op te sporen.
3.3. Certificaten
CSM_016 Certificaten van openbare RSA-sleutels zijn van het „niet-
zelfbeschrijvende” en „kaartverifieerbare” type (zie ISO/IEC
7816-8).
3.3.1 Inhoud van de certificaten
CSM_017 Certificaten van openbare RSA-sleutels bevatten de volgende
gegevens in de onderstaande volgorde:
Gegevens Formaat Bytes Toelichting
CPI INTEGER 1 Identificator van het certifi
caatprofiel („01” voor deze
versie)
CAR OCTET
STRING
8 Referentie van de certifice
ringsautoriteit
CHA OCTET
STRING
7 Autorisatie van de certifi
caathouder
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 433
Gegevens Formaat Bytes Toelichting
EOV TimeReal 4 Vervaldatum van het certi
ficaat. Facultatief, „FF”
opgevuld indien niet ge
bruikt
CHR OCTET
STRING
8 Referentie van de certifi
caathouder
n OCTET
STRING
128 Openbare sleutel (modu
lus)
e OCTET
STRING
8 Openbare sleutel (openbare
exponent)
164
Opmerkingen:
1. De „identificator van het certificaatprofiel” (CPI) geeft de exacte
structuur van een authenticatiecertificaat aan. Dit gegeven kan worden
gebruikt als interne identificator van apparatuur in een toepasselijke
lijst van koplabels (headers), waarin de samenvoeging van gegevens
elementen in het certificaat wordt omschreven.
De volgende koplabels (headers) hebben betrekking op de inhoud van
dit certificaat:
„4D” „16” „5F
29”
„01” „42” „08” „5F
4B”
„07” „5F
24”
„04” „5F
20”
„08” „7F
49”
„05” „81” „81
80”
„82” „08”
To
eg
ev
oe
gd
l
ab
el
l
ij
st
v
an
h
ea
de
rs
L
en
gt
e
li
js
t
va
n
he
ad
er
s
C
P
I-
la
be
l
C
P
I-
le
ng
te
C
A
R
-l
ab
el
C
A
R
-l
en
gt
e
C
H
A
-l
ab
el
C
H
A
-l
en
gt
e
E
O
V
-l
ab
el
E
O
V
-l
en
gt
e
C
H
R
-l
ab
el
C
H
R
-l
en
gt
e
L
ab
el
o
pe
nb
ar
e
sl
eu
te
l
(g
ec
on
st
ru
ee
rd
)
L
en
gt
e
op
ee
nv
ol
ge
nd
e
D
O
's
L
ab
el
m
od
ul
us
L
en
gt
e
m
od
ul
us
L
ab
el
o
pe
nb
ar
e
ex
po
ne
nt
L
en
gt
e
op
en
ba
re
e
xp
on
en
t
2. Het doel van de „referentie van de certificeringsautoriteit” (CAR) is
het identificeren van de certificeringsautoriteit die het certificaat af
geeft, zodat het gegevenselement tegelijkertijd met een sleutelidenti
ficator van de autoriteit kan worden gebruikt ter verwijzing naar de
openbare sleutel van de certificeringsautoriteit (zie onderstaande sleu
telidentificator voor de codering).
3. De „autorisatie van de certificaathouder” (CHA) wordt gebruikt om de
rechten van de certificaathouder te identificeren. Dit gegeven bestaat
uit de toepassingsidentificator van de tachograaf en het model van de
apparatuur waarvoor het certificaat bedoeld is (overeenkomstig het
gegevenselement , „00” voor een lidstaat).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 434
4. Het doel van de „referentie van de certificaathouder” (CHR) is het
eenduidig identificeren van de certificaathouder, zodat het gegevens
element tegelijkertijd met een sleutelidentificator van het onderwerp
kan worden gebruikt ter verwijzing naar de openbare sleutel van de
certificaathouder.
5. De certificaathouder of certificeringsautoriteiten worden eenduidig ge
ïdentificeerd op basis van sleutelidentificatoren. Ze worden als volgt
gecodeerd:
5.1 Apparatuur (VU of kaart):
Gegevens Serienum
mer van
de appara
tuur
Datum Type Fabrikant
Lengte 4 bytes 2 bytes 1 byte 1 byte
Waarde Geheel
getal
mm yy
BCD-codering
Specifiek ken
merk fabrikant
Fabrikantcode
In het geval van een VU is het mogelijk dat de fabrikant bij het
aanvragen van certificaten de identificatie van de apparatuur
waarin de sleutels worden ingebracht, soms wel en soms niet
kent.
In het eerste geval verzendt de fabrikant de identificatie van de
apparatuur met de openbare sleutel ter certificering naar de au
toriteit van zijn lidstaat. Het certificaat bevat dan de identificatie
van de apparatuur. De fabrikant moet garanderen dat sleutels en
certificaat in de daartoe bestemde apparatuur worden ingebracht.
De sleutelidentificator heeft de hierboven omschreven vorm.
In het tweede geval moet de fabrikant elke certificaataanvraag
eenduidig identificeren en deze identificatie met de openbare
sleutel ter certificering naar de autoriteit van zijn lidstaat ver
zenden. Het certificaat bevat de identificatie van de certificaat
aanvraag. Nadat de sleutel in de apparatuur is ingebracht, moet
de fabrikant de autoriteit van zijn lidstaat op de hoogte brengen
van de aan de apparatuur toegewezen sleutel (dat wil zeggen
identificatie van de certificaataanvraag en identificatie van de
apparatuur). De sleutelidentificator heeft de volgende vorm:
Gegevens Serienum
mer certi
ficaataan
vraag
Datum Type Fabrikant
Lengte 4 bytes 2 bytes 1 byte 1 byte
Waarde Geheel
getal
mm yy
BCD-codering
„FF” Fabrikantcode
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 435
5.2. Certificeringsautoriteit:
Gegevens Identificatie certi
ficeringsautoriteit
Serienummer
van de sleutel
Additionele
info
Identificator
Lengte 4 bytes 1 byte 2 bytes 1 byte
Waarde 1 byte numerieke
nationale code
3 bytes alfanume
rieke nationale
code
Geheel getal Additionele
codering
(specifiek
voor de certi
ficeringsauto
riteit)
„FF FF” in
dien niet ge
bruikt
„01”
Het serienummer van de sleutel dient om de verschillende sleu
tels van een lidstaat te onderscheiden in het geval dat de sleutel
wordt gewijzigd.
6. Certificaatverificateurs weten impliciet dat de gecertificeerde openbare
sleutel als RSA-sleutel van belang is voor de authenticatie, verificatie
van de digitale handtekening en codering voor vertrouwelijke diensten
(het certificaat bevat geen objectidentificator ter specificatie).
3.3.2 Afgegeven certificaten
CSM_018 Het afgegeven certificaat is een digitale handtekening met
gedeeltelijke recovery van de inhoud van het certificaat over
eenkomstig ISO/IEC 9796-2, uitgezonderd bijlage A.4 daar
van, waaraan de „referentie van de certificeringsautoriteit” is
toegevoegd.
X.C = X.CA.SK[„6A” || C r || Hash (Cc) || „BC”] || C n || X.CAR
Met inhoud
van het
certificaat
= Cc =
C r || C n
106 bytes 58 bytes
Opmerkingen:
1. Dit certificaat is 194 bytes lang.
2. De door de handtekening verborgen CAR wordt ook aan de hand
tekening toegevoegd, zodat de openbare sleutel van de certificerings
autoriteit ter verificatie van het certificaat kan worden geselecteerd.
3. De certificaatverificateur kent impliciet het door de certificeringsauto
riteit gebruikte algoritme ter ondertekening van het certificaat.
4. De volgende koplabels (headers) hebben betrekking op dit afgegeven
certificaat:
„7F 21” „09” „5F 37” „81 80” „5F 38” „3A” „42” „08”
L
ab
el
z
el
fb
es
ch
ri
jv
en
d
ce
rt
if
ic
aa
t
(g
ec
on
-
st
ru
ee
rd
)
L
en
gt
e
op
ee
nv
ol
ge
nd
e
D
O
's
L
ab
el
h
an
dt
ek
en
in
g
L
en
gt
e
ha
nd
te
ke
ni
ng
L
ab
el
r
es
ta
nt
L
en
gt
e
re
st
an
t
C
A
R
-l
ab
el
C
A
R
-l
en
gt
e
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 436
3.3.3 Certificaatverificatie en uitpakken
Certificaatverificatie en uitpakken bestaan uit het verifiëren van de hand
tekening overeenkomstig ISO/IEC 9796-2, het lezen van de inhoud van
het certificaat en de opgenomen openbare sleutel: X.PK = X.CA.PK o
X.C, en het verifiëren van de geldigheid van het certificaat.
CSM_019 Hierbij worden de volgende stappen ondernomen:
Verifieer handtekening en zoek inhoud:
— van X.C zoek Teken, C n ' en CAR': X.C = Teken || C n ' || CAR'
128 bytes 58 bytes 8 bytes
— van CAR' selecteer de vereiste openbare sleutel van de
certificeringsautoriteit (indien dit nog niet met andere mid
delen is gedaan)
— open Teken met openbare sleutel CA: Sr' = X.CA.PK
[Teken],
— controleer of Sr' begint met „6A” en of eindigt met „BC”
— bereken C r ' en H' van: Sr' = „6A” || C r ' || H' || „BC”
106 bytes 20 bytes
— vind inhoud van het certificaat C' = C r ' || C n ',
— controleer of Hash (C') = H'
Indien de controles in orde zijn, is het certificaat authentiek;
de inhoud ervan is C'.
Verifieer geldigheid. Van C':
— controleer in voorkomend geval einddatum van
geldigheidsduur.
Zoek en bewaar openbare sleutel, sleutelidentificator, autori
satie van de certificaathouder en vervaldatum van het certifi
caat van C':
— X.PK = n || e
— X.KID = CHR
— X.CHA = CHA
— X.EOV = EOV
4. MECHANISME VOOR WEDERZIJDSE AUTHENTICATIE
De wederzijdse authenticatie tussen kaarten en VU's is gebaseerd op het
volgende principe:
Elke partij bewijst aan de andere partij in het bezit te zijn van een geldig
sleutelpaar waarvan de openbare sleutel is gecertificeerd door een certi
ficeringsautoriteit van een lidstaat, die zelf weer is gecertificeerd door de
Europese certificeringsautoriteit.
Het bewijs wordt geleverd door ondertekening met de particuliere sleutel
van een willekeurig (aselect), door de andere partij gezonden nummer; de
andere partij moet het verzonden willekeurige nummer bij de verificatie
van deze handtekening terugvinden.
Het mechanisme wordt door de VU gestart bij kaartinbrenging. Het
begint met de uitwisseling van certificaten en het uitpakken van openbare
sleutels en eindigt met de instelling van een sessiesleutel.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 437
CSM_020 Het volgende protocol wordt gebruikt (de pijlen geven com
mando's en uitgewisselde gegevens aan (zie aanhangsel 2)):
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 438
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 439
5. VERTROUWELIJKHEIDS-, INTEGRITEITS- EN AUTHENTICATIE
MECHANISMEN VOOR GEGEVENSOVERDRACHT VIA
VU-KAARTEN
5.1. Beveiligde berichtenuitwisseling
CSM_021 De integriteit van de gegevensoverdracht via VU-kaarten
wordt beschermd door beveiligde berichtenuitwisseling over
eenkomstig de referentienormen [ISO/IEC 7816-4] en [ISO/
IEC 7816-8].
CSM_022 Indien gegevens tijdens de overdracht moeten worden bevei
ligd, wordt het gegevensobject in de vorm van een cryptogra
fische controlesom toegevoegd aan de in het commando of
antwoord verzonden gegevensobjecten. De cryptografische
controlesom wordt geverifieerd door de ontvanger.
CSM_023 De cryptografische controlesom van in een commando ver
zonden gegevens bevat de header van het commando en alle
verzonden gegevensobjecten (=> CLA = „0C”; alle gegevens
objecten worden ingekapseld met labels waarin b1 = 1).
CSM_024 Indien het antwoord geen gegevensveld bevat, worden de
bytes van de statusinformatie in het antwoord beveiligd
door een cryptografische controlesom.
CSM_025 Cryptografische controlesommen zijn 4 bytes lang.
Bij gebruik van beveiligde berichtenuitwisseling hebben de
commando's en antwoorden derhalve de volgende structuur:
De gebruikte gegevensobjecten (DO's) zijn een deelverzame
ling van de in ISO/IEC 7816-4 beschreven DO's voor bevei
ligde berichtenuitwisseling:
Label Mnemoniek Betekenis
„81” T PV Ongecodeerde waarde van niet met BER-TLV geco
deerde gegevens (te beschermen door CC)
„97” T LE Waarde van Le in het onbeveiligde commando (te
beschermen door CC)
„99” T SW Statusinformatie (te beschermen door CC)
„8E” T CC Cryptografische controlesom
„87” T PI CG Padding-indicatorbyte || Cryptogram (Ongecodeerde
waarde, niet met BER-TLV gecodeerd)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 440
Gegeven een onbeveiligd commando-antwoordpaar:
Koplabel (header) commando Inhoud commando
CLA INS P1 P2 [Veld L c ] [Gegevensveld] [Veld L e ]
4 bytes L bytes, aangeduid als B 1 t/m B L
Inhoud antwoord Staartlabel (trailer) antwoord
[Gegevensveld] SW1 SW2
L r gegevensbytes 2 bytes
Het corresponderende beveiligde commando-antwoordpaar is:
Beveiligd commando:
Header commando (CH) Inhoud commando
CLA INS P1 P2 [Nieuw veld L c ] [Nieuw gegevensveld] [Nieuw
veld L e ]
„OC” Lengte van
nieuw gegevens
veld
T PV L PV PV T LE L LE L e T CC L CC CC „00”
„81” L c Gegevens
veld
„97” „01” L e „8E” „04” CC
In de controlesom te integreren gegevens = CH || PB || T PV ||
L PV || PV || T LE || L LE || L e || PB
PB = opvulbytes (80 .. 00) overeenkomstig ISO-IEC 7816-4
en ISO 9797, methode 2.
De gegevensobjecten PV en LE zijn alleen aanwezig wanneer
het onbeveiligde commando corresponderende gegevens
bevat.
Beveiligd antwoord:
1. Geval waarin het gegevensveld van het antwoord niet leeg
is en niet hoeft te worden beveiligd ter waarborging van de
vertrouwelijkheid:
Inhoud antwoord
Staartlabel (trailer) ant
woord
[Nieuw gegevensveld] Nieuwe SW1, SW2
T PV L PV PV T CC L CC CC
„81” L r Gegevensveld „8E” „04” CC
In de controlesom te integreren gegevens = T PV || L PV ||
PV || PB
2. Geval waarin het gegevensveld van het antwoord niet leeg
is en moet worden beveiligd ter waarborging van de
vertrouwelijkheid:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 441
Inhoud antwoord
Staartlabel (trailer) ant
woord
[Nieuw gegevensveld] Nieuwe SW1, SW2
T PI CG L PI
CG
PI CG T CC L CC CC
„87” PI || CG „8E” „04” CC
Door CG over te dragen gegevens: niet met BER-TLV
gecodeerde gegevens en opvulbytes (padding).
In de controlesom te integreren gegevens = T PI CG || L PI
CG || PI CG || PB
3. Geval waarin het gegevensveld van het antwoord leeg is:
Inhoud antwoord
Staartlabel (trailer) ant
woord
[Nieuw gegevensveld] Nieuwe SW1, SW2
T SW L SW SW T CC L CC CC
„99” „02” Nieuwe SW1, SW2 „8E” „04” CC
In de controlesom te integreren gegevens = T SW || L SW ||
SW || PB
5.2. Behandeling van fouten bij beveiligde berichtenuitwisseling (SM)
CSM_026 Indien de tachograafkaart tijdens het vertalen van een com
mando een SM-fout ontdekt, dan moeten de statusbytes zon
der SM worden teruggezonden. Overeenkomstig ISO/IEC
7816-4 worden de onderstaande statusbytes gedefinieerd om
SM-fouten te melden:
„66 88”: verificatie van cryptografische controlesom
mislukt;
„69 87”: verwachte SM-gegevensobjecten ontbreken;
„69 88”: SM-gegevensobjecten onjuist.
CSM_027 Indien de tachograafkaart statusbytes zonder
SM-gegevensobjecten of met een foutief SM-gegevensobject
terugzendt, moet de sessie door de VU worden afgebroken.
5.3. Algoritme voor het berekenen van cryptografische controlesommen
CSM_028 Cryptografische controlesommen worden opgebouwd door
middel van een retail berichtauthenticatiecode (MAC) over
eenkomstig ANSI X9.19 op basis van DES (Data Encryption
Standard):
— beginfase: het eerste checkblok y0 is E(Ka, SSC);
— volgende fase: de checkblokken y1, .., yn worden met Ka
berekend;
— eindfase: de cryptografische controlesom wordt als volgt
vanaf het laatste checkblok yn berekend: E(Ka, D(Kb,
yn)),
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 442
waarbij E() codering met DES en D() decodering met DES
betekent.
De vier meest significante bytes van de cryptografische con
trolesom worden overgedragen.
CSM_029 De zendsequentieteller (SSC) wordt tijdens de goedkeuringspro
cedure van de sleutel (sleutelovereenstemming) geïnitieerd op:
begin SSC: Rnd3 (4 minst significante bytes) || Rnd1 (4 minst
significante bytes).
CSM_030 Elke keer voordat een MAC wordt berekend, wordt de zend
sequentieteller met 1 verhoogd (met andere woorden de SSC
voor het eerste commando = begin SSC + 1, de SSC voor het
eerste antwoord = begin SSC + 2).
De onderstaande figuur verduidelijkt de berekening van de
retail MAC:
5.4. Algoritme voor het berekenen van cryptogrammen voor
vertrouwelijkheids-DO's
CSM_031 Cryptogrammen worden met TDEA in TCBC-werkingsmodus
berekend overeenkomstig referentienorm [TDES] en [TDES-
OP] en met de lege vector als beginwaardeblok.
De onderstaande figuur verduidelijkt de toepassing van sleu
tels in TDES:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 443
6. DIGITALE HANDTEKENINGMECHANISMEN OM GEGEVENS TE
DOWNLOADEN
CSM_032 De intelligente toepassingsgerichte apparatuur (IDE) slaat de
van een apparaat (VU of kaart) tijdens een downloadsessie
ontvangen gegevens op in een fysiek gegevensbestand. Dit
bestand moet de certificaten MS i .C en EQT.C bevatten. Het
bestand bevat digitale handtekeningen van gegevensblokken,
zoals gespecificeerd in aanhangsel 7 „Protocollen voor gege
vensoverdracht”.
CSM_033 Digitale handtekeningen van gedownloade gegevens gebrui
ken een digitaal handtekeningschema met aanhangsel zodat
gedownloade gegevens desgewenst zonder decodering kunnen
worden gelezen.
6.1. Generering van de handtekening
CSM_034 De gegevenshandtekening wordt door de apparatuur gegene
reerd volgens het handtekeningschema met aanhangsel, zoals
vastgelegd in referentienorm [PKCS1], op basis van de
SHA-1-hashfunctie:
Handtekening = EQT.SK[„00” || „01” || PS || „00” ||
DER(SHA-1(Gegevens))]
PS = Reeks opvulbytes (padding string) met waarde „FF”
zodat de lengte gelijk is aan 128.
DER(SHA-1(M)) is de codering van de identificatie van het
algoritme voor de hashfunctie en de hashwaarde in een
ASN.1-waarde van het type DigestInfo (kenmerkende code
ringsregels):
„30”||„21”||„30”||„09”||„06”||„05”||„2B”||„0E”||„03”||„02”||„1A
”||„05”||„00”||„04”||„14”||Hashwaarde.
6.2. Handtekeningverificatie
CSM_035 De gegevenshandtekening op gedownloade gegevens wordt
geverifieerd volgens het handtekeningschema met aanhangsel,
zoals vastgelegd in referentienorm [PKCS1], op basis van de
SHA-1-hashfunctie.
De verificateur moet de Europese openbare sleutel EUR.PK
zelf kennen (en vertrouwen).
De onderstaande tabel verduidelijkt het protocol dat een IDE
met ingebrachte controlekaart kan volgen om de integriteit te
verifiëren van gedownloade en op externe
opslagmedia (ESM) opgeslagen gegevens. De controlekaart
wordt gebruikt om digitale handtekeningen te decoderen.
Deze functie mag in dit geval niet in de IDE worden geïm
plementeerd.
De apparatuur die de te analyseren gegevens heeft ge
download en ondertekend, wordt aangeduid met EQT.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 444
DEEL B
TACHOGRAAFSYSTEEM VAN DE TWEEDE GENERATIE
7. INLEIDING
7.1. Referentienormen
De onderstaande referentienormen worden in dit aanhangsel gebruikt:
AES National Institute of Standards and Technology (NIST),
FIPS PUB 197: Advanced Encryption Standard (AES),
November 26, 2001
DSS National Institute of Standards and Technology (NIST),
FIPS PUB 186-4: Digital Signature Standard (DSS), July
2013
ISO 7816-4 ISO/IEC 7816-4, Identification cards — Integrated circuit
cards — Part 4: Organization, security and commands for
interchange. Third edition 2013-04-15
ISO 7816-8 ISO/IEC 7816-8, Identification cards — Integrated circuit
cards — Part 8: Commands for security operations. Se
cond edition 2004-06-01
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 445
ISO 8825-1 ISO/IEC 8825-1, Information technology — ASN.1 en
coding rules: Specification of Basic Encoding
Rules (BER), Canonical Encoding Rules (CER) and Dis
tinguished Encoding Rules (DER). Fourth edition, 2008-
12-15
ISO 9797-1 ISO/IEC 9797-1, Information technology — Security
techniques — Message Authentication Codes (MACs)
— Part 1: Mechanisms using a block cipher. Second
edition, 2011-03-01
ISO 10116 ISO/IEC 10116, Information technology — Security tech
niques — Modes of operation of an n-bit block cipher.
Third edition, 2006-02-01
ISO 16844-3 ISO/IEC 16844-3, Road vehicles — Tachograph systems
— Part 3: Motion sensor interface First edition 2004,
including Technical Corrigendum 1 2006
RFC 5480 Elliptic Curve Cryptography Subject Public Key Informa
tion, March 2009
RFC 5639 Elliptic Curve Cryptography (ECC) — Brainpool Stan
dard Curves and Curve Generation, 2010
RFC 5869 HMAC-based Extract-and-Expand Key Derivation
Function (HKDF), May 2010
SHS National Institute of Standards and Technology (NIST),
FIPS PUB 180-4: Secure Hash Standard, March 2012
SP 800-38B National Institute of Standards and Technology (NIST),
Special Publication 800-38B: Recommendation for Block
Cipher Modes of Operation: The CMAC Mode for Au
thentication, 2005.
TR-03111 BSI Technical Guideline TR-03111, Elliptic Curve Cryp
tography, version 2.00, 2012-06-28
7.2. Begrippen en afkortingen
De onderstaande begrippen en afkortingen worden in dit aanhangsel
gebruikt:
AES Advanced Encryption Standard
CA Certificeringsautoriteit
CAR Referentie van de certificeringsautoriteit
CBC Cipher Block Chaining (werkingsmodus)
CH Koplabel (header) van het commando
CHA Autorisatie van de certificaathouder
CHR Referentie van de certificaathouder
CV Constante vector
DER Kenmerkende coderingsregels
DO Gegevensobject
DSRC Speciale korteafstandscommunicatie
ECC Elliptische-krommecryptografie
ECDSA Elliptische kromme-algoritme voor digitale handtekening
ECDH Elliptische kromme Diffie-Hellman-sleuteluitwisselingspro
tocol (algoritme voor sleutelovereenstemming)
EGF Externe GNSS-module
EQT Apparatuur
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 446
IDE Intelligente toepassingsgerichte apparatuur
K M Master Key (hoofdsleutel) van de bewegingssensor om een
VU te koppelen aan een bewegingssensor
K M-VU In voertuigunits ingebrachte sleutel waarmee de VU de
hoofdsleutel (Master Key) van de bewegingssensor kan
afleiden indien een werkplaatskaart in de VU is ingebracht
K M-WC In werkplaatskaarten ingebrachte sleutel waarmee de VU
de hoofdsleutel (Master Key) van de bewegingssensor kan
afleiden indien een werkplaatskaart in de VU is ingebracht
MAC Berichtauthenticatiecode
MoS Bewegingssensor
MSB Meest significante bit
PKI Openbare-sleutelinfrastructuur
RCF Inrichting voor communicatie op afstand
SSC Zendsequentieteller
SM Beveiligde berichtenuitwisseling
TDES Standaard voor drievoudige gegevenscodering
TLV Waarde van de labellengte
VU Voertuigunit
X.C Openbare-sleutelcertificaat van gebruiker X
X.CA Certificeringsautoriteit die het certificaat van gebruiker X
heeft afgegeven
X.CAR Referentie van de certificeringsautoriteit die vermeld staat
in het certificaat van gebruiker X
X.CHR Referentie van de certificaathouder die vermeld staat in het
certificaat van gebruiker X
X.PK Openbare sleutel van gebruiker X
X.SK Particuliere sleutel van gebruiker X
X.PK eph Tijdelijke openbare sleutel van gebruiker X
X.SK eph Tijdelijke particuliere sleutel van gebruiker X
„xx” Hexadecimale waarde
|| Samenvoegingsoperator
7.3. Definities
De in dit aanhangsel gebruikte begrippen worden gedefinieerd in deel I
van bijlage 1 C.
8. CRYPTOGRAFISCHE SYSTEMEN EN ALGORITMEN
8.1. Cryptografische systemen
CSM_38 Voertuigunits en tachograafkaarten gebruiken een op
elliptische-krommecryptografie gebaseerd systeem van
openbare sleutels om de volgende beveiligingsdiensten te
leveren:
— wederzijdse authenticatie tussen voertuigunit en kaart;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 447
— overeenstemming van AES-sessiesleutels tussen voer
tuigunit en kaart;
— waarborgen van de authenticiteit, integriteit en onweer
legbaarheid van de gegevens die van voertuigunits of
tachograafkaarten worden gedownload op externe
media.
CSM_39 Voertuigunits en externe GNSS-modules gebruiken een op
elliptische-krommecryptografie gebaseerd systeem van
openbare sleutels om de volgende beveiligingsdiensten te
leveren:
— koppeling tussen voertuigunit en externe
GNSS-module;
— wederzijdse authenticatie tussen voertuigunit en externe
GNSS-module;
— overeenstemming van AES-sessiesleutels tussen voer
tuigunit en externe GNSS-module.
CSM_40 Voertuigunits en tachograafkaarten gebruiken een op AES
gebaseerd symmetrisch cryptografisch systeem om de vol
gende beveiligingsdiensten te leveren:
— waarborgen van de authenticiteit en integriteit van de
tussen voertuigunit en tachograafkaart uitgewisselde
gegevens;
— waarborgen (waar nodig) van de vertrouwelijkheid van
de tussen voertuigunit en tachograafkaart uitgewisselde
gegevens.
CSM_41 Voertuigunits en externe GNSS-modules gebruiken een op
AES gebaseerd symmetrisch cryptografisch systeem om de
volgende beveiligingsdiensten te leveren:
— waarborgen van de authenticiteit en integriteit van de
tussen voertuigunit en externe GNSS-module uitgewis
selde gegevens.
CSM_42 Voertuigunits en bewegingssensoren gebruiken een op
AES gebaseerd symmetrisch cryptografisch systeem om
de volgende beveiligingsdiensten te leveren:
— koppeling tussen voertuigunit en bewegingssensor,
— wederzijdse authenticatie tussen voertuigunit en
bewegingssensor;
— waarborgen van de vertrouwelijkheid van de tussen
voertuigunit en bewegingssensor uitgewisselde
gegevens.
CSM_43 Voertuigunits en controlekaarten gebruiken een op AES
gebaseerd symmetrisch cryptografisch systeem om de vol
gende beveiligingsdiensten te leveren via de interface voor
communicatie op afstand:
— waarborgen van de vertrouwelijkheid, authenticiteit en
integriteit van de gegevens die van een voertuigunit
worden overgebracht naar een controlekaart.
Opmerkingen:
— Strikt genomen worden de VU-gegevens via een in
richting voor communicatie op afstand binnen of bui
ten de VU overgebracht naar een door de controleamb
tenaar bediend systeem voor ondervraging op afstand
(zie aanhangsel 14). Het systeem voor ondervraging op
afstand brengt de ontvangen gegevens echter over
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 448
op een controlekaart om ze te decoderen en te authen
ticeren. De inrichting voor communicatie op afstand en
het systeem voor ondervraging op afstand zijn volledig
transparant vanuit beveiligingsoogpunt.
— Voor de DSRC-interface biedt een werkplaatskaart de
zelfde beveiligingsdiensten als een controlekaart. Zo
kan in de werkplaats worden gecontroleerd of de
VU-interface voor communicatie op afstand goed func
tioneert, ook wat de beveiliging betreft. Zie punt 9.2.2
voor meer informatie.
8.2. Cryptografische algoritmen
8.2.1 Symmetrische algoritmen
CSM_44 Voertuigunits, tachograafkaarten, bewegingssensoren en
externe GNSS-modules ondersteunen het AES-algoritme,
zoals vastgelegd in [AES], met een sleutellengte van
128, 192 en 256 bits.
8.2.2 Asymmetrische algoritmen en gestandaardiseerde domeinparameters
CSM_45 Voertuigunits, tachograafkaarten en externe GNSS-modu
les ondersteunen elliptische-krommecryptografie met een
sleutelgrootte van 256, 384 en 512/521 bits.
CSM_46 Voertuigunits, tachograafkaarten en externe GNSS-modu
les ondersteunen het ECDSA-ondertekeningsalgoritme, zo
als gespecificeerd in [DSS].
CSM_47 Voertuigunits, tachograafkaarten en externe GNSS-modu
les ondersteunen het ECKA-EG-algoritme voor sleutel
overeenstemming, zoals gespecificeerd in [TR 03111].
CSM_48 Voertuigunits, tachograafkaarten en externe GNSS-modu
les ondersteunen alle gestandaardiseerde domeinparameters
die hieronder in Tabel 1 worden gespecificeerd voor de
elliptische-krommecryptografie.
Tabel 1
Gestandaardiseerde domeinparameters
Naam Grootte (bits) Referentie Objectidentificator
NIST P-256 256 [DSS], [RFC 5480]
BrainpoolP256r1 256 [RFC 5639]
NIST P-384 384 [DSS], [RFC 5480]
BrainpoolP384r1 384 [RFC 5639]
BrainpoolP512r1 512 [RFC 5639]
NIST P-521 521 [DSS], [RFC 5480]
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 449
Opmerking: de objectidentificatoren in de laatste kolom
van Tabel 1 worden gespecificeerd in [RFC 5639] wat
de Brainpool-krommen betreft, en in [RFC 5480] wat de
NIST-krommen betreft.
8.2.3 Hashalgoritmen
▼M1
CSM_49 Voertuigunits, tachograafkaarten en externe
GNSS-modules ondersteunen de in [SHS] gespecificeerde
algoritmen SHA-256, SHA-384 en SHA-512.
▼B
8.2.4 Coderingssuites
CSM_50 Indien een symmetrisch algoritme, asymmetrisch algoritme
en/of hashalgoritme worden gecombineerd om een bevei
ligingsprotocol te vormen, zijn de respectieve sleutellengte
en hashgrootte (ongeveer) van gelijke cryptografische
sterkte. De toegestane coderingssuites worden weergege
ven in Tabel 2:
Tabel 2
Toegestane coderingssuites
ID coderingssuite
ECC-sleutelgrootte
(bits)
AES-sleutellengte (bits) Hashalgoritme
MAC-lengte (by
tes)
CS#1 256 128 SHA-256 8
CS#2 384 192 SHA-384 12
CS#3 512/521 256 SHA-512 16
Opmerking: in dit aanhangsel worden ECC-sleutels met
een grootte van 512 bits en 521 bits in elk opzicht als
van gelijke cryptografische sterkte beschouwd.
9. SLEUTELS EN CERTIFICATEN
9.1. Asymmetrische sleutelparen en openbare-sleutelcertificaten
9.1.1 Algemeen
Opmerking: de hier beschreven sleutels worden gebruikt voor de weder
zijdse authenticatie en beveiligde berichtenuitwisseling tussen voertuig
units en tachograafkaarten en tussen voertuigunits en externe
GNSS-modules. De desbetreffende procedures worden uitvoerig toege
licht in hoofdstukken 10 en 11 van dit aanhangsel.
CSM_51 In het Europese slimme tachograafsysteem worden de
ECC-sleutelparen en bijbehorende certificaten op drie
functionele hiërarchieniveaus gegenereerd en beheerd:
— Europees niveau,
— lidstaatniveau,
— apparatuurniveau.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 450
CSM_52 In het volledige Europese slimme tachograafsysteem wor
den openbare en particuliere sleutels en certificaten gege
nereerd, beheerd en uitgewisseld met gebruikmaking van
gestandaardiseerde en beveiligde methoden.
9.1.2 Europees niveau
CSM_53 Op Europees niveau wordt een enkel Europees
ECC-sleutelpaar gegenereerd, aangeduid als EUR en be
staande uit een particuliere sleutel (EUR.SK) en een open
bare sleutel (EUR.PK). Dit sleutelpaar vormt de basis van
de openbare-sleutelinfrastructuur (PKI) van het volledige
Europese slimme tachograafsysteem. Deze taak wordt uit
gevoerd door de Europese basiscertificeringsautoriteit
(ERCA) in opdracht en onder verantwoordelijkheid van
de Europese Commissie.
CSM_54 De ERCA gebruikt de Europese particuliere sleutel om een
(zelfondertekend) basiscertificaat van de Europese open
bare sleutel te ondertekenen, en deelt dit Europese basis
certificaat mee aan alle lidstaten.
CSM_55 De ERCA gebruikt de Europese particuliere sleutel om
desgevraagd de openbare-sleutelcertificaten van de lidsta
ten te ondertekenen. De ERCA houdt registraties bij van
alle ondertekende openbare-sleutelcertificaten van de
lidstaten.
CSM_56 Zoals aangegeven in Figuur 1 onder 9.1.7, genereert de
ERCA om de 17 jaar een nieuw Europees basissleutelpaar.
Telkens wanneer de ERCA een nieuw Europees basissleu
telpaar genereert, maakt zij een nieuw, zelfondertekend
basiscertificaat voor de nieuwe Europese openbare sleutel.
Het Europese basiscertificaat is 34 jaar en 3 maanden
geldig.
Opmerking: op het ogenblik dat een nieuw basissleutelpaar
wordt geïntroduceerd, genereert de ERCA ook een nieuwe
hoofdsleutel voor de bewegingssensor en een nieuwe
DSRC-hoofdsleutel (zie punten 9.2.1.2 en 9.2.2.2).
CSM_57 Alvorens een nieuw Europees basissleutelpaar te genere
ren, onderzoekt de ERCA welke cryptografische sterkte
het nieuwe sleutelpaar moet hebben om gedurende de ko
mende 34 jaar bescherming te bieden tegen inbreuken op
de beveiliging. Zoals gespecificeerd in CSM_50, schakelt
de ERCA indien nodig over op een coderingssuite die een
grotere cryptografische sterkte heeft dan de huidige.
▼M1
CSM_58 Telkens wanneer de ERCA een nieuw Europees basissleu
telpaar genereert, maakt zij een verbindingscertificaat voor
de nieuwe Europese openbare sleutel en ondertekent die
met de vorige Europese particuliere sleutel. Het verbin
dingscertificaat is 17 jaar en 3 maand geldig. Dit wordt
eveneens verduidelijkt in Figuur 1 onder 9.1.7.
▼B
Opmerking: aangezien een verbindingscertificaat de door
de ERCA gegenereerde openbare sleutel van generatie X
bevat en wordt ondertekend met de door de ERCA gege
nereerde particuliere sleutel van generatie X-1, kan appara
tuur waarvoor een sleutel van generatie X-1 is verstrekt,
vertrouwen op apparatuur die beschikt over een sleutel van
generatie X.
CSM_59 Zodra een nieuw basissleutelcertificaat van kracht wordt,
staakt de ERCA het gebruik van de particuliere sleutel van
het basissleutelpaar.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 451
CSM_60 De ERCA beschikt te allen tijde over de volgende crypto
grafische sleutels en certificaten:
— het huidige EUR-sleutelpaar en bijbehorend certificaat;
— alle vorige EUR-certificaten ter verificatie van de nog
geldende certificaten van de certificeringsautoriteiten
van de lidstaten;
— verbindingscertificaten voor EUR-certificaten van alle
generaties, met uitzondering van het eerste certificaat.
9.1.3 Lidstaatniveau
CSM_61 Alle lidstaten die certificaten voor tachograafkaarten moe
ten ondertekenen, genereren een of meerdere unieke
ECC-sleutelparen, aangeduid als MSCA_Card. Alle lidsta
ten die certificaten voor voertuigunits of externe
GNSS-modules moeten ondertekenen, genereren daarnaast
ook een of meerdere unieke ECC-sleutelparen, aangeduid
als MSCA_VU-EGF.
CSM_62 De taak om sleutelparen op lidstaatniveau te genereren,
wordt opgedragen aan de certificeringsautoriteit van de
lidstaat (MSCA). Telkens wanneer de MSCA een
lidstaat-sleutelpaar genereert, geeft zij de openbare sleutel
door aan de ERCA om het desbetreffende, door de ERCA
ondertekende lidstaatcertificaat te verkrijgen.
CSM_63 De MSCA kiest voor het lidstaat-sleutelpaar dezelfde cryp
tografische sterkte als die van het Europese basissleutel
paar waarmee het corresponderende lidstaatcertificaat
wordt ondertekend.
CSM_64 Het sleutelpaar MSCA_VU-EGF bestaat in voorkomend
geval uit een particuliere sleutel MSCA_VU-EGF.SK en
een openbare sleutel MSCA_VU-EGF.PK. De MSCA ge
bruikt de particuliere sleutel MSCA_VU-EGF.SK uitslui
tend om de openbare-sleutelcertificaten van voertuigunits
en externe GNSS-modules te ondertekenen.
CSM_65 Het sleutelpaar MSCA_Card bestaat uit een particuliere
sleutel (MSCA_Card.SK) en een openbare sleutel
(MSCA_Card.PK). De MSCA gebruikt de particuliere
sleutel MSCA_Card.SK uitsluitend om de
openbare-sleutelcertificaten van tachograafkaarten te
ondertekenen.
CSM_66 De MSCA houdt registraties bij van alle ondertekende
certificaten van voertuigunits, externe GNSS-modules en
tachograafkaarten, samen met de identificatie van de ap
paratuur waarvoor elk certificaat bedoeld is.
CSM_67 Het certificaat MSCA_VU-EGF is 17 jaar en 3 maanden
geldig. Het certificaat MSCA_Card is 7 jaar en 1 maand
geldig.
CSM_68 Zoals aangegeven in Figuur 1 onder 9.1.7, kunnen de
particuliere sleutel van een sleutelpaar MSCA_VU-EGF
en de particuliere sleutel van een sleutelpaar MSCA_Card
gedurende twee jaar worden gebruikt.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 452
CSM_69 De MSCA staakt het gebruik van de particuliere sleutel
van het sleutelpaar MSCA_VU-EGF zodra de gebruikster
mijn is verstreken. De MSCA staakt eveneens het gebruik
van de particuliere sleutel van het sleutelpaar MSCA_Card
zodra de gebruikstermijn is verstreken.
CSM_70 De MSCA beschikt te allen tijde over de volgende cryp
tografische sleutels en certificaten:
— het huidige sleutelpaar MSCA_Card en bijbehorend
certificaat;
— alle vorige certificaten MSCA_Card ter verificatie van
de nog geldende certificaten voor tachograafkaarten;
— het huidige EUR-certificaat ter verificatie van het hui
dige MSCA-certificaat;
— alle vorige EUR-certificaten ter verificatie van alle nog
geldende MSCA-certificaten.
CSM_71 Voorts beschikt de MSCA, indien zij certificaten voor
voertuigunits of externe GNSS-modules moet onderteke
nen, over de volgende sleutels en certificaten:
— het huidige sleutelpaar MSCA_VU-EGF en bijbeho
rend certificaat;
— alle vorige openbare sleutels MSCA_VU-EGF ter ve
rificatie van de nog geldende certificaten voor VU's of
externe GNSS-modules.
9.1.4 Apparatuurniveau: voertuigunits
▼M1
CSM_72 Voor elke voertuigunit worden twee unieke
ECC-sleutelparen gegenereerd, aangeduid als VU_MA en
VU_Sign. Deze taak wordt uitgevoerd door de
VU-fabrikanten. De partij die een VU-sleutelpaar gene
reert, verzendt de openbare sleutel naar haar MSCA om
het desbetreffende, door de MSCA ondertekende
VU-certificaat te verkrijgen. De particuliere sleutel wordt
uitsluitend door de voertuigunit gebruikt.
▼B
CSM_73 De certificaten VU_MA en VU_Sign van de voertuigunit
hebben dezelfde ingangsdatum.
CSM_74 De VU-fabrikant kiest voor het VU-sleutelpaar dezelfde
cryptografische sterkte als die van het MSCA-sleutelpaar
waarmee het corresponderende VU-certificaat wordt
ondertekend.
CSM_75 De voertuigunit gebruikt het sleutelpaar VU_MA, be
staande uit de particuliere sleutel VU_MA.SK en de open
bare sleutel VU_MA.PK, uitsluitend om zich te authenti
ceren bij de tachograafkaarten en externe GNSS-modules,
zoals gespecificeerd in punten 10.3 en 11.4 van dit
aanhangsel.
CSM_76 De voertuigunit kan tijdelijke ECC-sleutelparen genereren
die uitsluitend dienen voor de sleutelovereenstemming tij
dens de sessie met een tachograafkaart of externe
GNSS-module, zoals gespecificeerd in punten 10.4 en
11.4 van dit aanhangsel.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 453
CSM_77 De voertuigunit gebruikt de particuliere sleutel
VU_Sign.SK van het sleutelpaar VU_Sign uitsluitend om
gedownloade gegevensbestanden te ondertekenen, zoals
gespecificeerd in hoofdstuk 14 van dit aanhangsel. De cor
responderende openbare sleutel VU_Sign.PK wordt uitslui
tend gebruikt ter verificatie van de door de voertuigunit
aangemaakte handtekeningen.
CSM_78 Zoals aangegeven in Figuur 1 onder 9.1.7, is het certificaat
VU_MA 15 jaar en 3 maanden geldig. Het certificaat
VU_Sign is eveneens 15 jaar en 3 maanden geldig.
Opmerkingen:
— Dankzij de verlengde geldigheidsduur van het certifi
caat VU_Sign kan de voertuigunit gedurende de eerste
drie maanden na de vervaldatum van het certificaat
geldige handtekeningen voor gedownloade gegevens
aanmaken, zoals voorgeschreven in Verordening (EU)
nr. 581/2010 van de Commissie.
— De verlengde geldigheidsduur van het certificaat
VU_MA is noodzakelijk om de VU in staat te stellen
zich gedurende de eerste drie maanden na de verval
datum van het certificaat te authenticeren bij een con
trolekaart of bedrijfskaart en zodoende gegevens te
downloaden.
CSM_79 Nadat de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat
is verstreken, staakt de voertuigunit het gebruik van de
particuliere sleutel van het VU-sleutelpaar.
CSM_80 De VU-sleutelparen (met uitzondering van tijdelijke sleu
telparen) en bijbehorende VU-certificaten worden niet ter
plaatse vervangen of vernieuwd nadat de voertuigunit in
gebruik is genomen.
Opmerkingen:
— De tijdelijke sleutelparen vallen niet onder dit voor
schrift aangezien de VU een nieuw tijdelijk sleutelpaar
genereert bij elke chipauthenticatie en sleutelovereen
stemming tijdens de sessie (zie punt 10.4). Tijdelijke
sleutelparen hebben geen corresponderende certificaten.
— Dit voorschrift doet geen afbreuk aan de mogelijkheid
om statische VU-sleutelparen te vervangen tijdens de
ombouw of reparatie in een beveiligde omgeving onder
het toezicht van de VU-fabrikant.
CSM_81 Bij ingebruikname bevatten voertuigunits de volgende
cryptografische sleutels en certificaten:
— de particuliere sleutel VU_MA en bijbehorend
certificaat;
— de particuliere sleutel VU_Sign en bijbehorend
certificaat;
— het certificaat MSCA_VU-EGF met de openbare sleu
tel MSCA_VU-EGF.PK ter verificatie van het certifi
caat VU_MA en het certificaat VU_Sign;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 454
— het EUR-certificaat met de openbare sleutel EUR.PK
ter verificatie van het certificaat MSCA_VU-EGF;
— het EUR-certificaat waarvan de geldigheidsduur on
middellijk voorafgaat aan die van het EUR-certificaat
ter verificatie van het certificaat MSCA_VU-EGF (in
dien bestaand);
— het verbindingscertificaat tussen beide EUR-certificaten
(indien bestaand).
CSM_82 Naast de in CSM_81 genoemde cryptografische sleutels en
certificaten beschikken voertuigunits ook over de in deel A
van dit aanhangsel gespecificeerde sleutels en certificaten
ten behoeve van de interactie met tachograafkaarten van de
eerste generatie.
9.1.5 Apparatuurniveau: tachograafkaarten
▼M1
CSM_83 Voor elke tachograafkaart wordt een uniek
ECC-sleutelpaar gegenereerd, aangeduid als Card_MA.
Daarnaast wordt voor elke bestuurders- en werkplaatskaart
een tweede uniek ECC-sleutelpaar gegenereerd, aangeduid
als Card_Sign. Deze taak kan worden uitgevoerd door
kaartfabrikanten of -personalisatoren. De partij die een
sleutelpaar voor een kaart genereert, verzendt de openbare
sleutel naar haar MSCA om het desbetreffende, door de
MSCA ondertekende kaartcertificaat te verkrijgen. De par
ticuliere sleutel wordt uitsluitend door de tachograafkaart
gebruikt.
▼B
CSM_84 De certificaten Card_MA en Card_Sign van de
bestuurders- of werkplaatskaart hebben dezelfde
ingangsdatum.
CSM_85 De kaartfabrikant of -personalisator kiest voor het kaart
sleutelpaar dezelfde cryptografische sterkte als die van het
MSCA-sleutelpaar waarmee het corresponderende kaartcer
tificaat wordt ondertekend.
CSM_86 De tachograafkaart gebruikt het sleutelpaar Card_MA, be
staande uit de particuliere sleutel Card_MA.SK en de
openbare sleutel Card_MA.PK, uitsluitend met het oog
op de wederzijdse authenticatie en sleutelovereenstemming
tijdens de sessie met voertuigunits, zoals gespecificeerd in
punten 10.3 en 10.4 van dit aanhangsel.
CSM_87 De bestuurders- of werkplaatskaart gebruikt de particuliere
sleutel Card_Sign.SK van het sleutelpaar Card_Sign uit
sluitend om gedownloade gegevensbestanden te onderteke
nen, zoals gespecificeerd in hoofdstuk 14 van dit aanhang
sel. De corresponderende openbare sleutel Card_Sign.PK
wordt uitsluitend gebruikt ter verificatie van de door de
kaart aangemaakte handtekeningen.
▼M1
CSM_88 Het certificaat Card_MA heeft de volgende
geldigheidsduur:
— voor bestuurderskaarten: 5 jaar;
— voor bedrijfskaarten: 5 jaar;
— voor controlekaarten: 2 jaar;
— voor werkplaatskaarten: 1 jaar.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 455
CSM_89 Het certificaat Card_Sign heeft de volgende
geldigheidsduur:
— voor bestuurderskaarten: 5 jaar en 1 maand;
— voor werkplaatskaarten: 1 jaar en 1 maand.
Opmerking: dankzij de verlengde geldigheidsduur van het
certificaat Card_Sign kan de bestuurderskaart gedurende de
eerste maand na de vervaldatum van het certificaat geldige
handtekeningen voor gedownloade gegevens aanmaken.
Dit is noodzakelijk in het licht van Verordening (EU)
nr. 581/2010 van de Commissie, op grond waarvan de
maximumtermijn binnen dewelke gegevens van een be
stuurderskaart moeten worden gedownload, niet langer
mag zijn dan 28 dagen nadat de laatste gegevens zijn
geregistreerd.
CSM_90 De sleutelparen en bijbehorende certificaten van de tacho
graafkaart worden niet vervangen of vernieuwd na afgifte
van de kaart.
CSM_91 Bij afgifte bevatten de tachograafkaarten de volgende cryp
tografische sleutels en certificaten:
— de particuliere sleutel Card_MA en bijbehorend
certificaat;
— voor bestuurders- en werkplaatskaarten daarnaast ook
de particuliere sleutel Card_Sign en bijbehorend
certificaat;
— het certificaat MSCA_Card met de openbare sleutel
MSCA_Card.PK ter verificatie van het certificaat
Card_MA en het certificaat Card_Sign;
— het EUR-certificaat met de openbare sleutel EUR.PK
ter verificatie van het certificaat MSCA_Card;
— het EUR-certificaat waarvan de geldigheidsduur on
middellijk voorafgaat aan die van het EUR-certificaat
ter verificatie van het certificaat MSCA_Card (indien
bestaand);
— het verbindingscertificaat tussen beide EUR-certificaten
(indien bestaand).
▼M1
— Bovendien uitsluitend voor controlekaarten, bedrijfs
kaarten en werkplaatskaarten, en alleen als deze kaar
ten zijn afgegeven tijdens de eerste drie maanden van
de geldigheidsduur van een nieuw EUR-certificaat: het
EUR-certificaat dat twee generaties ouder is, indien
aanwezig.
Opmerking bij het laatste streepje: In de eerste drie
maanden van het ERCA(3)-certificaat (zie figuur 1)
moeten de genoemde kaarten bijvoorbeeld het
ERCA(1)-certificaat bevatten om te garanderen dat
deze kaarten kunnen worden gebruikt om gegevens te
downloaden van ERCA(1)-voertuigunits waarvan de
normale levensduur van 15 jaar plus de periode van
3 maanden voor het downloaden van gegevens gedu
rende deze maanden verstrijkt; zie het laatste streepje
van voorschrift 13 van bijlage IC.
▼B
CSM_92 Naast de in CSM_91 genoemde cryptografische sleutels en
certificaten beschikken tachograafkaarten ook over de in
deel A van dit aanhangsel gespecificeerde sleutels en cer
tificaten ten behoeve van de interactie met voertuigunits
van de eerste generatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 456
9.1.6 Apparatuurniveau: externe GNSS-modules
▼M1
CSM_93 Voor elke externe GNSS-module wordt een uniek
ECC-sleutelpaar gegenereerd, aangeduid als EGF_MA.
Deze taak wordt uitgevoerd door de fabrikanten van ex
terne GNSS-modules. De partij die een EGF_MA-sleutel
paar voor een kaart genereert, verzendt de openbare sleutel
naar haar MSCA om het desbetreffende, door de MSCA
ondertekende EGF_MA-certificaat te verkrijgen. De parti
culiere sleutel wordt uitsluitend door de externe
GNSS-module gebruikt.
▼B
CSM_94 De fabrikant van de externe GNSS-module kiest voor het
sleutelpaar EGF_MA dezelfde cryptografische sterkte als
die van het MSCA-sleutelpaar waarmee het corresponde
rende certificaat EGF_MA wordt ondertekend.
▼M1
CSM_95 De externe GNSS-module gebruikt het sleutelpaar
EGF_MA, bestaande uit de particuliere sleutel
EGF_MA.SK en de openbare sleutel EGF_MA.PK, uitslui
tend met het oog op de wederzijdse authenticatie en sleu
telovereenstemming tijdens de sessie met voertuigunits,
zoals gespecificeerd in punt 11.4 van dit aanhangsel.
▼B
CSM_96 Het certificaat EGF_MA is 15 jaar geldig.
CSM_97 Nadat de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat
is verstreken, staakt de externe GNSS-module het gebruik
van de particuliere sleutel van het sleutelpaar EGF_MA.
Opmerking: zoals uiteengezet in punt 11.3.3, kan de ex
terne GNSS-module de particuliere sleutel gebruiken voor
de wederzijdse authenticatie met de VU waaraan hij al
gekoppeld is, zelfs wanneer de geldigheidsduur van het
desbetreffende certificaat is verstreken.
CSM_98 Het sleutelpaar EGF_MA en het bijbehorende
EGF-certificaat worden niet ter plaatse vervangen of ver
nieuwd nadat de externe GNSS-module in gebruik is
genomen.
Opmerking: dit voorschrift doet geen afbreuk aan de mo
gelijkheid om EGF-sleutelparen te vervangen tijdens de
ombouw of reparatie in een beveiligde omgeving onder
het toezicht van de fabrikant van de externe
GNSS-module.
CSM_99 Bij ingebruikname bevat de externe GNSS-module de vol
gende cryptografische sleutels en certificaten:
— de particuliere sleutel EGF_MA en bijbehorend
certificaat;
— het certificaat MSCA_VU-EGF met de openbare sleu
tel MSCA_VU-EGF.PK ter verificatie van het certifi
caat EGF_MA;
— het EUR-certificaat met de openbare sleutel EUR.PK
ter verificatie van het certificaat MSCA_VU-EGF;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 457
— het EUR-certificaat waarvan de geldigheidsduur on
middellijk voorafgaat aan die van het EUR-certificaat
ter verificatie van het certificaat MSCA_VU-EGF (in
dien bestaand);
— het verbindingscertificaat tussen beide EUR-certificaten
(indien bestaand).
9.1.7 Overzicht: vervanging van het certificaat
In Figuur 1 hieronder wordt een overzicht gegeven van de afgifte- en
gebruikstermijnen voor de verschillende generaties ERCA-basiscertifica
ten, ERCA-verbindingscertificaten, MSCA-certificaten en apparatuurcer
tificaten (VU- en kaartcertificaten):
▼M1
Figuur 1
Afgifte- en gebruikstermijnen voor de verschillende generaties ERCA-basiscertificaten,
ERCA-verbindingscertificaten, MSCA-certificaten en apparatuurcertificaten
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 458
Toelichtingen bij Figuur 1:
1. De verschillende generaties van het basiscertificaat worden aangeduid
door een cijfer tussen haakjes. ERCA (1) bijvoorbeeld verwijst naar
het ERCA-basiscertificaat van de eerste generatie; ERCA (2) verwijst
naar het ERCA-basiscertificaat van de tweede generatie enz.
2. Andere certificaten worden aangeduid door twee cijfers tussen haak
jes: het eerste cijfer geeft aan in het kader van welke generatie van het
basiscertificaat het desbetreffende certificaat is afgegeven; het tweede
cijfer verwijst naar de generatie van het certificaat zelf. MSCA_Card
(1-1) verwijst bijvoorbeeld naar het eerste certificaat MSCA_Card dat
is afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA (1);
MSCA_Card (2-1) verwijst naar het eerste certificaat MSCA_Card
dat is afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA (2);
MSCA_Card (2-laatste) is het laatste certificaat MSCA_Card dat is
afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA (2); Card_MA
(2-1) is het eerste kaartcertificaat dat met het oog op de wederzijdse
authenticatie is afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA
(2) enz.
3. De certificaten MSCA_Card (2-1) en MSCA_Card (1-laatste) zijn
bijna, maar niet exact op dezelfde datum afgegeven. MSCA_Card
(2-1) is het eerste certificaat MSCA_Card in het kader van het basis
certificaat ERCA (2) en wordt iets later afgegeven dan het certificaat
MSCA_Card (1-laatste), zijnde het laatste certificaat MSCA_Card dat
is afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA (1).
4. Uit de figuur blijkt dat de eerste VU- en kaartcertificaten die zijn
afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA (2), bijna
twee jaar vroeger voorkomen dan de laatste VU- en kaartcertificaten
die zijn afgegeven in het kader van het basiscertificaat ERCA (1). De
reden hiervoor is dat de VU- en kaartcertificaten niet rechtstreeks in
het kader van het ERCA-certificaat worden afgegeven, maar veeleer
als onderdeel van een MSCA-certificaat. Het certificaat MSCA (2-1)
wordt afgegeven direct nadat het basiscertificaat ERCA (2) geldig
wordt, terwijl het certificaat MSCA (1-laatste) iets vroeger wordt
afgegeven, net vóór de vervaldatum van het basiscertificaat ERCA
(1). Bijgevolg hebben beide MSCA-certificaten vrijwel dezelfde gel
digheidsduur, ook al behoren ze tot een verschillende generatie.
5. De aangegeven geldigheidsduur is van toepassing op bestuurderskaar
ten (5 jaar).
▼M1
6. Om ruimte te besparen, wordt het verschil in geldigheidsduur tussen
de certificaten Card_MA en Card_Sign alleen voor de eerste generatie
aangegeven.
▼B
9.2. Symmetrische sleutels
9.2.1 Sleutels ter beveiliging van de communicatie tussen VU en bewegings
sensor
9.2.1.1 Algemeen
Opmerking: de lezer wordt bekend verondersteld met de inhoud van [ISO
16844-3], waarin een beschrijving wordt gegeven van de interface tussen
een voertuigunit en een bewegingssensor. De koppelingsprocedure tussen
een VU en een bewegingssensor wordt nader toegelicht in hoofdstuk 12
van dit aanhangsel.
CSM_100 Zoals wordt verduidelijkt in Tabel 3, is een aantal symmetri
sche sleutels vereist, niet alleen om voertuigunits en be
wegingssensoren te koppelen en wederzijds te authenticeren,
maar ook om de communicatie tussen voertuigunits en be
wegingssensoren te coderen. Het gaat daarbij altijd om
AES-sleutels waarvan de lengte gelijk is aan die van de
hoofdsleutel van de bewegingssensor, welke gerelateerd is
aan de lengte van het (geplande) Europese basissleutelpaar,
zoals beschreven in CSM_50.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 459
Tabel 3
Sleutels ter beveiliging van de communicatie tussen voertuigunit en bewegingssensor
Sleutel Symbool Afkomstig van Methode van genereren Opgeslagen door
Hoofdsleutel
bewegings-sensor —
VU-gedeelte
K M-VU ERCA Aselect ERCA, MSCA's die
VU-certificaten afgeven,
VU-fabrikanten, voertuigunits
Hoofdsleutel
bewegings-sensor —
Werkplaatsgedeelte
K M-WC ERCA Aselect ERCA, MSCA's, kaartfabrikan
ten, werkplaatskaarten
Hoofdsleutel
bewegings-sensor
K M Niet afzonderlijk
gegenereerd
Berekend als K M = K M-
VU XOR K M-WC
ERCA, MSCA's die sleutels
verstrekken voor bewegings
sensoren (facultatief) (*)
Identificatie-sleutel K ID Niet afzonderlijk
gegenereerd
Berekend als K ID = K M
XOR CV, waarbij CV
(constante vector) is ge
specificeerd in
CSM_106
ERCA, MSCA's die sleutels
verstrekken voor bewegings
sensoren (facultatief) (*)
Koppelings-sleutel K P Fabrikanten van
bewegingssensoren
Aselect De betrokken bewegingssensor
Sessiesleutel K S VU (tijdens kop
peling tussen VU
en bewegingssen
sor)
Aselect De betrokken VU en be
wegingssensor
(*) De sleutels K M en K ID worden facultatief opgeslagen aangezien ze kunnen worden afgeleid van K M-VU , K M-WC en CV.
CSM_101 De Europese basiscertificeringsautoriteit (ERCA) genereert
K M-VU en K M-WC , twee aselecte en unieke AES-sleutels
waarmee de hoofdsleutel van de bewegingssensor K M kan
worden berekend als K M-VU XOR K M-WC . De ERCA deelt
de sleutels K M , K M-VU en K M-WC mee aan de certificerings
autoriteiten van de lidstaten (MSCA's) die daarom
verzoeken.
CSM_102 De ERCA wijst aan elke hoofdsleutel van de bewegings
sensor K M een uniek versienummer toe, dat ook geldt
voor de samenstellende sleutels K M-VU en K M-WC en voor
de bijbehorende identificatiesleutel K ID . Op het ogenblik dat
de ERCA de sleutels K M-VU en K M-WC naar de MSCA's
verzendt, deelt zij ook het versienummer mee.
Opmerking: het versienummer dient om onderscheid te ma
ken tussen de verschillende generaties van deze sleutels,
zoals uiteengezet in punt 9.2.1.2.
CSM_103 De MSCA geeft de sleutel K M-VU , met het bijbehorende
versienummer door aan de VU-fabrikanten die daarom ver
zoeken. De sleutel K M-VU wordt met het bijbehorende ver
sienummer in alle geproduceerde voertuigunits ingebracht
door de VU-fabrikanten.
CSM_104 De MSCA zorgt ervoor dat de sleutel K M-WC met het bij
behorende versienummer wordt ingebracht in elke werk
plaatskaart die onder haar verantwoordelijkheid wordt
afgegeven.
Opmerkingen:
— Zie de beschrijving van het gegevenstype
in aanhangsel 2.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 460
— Zoals uiteengezet in punt 9.2.1.2, kan het nodig zijn in
een en dezelfde werkplaatskaart sleutels K M-WC van
meerdere generaties in te brengen.
CSM_105 Naast de in CSM_104 genoemde AES-sleutel zorgt de
MSCA ervoor dat de TDES-sleutel Km WC , zoals gespecifi
ceerd in voorschrift CSM_037 in deel A van dit aanhangsel,
wordt ingebracht in elke werkplaatskaart die onder haar ver
antwoordelijkheid wordt afgegeven.
Opmerkingen:
— Op die manier kan een werkplaatskaart van de tweede
generatie worden gebruikt om verbinding te maken met
een VU van de eerste generatie.
— Een werkplaatskaart van de tweede generatie bevat twee
verschillende toepassingen: de eerste voldoet aan deel B
van dit aanhangsel en de tweede aan deel A. Deze laat
ste toepassing bevat de TDES-sleutel Km WC .
CSM_106 De MSCA die sleutels voor bewegingssensoren verstrekt,
leidt de identificatiesleutel af van de hoofdsleutel van de
bewegingssensor door een exclusieve OF-bewerking
(„XOR”) daarop uit te voeren met een constante
vector (CV). De CV heeft de volgende waarde:
▼M1
— Voor 128-bits hoofdsleutels van de bewegingssensor:
CV = ‘B6 44 2C 45 0E F8 D3 62 0B 7A 8A 97 91
E4 5D 83’
▼B
— Voor 192-bits hoofdsleutels van de bewegingssensor:
CV = „72 AD EA FA 00 BB F4 EE F4 99 15 70 5B
7E EE BB 1C 54 ED 46 8B 0E F8 25”
— Voor 256-bits hoofdsleutels van de bewegingssensor:
CV = „1D 74 DB F0 34 C7 37 2F 65 55 DE D5 DC
D1 9A C3 23 D6 A6 25 64 CD BE 2D 42 0D 85 D2 32
63 AD 60”
Opmerking: de constante vectoren werden als volgt
gegenereerd:
Pi_10 = eerste 10 bytes van het decimale gedeelte van de
wiskundige constante π = „24 3F 6A 88 85 A3 08 D3 13
19”
CV_128-bits = eerste 16 bytes van SHA-256(Pi_10)
CV_192-bits = eerste 24 bytes van SHA-384(Pi_10)
CV_256-bits = eerste 32 bytes van SHA-512(Pi_10)
CSM_107 ►M1 Elke fabrikant van bewegingssensoren genereert voor
elke bewegingssensor een aselecte en unieke koppelingssleu
tel K P , en verzendt elke koppelingssleutel naar zijn MSCA.
De MSCA codeert elke koppelingssleutel afzonderlijk met
de hoofdsleutel van de bewegingssensor K M en zendt de
gecodeerde sleutel terug naar de fabrikant van bewegings
sensoren. Voor elke gecodeerde sleutel deelt de MSCA het
versienummer van de bijbehorende sleutel K M mee aan de
fabrikant van bewegingssensoren. ◄
Opmerking: zoals uiteengezet in punt 9.2.1.2, kan het zijn
dat de fabrikant van bewegingssensoren voor een en de
zelfde bewegingssensor meerdere unieke koppelingssleutels
moet genereren.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 461
CSM_108 Elke fabrikant van bewegingssensoren genereert een uniek
serienummer voor elke bewegingssensor en verzendt alle
serienummers naar zijn MSCA. De MSCA codeert elk serie
nummer afzonderlijk met de identificatiesleutel K ID en zendt
het gecodeerde serienummer terug naar de fabrikant van
bewegingssensoren. Voor elk gecodeerd serienummer deelt
de MSCA het versienummer van de bijbehorende sleutel
K ID mee aan de fabrikant van bewegingssensoren.
▼B
CSM_109 Om te voldoen aan de voorschriften CSM_107 en
CSM_108, gebruikt de MSCA het AES-algoritme in
CBS(Cipher Block Chaining)-werkingsmodus, zoals vast
gelegd in [ISO 10116], met een interleave-parameter m =
1 en een initialisatievector IV = „00” {16}, dat wil zeggen
16 bytes met een binaire nul. Zo nodig past de MSCA de in
[ISO 9797-1] vastgelegde paddingmethode 2 toe om de ge
gevens op te vullen.
CSM_110 De fabrikant van bewegingssensoren slaat de gecodeerde
koppelingssleutel en het gecodeerde serienummer op in de
desbetreffende bewegingssensor, samen met de corresponde
rende ongecodeerde tekstwaarden en het versienummer van
de voor de codering gebruikte sleutels K M en K ID .
Opmerking: zoals uiteengezet in punt 9.2.1.2, kan het zijn
dat de fabrikant van bewegingssensoren in een en dezelfde
bewegingssensor meerdere gecodeerde koppelingssleutels en
serienummers moet inbrengen.
CSM_111 Naast het op AES gebaseerde cryptografisch materiaal, zoals
gespecificeerd in CSM_110, kan een fabrikant van be
wegingssensoren ook in elke bewegingssensor het op
TDES gebaseerde cryptografisch materiaal opslaan dat nader
wordt omschreven in voorschrift CSM_037 in deel A van
dit aanhangsel.
Opmerking: deze werkwijze maakt het mogelijk een verbin
ding tot stand te brengen tussen een bewegingssensor van de
tweede generatie en een VU van de eerste generatie.
CSM_112 De lengte van de sessiesleutel K S die door een VU wordt
gegenereerd tijdens de koppeling met een bewegingssensor,
is gerelateerd aan de lengte van de bijbehorende sleutel K M-
VU , zoals beschreven in CSM_50.
9.2.1.2 Vervanging van de hoofdsleutel van de bewegingssensor in apparatuur
van de tweede generatie
CSM_113 Elke hoofdsleutel van de bewegingssensor is samen met alle
bijbehorende sleutels (zie Tabel 3) gerelateerd aan het
ERCA-basissleutelpaar van een specifieke generatie. Bij
gevolg worden deze sleutels om de 17 jaar vervangen. De
geldigheidsduur van elke generatie hoofdsleutels van be
wegingssensoren gaat in één jaar voordat het bijbehorende
ERCA-basissleutelpaar van kracht wordt, en eindigt op het
ogenblik dat dit ERCA-basissleutelpaar vervalt. Dit wordt
verduidelijkt in Figuur 2.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 462
Figuur 2
Afgifte en gebruik van verschillende generaties hoofdsleutels van bewegingssensoren in voertuigunits,
bewegingssensoren en werkplaatskaarten
CSM_114 Ten minste één jaar voordat een nieuw Europees basissleu
telpaar wordt gegenereerd, zoals beschreven in CSM_56,
genereert de ERCA een nieuwe hoofdsleutel van de be
wegingssensor K M door nieuwe sleutels K M-VU en K M-WC
aan te maken. Overeenkomstig CSM_50 is de lengte van de
hoofdsleutel van de bewegingssensor gerelateerd aan de ver
wachte cryptografische sterkte van het nieuwe Europese ba
sissleutelpaar. De ERCA deelt de nieuwe sleutels K M , K M-
VU en K M-WC met het bijbehorende versienummer mee aan
de MSCA's die daarom verzoeken.
CSM_115 Zoals verduidelijkt in Figuur 2, zorgt de MSCA ervoor dat
alle geldige generaties van de sleutels K M-WC samen met de
bijbehorende versienummers worden opgeslagen in elke
werkplaatskaart die onder haar verantwoordelijkheid wordt
afgegeven.
Opmerking: dit betekent dat in het laatste jaar van de geldig
heidsduur van een ERCA-certificaat werkplaatskaarten wor
den afgegeven met sleutels K M-WC van drie verschillende ge
neraties, zoals verduidelijkt in Figuur 2.
CSM_116 Voor de in CSM_107 en CSM_108 hierboven toegelichte
procedure geldt het volgende: Elke koppelingssleutel K P die
de MSCA van een fabrikant van bewegingssensoren ont
vangt, wordt afzonderlijk gecodeerd voor elke geldige gene
ratie hoofdsleutel van de bewegingssensor K M . Elk serie
nummer dat de MSCA van een fabrikant van bewegings
sensoren ontvangt, wordt eveneens afzonderlijk gecodeerd
voor elke geldige generatie identificatiesleutel K ID . De fa
brikant van bewegingssensoren slaat alle gecodeerde kop
pelingssleutels en serienummers op in de desbetreffende be
wegingssensor, samen met de corresponderende ongeco
deerde tekstwaarden en het (de) versienummer(s) van de
voor de codering gebruikte sleutels K M en K ID .
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 463
Opmerking: dit betekent dat in het laatste jaar van de gel
digheidsduur van een ERCA-certificaat bewegingssensoren
worden afgegeven met gecodeerde gegevens die berusten op
sleutels K M van drie verschillende generaties, zoals verdui
delijkt in Figuur 2.
CSM_117 Voor de in CSM_107 hierboven toegelichte procedure geldt
het volgende: Aangezien de lengte van de koppelingssleutel
K P gerelateerd is aan de lengte van de sleutel K M (zie
CSM_100), kan het zijn dat de fabrikant van bewegings
sensoren voor een en dezelfde bewegingssensor tot drie ver
schillende koppelingssleutels (van uiteenlopende lengte)
moet genereren in het geval dat de sleutels K M van opeen
volgende generaties een verschillende lengte hebben. In dit
geval verzendt de fabrikant elke koppelingssleutel naar de
MSCA. De MSCA zorgt ervoor dat elke koppelingssleutel
wordt gecodeerd met de hoofdsleutel van de bewegingssen
sor van de juiste generatie, dat wil zeggen die welke de
zelfde lengte heeft.
Opmerking: indien de fabrikant van bewegingssensoren er
voor kiest een op TDES gebaseerde koppelingssleutel te
gebruiken voor een bewegingssensor van de tweede genera
tie (zie CSM_111), meldt hij de MSCA dat deze koppelings
sleutel moet worden gecodeerd met de op TDES gebaseerde
hoofdsleutel van de bewegingssensor. Een TDES-sleutel kan
immers dezelfde lengte hebben als een AES-sleutel, zodat de
MSCA niet alleen op de sleutellengte kan afgaan.
CSM_118 VU-fabrikanten brengen in elke voertuigunit de sleutel K M-
VU van een enkele generatie in, samen met het bijbehorende
versienummer. De sleutel K M-VU van deze generatie is ge
relateerd aan het ERCA-certificaat waarop de
VU-certificaten gebaseerd zijn.
Opmerkingen:
— Een voertuigunit die berust op een ERCA-certificaat van
generatie X, bevat alleen de sleutel K M-VU van de gene
ratie X, zelfs indien deze wordt verstrekt nadat de gel
digheidsduur van het ERCA-certificaat van de generatie
X + 1 is ingegaan. Dit wordt verduidelijkt in Figuur 2.
— Een VU van generatie X kan niet worden gekoppeld aan
een bewegingssensor van generatie X-1.
— Aangezien werkplaatskaarten één jaar geldig zijn, heb
ben de voorschriften CSM_113 tot en met CSM_118 tot
gevolg dat alle werkplaatskaarten de nieuwe sleutel K M-
WC bevatten op het ogenblik dat de eerste VU met de
nieuwe sleutel K M-VU in gebruik wordt genomen. Bij
gevolg kan deze VU altijd de nieuwe sleutel K M bere
kenen. Bovendien bevatten de meeste nieuwe be
wegingssensoren tegen dan ook gecodeerde gegevens
die gebaseerd zijn op de nieuwe sleutel K M .
9.2.2 Sleutels ter beveiliging van de DSRC-communicatie
9.2.2.1 Algemeen
CSM_119 De authenticiteit en vertrouwelijkheid van gegevens die via
een DSRC-interface voor communicatie op afstand worden
overgebracht van een voertuigunit naar een controleautori
teit, worden gewaarborgd door een reeks VU-specifieke
AES-sleutels die zijn afgeleid van een enkele
DSRC-hoofdsleutel, KM DSRC .
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 464
CSM_120 De DSRC-hoofdsleutel KM DSRC is een AES-sleutel die op
beveiligde wijze wordt gegenereerd, opgeslagen en verspreid
door de ERCA. De sleutellengte bedraagt 128, 192 of 256
bits en is gerelateerd aan de lengte van het Europese basis
sleutelpaar, zoals beschreven in CSM_50.
CSM_121 De ERCA geeft de DSRC-hoofdsleutel op beveiligde wijze
door aan de MSCA's die daarom verzoeken, zodat zij
VU-specifieke DSRC-sleutels daarvan kunnen afleiden, als
ook om ervoor te zorgen dat de DSRC-hoofdsleutel wordt
ingebracht in alle controle- en werkplaatskaarten die onder
hun verantwoordelijkheid worden afgegeven.
CSM_122 De ERCA wijst aan elke DSRC-hoofdsleutel een uniek ver
sienummer toe. Op het ogenblik dat de ERCA de
DSRC-hoofdsleutel verzendt naar de MSCA's, deelt zij
ook het versienummer mee.
Opmerking: het versienummer dient om onderscheid te ma
ken tussen de verschillende generaties van de
DSRC-hoofdsleutel, zoals uiteengezet in punt 9.2.2.2.
▼M1
CSM_123 De VU-fabrikant genereert voor elke voertuigunit een uniek
VU-serienummer en verzendt dit naar de MSCA met het
verzoek twee VU-specifieke DSRC-sleutels te krijgen. Het
VU-serienummer heeft het gegevenstype VuSerialNumber.
Opmerking:
— Dit VU-serienummer is identiek aan het element vuSe
rialNumber element van VuIdentification (zie aanhangsel
1) en aan de referentie van de certificaathouder op de
certificaten van de voertuigunit.
— Het is mogelijk dat het VU-serienummer niet bekend is
op het ogenblik dat een fabrikant van voertuigunits de
VU-specifieke DSRC-sleutels aanvraagt. In dat geval
verstuurt de VU-fabrikant in plaats daarvan de unieke
identificator van de certificaataanvraag die hij heeft ge
bruikt voor het aanvragen van de certificaten van de VU;
zie CSM_153. Deze identificator van de certificaataan
vraag moet bijgevolg gelijk zijn aan de referentie van de
certificaathouder in de certificaten van de VU.
▼B
CSM_124 Bij ontvangst van een verzoek om VU-specifieke
DSRC-sleutels, leidt de MSCA twee AES-sleutels voor de
voertuigunit
af, K_VU DSRC _ENC en K_VU DSRC _MAC genoemd. Deze
VU-specifieke sleutels hebben dezelfde lengte als de
DSRC-hoofdsleutel. De MSCA gebruikt de in [RFC 5869]
vastgelegde sleutelafleidingsfunctie (KDF). De hashfunctie
die nodig is om de HMAC-hashfunctie te concretiseren, is
gerelateerd aan de lengte van de DSRC-hoofdsleutel, zoals
uiteengezet in CSM_50. De in [RFC 5869] vastgelegde
sleutelafleidingsfunctie (KDF) wordt als volgt gebruikt:
Stap 1 (Extractie):
— PRK = HMAC-Hash (salt, IKM), waarbij salt een lege
string „” is en IKM gelijk is aan KM DSRC .
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 465
Stap 2 (Expansie):
— OKM = T(1), waarbij
T(1) = HMAC-Hash (PRK, T(0) || info || „01”) met
— T(0) = een lege string („”)
— ►M1 info = VU-serienummer of identificator van
de certificaataanvraag, zoals gespecificeerd in
CSM_123 ◄
— K_VU DSRC _ENC = eerste L bytes van OKM en
K_VU DSRC _MAC = laatste L bytes van OKM
waarbij L de vereiste lengte is van K_VU DSRC _ENC en
K_VU DSRC _MAC in bytes.
CSM_125 De MSCA geeft de sleutels K_VU DSRC _ENC en
K_VU DSRC _MAC op beveiligde wijze door aan de
VU-fabrikant, zodat die ze kan inbrengen in de voertuigunit
waarvoor ze bedoeld zijn.
CSM_126 Bij afgifte zijn de sleutels K_VU DSRC _ENC en
K_VU DSRC _MAC opgeslagen in het beveiligde geheugen
van de voertuigunit ter waarborging van de integriteit, au
thenticiteit en vertrouwelijkheid van de gegevens die worden
verzonden via de interface voor communicatie op afstand.
De voertuigunit slaat ook het versienummer op van de
DSRC-hoofdsleutel waarmee deze VU-specifieke sleutels
worden afgeleid.
CSM_127 Bij afgifte is de DSRC-hoofdsleutel KM DSRC opgeslagen in
het beveiligde geheugen van de controle- en werkplaatskaar
ten ter verificatie van de integriteit en authenticiteit van de
gegevens die de VU via de interface voor communicatie op
afstand verzendt, alsook om deze gegevens te decoderen.
Ook het versienummer van de DSRC-hoofdsleutel wordt
in controle- en werkplaatskaarten opgeslagen.
Opmerking: zoals uiteengezet in punt 9.2.2.2, kan het nodig
zijn in een en dezelfde controle- of werkplaatskaart een
DSRC-hoofdsleutel KM DSRC van verschillende generaties
in te brengen.
▼M1
CSM_128 De MSCA houdt registraties bij van alle door haar gegene
reerde VU-specifieke DSRC-sleutels, van het bijbehorende
versienummer en van het VU-serienummer of de identifica
tor van de certificaataanvraag die voor het afleiden van deze
sleutels werden gebruikt.
9.2.2.2 Vervanging van de DSRC-hoofdsleutel
CSM_129 Elke DSRC-hoofdsleutel is verbonden aan het
ERCA-basissleutelpaar van een specifieke generatie. Bij
gevolg wordt de DSRC-hoofdsleutel om de 17 jaar vervan
gen door de ERCA. De geldigheidsduur van de
DSRC-hoofdsleutel van elke generatie gaat in twee jaar
voordat het bijbehorende ERCA-basissleutelpaar van kracht
wordt, en eindigt op het ogenblik dat dit
ERCA-basissleutelpaar vervalt. Dit wordt verduidelijkt in
Figuur 3.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 466
Figuur 3
Afgifte en gebruik van de DSRC-hoofdsleutel van verschillende generaties in voertuigunits, controle- en
werkplaatskaarten
CSM_130 Ten minste twee jaar voordat een nieuw Europees basissleu
telpaar wordt gegenereerd, zoals beschreven in CSM_56,
genereert de ERCA een nieuwe DSRC-hoofdsleutel. Over
eenkomstig CSM_50 is de lengte van de DSRC-hoofdsleutel
gerelateerd aan de verwachte cryptografische sterkte van het
nieuwe Europese basissleutelpaar. De ERCA deelt de
nieuwe DSRC-hoofdsleutel met het bijbehorende versienum
mer mee aan de MSCA's die daarom verzoeken.
CSM_131 Zoals wordt verduidelijkt in Figuur 3, zorgt de MSCA er
voor dat alle geldige generaties van de sleutel KM DSRC
samen met de bijbehorende versienummers worden opgesla
gen in elke controlekaart die onder haar verantwoordelijk
heid wordt afgegeven.
Opmerking: dit betekent dat in de laatste twee jaar van de
geldigheidsduur van een ERCA-certificaat controlekaarten
worden afgegeven met een sleutel KM DSRC van drie ver
schillende generaties, zoals aangegeven in Figuur 3.
CSM_132 Zoals verduidelijkt in Figuur 3, zorgt de MSCA ervoor dat
alle generaties van de sleutel KM DSRC die ten minste één
jaar geldig zijn geweest en nog steeds geldig zijn, samen
met de bijbehorende versienummers worden opgeslagen in
elke werkplaatskaart die onder haar verantwoordelijkheid
wordt afgegeven.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 467
Opmerking: dit betekent dat in het laatste jaar van de gel
digheidsduur van een ERCA-certificaat werkplaatskaarten
worden afgegeven met een sleutel KM DSRC van drie ver
schillende generaties, zoals verduidelijkt in Figuur 3.
CSM_133 VU-fabrikanten brengen in elke voertuigunit een enkele
reeks VU-specifieke DSRC-sleutels in, samen met het bij
behorende versienummer. Deze sleutelreeks wordt afgeleid
van de sleutel KM DSRC van de generatie van het
ERCA-certificaat waarop de VU-certificaten gebaseerd zijn.
Opmerkingen:
— een voertuigunit die gebaseerd is op een
ERCA-certificaat van generatie X, bevat bijgevolg alleen
de sleutels K_VU DSRC _ENC en K_VU DSRC _MAC van
de generatie X, zelfs indien deze wordt verstrekt nadat de
geldigheidsduur van het ERCA-certificaat van de gene
ratie X + 1 is ingegaan. Dit wordt verduidelijkt in Fi
guur 3.
— Aangezien werkplaatskaarten één jaar en controlekaarten
twee jaar geldig zijn, hebben de voorschriften CSM_131
tot en met CSM_133 tot gevolg dat alle werkplaats- en
controlekaarten de nieuwe DSRC-hoofdsleutel bevatten
op het ogenblik dat de eerste VU met op die hoofdsleu
tel gebaseerde VU-specifieke sleutels in gebruik wordt
genomen.
9.3. Certificaten
9.3.1 Algemeen
CSM_134 Alle certificaten in het Europese slimme tachograafsysteem
zijn zelfbeschrijvend en kaartverifieerbaar overeenkomstig
[ISO 7816-4] en [ISO 7816-8].
CSM_135 ►M1 De kenmerkende coderingsregels (DER) overeen
komstig [ISO 8825-1] worden toegepast om de gegevens
objecten in certificaten te coderen. Tabel 4 bevat de vol
ledige codering van het certificaat, met inbegrip van alle
tags en lengtebytes. ◄
Opmerking: door deze codering wordt de waarde van de
labellengte (TLV) als volgt gestructureerd:
Label: het label wordt ingevoerd in 1 of 2 bytes en geeft
de inhoud aan.
Lengte: de lengte wordt ingevoerd als niet-getekend geheel
getal in 1, 2 of 3 bytes, wat een maximumlengte
van 65 535 bytes geeft. Er worden zo weinig mo
gelijk bytes gebruikt.
Waarde: de waarde wordt ingevoerd in nul of meer bytes.
9.3.2 Inhoud van het certificaat
CSM_136 Alle certificaten zijn opgebouwd volgens de in Tabel 4 aan
gegeven structuur van het certificaatprofiel.
Tabel 4
Certificaatprofiel versie 1
Veld Veld-ID Label Lengte (bytes)
ASN.1-gegevenstype
(zie aanhangsel 1)
ECC-certificaat C „7F 21” var
ECC-certificerings
instantie
B „7F 4E” var
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 468
Veld Veld-ID Label Lengte (bytes)
ASN.1-gegevenstype
(zie aanhangsel 1)
Identificator van het
certificaatprofiel
CPI „5F 29” „01”
Referentie van de
certificeringsautoriteit
CAR „42” „08”
Autorisatie van de
certificaathouder
CHA „5F 4C” „07”
Openbare sleutel PK „7F 49” var
Domeinparameters DP „06” var
Openbaar punt PP „86” var
Referentie van de
certificaathouder
CHR „5F 20” „08”
Ingangsdatum van het
certificaat
CEfD „5F 25” „04”
Vervaldatum van het
certificaat
CExD „5F 24” „04”
Handtekening van het
ECC-certificaat
S „5F 37” var
Opmerking: verderop in dit aanhangsel wordt de veld-ID
gebruikt om te verwijzen naar afzonderlijke velden van
een certificaat; zo is X.CAR bijvoorbeeld de referentie van
de certificeringsautoriteit (CAR) die vermeld staat in het
certificaat van gebruiker X.
9.3.2.1 Identificator van het certificaatprofiel (CPI)
CSM_137 Deze identificator geeft aan welk certificaatprofiel wordt
gebruikt. Versie 1, zoals gespecificeerd in Tabel 4, wordt
geïdentificeerd door de waarde „00”.
9.3.2.2 Referentie van de certificeringsautoriteit (CAR)
CSM_138 Deze referentie bepaalt welke openbare sleutel wordt ge
bruikt ter verificatie van de handtekening van het certificaat.
De referentie van de certificeringsautoriteit is bijgevolg ge
lijk aan de referentie van de certificaathouder in het certifi
caat van de betrokken certificeringsautoriteit.
CSM_139 Het ERCA-basiscertificaat is zelfondertekend, wat betekent
dat de referentie van de certificeringsautoriteit gelijk is aan
de referentie van de certificaathouder in het certificaat.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 469
CSM_140 Voor een ERCA-verbindingscertificaat is de referentie van
de certificaathouder (CHR) gelijk aan die van het nieuwe
ERCA-basiscertificaat. Voor een verbindingscertificaat is de
referentie van de certificeringsautoriteit gelijk aan de CHR
van het vorige ERCA-basiscertificaat.
9.3.2.3 Autorisatie van de certificaathouder (CHA)
▼M1
CSM_141 De autorisatie van de certificaathouder (CHA) dient om het
certificaattype te identificeren. De CHA bestaat uit de zes
meest significante bytes van de toepassingsidentificator
(AID) van de tachograaf, samengevoegd met het type ap
paratuur, dat aangeeft voor welk type van apparatuur het
certificaat bedoeld is. In het geval van een certificaat van
een voertuigunit, een bestuurderskaart of een werkplaats
kaart, wordt het type apparatuur ook gebruikt om een onder
scheid te maken tussen een certificaat voor wederzijdse au
thenticatie en een certificaat voor het opstellen van digitale
handtekeningen (zie punt 9.1 en aanhangsel 1, gegevenstype
EquipmentType).
▼B
9.3.2.4 Openbare sleutel (PK)
De openbare sleutel bevat twee gegevenselementen: de gestandaardi
seerde domeinparameters (DP) die men moet gebruiken met de openbare
sleutel van het certificaat, en de waarde van het openbare punt (PP).
CSM_142 Het gegevenselement „DP” bevat een van de in Tabel 1 ge
specificeerde objectidentificatoren als verwijzing naar een
reeks gestandaardiseerde domeinparameters.
CSM_143 Het gegevenselement „PP” bevat het openbare punt. Zoals
gespecificeerd in [TR-03111], worden openbare punten op
elliptische krommen omgezet in bytereeksen (octet strings).
Het niet-gecomprimeerde coderingsformaat wordt gebruikt.
Om een punt van de elliptische kromme te herstellen uit het
gecodeerde formaat, worden altijd de in [TR-03111] om
schreven validaties uitgevoerd.
9.3.2.5 Referentie van de certificaathouder (CHR)
CSM_144 Dit is een identificator van de openbare sleutel in het certi
ficaat. De CHR dient om in andere certificaten naar deze
openbare sleutel te verwijzen.
CSM_145 Voor certificaten van tachograafkaarten en externe
GNSS-modules heeft de referentie van de certificaathouder
het in aanhangsel 1 gespecificeerde gegevenstype
.
CSM_146 In het geval van een certificaataanvraag voor voertuigunits is
het mogelijk dat de fabrikant het fabrikantspecifieke serienum
mer van de VU waarvoor dit certificaat en de bijbehorende
particuliere sleutel bedoeld zijn, soms wel en soms niet kent.
In het eerste geval heeft de referentie van de certificaathouder
het in aanhangsel 1 gespecificeerde gegevenstype
. In het tweede geval heeft de
referentie van de certificaathouder het in aanhangsel 1 gespeci
ficeerde gegevenstype .
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 470
Opmerking: voor een kaartcertificaat is de waarde van de
CHR gelijk aan de waarde van het cardExtendedSerialNum
ber in EF_ICC; zie aanhangsel 2. voor een EGF-certificaat is
de waarde van de CHR gelijk aan de waarde van het sen
sorGNSSSerialNumber in EF_ICC; zie aanhangsel 14. Voor
een VU-certificaat is de waarde van de CHR gelijk aan het
vuSerialNumber element van VuIdentification (zie aanhang
sel 1), tenzij de fabrikant het fabrikantspecifieke serienum
mer niet kent op het ogenblik dat het certificaat wordt
aangevraagd.
▼B
CSM_147 Voor de ERCA- en MSCA-certificaten heeft de referentie
van de certificaathouder het in aanhangsel 1 gespecificeerde
gegevenstype .
9.3.2.6 Ingangsdatum van het certificaat (CEfD)
▼M1
CSM_148 Dit veld bevat de begindatum en -tijd van de geldigheids
duur van het certificaat.
▼B
9.3.2.7 Vervaldatum van het certificaat (CExD)
CSM_149 Dit veld bevat de einddatum en -tijd van de geldigheidsduur
van het certificaat.
9.3.2.8 Handtekening van het certificaat (S)
CSM_150 De handtekening van het certificaat wordt in overlay ge
plaatst op het inhoudelijk gecodeerde deel van het certifi
caat, en bevat het label en de lengte daarvan. Het onder
tekeningsalgoritme is ECDSA, zoals gespecificeerd in
[DSS]. Daarbij wordt het hashalgoritme toegepast dat gere
lateerd is aan het sleutelgrootte van de ondertekeningsauto
riteit, zoals gespecificeerd in CSM_50. Het handtekeningfor
maat is ongecodeerd, zoals gespecificeerd in [TR-03111].
9.3.3 Certificaataanvragen
CSM_151 ►M1 Wanneer een MSCA een certificaat aanvraagt, stuurt
zij de volgende gegevens naar de ERCA: ◄
— de identificator van het certificaatprofiel (CPI) voor het
gewenste certificaat;
— de referentie van de certificeringsautoriteit (CAR) waar
mee het certificaat naar verwachting wordt ondertekend;
— de te ondertekenen openbare sleutel (PK).
CSM_152 Naast de in CSM_151 vermelde gegevens stuurt de MSCA
in een certificaataanvraag de volgende gegevens naar de
ERCA zodat die de referentie van de certificaathouder van
het nieuwe MSCA-certificaat kan aanmaken:
— de numerieke nationale code van de certificeringsautori
teit (gegevenstype , zoals vastgelegd
in aanhangsel 1);
— de alfanumerieke nationale code van de certificerings
autoriteit (gegevenstype , zoals vast
gelegd in aanhangsel 1);
— het serienummer van 1 byte om de verschillende sleutels
van de certificeringsautoriteit te onderscheiden in het
geval dat sleutels worden gewijzigd;
— het veld van 2 bytes met aanvullende codering (specifiek
voor de certificeringsautoriteit).
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 471
CSM_153 De apparatuurfabrikant verstuurt in een certificaataanvraag
de volgende gegevens naar de MSCA zodat die de referentie
van de certificaathouder van het nieuwe apparatuurcertificaat
kan aanmaken:
— voor zover bekend (zie CSM_154), een fabrikantspeci
fiek serienummer voor de apparatuur, het model van de
apparatuur en de maand van fabricage; zo niet, een
unieke identificator van de certificaataanvraag;
— de maand en het jaar van fabricage of van de
certificaataanvraag.
De fabrikant zorgt ervoor dat deze gegevens juist zijn en dat het door de
MSCA teruggezonden certificaat wordt ingebracht in de apparatuur waar
voor dit bedoeld is.
▼B
CSM_154 In het geval van een certificaataanvraag voor een VU is het
mogelijk dat de fabrikant het fabrikantspecifieke serienum
mer van de VU waarvoor dit certificaat en de bijbehorende
particuliere sleutel bedoeld zijn, soms wel en soms niet kent.
In het eerste geval verzendt de VU-fabrikant het serienum
mer naar de MSCA. In het tweede geval moet de fabrikant
elke certificaataanvraag eenduidig identificeren en het serie
nummer daarvan verzenden naar de MSCA. Het resulterende
certificaat bevat dan het serienummer van de certificaataan
vraag. Na het inbrengen van het certificaat in een specifieke
VU brengt de fabrikant de MSCA op de hoogte van de link
tussen het serienummer van de certificaataanvraag en de
VU-identificatie.
10. WEDERZIJDSE AUTHENTICATIE TUSSEN VU EN KAART, EN
BEVEILIGDE BERICHTENUITWISSELING
10.1. Algemeen
CSM_155 De beveiligde communicatie op hoog niveau tussen een
voertuigunit en tachograaf verloopt in de volgende stappen:
— Stap 1: elke partij bewijst aan de andere partij in het
bezit te zijn van een geldig openbare-sleutelcertificaat
dat is ondertekend door de certificeringsautoriteit van
de lidstaat (MSCA). Het openbare-sleutelcertificaat van
de MSCA moet op zijn beurt zijn ondertekend door de
Europese basiscertificeringsautoriteit (ERCA). Deze stap
wordt verificatie van de certificaatketen genoemd en
wordt uitvoerig toegelicht in punt 10.2.
— Stap 2: de voertuigunit (VU) bewijst aan de kaart in het
bezit te zijn van de particuliere sleutel die overeenstemt
met de openbare sleutel in het aangeboden certificaat.
Het bewijs wordt geleverd door ondertekening met een
willekeurig, door de kaart verzonden nummer. De kaart
moet dit nummer bij de verificatie van de handtekening
terugvinden. Bij een succesvolle verificatie wordt de VU
geauthenticeerd. Deze stap wordt VU-authenticatie ge
noemd en wordt uitvoerig toegelicht in punt 10.3.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 472
— Stap 3: beide partijen berekenen zelfstandig twee
AES-sessiesleutels met behulp van een asymmetrisch al
goritme voor sleutelovereenstemming. Met een van
beide sessiesleutels maakt de kaart een
berichtauthenticatiecode (MAC) aan voor sommige
door de VU verzonden gegevens. De VU verifieert de
MAC. Bij een succesvolle verificatie wordt de kaart
geauthenticeerd. Deze stap wordt kaartauthenticatie ge
noemd en wordt uitvoerig toegelicht in punt 10.4.
— Stap 4: de VU en de kaart gebruiken de overeengeko
men sessiesleutels om de vertrouwelijkheid, integriteit en
authenticiteit van alle uitgewisselde berichten te waar
borgen. Deze stap wordt beveiligde berichtenuitwisseling
(SM) genoemd en wordt uitvoerig toegelicht in punt
10.5.
CSM_156 Het in CSM_155 beschreven mechanisme wordt door de
VU gestart bij kaartinbrenging in een van de lezers.
10.2. Wederzijdse verificatie van de certificaatketen
10.2.1 Verificatie van de certificaatketen op kaartniveau door de VU
CSM_157 ►M1 Voertuigunits verifiëren de certificaatketen van een
tachograafkaart volgens het stroomschema in Figuur 4. Voor
elk certificaat dat de VU van de kaart leest, gaat hij na of
het veld Certificate Holder Authorisation (CHA) correct is:
— In het veld CHA van het kaartcertificaat moet een kaart
certificaat voor wederzijdse authenticatie zijn vermeld
(zie aanhangsel 1, gegevenstype EquipmentType).
— In de CHA van het certificaat Card.CA moet een MSCA
vermeld zijn.
— In de CHA van het certificaat Card.Link moet een
ERCA vermeld zijn. ◄
Toelichtingen bij Figuur 4:
— De kaartcertificaten en openbare sleutels in deze figuur
dienen voor de wederzijdse authenticatie. In punt 9.1.5
worden deze aangeduid als Card_MA.
— De openbare sleutels en certificaten Card.CA in deze
figuur dienen om kaartcertificaten te ondertekenen en
worden aangegeven in de CAR van het kaartcertificaat.
In punt 9.1.3 worden deze aangeduid als MSCA_Card.
— Het certificaat Card.CA.EUR in deze figuur is het Euro
pese basiscertificaat dat vermeld staat in de referentie
van de certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat
Card.CA.
— Het certificaat Card.Link in deze figuur is het verbin
dingscertificaat van de kaart (indien aanwezig). Zoals
verduidelijkt in punt 9.1.2, is dit een verbindingscertifi
caat voor een nieuw Europees basissleutelpaar dat door
de ERCA is aangemaakt en dat met de vorige Europese
particuliere sleutel is ondertekend.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 473
— Het certificaat Card.Link.EUR is het Europese basiscer
tificaat dat vermeld staat in de referentie van de
certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat
Card.Link.
CSM_158 Zoals blijkt uit Figuur 4, begint de verificatie van
de certificaatketen op kaartniveau bij kaartinbrenging.
De VU leest de referentie van de kaarthouder (
) in het hoofdbestand
van de chipkaart (EF ICC). De VU controleert of de kaart
bekend is, met andere woorden of de certificaatketen van de
kaart in het verleden met succes is geverifieerd en voor
toekomstig gebruik werd opgeslagen. Indien dat het geval
is en het kaartcertificaat nog geldig is, wordt de procedure
voortgezet met de verificatie van de certificaatketen op
VU-niveau. Zo niet, leest de VU achtereenvolgens op de
kaart het certificaat MSCA_Card ter verificatie van het
kaartcertificaat, het Card.CA.EUR-certificaat ter verificatie
van het certificaat MSCA_Card, en in voorkomend geval
het verbindingscertificaat, totdat een bekend of verifieerbaar
certificaat wordt gevonden. Indien een bekend certificaat
wordt gevonden, gebruikt de VU dit ter verificatie van de
onderliggende kaartcertificaten die op de kaart werden gele
zen. Bij een succesvolle verificatie wordt de procedure
voortgezet met de verificatie van de certificaatketen op
VU-niveau. Zo niet, wordt de kaart genegeerd door de VU.
Opmerking: de VU kan het certificaat Card.CA.EUR op drie
manieren kennen:
— het certificaat Card.CA.EUR is hetzelfde certificaat als
het EUR-certificaat van de VU zelf;
— het certificaat Card.CA.EUR gaat het EUR-certificaat
van de VU zelf vooraf en is bij afgifte al in de VU
opgeslagen (zie CSM_81);
— het certificaat Card.CA.EUR volgt op het
EUR-certificaat van de VU zelf en de VU heeft in het
verleden een verbindingscertificaat van een andere ta
chograafkaart ontvangen, geverifieerd en voor toekom
stig gebruik opgeslagen.
CSM_159 Zoals aangegeven in Figuur 4, kan de VU na verificatie van
de authenticiteit en geldigheid van een tot dan toe niet be
kend certificaat, dit certificaat voor toekomstig gebruik op
slaan. Op die manier hoeft de VU de authenticiteit van dit
certificaat niet opnieuw te verifiëren wanneer het nogmaals
wordt aangeboden. Zoals gespecificeerd in punt 9.3.2, kan
de VU in plaats van het volledige certificaat alleen het in
houdelijk deel van het certificaat opslaan. ►M1 Een nieuw
verbindingscertificaat dat door een kaart wordt gepresen
teerd, moet verplicht in de VU worden opgeslagen; de op
slag van alle andere types certificaten is facultatief. ◄
CSM_160 De VU verifieert de temporele geldigheid van elk certificaat
dat op de kaart wordt gelezen of dat in het VU-geheugen is
opgeslagen. Vervallen certificaten worden verworpen. Om
de temporele geldigheid van een door de kaart aangeboden
certificaat te verifiëren, gebruikt de VU zijn interne klok.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 474
Figuur 4
Stroomschema ter verificatie van de certificaatketen op kaartniveau door de VU
10.2.2 Verificatie van de certificaatketen op VU-niveau door de kaart
CSM_161 ►M1 Tachograafkaarten verifiëren de certificaatketen van
een voertuigunit (VU) volgens het stroomschema in Figuur
5. Voor elk certificaat dat door de VU wordt gepresenteerd,
gaat de kaart na of het veld Certificate Holder
Authorisation (CHA) correct is:
— In de CHA van het certificaat VU.Link moet een ERCA
vermeld zijn.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 475
— In de CHA van het certificaat VU.CA moet een MSCA
vermeld zijn.
— In het veld CHA van het VU-certificaat moet een
VU-certificaat voor wederzijdse authenticatie zijn vermeld
(zie aanhangsel 1, gegevenstype EquipmentType). ◄
Figuur 5
Stroomschema ter verificatie van de certificaatketen op VU-niveau door de kaart
Toelichtingen bij Figuur 5:
— De VU-certificaten en openbare sleutels in deze figuur dienen voor
de wederzijdse authenticatie. In punt 9.1.4 worden deze aangeduid als
VU_MA.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 476
— De openbare sleutels en certificaten VU.CA in deze figuur dienen om
certificaten van voertuigunits en externe GNSS-modules te onderteke
nen. In punt 9.1.3 worden deze aangeduid als MSCA_VU-EGF.
— Het certificaat VU.CA.EUR in deze figuur is het Europese basiscer
tificaat dat vermeld staat in de referentie van de
certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat VU.CA.
— Het certificaat VU.Link in deze figuur is het verbindingscertificaat
van de VU (indien aanwezig). Zoals verduidelijkt in punt 9.1.2, is dit
een verbindingscertificaat voor een nieuw Europees basissleutelpaar
dat door de ERCA is aangemaakt en dat met de vorige Europese
particuliere sleutel is ondertekend.
— Het certificaat VU.Link.EUR is het Europese basiscertificaat dat ver
meld staat in de referentie van de certificeringsautoriteit (CAR) van
het certificaat VU.Link.
CSM_162 Zoals blijkt uit Figuur 5, begint de verificatie van de certi
ficaatketen van de VU op het ogenblik dat de VU probeert
zijn eigen openbare sleutel in te stellen voor gebruik in de
tachograafkaart. Als de VU daarin slaagt, betekent dit dat de
kaart de certificaatketen van de VU in het verleden met
succes heeft geverifieerd en het VU-certificaat voor toekom
stig gebruik heeft opgeslagen. In dit geval wordt het
VU-certificaat voor gebruik ingesteld en wordt de procedure
voortgezet met de VU-authenticatie. Indien de kaart het
VU-certificaat niet kent, biedt de VU achtereenvolgens het
certificaat VU.CA aan ter verificatie van het VU-certificaat,
het EUR-certificaat ter verificatie van het certificaat VU.CA,
en in voorkomend geval het verbindingscertificaat ter veri
ficatie van het EUR-certificaat, om een door de kaart ge
kend certificaat te vinden. Indien een dergelijk certificaat
wordt gevonden, gebruikt de kaart dit ter verificatie van
de onderliggende VU-certificaten die werden aangeboden.
Bij een succesvolle verificatie stelt de VU de openbare
sleutel in voor gebruik in de tachograafkaart. Zo niet, wordt
de kaart genegeerd door de VU.
Opmerking: de kaart kan het certificaat VU.CA.EUR op
drie manieren kennen:
— het certificaat VU.CA.EUR is hetzelfde certificaat als
het EUR-certificaat van de kaart zelf;
— het certificaat VU.CA.EUR gaat het EUR-certificaat van
de kaart zelf vooraf en is bij afgifte al in de kaart opge
slagen (zie CSM_91);
— het certificaat VU.CA.EUR volgt op het EUR-certificaat
van de kaart zelf en de kaart heeft in het verleden een
verbindingscertificaat van een andere voertuigunit ont
vangen, geverifieerd en voor toekomstig gebruik
opgeslagen.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 477
CSM_163 De VU gebruikt het MSE: Set AT-commando om de open
bare sleutel in te stellen voor gebruik in de tachograafkaart.
Zoals gespecificeerd in aanhangsel 2, geeft dit commando
aan welk cryptografisch mechanisme met de ingestelde sleu
tel wordt gebruikt. Dit mechanisme is, zoals gespecificeerd
in CSM_50, de VU-authenticatie met behulp van het
ECDSA-algoritme, in combinatie met het hashalgoritme
dat gerelateerd is aan de grootte van het sleutelpaar
VU_MA van de VU.
CSM_164 Het MSE: Set AT-commando geeft ook aan welk tijdelijk
sleutelpaar de VU gebruikt voor de sleutelovereenstemming
tijdens de sessie (zie punt 10.4). Bijgevolg genereert de VU
een tijdelijk ECC-sleutelpaar alvorens het MSE:Set
AT-commando te verzenden. Om het tijdelijke sleutelpaar
te genereren, gebruikt de VU de gestandaardiseerde domein
parameters die in het kaartcertificaat vermeld staan. Het
tijdelijke sleutelpaar wordt aangeduid als (VU.SK eph ,
VU.PK eph , Card.DP). De VU neemt de x-coördinaat van
het met het ECDH-algoritme bepaalde tijdelijke openbare
punt als sleutelidentificatie. Dit is de gecomprimeerde voor
stelling van de openbare sleutel, aangeduid als
Comp(VU.PK eph ).
▼M1
CSM_165 In het MSE:Set AT-commando succesvol is, stelt de kaart
de opgegeven sleutel VU.PK in voor later gebruik bij
VU-authenticatie, en wordt de sleutel Comp(VU.PKeph)
tijdelijk opgeslagen. Indien twee of meer MSE:Set
AT-commando’s met succes worden verzonden vóór de
sleutelovereenstemming tijdens de sessie, slaat de kaart al
leen de laatste ontvangen sleutel Comp(VU.PKeph) op. De
kaart zal Comp(VU.PKeph) resetten na een succesvol com
mando GENERAL AUTHENTICATE.
▼B
CSM_166 De kaart verifieert de temporele geldigheid van elk certifi
caat dat door de VU wordt aangeboden of waarnaar de VU
verwijst in het kaartgeheugen. Vervallen certificaten worden
verworpen.
CSM_167 Om de temporele geldigheid van een door de VU aange
boden certificaat te verifiëren, slaat elke tachograafkaart be
paalde gegevens met betrekking tot de huidige tijd (hierna
„lopende tijd”) intern op. Deze gegevens kunnen niet recht
streeks door een VU worden geactualiseerd. Bij afgifte
wordt de lopende tijd van de kaart ingesteld op de ingangs
datum van het certificaat Card_MA van de kaart. De kaart
actualiseert de lopende tijd indien de ingangsdatum van een
authentiek certificaat dat door de VU als „geldige tijdbron”
wordt aangeboden, recenter is dan de tijdaanduiding van de
kaart. In dit geval stelt de kaart de lopende tijd in op basis
van de ingangsdatum van dat certificaat. De kaart accepteert
uitsluitend de volgende certificaten als geldige tijdbron:
— ERCA-verbindingscertificaten van de tweede generatie;
— MSCA-certificaten van de tweede generatie;
— VU-certificaten van de tweede generatie die zijn afge
geven door dezelfde lidstaat als het (de) kaartcerti
fica(a)t(en) zelf.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 478
Opmerking: het laatste voorschrift houdt in dat de referentie
van de certificeringsautoriteit (CAR) van het VU-certificaat,
dat wil zeggen het certificaat MSCA_VU-EGF, herkenbaar
is voor de kaart. Deze referentie verschilt van de CAR van
het kaartcertificaat zelf, namelijk het certificaat
MSCA_Card.
CSM_168 Zoals aangegeven in Figuur 5, kan de kaart na verificatie
van de authenticiteit en geldigheid van een tot dan toe niet
bekend certificaat, dit certificaat voor toekomstig gebruik
opslaan. Op die manier hoeft de kaart de authenticiteit
van dit certificaat niet opnieuw te verifiëren wanneer het
nogmaals wordt aangeboden. Zoals uiteengezet in punt
9.3.2, kan de kaart in plaats van het volledige certificaat
alleen het inhoudelijk deel van het certificaat opslaan.
10.3. VU-authenticatie
CSM_169 Voertuigunits en kaarten gaan te werk volgens het stroom
schema in Figuur 6 om de VU te authenticeren bij de kaart.
Door de VU te authenticeren, kan de tachograafkaart zeker
stellen dat de VU authentiek is. Daartoe gebruikt de VU
zijn particuliere sleutel om een door de kaart afgegeven
identiteit („challenge”) te ondertekenen.
CSM_170 ►M1 Naast de door de kaart afgegeven identiteit vermeldt
de VU in de handtekening de in het kaartcertificaat ver
melde referentie van de certificaathouder. ◄
Opmerking: hiermee wordt gewaarborgd dat de kaart waar
bij de VU zich authenticeert dezelfde kaart is waarvan de
certificaatketen eerder door de VU werd geverifieerd.
CSM_171 De VU vermeldt in de handtekening ook de identificator
van de tijdelijke openbare sleutel Comp(VU.PK eph ), waar
mee de VU de beveiligde berichtenuitwisseling (SM) tot
stand brengt tijdens de in punt 10.4 uiteengezette procedure
voor chipauthenticatie.
Opmerking: hiermee wordt gewaarborgd dat de VU waar
mee de kaart tijdens een SM-sessie communiceert dezelfde
VU is die eerder door de kaart werd geauthenticeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 479
Figuur 6
Stroomschema van de VU-authenticatie
▼B
CSM_172 Indien de VU tijdens de VU-authenticatie meerdere GET
CHALLENGE-commando's verzendt, zendt de kaart telkens
een nieuwe aselecte identiteit („challenge”) van 8 bytes te
rug, terwijl alleen de laatste identiteit wordt opgeslagen.
CSM_173 Voor de VU-authenticatie gebruikt de VU het onderteke
ningsalgoritme ECDSA, zoals gespecificeerd in [DSS].
Daarbij wordt het hashalgoritme toegepast dat gerelateerd
is aan het grootte van het sleutelpaar VU_MA van de
VU, zoals gespecificeerd in CSM_50. Het handtekeningfor
maat is ongecodeerd, zoals gespecificeerd in [TR-03111].
De VU verzendt de resulterende handtekening naar de kaart.
▼M1
CSM_174 Op het ogenblik dat de kaart de handtekening van de VU
ontvangt in een EXTERNAL AUTHENTICATE-com
mando:
— berekent de kaart het authenticatietoken door samenvoe
ging van Card.CHR, de door de kaart afgegeven iden
titeit rcard en de identificator van de tijdelijke openbare
sleutel van de VU Comp(VU.PKeph);
— verifieert de kaart de handtekening van de VU met be
hulp van het ECDSA-algoritme, met behulp van het
hashalgoritme dat gerelateerd is aan de grootte van het
sleutelpaar VU_MA van de VU, zoals gespecificeerd in
CSM_50, in combinatie met de sleutel VU.PK en het
berekende authenticatietoken.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 480
10.4. Chipauthenticatie en sleutelovereenstemming tijdens de sessie
CSM_175 Voertuigunits en kaarten gaan te werk volgens het stroom
schema in Figuur 7 om de kaart te authenticeren bij de VU.
Door de chipkaart te authenticeren, kan de voertuigunit ze
ker stellen dat de kaart authentiek is.
Figuur 7
Chipauthenticatie en sleutelovereenstemming tijdens de sessie
CSM_176 De voertuigunit (VU) en de kaart voeren de volgende stap
pen uit:
1. De VU start de procedure voor chipauthenticatie door het
MSE: Set AT-commando te verzenden ter aankondiging
van de „chipauthenticatie met behulp van het
ECDH-algoritme, met als resultaat een
AES-sessiesleutel waarvan de lengte gerelateerd is aan
de grootte van het sleutelpaar Card_MA van de kaart,
zoals gespecificeerd in CSM_50”. De VU bepaalt op
basis van het kaartcertificaat de grootte van het sleutel
paar van de kaart.
▼M1
2. De VU verzendt het openbare punt VU.PK eph van zijn
tijdelijke sleutelpaar naar de kaart. Zoals gespecificeerd
in [TR-03111], wordt het openbare punt omgezet in een
bytereeks (octet string). Het niet-gecomprimeerde code
ringsformaat wordt gebruikt. Zoals uiteengezet in
CSM_164, heeft de VU dit tijdelijke sleutelpaar gegene
reerd alvorens de certificaatketen op VU-niveau te veri
fiëren. De VU verzendt de identificator van de tijdelijke
openbare sleutel Comp(VU.PK eph ) naar de kaart, en de
kaart slaat deze op.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 481
3. De kaart berekent Comp(VU.PK eph ) op basis van
VU.PK eph en vergelijkt het resultaat met de opgeslagen
waarde van Comp(VU.PK eph ).
4. Met behulp van het ECDH-algoritme, gecombineerd met
de statische particuliere sleutel van de kaart en de tijde
lijke openbare sleutel van de VU, berekent de kaart een
geheime sleutel K.
5. De kaart kiest een nonce (willekeurig getal) van 8 bytes
N PICC om twee AES-sessiesleutels K MAC en K ENC af te
leiden van de geheime sleutel K (zie CSM_179).
▼M1
6. Met behulp van K MAC berekent de kaart een authentica
tietoken voor de identificator van de tijdelijke openbare
punt van de VU: T PICC = CMAC(K MAC , VU.PK eph ). Het
openbare punt is in het formaat dat door de VU wordt
gebruikt (zie tweede streepje hierboven). De kaart ver
zendt N PICC en T PICC naar de voertuigunit.
▼B
7. Met behulp van het ECDH-algoritme, gecombineerd met
de statische openbare sleutel van de kaart en de tijdelijke
particuliere sleutel van de VU, berekent de VU dezelfde
geheime sleutel K als de kaart al eerder heeft gedaan in
stap 4.
8. De VU leidt de sessiesleutels K MAC en K ENC af van K
en N PICC (zie CSM_179).
9. De VU verifieert het authenticatietoken T PICC .
CSM_177 In stap 3 hierboven berekent de kaart Comp(VU.PKeph) als
x-coördinaat van het openbare punt in VU.PKeph.
CSM_178 In stappen 4 en 7 hierboven passen de kaart en de voertuig
unit het ECKA-EG-algoritme toe, zoals vastgelegd in [TR-
03111].
CSM_179 In stappen 5 en 8 hierboven passen de kaart en de voertuig
unit de sleutelafleidingsfunctie (KDF) voor de in [TR-
03111] vastgelegde AES-sessiesleutels toe, met de volgende
preciseringen en aanpassingen:
— De teller heeft de waarde „00 00 00 01” voor K ENC en
„00 00 00 02” voor K MAC .
— De facultatieve nonce r wordt gebruikt en is gelijk aan
N PICC .
— Om de 128-bits AES-sleutels af te leiden, wordt het
hashalgoritme SHA-256 gebruikt.
— Om de 192-bits AES-sleutels af te leiden, wordt het
hashalgoritme SHA-384 gebruikt.
— Om de 256-bits AES-sleutels af te leiden, wordt het
hashalgoritme SHA-512 gebruikt.
De lengte van de sessiesleutels (dat wil zeggen de lengte
vanaf welke de hashwaarde wordt afgekapt) is gerelateerd
aan de grootte van het sleutelpaar Card_MA, zoals gespe
cificeerd in CSM_50.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 482
CSM_180 In stappen 6 en 9 hierboven passen de kaart en de voertuig
unit het AES-algoritme toe in CMAC(Cipher-based Mes
sage Authentication Code)-modus, zoals gespecificeerd in
[SP 800-38B]. De lengte van T PICC is gerelateerd aan de
lengte van de AES-sessiesleutels, zoals gespecificeerd in
CSM_50.
10.5. Beveiligde berichtenuitwisseling
10.5.1 Algemeen
CSM_181 Nadat de chip met succes is geauthenticeerd, worden alle
commando's en antwoorden die de voertuigunit en tacho
graafkaart met elkaar uitwisselen beschermd door beveiligde
berichtenuitwisseling (SM) tot op het ogenblik dat de sessie
wordt beëindigd.
CSM_182 Tenzij wanneer gegevens worden gelezen in een bestand
met toegangsconditie SM-R-ENC-MAC-G2 (zie aanhangsel
2, hoofdstuk 4), vindt de beveiligde berichtenuitwisseling
plaats in alleen-authenticeren-modus. In deze modus wordt
aan alle commando's en antwoorden een cryptografische
controlesom (ook berichtauthenticatiecode of MAC ge
noemd) toegevoegd om de authenticiteit en integriteit te
waarborgen.
CSM_183 Bij het lezen van gegevens in een bestand met toegangs
conditie SM-R-ENC-MAC-G2, wordt de beveiligde berich
tenuitwisseling gebruikt in eerst-coderen-dan-authenticeren-
modus. Dit betekent dat de antwoordgegevens eerst worden
gecodeerd om de vertrouwelijkheid van het bericht te waar
borgen en dat daarna een MAC voor de geformatteerde
gecodeerde gegevens wordt berekend om de authenticiteit
en integriteit te waarborgen.
CSM_184 De beveiligde berichtenuitwisseling gebruikt het
AES-algoritme, zoals vastgelegd in [AES], met de sessie
sleutels K MAC en K ENC die werden overeengekomen tijdens
de chipauthenticatie.
CSM_185 Een niet-getekend geheel getal wordt gebruikt als
zendsequentieteller (SSC) om replay-aanvallen tegen te
gaan. De grootte van de SSC is gelijk aan de
AES-blokgrootte, namelijk 128 bits. De SSC heeft het for
maat „MSB-first” (meest significante bits eerst). Bij het
starten van de beveiligde berichtenuitwisseling wordt de
zendsequentieteller geïnitialiseerd op nul (dat wil zeggen
„00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00”).
Voordat een APDU-commando of -antwoord wordt gegene
reerd, wordt de SSC telkens met 1 verhoogd. Aangezien de
SSC aan het begin van een SM-sessie op „0” staat, is de
waarde van de SSC in het eerste commando gelijk aan „1”.
Voor het eerste antwoord is de waarde van de SSC gelijk
aan „2”.
CSM_186 Om het bericht te coderen, wordt K ENC gebruikt met het
AES-algoritme in de CBC(Cipher Block Chaining)-wer
kingsmodus, zoals vastgelegd in [ISO 10116], met een
interleave-parameter m = 1 en een initialisatievector IV =
E(K ENC , SSC), dat wil zeggen de huidige waarde van de
zendsequentieteller (SCC), gecodeerd met K ENC .
CSM_187 Om het bericht te authenticeren, wordt K MAC gebruikt met
het AES-algoritme in CMAC-modus, zoals gespecificeerd in
[SP 800-38B]. De lengte van de berichtauthenticatiecode
(MAC) is gerelateerd aan de lengte van de AES-sessiesleu
tels, zoals gespecificeerd in CSM_50. De zendsequentietel
ler wordt in de MAC opgenomen door die te laten voor
afgaan aan het te authenticeren datagram.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 483
10.5.2 Structuur van het beveiligde bericht
CSM_188 De beveiligde berichtenuitwisseling (SM) gebruikt uitslui
tend de in Tabel 5 opgesomde SM-gegevensobjecten (zie
[ISO 7816-4]). In elk bericht worden deze gegevensobjecten
gebruikt in de volgorde die wordt aangegeven in deze tabel.
Tabel 5
Gegevensobjecten voor beveiligde berichtenuitwisseling (SM DO's)
Naam gegevensobject Label
Aanwezigheid (V)erplicht,
(C)onditioneel of (N)iet
toegestaan in
Com
mando's
Antwoorden
Ongecodeerde waarde van niet met
BER-TLV gecodeerde gegevens
„81” C C
Ongecodeerde waarde van met
BER-TLV gecodeerde gegevens, exclu
sief SM-gegevensobjecten
„B3” C C
Paddingindicator gevolgd door crypto
gram, ongecodeerde waarde van niet
met BER-TLV gecodeerde gegevens
„87” C C
Beschermde lengtebyte (Le) „97” C N
Verwerkingsstatus „99” N V
Cryptografische controlesom „8E” V V
Opmerking: Zoals gespecificeerd in aanhangsel 2, kunnen
tachograafkaarten het READ BINARY- en UPDATE
BINARY-commando ondersteunen met een oneven
instructiebyte (INS) (respectievelijk „B1” en „D7”). Deze
varianten van commando zijn nodig om bestanden met
32 768 bytes of meer te lezen en te actualiseren. Indien
geen dergelijke variant wordt gebruikt, wordt een gegevens
object met label „B3” gebruikt in plaats van een gegevens
object met label „81”. Zie aanhangsel 2 voor meer
informatie.
CSM_189 Alle SM-gegevensobjecten worden gecodeerd met DER
TLV, zoals gespecificeerd in [ISO 8825-1]. Door deze co
dering wordt de waarde van de labellengte (TLV) als volgt
gestructureerd:
Label: het label wordt ingevoerd in 1 of 2 bytes en geeft
de inhoud aan.
Lengte: de lengte wordt ingevoerd als niet-getekend ge
heel getal in 1, 2 of 3 bytes, wat een maximum
lengte van 65 535 bytes geeft. Er worden zo wei
nig mogelijk bytes gebruikt.
Waarde: de waarde wordt ingevoerd in nul of meer bytes.
CSM_190 Door beveiligde berichtenuitwisseling beschermde APDU's
worden als volgt aangemaakt:
— Het koplabel (header) van het commando wordt opge
nomen in de MAC-berekening. Bijgevolg wordt de
waarde „0C” wordt gebruikt voor de bytecategorie CLA.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 484
— Zoals gespecificeerd in aanhangsel 2, zijn alle
instructiebytes (INS) even, met als mogelijke uitzon
dering oneven instructiebytes voor de READ
BINARY- en UPDATE BINARY-commando's.
— De werkelijke waarde van Lc wordt gewijzigd in Lc' na
toepassing van de beveiligde berichtenuitwisseling.
— Het gegevensveld bestaat uit gegevensobjecten voor be
veiligde berichtenuitwisseling (SM DO's).
— In het beveiligde APDU-commando wordt de nieuwe
lengtebyte (Le) ingesteld op „00”. Indien nodig wordt
een gegevensobject „97” toegevoegd aan het gegevens
veld om de oorspronkelijke waarde van Le door te
geven.
▼M1
CSM_191 Elk te coderen gegevensobject wordt opgevuld overeenkom
stig [ISO 7816-4] met behulp van de paddingindicator „01”.
Om de MAC te berekenen, worden gegevensobjecten in de
APDU opgevuld overeenkomstig [ISO 7816-4].
Opmerking: de opvulling (padding) voor beveiligde berich
tenuitwisseling wordt altijd uitgevoerd door de SM-laag,
niet door het CMAC- of CBC-algoritme.
Samenvatting en voorbeelden
Afhankelijk van het desbetreffende onbeveiligde commando heeft een
APDU-commando waarop beveiligde berichtenuitwisseling is toegepast,
de volgende structuur („DO” staat voor gegevensobject):
Geval 1: CLA INS P1 P2 || Lc' || DO „8E”
|| Le
Geval 2: CLA INS P1 P2 || Lc' || DO „97”
|| DO„8E” || Le
Geval 3 (even instructiebyte INS): CLA INS P1 P2 || Lc' || DO „81”
|| DO„8E” || Le
Geval 3 (oneven instructiebyte INS): CLA INS P1 P2 || Lc' || DO „B3”
|| DO„8E” || Le
Geval 4 (even instructiebyte INS): CLA INS P1 P2 || Lc' || DO „81”
|| DO„97” || DO„8E” || Le
Geval 4 (oneven instructiebyte INS): CLA INS P1 P2 || Lc' || DO „B3”
|| DO„97” || DO‘8E’ || Le
waarbij de lengtebyte Le = „00” of „00 00” naargelang velden met korte
lengte of met uitgebreide lengte worden gebruikt; zie [ISO 7816-4].
Afhankelijk van het desbetreffende onbeveiligde antwoord heeft een
APDU-antwoord waarop beveiligde berichtenuitwisseling is toegepast,
de volgende structuur:
Geval 1 of 3: DO „99” || DO „8E” ||
SW1SW2
Geval 2 of 4
(even instructiebyte INS)
zonder codering:
DO „81” || DO „99” || DO
„8E” || SW1SW2
Geval 2 of 4 (even instructiebyte
INS) met codering:
DO „87” || DO „99” || DO
„8E” || SW1SW2
Geval 2 of 4 (oneven instructiebyte
INS) zonder codering:
DO „B3” || DO „99” || DO
„8E” || SW1SW2
Opmerking: geval 2 of 4 (oneven instructiebyte INS) met codering wordt
nooit gebruikt bij de communicatie tussen een VU en een kaart.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 485
Hieronder staan drie voorbeelden van APDU-transformaties voor com
mando's met een even instructiecode (INS). Figuur 8 toont een geauthen
ticeerd APDU-commando in geval 4, Figuur 9 toont een geauthenticeerd
APDU-antwoord in geval 1/geval 3, en Figuur 10 toont een gecodeerd en
geauthenticeerd APDU-antwoord in geval 2/geval 4.
Figuur 8
Transformatie van een geauthenticeerd APDU-commando in geval 4
Figuur 9
Transformatie van een geauthenticeerd APDU-antwoord in geval 1/geval 3
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 486
Figuur 10
Transformatie van een gecodeerd en geauthenticeerd APDU-antwoord in geval 2/geval 4
▼B
10.5.3 Afbreken van een sessie voor beveiligde berichtenuitwisseling
CSM_192 De voertuigunit breekt een actieve sessie voor beveiligde be
richtenuitwisseling (SM-sessie) enkel en alleen af indien een
van de volgende omstandigheden zich voordoet:
— de VU ontvangt een ongecodeerd APDU-antwoord;
— de VU stelt een SM-fout in een APDU-antwoord vast:
— een verwacht SM-gegevensobject ontbreekt, de gege
vensobjecten staan niet in de juiste volgorde, of er is
een onbekend gegevensobject aanwezig;
— een SM-gegevensobject is onjuist, bijvoorbeeld on
juiste MAC-waarde, onjuiste TLV-structuur of paddin
gindicator in label „87” verschilt van „01”;
— de kaart zendt een statusbyte terug om te melden dat een
SM-fout werd vastgesteld (zie CSM_194);
— het maximumaantal commando's en bijbehorende ant
woorden van de huidige sessie is bereikt. Dit maximum
aantal wordt voor de VU vastgelegd door de fabrikant,
rekening houdend met de beveiligingseisen van de ge
bruikte hardware, en bedraagt 240 SM-commando's en
bijbehorende antwoorden per sessie.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 487
CSM_193 De tachograafkaart breekt een actieve SM-sessie enkel en
alleen af indien een van de volgende omstandigheden zich
voordoet:
— de kaart ontvangt een ongecodeerd APDU-commando;
— de kaart stelt een SM-fout in een APDU-commando vast:
— een verwacht SM-gegevensobject ontbreekt, de gege
vensobjecten staan niet in de juiste volgorde, of er is
een onbekend gegevensobject aanwezig;
— een SM-gegevensobject is onjuist, bijvoorbeeld on
juiste MAC-waarde of onjuiste TLV-structuur;
— onderbreking van de stroomvoorziening of kaartterugstel
ling (reset);
— de VU start de VU-authenticatieprocedure,
— het maximumaantal commando’s en bijbehorende ant
woorden van de huidige sessie is bereikt. Dit maximum
aantal wordt voor de kaart vastgelegd door de fabrikant,
rekening houdend met de beveiligingseisen van de ge
bruikte hardware, en bedraagt 240 SM-commando’s en
bijbehorende antwoorden per sessie.
▼B
CSM_194 De tachograafkaart behandelt SM-fouten als volgt:
— Indien sommige in een APDU-commando verwachte
SM-gegevensobjecten ontbreken, gegevensobjecten niet
in de juiste volgorde staan of onbekende gegevensobjec
ten aanwezig zijn, zendt de tachograafkaart de statusbytes
„69 87” terug.
— Indien een APDU-commando een onjuist SM-gegevens
object bevat, zendt de tachograafkaart de statusbytes „69
88” terug.
In dit geval worden de statusbytes teruggezonden zonder SM.
CSM_195 Indien een SM-sessie tussen de VU en tachograafkaart wordt
afgebroken, voeren de VU en tachograafkaart de volgende
acties uit:
— de opgeslagen sessiesleutels worden veilig vernietigd;
— er wordt onmiddellijk een nieuwe SM-sessie tot stand
gebracht, zoals beschreven in punten 10.2 tot en met 10.5.
CSM_196 Indien de VU om welke reden dan ook beslist de wederzijdse
authenticatie voor een ingebrachte kaart opnieuw te starten,
begint de procedure opnieuw met de verificatie van de certi
ficaatketen op kaartniveau, zoals uiteengezet in punt 10.2.
Vervolgens wordt de procedure voortgezet zoals beschreven
in punten 10.2 tot en met 10.5.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 488
11. KOPPELING, WEDERZIJDSE AUTHENTICATIE EN BEVEILIGDE
BERICHTENUITWISSELING TUSSEN VU EN EXTERNE
GNSS-MODULE
11.1. Algemeen
CSM_197 De GNSS-module die de VU gebruikt om zijn positie te
bepalen, kan zich zowel binnen de VU bevinden (in de
VU-systeemkast ingebouwd en niet demonteerbaar) als daar
buiten, in de vorm van een externe module. In het eerste
geval is het niet nodig de interne communicatie tussen de
GNSS-module en de VU te standaardiseren, en zijn de in
dit hoofdstuk vastgelegde voorschriften Niet van toepassing.
In het tweede geval moet de communicatie tussen de VU en
de externe GNSS-module worden gestandaardiseerd en be
schermd op de in dit hoofdstuk beschreven wijze.
CSM_198 De beveiligde communicatie tussen een voertuigunit en ex
terne GNSS-module vindt op dezelfde wijze plaats als tussen
een voertuigunit en tachograafkaart, met dit verschil dat de
externe GNSS-module (EGF) de rol van de kaart overneemt.
De externe GNSS-module moet voldoen aan alle in
hoofdstuk 10 vermelde voorschriften voor tachograafkaarten,
onverminderd de in dit hoofdstuk genoemde afwijkingen, ver
duidelijkingen en aanvullingen. In het bijzonder de weder
zijdse verificatie van de certificaatketen, de VU-authenticatie
en chipauthenticatie moeten worden uitgevoerd zoals beschre
ven in punten 11.3 en 11.4.
CSM_199 Anders dan bij de communicatie tussen een voertuigunit en
tachograafkaart, moeten de voertuigunit en externe
GNSS-module eenmaal worden gekoppeld in de werkplaats
voordat ze op GNSS gebaseerde gegevens kunnen uitwisselen
tijdens normaal bedrijf. Het koppelingsproces wordt nader
toegelicht in punt 11.2.
CSM_200 Voor de communicatie tussen een voertuigunit en externe
GNSS-module worden op [ISO 7816-4] en [ISO 7816-8] ge
baseerde APDU-commando's en -antwoorden gebruikt. De
exacte structuur daarvan wordt gedefinieerd in aanhangsel 2
van deze bijlage.
11.2. Koppeling tussen VU en externe GNSS-module
CSM_201 De voertuigunit en de externe GNSS-module worden in de
werkplaats gekoppeld. Zodra de voertuigunit en de externe
GNSS-module gekoppeld zijn, kunnen ze met elkaar com
municeren tijdens normaal bedrijf.
CSM_202 Het is alleen mogelijk een voertuigunit en externe
GNSS-module te koppelen indien de voertuigunit in kalibre
ringsmodus staat. De koppelingsprocedure wordt gestart door
de voertuigunit.
CSM_203 In de werkplaats kan een voertuigunit te allen tijde aan een
andere of opnieuw aan dezelfde externe GNSS-module wor
den gekoppeld. Bij het opnieuw koppelen wordt het bestaande
certificaat EGF_MA in het geheugen van de VU veilig ver
nietigd, en slaat de VU het certificaat EGF_MA op van de
externe GNSS-module waaraan hij wordt gekoppeld.
CSM_204 In de werkplaats kan een externe GNSS-module te allen tijde
aan een andere of opnieuw aan dezelfde voertuigunit worden
gekoppeld. Bij het opnieuw koppelen wordt het bestaande
certificaat VU_MA in het geheugen van de externe
GNSS-module veilig vernietigd, en slaat de module het cer
tificaat VU_MA op van de VU waaraan hij wordt gekoppeld.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 489
11.3. Wederzijdse verificatie van de certificaatketen
11.3.1 Algemeen
CSM_205 De wederzijdse verificatie van de certificaatketen tussen een
VU en externe GNSS-module vindt uitsluitend plaats op het
ogenblik dat de VU en de externe GNSS-module in de werk
plaats worden gekoppeld. Tijdens normaal bedrijf van een
gekoppelde VU en externe GNSS-module worden geen cer
tificaten geverifieerd. In plaats daarvan worden de certificaten
die tijdens de koppelingsprocedure zijn opgeslagen als ver
trouwde certificaten beschouwd door de VU en de externe
GNSS-module, nadat ze op temporele geldigheid zijn gecon
troleerd. Andere certificaten wordt niet vertrouwd ter bescher
ming van de communicatie tussen de VU en de externe
GNSS-module tijdens normaal bedrijf.
11.3.2 Tijdens de koppeling tussen VU en externe GNSS-module
CSM_206 Tijdens de koppeling met een externe GNSS-module gaat de
voertuigunit te werk volgens het stroomschema in Figuur 4
(zie punt 10.2.1) om de certificaatketen van de externe
GNSS-module te verifiëren.
Toelichtingen bij Figuur 4 in deze context:
— De communicatiecontrole valt buiten het toepassings
gebied van dit aanhangsel. Een externe GNSS-module is
echter geen smartcard, waardoor de VU wellicht geen
terugstelcommando (reset) zal verzenden om de communi
catie te initiëren en evenmin een antwoord op
terugstellen (ATR) zal ontvangen.
— De kaartcertificaten en openbare sleutels in deze figuur
worden opgevat als die van de externe GNSS-module
ten behoeve van de wederzijdse authenticatie. In punt
9.1.6 worden deze aangeduid als EGF_MA.
— De openbare sleutels en certificaten Card.CA in deze fi
guur worden opgevat als die van de MSCA ter onder
tekening van de certificaten van de externe
GNSS-module. In punt 9.1.3 worden deze aangeduid als
MSCA_VU-EGF.
— Het certificaat Card.CA.EUR in deze figuur wordt opge
vat als het Europese basiscertificaat dat vermeld staat in
de referentie van de certificeringsautoriteit (CAR) van het
certificaat MSCA_VU-EGF.
— Het certificaat Card.Link in deze figuur wordt opgevat als
het verbindingscertificaat van de externe GNSS-module
(indien aanwezig). Zoals verduidelijkt in punt 9.1.2, is
dit een verbindingscertificaat voor een nieuw Europees
basissleutelpaar dat door de ERCA is aangemaakt en dat
met de vorige Europese particuliere sleutel is ondertekend.
— Het certificaat Card.Link.EUR is het Europese basiscerti
ficaat dat vermeld staat in de referentie van de
certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat
Card.Link.
— In plaats van leest de
VU in het hoofdbestand
van de chipkaart (EF ICC).
— De VU selecteert hier niet de toepassingsidentificator
(AID) van de tachograaf, maar die van de externe
GNSS-module (EGF AID).
— De instructie „Ignore Card” wordt opgevat als „Ignore
EGF”.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 490
CSM_207 Na verificatie van het certificaat EGF_MA slaat de voertuig
unit dit certificaat op voor gebruik tijdens normaal bedrijf (zie
punt 11.3.3).
CSM_208 ►M1 Tijdens de koppeling met een VU gaat de externe
GNSS-module te werk volgens het stroomschema in Figuur
5 (zie punt 10.2.2) om de certificaatketen op VU-niveau te
verifiëren. ◄
Toelichtingen bij Figuur 5 in deze context:
— De VU genereert een nieuw tijdelijk sleutelpaar op basis
van de domeinparameters in het certificaat van de externe
GNSS-module.
— De VU-certificaten en openbare sleutels in deze figuur
dienen voor de wederzijdse authenticatie. In punt 9.1.4
worden deze aangeduid als VU_MA.
— De openbare sleutels en certificaten VU.CA in deze figuur
dienen om certificaten van voertuigunits en externe
GNSS-modules te ondertekenen. In punt 9.1.3 worden
deze aangeduid als MSCA_VU-EGF.
— Het certificaat VU.CA.EUR in deze figuur is het Europese
basiscertificaat dat vermeld staat in de referentie van de
certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat VU.CA.
— Het certificaat VU.Link in deze figuur is het verbindings
certificaat van de VU (indien aanwezig). Zoals verduide
lijkt in punt 9.1.2, is dit een verbindingscertificaat voor
een nieuw Europees basissleutelpaar dat door de ERCA is
aangemaakt en dat met de vorige Europese particuliere
sleutel is ondertekend.
— Het certificaat VU.Link.EUR is het Europese basiscertifi
caat dat vermeld staat in de referentie van de
certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat VU.Link.
CSM_209 In afwijking van het voorschrift CSM_167 gebruikt de ex
terne GNSS-module de eigen tijdaanduiding om de temporele
geldigheid van een aangeboden certificaat te verifiëren.
▼M1
CSM_210 Na verificatie van het certificaat VU_MA slaat de externe
GNSS-module dit certificaat op voor gebruik tijdens normaal
bedrijf; zie punt 11.3.3.
▼B
11.3.3 Tijdens normaal bedrijf
CSM_211 ►M1 Tijdens normaal bedrijf gaan de voertuigunit en ex
terne GNSS-module te werk volgens het stroomschema in
Figuur 11 om de temporele geldigheid te verifiëren van het
opgeslagen EGF_MA-certificaat en om de openbare sleutel
VU_MA in te stellen met het oog op de VU-authenticatie
op een later tijdstip. Er vindt geen verdere wederzijdse veri
ficatie van de certificaatketens plaats tijdens normaal
bedrijf. ◄
Het stroomschema in Figuur 11 omvat in wezen de eerste
stappen die terug te vinden zijn in Figuur 4 en Figuur 5.
Zoals gezegd, is een externe GNSS-module echter geen
smartcard, waardoor de VU ook hier wellicht geen terugstel
commando (reset) zal verzenden om de communicatie te ini
tiëren en evenmin een antwoord op terugstellen (ATR) zal
ontvangen. Dit valt hoe dan ook buiten het toepassingsgebied
van dit aanhangsel.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 491
Figuur 11
Wederzijdse verificatie van de temporele geldigheid van het certificaat tijdens normaal bedrijf van VU en externe
GNSS-module
CSM_212 Zoals blijkt uit Figuur 11, registreert de voertuigunit een fout
indien het certificaat EGF_MA niet langer geldig is. De we
derzijdse authenticatie, sleutelovereenstemming en latere com
municatie via beveiligde berichtenuitwisseling verlopen echter
op de gebruikelijke wijze.
11.4. VU-authenticatie, chipauthenticatie en sleutelovereenstemming tij
dens de sessie
CSM_213 De VU-authenticatie, chipauthenticatie en sleutelovereenstem
ming tijdens de sessie tussen een VU en externe
GNSS-module vinden plaats tijdens de koppelingsprocedure
en telkens wanneer een nieuwe sessie voor beveiligde berich
tenuitwisseling (SM-sessie) tot stand wordt gebracht tijdens
normaal bedrijf. De VU en de externe GNSS-module voeren
de in punten 10.3 en 10.4 beschreven procedures uit. Alle in
deze punten vastgestelde voorschriften zijn van toepassing.
11.5. Beveiligde berichtenuitwisseling
CSM_214 Nadat de chip met succes is geauthenticeerd en tot op het
ogenblik dat de sessie wordt beëindigd, worden alle com
mando's en antwoorden die de voertuigunit en externe
GNSS-module met elkaar uitwisselen beschermd door bevei
ligde berichtenuitwisseling in alleen-authenticeren-modus.
Alle in punt 10.5 vastgestelde voorschriften zijn van
toepassing.
CSM_215 Indien de beveiligde berichtenuitwisseling tussen een VU en
externe GNSS-module wordt afgebroken, brengt de VU on
middellijk een nieuwe SM-sessie tot stand, zoals uiteengezet
in punten 11.3.3 en 11.4.
12. KOPPELING EN COMMUNICATIE TUSSEN VU EN BEWEGINGS
SENSOR
12.1. Algemeen
CSM_216 Tijdens de koppelingsprocedure en tijdens normaal bedrijf
communiceren de voertuigunit en bewegingssensor met elkaar
overeenkomstig het in [ISO 16844-3] gespecificeerde interfa
ceprotocol, onverminderd de wijzigingen die nader worden
omschreven in dit hoofdstuk en in punt 9.2.1.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 492
Opmerking: de lezer wordt bekend verondersteld met de in
houd van [ISO 16844-3].
12.2. Koppeling tussen VU en bewegingssensor met gebruikmaking van
sleutels van verschillende generaties
Zoals uiteengezet in punt 9.2.1, wordt de hoofdsleutel van de bewegings
sensor met alle bijbehorende sleutels regelmatig vervangen. Het gevolg
hiervan is dat op werkplaatskaarten tot drie aan de bewegingssensor
gerelateerde AES-sleutels K M-WC (van opeenvolgende generaties) kunnen
voorkomen. Ook bewegingssensoren kunnen tot drie verschillende op
AES gebaseerde gegevenscoderingen bevatten (die berusten op opeen
volgende generaties van de hoofdsleutel van de bewegingssensor K M ).
De voertuigunit bevat slechts één aan de bewegingssensor gerelateerde
sleutel K M-VU .
CSM_217 Een VU van de tweede generatie en een bewegingssensor van
de tweede generatie worden als volgt gekoppeld (zie ook
tabel 6 in [ISO 16844-3]):
1. De werkplaatskaart van de tweede generatie wordt in
gebracht in de VU en de VU wordt verbonden met de
bewegingssensor.
2. De VU leest alle beschikbare sleutels K M-WC op de werk
plaatskaart, controleert het versienummer van de sleutels
en kiest de sleutel die overeenstemt met het versienummer
van de sleutel K M-VU van de VU. Indien de werkplaats
kaart geen overeenstemmende sleutel K M-WC bevat, wordt
de koppelingsprocedure afgebroken door de VU en krijgt
de werkplaatskaarthouder een foutmelding te zien.
3. Zoals gespecificeerd in punt 9.2.1, berekent de VU de
hoofdsleutel van de bewegingssensor K M op basis van
de sleutels K M-VU en K M-WC en de identificatiesleutel
K ID op basis van de sleutel K M .
4. De VU geeft de bewegingssensor opdracht om de kop
pelingsprocedure te starten, zoals beschreven in [ISO
16844-3], en codeert het van de bewegingssensor ontvan
gen serienummer met de identificatiesleutel K ID . De VU
zendt het gecodeerde serienummer terug naar de
bewegingssensor.
5. De bewegingssensor vergelijkt het gecodeerde serienum
mer achtereenvolgens met de intern opgeslagen gecodeerde
versies van het serienummer. Indien een overeenstemmend
serienummer wordt gevonden, wordt de VU geauthenti
ceerd. De bewegingssensor registreert de generatie van
de door de VU gebruikte sleutel K ID en zendt de over
eenstemmende gecodeerde versie van de koppelingssleutel
terug, dat wil zeggen de gecodeerde sleutel die werd aan
gemaakt met de sleutel K M van dezelfde generatie.
6. De VU decodeert de koppelingssleutel met K M , genereert
een sessiesleutel K S , codeert die met de koppelingssleutel
en zendt het resultaat terug naar de bewegingssensor. De
bewegingssensor decodeert de sessiesleutel K S .
7. De VU verzamelt de koppelingsinformatie zoals aange
geven in [ISO 16844-3] en codeert die met de koppelings
sleutel. Vervolgens zendt de VU het resultaat terug naar de
bewegingssensor. De bewegingssensor decodeert de
koppelingsinformatie.
8. De bewegingssensor codeert de ontvangen koppelings
informatie met de ontvangen sessiesleutel K S en zendt
deze terug naar de VU. De VU controleert of de kop
pelingsinformatie identiek is aan de informatie die in de
vorige stap naar de bewegingssensor werd verzonden. In
dien het gaat om dezelfde informatie, bewijst dit dat de
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 493
bewegingssensor dezelfde sessiesleutel K S heeft gebruikt
als de VU en bijgevolg in stap 5 de koppelingssleutel heeft
teruggezonden nadat die met de sleutel K M van de juiste
generatie werd gecodeerd. Bijgevolg wordt de bewegings
sensor geauthenticeerd.
Stappen 2 en 5 verschillen van de standaardprocedure in [ISO
16844-3]; de overige stappen komen overeen met de
standaardprocedure.
Voorbeeld: Stel dat de koppelingsprocedure wordt uitgevoerd
in het eerste jaar van geldigheid van het certificaat ERCA (3);
zie Figuur 2 in punt 9.2.1.2. Stel verder dat
— de bewegingssensor in gebruik werd genomen in het laat
ste jaar van geldigheid van het certificaat ERCA (1). De
bewegingssensor bevat bijgevolg de volgende sleutels en
gegevens:
— N s [1]: het serienummer van de bewegingssensor, ge
codeerd met de identificatiesleutel K ID van de eerste
generatie;
— N s [2]: het serienummer van de bewegingssensor, ge
codeerd met de identificatiesleutel K ID van de tweede
generatie;
— N s [3]: het serienummer van de bewegingssensor, ge
codeerd met de identificatiesleutel K ID van de derde
generatie;
— K P [1]: de koppelingssleutel van de eerste generatie ( 1 ),
gecodeerd met de sleutel K M van de eerste generatie;
— K P [2]: de koppelingssleutel van de tweede generatie,
gecodeerd met de sleutel K M van de tweede generatie;
— K P [3]: de koppelingssleutel van de derde generatie,
gecodeerd met de sleutel K M van de derde generatie.
— Stel dat de werkplaatskaart werd afgegeven in het eerste
jaar van geldigheid van het certificaat ERCA (3). Deze
kaart bevat bijgevolg de sleutel K M-WC van de tweede en
de derde generatie.
— Stel dat de VU van de tweede generatie is en de sleutel
K M-VU van de tweede generatie bevat.
In dit geval verlopen stappen 2 tot en met 5 als volgt:
— Stap 2: de VU leest de sleutel K M-WC van de tweede en
de derde generatie op de werkplaatskaart, en controleert
de versienummers ervan.
— Stap 3: de VU combineert de sleutel K M-WC van de
tweede generatie met zijn sleutel K M-VU om K M en K ID
af te leiden.
— Stap 4: de VU codeert het van de bewegingssensor ont
vangen serienummer met de identificatiesleutel K ID .
— Stap 5: de bewegingssensor vergelijkt de ontvangen ge
gevens met N s [1] en vindt geen overeenkomst. Daarna
vergelijkt de bewegingssensor de gegevens met N s [2] en
vindt een overeenkomst. De bewegingssensor maakt hier
uit op dat de VU van de tweede generatie is en zendt
bijgevolg K P [2] terug.
▼B
( 1 ) Zoals uiteengezet in CSM_117, kunnen de koppelingssleutels van de eerste, tweede en
derde generatie betrekking hebben op dezelfde sleutel dan wel op drie verschillende
sleutels met een onderling afwijkende lengte.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 494
12.3. Koppeling en communicatie tussen VU en bewegingssensor via AES
CSM_218 Zoals gespecificeerd in Tabel 3 onder 9.2.1, zijn alle sleutels
die worden gebruikt voor de koppeling van een voertuigunit
(van de tweede generatie) en een bewegingssensor en voor de
latere communicatie, AES-sleutels en geen TDES-sleutels met
dubbele lengte zoals gespecificeerd in [ISO 16844-3]. Deze
AES-sleutels kunnen 128, 192 of 256 bits lang zijn. Aange
zien de AES-blokgrootte 16 bytes bedraagt, moet de lengte
van een gecodeerd bericht een veelvoud zijn van 16 bytes,
tegenover 8 bytes voor TDES-sleutels. Bovendien worden
sommige van die berichten gebruikt om AES-sleutels over
te brengen met een lengte van 128, 192 of 256 bits. Bijgevolg
wordt het in tabel 5 van [ISO 16844-3] vermelde aantal ge
gevensbytes per instructie aangepast zoals aangegeven in Ta
bel 6:
▼M1
Tabel 6
Aantal ongecodeerde en gecodeerde gegevensbytes per instructie overeenkomstig [ISO 16844-3]
Instructie Type Gegevensbeschrijving
Aantal ongecodeerde
gegevensbytes over
eenkomstig
[ISO 16844-3]
Aantal ongecodeerde
gegevensbytes bij
gebruik van
AES-sleutels
Aantal gecodeerde gegevens
bytes bij gebruik van
AES-sleutels met bitlengte
128 192 256
10 Verzoek Authenticatiegege
vens + bestandsnum
mer
8 8 16 16 16
11 Antwoord Authenticatiegege
vens + bestandsin
houd
16 of 32, afhanke
lijk van bestand
16 of 32, afhanke
lijk van bestand
32 / 48 32 / 48 32 / 48
41 Verzoek Serienummer be
wegingssensor
8 8 16 16 16
41 Antwoord Koppelingssleutel 16 16 / 24 / 32 16 32 32
42 Verzoek Sessiesleutel 16 16 / 24 / 32 16 32 32
43 Verzoek Koppelingsinformatie 24 24 32 32 32
50 Antwoord Koppelingsinformatie 24 24 32 32 32
70 Verzoek Authenticatiegege
vens
8 8 16 16 16
80 Antwoord Tellerwaarde be
wegingssensor + au
thenticatiegegevens
8 8 16 16 16
▼B
CSM_219 De koppelingsinformatie die wordt verzonden in instructies
43 (verzoek VU) en 50 (antwoord bewegingssensor), wordt
verzameld zoals gespecificeerd in punt 7.6.10 van [ISO
16844-3], met dit verschil dat in het coderingsschema van
de koppelingsgegevens het AES-algoritme wordt toegepast
in plaats van het TDES-algoritme, waardoor twee
AES-coderingen ontstaan, en dat de in CSM_220 vermelde
padding wordt gebruikt ter aanpassing aan de
AES-blokgrootte. De voor deze codering gebruikte sleutel
K' p wordt als volgt gegenereerd:
— Indien de koppelingssleutel K P 16 bytes lang is: K' p = K P
XOR (N s ||N s )
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 495
— Indien de koppelingssleutel K P 24 bytes lang is: K' p = K P
XOR (N s ||N s ||N s )
— Indien de koppelingssleutel K P 32 bytes lang is: K' p = K P
XOR (N s ||N s ||N s ||N s )
waarbij N s het serienummer van 8 bytes van de bewegings
sensor is.
CSM_220 Indien de ongecodeerde gegevenslengte (bij gebruik van
AES-sleutels) geen veelvoud van 16 bytes is, wordt de in
[ISO 9797-1] vastgelegde paddingmethode 2 toegepast.
Opmerking: in [ISO 16844-3] is het aantal ongecodeerde ge
gevensbytes altijd een veelvoud van 8, zodat bij gebruik van
TDES geen padding nodig is. De definitie van gegevens en
berichten in [ISO 16844-3] wordt niet gewijzigd door dit
onderdeel van dit aanhangsel, waardoor padding noodzakelijk
is.
CSM_221 Voor instructie 11 en indien men meerdere gegevensblokken
moet coderen, wordt de CBC(Cipher Block Chaining)-wer
kingsmodus toegepast, zoals vastgelegd in [ISO 10116], met
een interleave-parameter m = 1. Hierbij wordt de volgende
initialisatievector (IV) gebruikt:
— Voor instructie 11: het authenticatieblok van 8 bytes zoals
gespecificeerd in punt 7.6.3.3 van [ISO 16844-3], opge
vuld volgens de in [ISO 9797-1] vastgelegde padding
methode 2; zie ook punten 7.6.5 en 7.6.6 van [ISO
16844-3].
— Voor alle andere instructies waarin meer dan 16 bytes
worden overgebracht, zoals gespecificeerd in Tabel 6:
„00” {16}, dat wil zeggen 16 bytes met een binaire nul.
Opmerking: zoals verduidelijkt in punten 7.6.5 en 7.6.6 van
[ISO 16844-3], in het geval dat de bewegingssensor gege
vensbestanden codeert om die op te nemen in instructie 11,
wordt het authenticatieblok:
— gebruikt als de initialisatievector om de gegevensbestan
den in CBC-modus te coderen;
— gecodeerd en als eerste blok opgenomen in de naar de VU
verzonden gegevens.
12.4. Koppeling tussen VU en bewegingssensor voor apparatuur van ver
schillende generaties
CSM_222 Zoals uiteengezet in punt 9.2.1, kan een bewegingssensor van
de tweede generatie de op TDES gebaseerde codering van de
koppelingsgegevens bevatten (zoals vastgelegd in deel A van
dit aanhangsel). Hierdoor kan de bewegingssensor worden
gekoppeld aan een VU van de eerste generatie. In dit geval
moet men de VU van de eerste generatie en de bewegings
sensor van de tweede generatie koppelen zoals beschreven in
deel A van dit aanhangsel en in [ISO 16844-3]. Voor de
koppelingsprocedure kan een werkplaatskaart van de eerste
of van de tweede generatie worden gebruikt.
Opmerkingen:
— Het is niet mogelijk een VU van de tweede generatie te
koppelen aan een bewegingssensor van de eerste
generatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 496
— Het is niet mogelijk een werkplaatskaart van de eerste
generatie te gebruiken om een VU van de tweede gene
ratie te koppelen aan een bewegingssensor.
13. BEVEILIGING VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND VIA DE
DSRC-INTERFACE
13.1. Algemeen
Zoals gespecificeerd in aanhangsel 14, genereert een VU regelmatig
gegevens over de tachograafcontrole op afstand (RTM), en verzendt
die naar de (interne of externe) inrichting voor communicatie op
afstand (RCF). De inrichting voor communicatie op afstand dient deze
gegevens naar het systeem voor ondervraging op afstand te verzenden via
de in aanhangsel 14 beschreven DSRC-interface. In aanhangsel 1 worden
de RTM-gegevens gespecificeerd als samenvoeging van:
gecodeerde payloadgegevens van de tachograaf de codering van de
ongecodeerde payloadgegevens van de tachograaf;
DSRC-beveiligingsgegevens zie onderstaande beschrijving.
Het formaat van de ongecodeerde payloadgegevens van de tachograaf
wordt gespecificeerd in aanhangsel 1 en nader toegelicht in aanhangsel
14. In dit gedeelte wordt een beschrijving gegeven van de structuur van
de DSRC-beveiligingsgegevens; de formele specificaties zijn terug te
vinden in aanhangsel 1.
CSM_223 De ongecodeerde -gegevens die de
VU doorgeeft aan een inrichting voor communicatie op af
stand (indien de RCF zich buiten de VU bevindt) of aan een
systeem voor ondervraging op afstand via de DSRC-interface
(indien de RCF zich in de VU bevindt), worden beveiligd in
eerst-coderen-dan-authenticeren-modus. Dit betekent dat de
payloadgegevens van de tachograaf eerst worden gecodeerd
om de vertrouwelijkheid van het bericht te waarborgen,
waarna een berichtauthenticatiecode (MAC) wordt berekend
om de authenticiteit en integriteit van de gegevens te
waarborgen.
CSM_224 De DSRC-beveiligingsgegevens bestaan uit de samenvoeging
van de volgende gegevenselementen in de hieronder aange
geven volgorde (zie ook Figuur 12):
Lopende datum/tijd de huidige datum en tijd van de VU (gege
venstype )
Teller een teller van 3 bytes (zie CSM_225)
▼M1
Serienummer van de VU het serienummer van de VU of de identifica
tor van de certificaataanvraag (gegevenstype
VuSerialNumber of CertificateRequestID) –
zie CSM_123
▼B
Versienummer van DSRC-hoofdsleutel het versienummer van 1 byte van de DSRC-
hoofdsleutel waarvan de VU-specifieke
DSRC-sleutels zijn afgeleid (zie punt 9.2.2)
MAC de berichtauthenticatiecode, berekend op basis
van alle vorige bytes in de RTM-gegevens.
CSM_225 De teller van 3 bytes in de DSRC-beveiligingsgegevens heeft
het formaat „MSB-first” (meest significante bits eerst). Wan
neer de VU voor het eerst na ingebruikname een reeks
RTM-gegevens berekent, wordt de teller op nul gezet. Alvo
rens een nieuwe reeks RTM-gegevens te berekenen, verhoogt
de VU de waarde van de teller telkens met 1.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 497
13.2. Codering van de payloadgegevens van de tachograaf en
MAC-generering
CSM_226 Stel een ongecodeerd gegevenselement met gegevenstype
, zoals beschreven in aanhangsel
14. De VU codeert deze gegevens zoals aangegeven in Figuur
12. De DSRC-coderingssleutel K_VU DSRC _ENC van de VU
(zie punt 9.2.2) wordt gebruikt met het AES-algoritme in de
CBC(Cipher Block Chaining)-werkingsmodus, zoals vast
gelegd in [ISO 10116], met een interleave-parameter m = 1.
De initialisatievector is gelijk aan IV = lopende datum/tijd ||
„00 00 00 00 00 00 00 00 00” || teller, met lopende datum/
tijd en teller zoals gespecificeerd in CSM_224. De te coderen
gegevens worden opgevuld volgens de in [ISO 9797-1] vast
gelegde paddingmethode 2.
CSM_227 De VU berekent de berichtauthenticatiecode (MAC) in de
DSRC-beveiligingsgegevens zoals verduidelijkt in Figuur
12. De MAC wordt berekend voor alle vorige bytes in de
RTM-gegevens, tot en met het versienummer van de
DSRC-hoofdsleutel, met inbegrip van de labels en rekening
houdend met de lengte van de gegevensobjecten. De VU
gebruikt deze DSRC-sleutel om de authenticiteit te waarbor
gen met K_VU DSRC _MAC (zie punt 9.2.2) en past daarbij het
AES-algoritme toe in CMAC-modus, zoals gespecificeerd in
[SP 800-38B]. De lengte van de berichtauthenticatiecode
(MAC) is gerelateerd aan de lengte van de VU-specifieke
DSRC-sleutels, zoals gespecificeerd in CSM_50.
Figuur 12
Codering van de payloadgegevens van de tachograaf en MAC-generering
13.3. Verificatie en decodering van de payloadgegevens van de tachograaf
CSM_228 Bij ontvangst van RTM-gegevens van een VU brengt het
systeem voor ondervraging op afstand alle RTM-gegevens
over op een controlekaart in het gegevensveld van een PRO
CESS DSRC MESSAGE-commando, zoals beschreven in
aanhangsel 2. Daarna gebeurt het volgende:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 498
1. De controlekaart inspecteert het versienummer van de
DSRC-hoofdsleutel in de DSRC-beveiligingsgegevens. In
dien de controlekaart de opgegeven DSRC-hoofdsleutel
niet kent, zendt deze een fout terug, zoals gespecificeerd
in aanhangsel 2, en wordt de procedure afgebroken.
▼M1
2. De controlekaart gebruikt de opgegeven DSRC-hoofdsleutel
in combinatie met het VU-serienummer of de identificator
van de certificaataanvraag in de DSRC-beveiligingsgege
vens om de VU-specifieke DSRC-sleutels K_VU DSRC _ENC
en K_VU DSRC _MAC af te leiden, zoals gespecificeerd in
CSM_124.
▼B
3. De controlekaart gebruikt de sleutel K_VU DSRC _MAC om
de berichtauthenticatiecode (MAC) in de DSRC-beveili
gingsgegevens te verifiëren, zoals gespecificeerd in
CSM_227. Indien de MAC onjuist is, zendt de contro
lekaart een fout terug, zoals gespecificeerd in aanhangsel
2, en wordt de procedure afgebroken.
4. De controlekaart gebruikt de sleutel K_VU DSRC _ENC om
de gecodeerde payloadgegevens van de tachograaf te de
coderen, zoals gespecificeerd in CSM_226. De contro
lekaart verwijdert de padding en zendt de gedecodeerde
payloadgegevens van de tachograaf terug naar het systeem
voor ondervraging op afstand.
CSM_229 Om replay-aanvallen tegen te gaan, controleert het systeem
voor ondervraging op afstand of de RTM-gegevens up-to-date
zijn door zeker te stellen dat de tijdstempel (lopende datum/
tijd) van de DSRC-beveiligingsgegevens niet te veel afwijkt
van zijn eigen tijdaanduiding.
Opmerkingen:
— het systeem voor ondervraging op afstand moet daartoe
beschikken over een nauwkeurige en betrouwbare tijdbron.
— Aangezien de VU overeenkomstig aanhangsel 14 om de
60 seconden een nieuwe reeks RTM-gegevens moet bere
kenen, en de interne klok van de VU 1 minuut van de
werkelijke tijd mag afwijken, wordt een grenswaarde van
2 minuten toegepast om te bepalen of de RTM-gegevens
up-to-date zijn. De vereiste mate van actueel-zijn hangt
ook af van de nauwkeurigheid van de klok van het sys
teem voor ondervraging op afstand.
CSM_230 Wanneer in de werkplaats wordt gecontroleerd of de
DSRC-functie van een VU goed functioneert, worden alle
van de VU ontvangen RTM-gegevens overgebracht op een
werkplaatskaart in het gegevensveld van een PROCESS
DSRC MESSAGE-commando, zoals beschreven in aanhang
sel 2. De werkplaatskaart voert alle in CSM_228 gespecifi
ceerde controles en acties uit.
14. ONDERTEKENING VAN GEDOWNLOADE GEGEVENS EN HAND
TEKENINGVERIFICATIE
14.1. Algemeen
CSM_231 De gegevens die de intelligente toepassingsgerichte
apparatuur (IDE) van een VU of kaart ontvangt tijdens een
downloadsessie, worden opgeslagen in een fysiek gegevens
bestand. De gegevens kunnen ook op een extern
opslagmedium (ESM) worden bewaard. Dit bestand bevat
digitale handtekeningen van gegevensblokken, zoals gespeci
ficeerd in aanhangsel 7. Dit bestand bevat eveneens de vol
gende certificaten (zie punt 9.1):
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 499
— Indien gegevens worden gedownload van een VU:
— het certificaat VU_Sign,
— het certificaat MSCA_VU-EGF met de openbare sleu
tel ter verificatie van het certificaat VU_Sign.
— Indien gegevens worden gedownload van een kaart:
— het certificaat Card_Sign,
— het certificaat MSCA_Card met de openbare sleutel ter
verificatie van het certificaat Card_Sign.
CSM_232 Daarnaast beschikt de IDE over de volgende certificaten.
— Bij handtekeningverificatie met behulp van een contro
lekaart, zoals verduidelijkt in Figuur 13: het verbindings
certificaat tussen het laatste EUR-certificaat en het in
voorkomend geval onmiddellijk daaraan voorafgaande
EUR-certificaat.
— Bij handtekeningverificatie door de IDE zelf: alle geldige
Europese basiscertificaten.
Opmerking: de methode die de IDE gebruikt om deze certi
ficaten te lezen, wordt niet nader gespecificeerd in dit
aanhangsel.
14.2. Generering van de handtekening
CSM_233 Om voor de gedownloade gegevens digitale handtekeningen
aan te maken, wordt het ondertekeningsalgoritme ECDSA
gebruikt, zoals gespecificeerd in [DSS]. Daarbij wordt het
hashalgoritme toegepast dat gerelateerd is aan het sleutel
grootte van de VU of de kaart, zoals gespecificeerd in
CSM_50. Het handtekeningformaat is ongecodeerd, zoals ge
specificeerd in [TR-03111].
14.3. Handtekeningverificatie
CSM_234 ►M1 De IDE kan de handtekening van gedownloade gege
vens zelf verifiëren of kan daartoe gebruikmaken van een
controlekaart. Bij gebruik van een controlekaart verloopt de
handtekeningverificatie zoals aangegeven in figuur 13. Om de
temporele geldigheid van een door de IDE aangeboden certi
ficaat te verifiëren, gebruikt de controlekaart zijn interne klok,
zoals gespecificeerd in CSM_167. De controlekaart actua
liseert de lopende tijd indien de ingangsdatum van een au
thentiek „geldige tijdbron”-certificaat recenter is dan de tijd
aanduiding van de kaart. De kaart accepteert uitsluitend de
volgende certificaten als geldige tijdbron:
— ERCA-verbindingscertificaten van de tweede generatie;
— MSCA-certificaten van de tweede generatie;
— VU_Sign of Card_Sign van de tweede generatie die zijn
afgegeven door het land dat ook het kaartcertificaat van
de controlekaart heeft afgegeven.
Indien de IDE de handtekeningverificatie zelf uitvoert, verifi
eert de IDE de authenticiteit en geldigheid van alle certifica
ten in de certificaatketen van het gegevensbestand, alsook de
handtekening van de gegevens volgens het in [DSS] vast
gestelde handtekeningschema. In beide gevallen moet voor
elk certificaat dat van het gegevensbestand wordt gelezen,
worden nagegaan of het veld Certificate Holder
Authorisation (CHA) correct is:
— In het veld CHA van het EQT-certificaat moet een
VU-certificaat of kaartcertificaat (al naargelang van toe
passing) zijn vermeld voor ondertekening (zie aanhangsel
1, gegevenstype EquipmentType).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 500
— In de CHA van het certificaat EQT.CA moet een MSCA
vermeld zijn.
— In de CHA van het certificaat EQT.Link moet een ERCA
vermeld zijn. ◄
Toelichtingen bij Figuur 13:
— De apparatuur die de te analyseren gegevens heeft onder
tekend, wordt aangeduid als EQT.
— De openbare sleutels en certificaten van de
apparatuur (EQT) in deze figuur dienen om de certificaten
VU_Sign of Card-Sign te ondertekenen.
— De openbare sleutels en certificaten EQT.CA in deze fi
guur dienen in voorkomend geval om de VU- of kaart
certificaten te ondertekenen.
— Het certificaat EQT.CA.EUR in deze figuur is het Euro
pese basiscertificaat dat vermeld staat in de referentie van
de certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat
EQT.CA.
— Het certificaat EQT.Link in deze figuur is het verbin
dingscertificaat van de apparatuur (EQT), indien aan
wezig. Zoals verduidelijkt in punt 9.1.2, is dit een ver
bindingscertificaat voor een nieuw Europees basissleutel
paar dat door de ERCA is aangemaakt en dat met de
vorige Europese particuliere sleutel is ondertekend.
— Het certificaat EQT.Link.EUR is het Europese basiscerti
ficaat dat vermeld staat in de referentie van de
certificeringsautoriteit (CAR) van het certificaat
EQT.Link.
CSM_235 De hashwaarde M die naar de controlekaart in het PSO:Hash-
commando wordt verzonden, wordt door de IDE berekend
met behulp van het hashalgoritme dat gerelateerd is aan de
sleutelgrootte van de VU of de kaart waarvan de gegevens
worden gedownload, zoals gespecificeerd in CSM_50.
CSM_236 Ter verificatie van de handtekening van de apparatuur (EQT)
volgt de controlekaart het in [DSS] vastgestelde
handtekeningschema.
Opmerking: in dit aanhangsel wordt niet nader gespecificeerd
welke acties men moet uitvoeren indien de handtekening van
een gedownload gegevensbestand niet kan worden geverifi
eerd of indien de verificatie niet succesvol is.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 501
Figuur 13
Stroomschema ter verificatie van de handtekening van een gedownload gegevensbestand
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 502
Aanhangsel 12
PLAATSBEPALING OP BASIS VAN WERELDWIJD
SATELLIETNAVIGATIESYSTEEM (GNSS)
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
1.1. Toepassingsgebied
▼M3
1.1.1 Referenties
▼B
1.2. Acroniemen en notaties
▼M3
2. BASISKENMERKEN VAN DE GNSS-ONTVANGER
3. DOOR DE GNSS-ONTVANGER VERSTREKTE ZINNEN
▼B
4. VOERTUIGUNIT MET EXTERNE GNSS-MODULE
4.1. Configuratie
4.1.1 Belangrijkste onderdelen en interfaces
4.1.2 Status van de externe GNSS-module aan het eind van de productie
4.2. Communicatie tussen de externe GNSS-module en de voertuigunit
4.2.1 Communicatieprotocol
4.2.2 Beveiligde GNSS-gegevensoverdracht
4.2.3 Structuur van het Read Record-commando
▼M3
4.2.4 Structuur van het WriteRecord-commando
4.2.5 Overige commando’s
▼B
4.3. Koppeling, wederzijdse authenticatie en sleutelovereenstemming tijdens
de sessie tussen de externe GNSS-module en de voertuigunit
4.4. Behandeling van fouten
4.4.1 Fout in communicatie met de externe GNSS-module
4.4.2 Aantasting van de fysieke integriteit van de externe GNSS-module
4.4.3 Afwezigheid van positie-informatie van de GNSS-ontvanger
4.4.4 Geldigheidsduur certificaat van de externe GNSS-module verstreken
5. VOERTUIGUNIT ZONDER EXTERNE GNSS-MODULE
5.1. Configuratie
▼M3
5.2. Overdracht van informatie van de GNSS-ontvanger naar de VU
__________
5.3. Overdracht van informatie van de VU naar de GNSS-ontvanger
5.4. Behandeling van fouten
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 503
5.4.1. Afwezigheid van positie-informatie van de GNSS-ontvanger
6. VERWERKING EN REGISTRATIE VAN POSITIEGEGEVENS DOOR
DE VU
7. TEGENSTRIJDIGE GNSS-TIJDGEGEVENS
8. TEGENSTRIJDIGE BEWEGINGSGEGEVENS
1. INLEIDING
Dit aanhangsel bevat de technische voorschriften voor de
GNSS-ontvanger en de door de voertuigunit gebruikte GNSS-gegevens,
met inbegrip van de protocollen die moeten worden toegepast om een
veilige en correcte overdracht van plaatsbepalingsinformatie te
waarborgen.
1.1. Toepassingsgebied
GNS_1 De voertuigunit verzamelt locatiegegevens van ten minste één
GNSS-satellietnetwerk.
Zoals wordt verduidelijkt in figuur 1, kan de voertuigunit al dan
niet met een externe GNSS-module zijn uitgerust:
1.1.1 Referentienormen
De onderstaande referentienormen worden in dit aanhangsel gebruikt:
NMEA NMEA (National Marine Electronics Association - nationale
vereniging voor scheepvaartelektronica) 0183 Interface Stan
dard, V4.11
▼B
Figuur 1
Configuratiemogelijkheden voor de GNSS-ontvanger
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 504
1.2. Acroniemen en notaties
De onderstaande acroniemen worden in dit aanhangsel gebruikt:
DOP Dilution of Precision (verzwakking van nauwkeurigheid)
EGF Externe GNSS-module
EGNOS European Geostationary Navigation Overlay Service (Euro
pees overlaysysteem voor geostationaire navigatie)
GNSS Global Navigation Satellite System (wereldwijd satellietnavi
gatiesysteem)
GSA GPS DOP en actieve satellieten
HDOP Horizontal Dilution of Precision (verzwakking van horizontale
nauwkeurigheid)
ICD Interfacebesturingsdocument
NMEA National Marine Electronics Association
▼M3
OSNMA Galileo Open Service Navigation Message Authentication
▼B
PDOP Position Dilution of Precision (verzwakking van positienauw
keurigheid)
RMC Recommended Minimum Specific (aanbevolen minimale spe
cifieke [GNSS-gegevens])
▼M3
RTC Real Time Clock (real-time klok)
▼B
SIS Signal in Space (ruimtesignaal)
VDOP Vertical Dilution of Precision (verzwakking van verticale
nauwkeurigheid)
VU Voertuigunit
▼M3
2. BASISKENMERKEN VAN DE GNSS-ONTVANGER
▼B
Ongeacht de configuratie van de slimme tachograaf, met of zonder ex
terne GNSS-module, is het verstrekken van nauwkeurige en betrouwbare
plaatsbepalingsinformatie een essentieel onderdeel van de effectieve wer
king van de slimme tachograaf. Het systeem moet dan ook compatibel
zijn met de door de Galileo- en Egnos-programma's geboden diensten,
zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees
Parlement en de Raad ( 1 ). Het in het kader van het Galileo-programma
ontwikkelde systeem is een onafhankelijk wereldwijd satellietnavigatie
systeem en het in het kader van het Egnos-programma ingestelde systeem
is een regionaal satellietnavigatiesysteem dat de kwaliteit van het signaal
van het global positioning system verbetert.
GNS_2 De fabrikanten zien erop toe dat de GNSS-ontvangers in de
slimme tachografen compatibel zijn met de plaatsbepalings
diensten van de systemen Galileo en Egnos. De fabrikanten
kunnen voorts ook kiezen voor compatibiliteit met andere
satellietnavigatiesystemen.
▼B
( 1 ) Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 decem
ber 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesys
temen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en
Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347
van 20.12.2013, blz. 1).
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 505
GNS_3 De GNSS-ontvanger moet in staat zijn de authenticatie van
navigatieberichten via de open dienst van Galileo (OSNMA)
te ondersteunen.
GNS_3a De GNSS-ontvanger voert een aantal coherentiecontroles uit
om na te gaan of de metingen die de GNSS-ontvanger op basis
van de OSNMA-gegevens heeft verricht, hebben geleid tot de
juiste informatie over de positie, snelheid en gegevens van het
voertuig, en dus niet zijn beïnvloed door externe aanvallen
zoals meaconing. Deze coherentiecontroles bestaan bijvoor
beeld uit:
— het opsporen van abnormale stroomemissies door middel
van gecombineerde monitoring van de dichtheidsverhou
ding tussen Automatic Gain Control (AGC) en Carrier-to-
Noise (C/N0),
— de coherentie van de metingen van het pseudobereik en de
coherentie van de Dopplermetingen in de loop van de tijd,
met inbegrip van de detectie van abrupte meetsprongen,
— technieken voor de monitoring van de autonome integriteit
van ontvangers (RAIM), met inbegrip van de opsporing van
metingen die incoherent zijn met de geraamde positie,
— controles van de positie en snelheid, met inbegrip van ab
normale positie- en snelheidsoplossingen, plotse sprongen
en gedrag dat niet samenhangend is met de rijkenmerken
van het voertuig,
— coherentie van tijd en frequentie, met inbegrip van kloks
prongen en -afwijkingen die niet samenhangend zijn met de
kenmerken van de ontvangende klok.
GNS_3b De volgende documenten worden door de Europese Commissie
opgesteld en goedgekeurd:
— Een Signal in Space Interface Control Document (SIS
ICD), waarin de OSNMA-informatie die in het Galileosig
naal is verzonden, in detail wordt gespecificeerd.
— Richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers, met de eisen en
processen voor ontvangers om een beveiligde toepassing
van OSNMA te garanderen, en aanbevelingen om de pres
taties van OSNMA te verbeteren.
GNSS-ontvangers die op tachografen zijn gemonteerd, intern of
extern, worden gebouwd overeenkomstig het SIS ICD en de
richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers.
GNS_3c De GNSS-ontvanger verstrekt positieberichten, geauthenti
ceerde positieberichten genoemd in deze bijlage en de aanhang
sels daarbij, die worden opgesteld door uitsluitend gebruik te
maken van satellieten die navigatieberichten uitzenden waarvan
de authenticiteit met succes is geverifieerd.
GNS_3d De GNSS-ontvanger verstrekt ook standaard-positieberichten,
opgesteld door gebruik te maken van zichtbare satellieten, on
geacht of deze geauthenticeerd zijn of niet.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 506
GNS_3e De GNSS-ontvanger gebruikt de Real Time Clock (RTC) van
de VU als tijdsreferentie voor de tijdsynchronisatie die nodig is
voor OSNMA.
GNS_3f De RTC-tijd van de VU wordt aan de GNSS-ontvanger ver
strekt door de VU.
GNS_3g De in voorschrift 41 van bijlage IC gespecificeerde maximum
afwijking wordt aan de GNSS-ontvanger verstrekt door de VU,
samen met de RTC-tijd van de VU.
3. DOOR DE GNSS-ONTVANGER VERSTREKTE ZINNEN
In dit deel worden de zinnen beschreven die de slimme tachograaf ge
bruikt voor het verzenden van standaard-positieberichten en geauthenti
ceerde positieberichten. Dit deel is van toepassing op de configuratie van
de slimme tachograaf, zowel met als zonder externe GNSS-module.
GNS_4 De standaard-positieberichten berusten op de aanbevolen mini
male specifieke (RMC) GNSS-gegevens van de NMEA-zin,
bestaande uit de positie-informatie (breedte- en lengtegraad),
de UTC-tijd (gecoördineerde wereldtijd) in het formaat
hhmmss.ss, de in knopen uitgedrukte snelheid over de
grond (SOG) alsook op extra waarden.
De RMC-zin heeft de volgende notatie (vanaf
NMEA-standaard V4.11):
Figuur 2
Opbouw van de RMC-zin
$–RMC,hhmmss.ss,A,llll.ll,a,yyyyy.yy,a,x.x,x .x,xxxx,x.x,a,a,a*hh
1) Tijd (UTC)
2) Status, A= Geldige positie, V= Waarschuwing
3) Breedtegraad
4) N of Z
5) Lengtegraad
6) O of W
7) snelheid over de grond in knopen
8) Track made good, werkelijke graden
9) Datum, ddmmjj
10) Magnetische variatie, graden
11) O of W
12) Indicator FAA-modus
13) Navigatiestatus
14) Controlesom
De navigatiestatus is facultatief en is mogelijk niet aanwezig
in de RMC-zin.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 507
De status geeft aan of het GNSS-signaal beschikbaar is. Zo
lang de statuswaarde verschilt van „A”, kunnen de ontvangen
gegevens (bijvoorbeeld de tijd of breedte-/lengtegraad) niet
worden gebruikt om de voertuigpositie te registreren in de
VU.
De positienauwkeurigheid (resolutie) is gebaseerd op de hier
boven beschreven notatie van de RMC-zin. Het eerste deel
van de velden 3 en 5 stelt de graden voor. De resterende
cijfers stellen de minuten voor met drie cijfers achter de
komma. De resolutie bedraagt bijgevolg één duizendste van
een minuut of één zestigduizendste van een graad (aangezien
een minuut één zestigste van een graad is).
GNS_4a De geauthenticeerde positiegegevens berusten op een op
NMEA gelijkende zin, Authenticated Minimum
Specific (AMC) Data, bestaande uit de positie-informatie
(breedtegraad, lengtegraad), de UTC-tijd (hhmmss.ss) en de
in knopen uitgedrukte snelheid over de grond (SOG), alsook
op extra waarden.
De AMC-zin heeft de volgende notatie (vanaf
NMEA-standaard V4.11, behalve voor waarde nummer 2):
Figuur 3
Opbouw van de AMC-zin
$–AMC,hhmmss.ss,A,llll.ll,a,yyyyy.yy,a,x.x,x.x,xxxx,x.x,a,a,a*hh
1) Tijd (UTC)
2) Status, A=geauthenticeerde positie (vastgesteld door minstens 4 satellieten
die navigatieberichten uitzenden waarvan de authenticiteit met succes is
geverifieerd), J=jamming of O=andere GNSS-aanval bij gebrek aan mislukte
authenticatie van navigatieberichten (door de toepassing van coherentiecon
troles overeenkomstig GNS_3a), F=mislukte authenticatie van navigatiebe
richten (vastgesteld door OSNMA-verificaties als gespecificeerd in de in
GNS_3b bedoelde documenten), V=Void (geauthenticeerde positie niet be
schikbaar om andere redenen)
3) Breedtegraad
4) N of Z
5) Lengtegraad
6) O of W
7) snelheid over de grond in knopen
8) Track made good, werkelijke graden
9) Datum, ddmmjj
10) Magnetische variatie, graden
11) O of W
12) Indicator FAA-modus
13) Navigatiestatus
14) Controlesom
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 508
De navigatiestatus is facultatief en is mogelijk niet aanwezig
in de AMC-zin.
De status geeft aan of een geauthenticeerde GNSS-positie
beschikbaar is, of een aanval op de GNSS-signalen is vast
gesteld, of de authenticatie van navigatieberichten is mislukt
en of de GNSS-positie leeg is. Wanneer de statuswaarde ver
schilt van „A”, worden de ontvangen gegevens (bijvoorbeeld
de tijd of breedte-/lengtegraad) als ongeldig beschouwd en
kunnen ze niet worden gebruikt om de voertuigpositie te re
gistreren in de VU. Wanneer de waarde van de status is in
gesteld op „J” (jamming), „O” (andere GNSS-aanval), of „F”
(mislukte authenticatie van navigatieberichten), wordt een
GNSS-anomalie geregistreerd in de VU, zoals gedefinieerd
in bijlage IC en aanhangsel 1 (EventFaultCode).
GNS_5 Zoals toegelicht in aanhangsel 1 voor het type GeoCoordina
tes, slaat de voertuigunit de positie-informatie voor de breedte-
en lengtegraad op in de VU-database met een resolutie van
één tiende van een minuut of één zeshonderdste van een
graad.
Met behulp van het GSA-commando (GPS DOP en actieve
satellieten), zoals bepaald in norm NMEA V4.11, kan de VU
de beschikbaarheid en nauwkeurigheid van standaardposities
bepalen en registreren. Met name de HDOP-waarde wordt
gebruikt als aanwijzing voor de mate van nauwkeurigheid
van de geregistreerde locatiegegevens (zie punt 4.2.2). De
VU slaat de verzwakking van horizontale nauwkeurigheid
(HDOP) op, berekend als minimum van de HDOP-waarden
die voor de beschikbare GNSS-systemen werden verzameld.
In de GNSS Id is de overeenkomstige NMEA Id. voor elke
GNSS-constellatie en elk satellietaugmentatiesysteem (SBAS)
vermeld.
Figuur 4
Opbouw van de GSA-zin (standaardposities)
$–GSA,a,a,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x.x,x.x,x.x,a*h h
1) Selectiemodus
2) Modus
3) ID van de 1 ste satelliet die voor de positiebepaling wordt gebruikt
4) ID van de 2 de satelliet die voor de positiebepaling wordt gebruikt
…
14) ID van de 12 de satelliet die voor de positiebepaling wordt gebruikt
15) PDOP
16) HDOP
17) VDOP
18) Systeem-ID
19) Controlesom
Het systeem-ID is facultatief en is mogelijk niet aanwezig in
de GSA-zin.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 509
Het commando geauthenticeerde actieve satellieten (ASA) van
de op NMEA gelijkende zin kan ook door de VU worden
gebruikt om de beschikbaarheid en nauwkeurigheid van het
signaal van geauthenticeerde posities te bepalen en te registre
ren. Waarden 1 t.e.m. 18 zijn gedefinieerd in norm NMEA
V4.11.
Figuur 5
Opbouw van de ASA-zin (geauthenticeerde posities)
$–ASA,a,a,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x,x.x,x.x,x.x,a*hh
1) Selectiemodus
2) Modus
3) ID van de 1 ste satelliet die voor de positiebepaling wordt gebruikt
4) ID van de 2 de satelliet die voor de positiebepaling wordt gebruikt
…
14) ID van de 12 de satelliet die voor de positiebepaling wordt gebruikt
15) PDOP
16) HDOP
17) VDOP
18) Systeem-ID
19) Controlesom
Het systeem-ID is facultatief en is mogelijk niet aanwezig
in de ASA-zin.
GNS_6 Wanneer een externe GNSS-module wordt gebruikt, wordt
de GSA-zin opgeslagen in de beveiligde GNSS-transceiver
met recordnummer „02” t.e.m. „06”, en wordt de ASA-zin
opgeslagen met recordnummer „12” t.e.m. „16”.
GNS_7 De maximumgrootte van de zinnen (bv. RMC, AMC, GSA,
ASA of andere) die kunnen worden gebruikt om het for
maat van het Read Record-commando aan te passen, be
draagt 85 bytes (zie Tabel 1).
▼B
4. VOERTUIGUNIT MET EXTERNE GNSS-MODULE
4.1. Configuratie
4.1.1 Belangrijkste onderdelen en interfaces
In deze configuratie maakt de GNSS-ontvanger deel uit van de externe
GNSS-module.
GNS_8 De externe GNSS-module moet van stroom worden voor
zien via een specifieke voertuiginterface.
▼M3
GNS_9 De externe GNSS-module bestaat uit de volgende onder
delen (zie Figuur 6):
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 510
a) Een commerciële GNSS-ontvanger die de positiegege
vens verstrekt via de GNSS-gegevensinterface. De
GNSS-gegevensinterface kan bijvoorbeeld onder
NMEA-standaard V4.11 vallen, waarbij de
GNSS-ontvanger functioneert als zender en
NMEA-zinnen naar de beveiligde GNSS-transceiver ver
stuurt met een zendfrequentie van 1 Hz voor de vooraf
gedefinieerde reeks NMEA- of op NMEA gelijkende
zinnen, die ten minste de RMC-, AMC-, GSA- en
ASA-zinnen moeten bevatten. De keuze van de
GNSS-gegevensinterface wordt overgelaten aan de fabri
kant van de externe GNSS-module.
▼B
b) Een zendontvanger (beveiligde GNSS-transceiver) die
voldoet aan de norm ISO/IEC 7816-4:2013 (zie 4.2.1)
om te communiceren met de voertuigunit en ondersteu
ning te bieden aan de GNSS-gegevensinterface met de
GNSS-ontvanger. De transceiver heeft een geheugen om
de identificatiegegevens van de GNSS-ontvanger en de
externe GNSS-module op te slaan.
▼M3
c) Een behuizing (systeemkast) voor de GNSS-ontvanger
en de beveiligde GNSS-transceiver, uitgerust met een
functie om manipulatie te detecteren. In de functie om
manipulatie te detecteren worden de beveiligingsmaat
regelen toegepast die zijn voorgeschreven in het bevei
ligingsprofiel van de slimme tachograaf.
▼B
d) Een op het voertuig gemonteerde GNSS-antenne die via
de systeemkast verbonden is met de GNSS-ontvanger.
GNS_10 De externe GNSS-module is ten minste uitgerust met de
volgende externe interfaces:
a) de interface met de op het voertuig gemonteerde
GNSS-antenne, voor zover een externe antenne wordt
gebruikt;
b) de interface met de voertuigunit.
GNS_11 De beveiligde VU-transceiver is het andere eindpunt van
het communicatiesysteem met de beveiligde GNSS-trans
ceiver; deze moet voldoen aan ISO/IEC 7816-4:2013 wat
de verbinding met de externe GNSS-module betreft.
GNS_12 Voor de fysieke communicatielaag met de externe
GNSS-module ondersteunt de voertuigunit ISO/IEC 7816-
12:2005 of andere normen die ISO/IEC 7816-4:2013 onder
steunen (zie 4.2.1).
4.1.2 Status van de externe GNSS-module aan het eind van de productie
GNS_13 Bij het verlaten van de fabriek slaat de externe GNSS-module
de volgende waarden op in het niet-vluchtige geheugen van
de beveiligde GNSS-transceiver:
— het sleutelpaar EGF_MA met bijbehorend certificaat;
— het certificaat MSCA_VU-EGF met de openbare sleutel
MSCA_VU-EGF.PK ter verificatie van het certificaat
EGF_MA;
— het EUR-certificaat met de openbare sleutel EUR.PK ter
verificatie van het certificaat MSCA_VU-EGF;
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 511
— het EUR-certificaat waarvan de geldigheidsduur onmid
dellijk voorafgaat aan die van het EUR-certificaat ter
verificatie van het certificaat MSCA_VU-EGF (indien
bestaand);
— het verbindingscertificaat dat beide EUR-certificaten
met elkaar in verband brengt (indien bestaand);
— het verlengde serienummer van de externe
GNSS-module;
— de identificator van het besturingssysteem (OS — Ope
rating System) van de GNSS-module;
— het typegoedkeuringsnummer van de externe
GNSS-module;
— de identificator van de beveiligingscomponent van de
externe GNSS-module.
4.2. Communicatie tussen de externe GNSS-module en de voertuigunit
4.2.1 Communicatieprotocol
▼M3
GNS_14 Het communicatieprotocol tussen de externe
GNSS-module en de voertuigunit ondersteunt de vol
gende functies:
1. de verzameling en verspreiding van GNSS-gegevens
(bijvoorbeeld positie, tijd en snelheid);
2. de verzameling van de configuratiegegevens van de
externe GNSS-module;
3. het beheerprotocol ter ondersteuning van de kop
peling, wederzijdse authenticatie en sleutelovereen
stemming tijdens de sessie tussen de externe
GNSS-module en de VU,
4. De verzending naar de externe GNSS-module van de
RTC-tijd van de VU en van het maximale verschil
tussen de werkelijke tijd en de RTC-tijd van de VU.
▼B
GNS_15 Het communicatieprotocol is gebaseerd op de norm ISO/
IEC 7816-4:2013, waarbij de beveiligde VU-transceiver
de rol van master en de beveiligde GNSS-transceiver die
van slave vervult. De fysieke verbinding tussen de ex
terne GNSS-module en de voertuigunit is gebaseerd op
ISO/IEC 7816-12:2005 of andere normen die ISO/IEC
7816-4:2013 ondersteunen.
▼M1
GNS_16 Velden met uitgebreide lengte worden niet ondersteund
in het communicatieprotocol.
▼B
GNS_17 Het communicatieprotocol van ISO 7816 (zowel
*-4:2013 als *-12:2005) tussen de externe
GNSS-module en de VU wordt ingesteld op T = 1.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 512
GNS_18 Wat betreft de functies 1) verzameling en verspreiding
van GNSS-gegevens en 2) verzameling van configuratie
gegevens van de externe GNSS-module en 3) beheerpro
tocol, simuleert de beveiligde GNSS-transceiver een
smartcard met een bestandssysteemarchitectuur bestaande
uit een stambestand (MF — Master File), een toepas
singsgericht bestand (DF — Dedicated File) waarvan
de toepassingsidentificator is gespecificeerd in aanhang
sel 1, punt 6.2 („FF 44 54 45 47 4D”) en drie hoofd
bestanden (EF's — Elementary Files) die certificaten be
vatten en één hoofdbestand (EF.EGF) waarvan de iden
tificator gelijk is aan „2F2F”, zoals beschreven in Ta
bel 1.
▼M3
GNS_18a Met betrekking tot functie 4), de verzending van de
RTC-tijd van de VU en het maximale verschil tussen
de werkelijke tijd en de RTC-tijd van de VU naar de
externe GNSS-module, gebruikt de beveiligde
GNSS-transceiver een EF (EF VU) in hetzelfde DF
met bestandsidentificator gelijk aan „2F30”, zoals be
schreven in tabel 1.
▼B
GNS_19 De beveiligde GNSS-transceiver slaat de gegevens van
de GNSS-ontvanger en de configuratie op in het hoofd
bestand EF.EGF. Dit is een lineair recordbestand met
variabele lengte en met als identificator „2F2F” in hexa
decimale notatie.
▼M3
GNS_19 bis De beveiligde GNSS-transceiver slaat de gegevens van
de VU op in het EF VU. Dit is een lineair recordbestand
met vaste lengte en met als identificator „2F30” in hexa
decimale notatie.
GNS_20 De beveiligde GNSS-ontvanger gebruikt een geheugen
om de gegevens op te slaan en moet in staat zijn zoveel
lees-/schrijfcycli uit te voeren als nodig zijn tijdens een
levensduur van minstens 15 jaar. Afgezien daarvan wor
den het interne ontwerp en de uitvoering van de bevei
ligde GNSS-transceiver overgelaten aan de fabrikanten.
▼M1
De recordnummers en gegevens worden toegewezen zo
als aangegeven in Tabel 1. Er zijn vijf GSA-zinnen voor
de GNSS-systemen en het satellietaugmentatiesysteem
(SBAS).
▼B
GNS_21 De bestandsstructuur wordt verduidelijkt in Tabel 1. De
toegangscondities (ALW, NEV, SM-MAC) zijn te vin
den in aanhangsel 2, punt 3.5.
▼M3
Tabel 1
Bestandsstructuur
Toegangscondities (AC)
File
Bestandsiden
tificatie
Lezen Bijwerken Gecodeerd
MF 3F00
EF.ICC 0002 ALW NEV
(door VU)
Nr.
▼M1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 513
Toegangscondities (AC)
File
Bestandsiden
tificatie
Lezen Bijwerken Gecodeerd
DF GNSS-module 0501 ALW NEV Nr.
EF EGF_MA_Certificate C100 ALW NEV Nr.
EF CA_Certificate C108 ALW NEV Nr.
EF Link_Certificate C109 ALW NEV Nr.
EF EGF 2F2F SM-MAC NEV
(door VU)
Nr.
EF VU 2F30 SM-MAC SM-MAC Nr.
Bestand/gegevenselement
Record-num
mer
Grootte (in bytes)
Standaard
waarden
Min Max
MF 552 1031
EF.ICC
sensorGNSSSerialNumber 8 8
DF GNSS-module 612 1023
EF EGF_MA_Certificate 204 341
EGFCertificate 204 341 {00..00}
EF CA_Certificate 204 341
MemberStateCertificate 204 341 {00..00}
EF Link_Certificate 204 341
LinkCertificate 204 341 {00..00}
EF EGF
NMEA RMC-zin '01' 85 85
Eerste NMEA GSA-zin '02' 85 85
Tweede NMEA GSA-zin '03' 85 85
Derde NMEA GSA-zin '04' 85 85
Vierde NMEA GSA-zin '05' 85 85
Vijfde NMEA GSA-zin '06' 85 85
Verlengd serienummer van de externe
GNSS-module, in aanhangsel 1 gede
finieerd als SensorGNSSSerialNumber
'07' 8 8
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 514
Bestand/gegevenselement
Record-num
mer
Grootte (in bytes)
Standaard
waarden
Identificator van het besturingssysteem
van de beveiligde GNSS-transceiver,
in aanhangsel 1 gedefinieerd als Sen
sorOSIdentifier
'08' 2 2
Typegoedkeuringsnummer van de ex
terne GNSS-module, in aanhangsel 1
gedefinieerd als SensorExternalGNS
SApprovalNumber
'09' 16 16
Identificatiesymbool van de beveili
gingscomponent van de externe
GNSS-module, in aanhangsel 1 gede
finieerd als SensorExternalGNSSS
CIdentifier
'10' 8 8
AMC Sentence '11' 85 85
1ste ASA-zin '12' 85 85
2de ASA-zin '13' 85 85
3de ASA-zin '14' 85 85
4de ASA-zin '15' 85 85
5de ASA-zin '16' 85 85
RFU - Gereserveerd voor toekomstig ge
bruik
Van '17'
t.e.m. 'FD'
EF VU
VuRtcTime (zie aanhangsel 1) '01' 4 4 {00..00}
VuGnssMaximalTimeDifference (zie aan
hangsel 1)
'02' 2 2 {00..00}
▼B
4.2.2 Beveiligde GNSS-gegevensoverdracht
▼M3
GNS_22 De beveiligde overdracht van GNSS-positiegegevens, de
RTC-tijd van de VU en het maximale tijdsverschil tussen
de werkelijke tijd en de RTC-tijd van de VU wordt
alleen toegestaan in de volgende omstandigheden:
▼B
1. Het koppelingsproces is voltooid zoals beschreven in
aanhangsel 11 „Algemene veiligheidsmechanismen”.
2. De periodieke wederzijdse authenticatie en sleutel
overeenstemming tijdens de sessie tussen de VU en
de externe GNSS-module (zie beschrijving in aan
hangsel 11 „Algemene veiligheidsmechanismen”)
werden met voldoende regelmaat uitgevoerd.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 515
GNS_23 Tenzij de koppeling of wederzijdse authenticatie en sleu
telovereenstemming tijdens de sessie plaatsvindt, vraagt
de VU om de T seconden, waarbij T een waarde is
kleiner dan of gelijk aan 20, de positie-informatie op
van de externe GNSS-module. Dit proces verloopt als
volgt:
1. De VU vraagt positiegegevens op van de externe
GNSS-module, samen met de DOP-waarden (mate
van onnauwkeurigheid, gebaseerd op de GSA- en
ASA-zinnen). De beveiligde VU-transceiver gebruikt
de SELECT- en READ RECORD-commando's (com
mando’s SELECTEER en LEES RECORD) van de
norm ISO/IEC 7816-4:2013 voor beveiligde berichte
nuitwisseling in alleen-authenticeren-modus, zoals be
schreven in punt 11.5 van aanhangsel 11; de be
standsidentificator is „2F2F” en het recordnummer is
„01” voor de NMEA RMC-zin,„02”, „03”, „04”,
„05”, „06” voor de NMEA GSA-zin, „11” voor de
AMC-zin en „12”, „13”, „14”, „15”, „16” voor de
ASA-zin.
2. De laatste ontvangen positiegegevens worden in het
hoofdbestand (EF) opgeslagen met identificator
„2F2F” en de in Tabel 1 omschreven records worden
opgeslagen in de beveiligde GNSS-transceiver naar
mate die via de GNSS-interface NMEA-gegevens met
een frequentie van ten minste 1 Hz ontvangt van de
GNSS-ontvanger.
3. De beveiligde GNSS-transceiver verstuurt het ant
woord naar de beveiligde VU-transceiver en gebruikt
daarvoor het APDU-antwoordbericht met beveiligde
berichtenuitwisseling in alleen-authenticeren-modus,
zoals toegelicht in punt 11.5 van aanhangsel 11.
4. De beveiligde VU-transceiver controleert de authenti
citeit en integriteit van het ontvangen antwoord. Bij
een positieve uitkomst worden de positiegegevens via
de GNSS-interface overgebracht naar de verwerkings
eenheid van de VU.
5. De verwerkingseenheid van de VU controleert de ont
vangen gegevens door de informatie (bijvoorbeeld
lengtegraad, breedtegraad, tijd) te lezen in de
NMEA RMC-zin. Indien de niet-geauthenticeerde po
sitie geldig is, staat deze informatie in de NMEA
RMC-zin. Indien de niet-geauthenticeerde positie gel
dig is, leest de verwerkingseenheid van de VU ook de
HDOP-waarden in de NMEA GSA-zinnen en wordt
de minimumwaarde voor de beschikbare satellietsys
temen berekend (voor zover positiebepaling mogelijk
is).
6. De verwerkingseenheid van de VU leest ook de ge
gevens (bijv. lengtegraad, breedtegraad, tijd) in de
AMC-zin. Als de geauthenticeerde positie niet geldig
is of het GNSS-signaal is aangevallen, wordt deze
informatie opgenomen in de AMC-zin. Als de positie
geldig is, leest de verwerkingseenheid van de VU ook
de HDOP-waarden in de ASA-zinnen en wordt de
minimumwaarde voor de beschikbare satellietsyste
men berekend (voor zover positiebepaling mogelijk
is).
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 516
GNS_23a De VU schrijft ook de RTC-tijd van de VU en het maxi
male tijdsverschil tussen de werkelijke tijd en de
RTC-tijd van de VU, indien nodig, door gebruik te ma
ken van de commando’s ISO/IEC 7816-4:2013 SELECT
en WRITE RECORD(S) (commando’s SELECTEER en
SCHRIJF RECORD(S)) met beveiligde berichtenuitwis
seling in alleen-authenticeren-modus, zoals beschreven in
punt 11.5 van aanhangsel 11, met bestandsidentificator
„2F30” en RECORD-nummer gelijk aan „01” voor
VuRtcTime en „02” voor MaximalTimeDifference.
▼B
4.2.3 Structuur van het Read Record-commando
In dit gedeelte wordt een uitvoerige beschrijving gegeven van de
structuur van het Read Record-commando. Daarbij komt ook de be
veiligde berichtenuitwisseling (in alleen-authenticeren-modus) aan bod,
zoals beschreven in aanhangsel 11 „Algemene beveiligingsmechanis
men”.
GNS_24 Het commando ondersteunt de beveiligde berichtenuitwis
seling in alleen-authenticeren-modus (zie aanhangsel 11).
GNS_25 Commandobericht
Byte Lengte Waarde Omschrijving
CLA 1 „0Ch” Beveiligde berichtenuitwisseling ge
vraagd
INS 1 „B2h” Record lezen
P1 1 „XXh” Recordnummer („00” verwijst naar de
huidige record)
P2 1 „04h” Record lezen waarvan het nummer in P1
staat
Le 1 „XXh” Lengte van verwachte gegevens. Aantal
te lezen bytes
GNS_26 De in P1 aangeduide record wordt de geldige record.
Byte Lengte Waarde Omschrijving
#1-#X X „XX..XXh” Gelezen gegevens
SW 2. „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de bevei
ligde GNSS-transceiver „9000” terug.
— Indien het huidige bestand niet recordgeoriënteerd is,
zendt de beveiligde GNSS-transceiver „6981” terug.
— Indien het commando wordt gebruikt met P1 = „00”
terwijl er geen geldig hoofdbestand (EF) is, zendt de
beveiligde GNSS-transceiver „6986” terug (com
mando niet toegestaan).
▼M3
— Indien de record niet wordt gevonden, zendt de be
veiligde GNSS-transceiver „6A83” terug.
— Indien manipulatie werd vastgesteld, zendt de externe
GNSS-module de statusmelding „6690” terug.
__________
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 517
4.2.4 Structuur van het WriteRecord-commando
In dit gedeelte wordt een uitvoerige beschrijving gegeven van de
structuur van het Write Record-commando (commando schrijf record).
Daarbij komt ook de beveiligde berichtenuitwisseling (in
alleen-authenticeren-modus) aan bod, zoals beschreven in aanhangsel
11 „Algemene beveiligingsmechanismen”.
GNS_26a Het commando ondersteunt de beveiligde berichtenuitwis
seling in alleen-authenticeren-modus (zie aanhangsel 11).
GNS_26b Commandobericht
Byte Lengte Waarde Beschrijving
CLA 1 „0Ch” Beveiligde berichtenuitwisseling ge
vraagd
INS 1 „D2h” Write Record
P1 1 „XXh” Recordnummer („00” verwijst naar de
huidige record)
P2 1 „04h” Record schrijven waarvan het nummer
in P1 staat
Gegevens X „XXh” Gegevens
GNS_26c De in P1 aangeduide record wordt de geldige record.
Byte Lengte Waarde Beschrijving
SW 2 „XXXXh” Statuswoorden (SW1, SW2)
— Indien het commando succesvol is, zendt de beveiligde
GNSS-transceiver „9000” terug.
— Indien het huidige bestand niet recordgeoriënteerd is,
zendt de beveiligde GNSS-transceiver „6981” terug.
— Indien het commando wordt gebruikt met P1 = „00”
terwijl er geen geldig hoofdbestand (EF) is, zendt de
beveiligde GNSS-transceiver „6986” terug (commando
niet toegestaan).
— Indien de record niet wordt gevonden, zendt de bevei
ligde GNSS-transceiver „6A83” terug.
— Indien manipulatie werd vastgesteld, zendt de externe
GNSS-module de statuswoorden „6690” terug.
4.2.5 Overige commando’s
GNS_27 De beveiligde GNSS-transceiver ondersteunt de volgende
in aanhangsel 2 gespecificeerde commando's van tachogra
fen van de tweede generatie:
Commando Verwijzing
Select (Selecteer) Aanhangsel 2, punt 3.5.1
Read Binary (Lees binair getal) Aanhangsel 2, punt 3.5.2
Get Challenge (Vraag naar identiteit) Aanhangsel 2, punt 3.5.4
PSO: Verify Certificate (Verifieer
certificaat)
Aanhangsel 2, punt 3.5.7
External Authenticate (Externe au
thenticatie)
Aanhangsel 2, punt 3.5.9
General Authenticate (Algemene au
thenticatie)
Aanhangsel 2, punt 3.5.10
MSE:SET Aanhangsel 2, punt 3.5.11
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 518
4.3. Koppeling, wederzijdse authenticatie en sleutelovereenstemming
tijdens de sessie tussen de externe GNSS-module en de voertuig
unit
In hoofdstuk 11 van aanhangsel 11 „Algemene veiligheidsmechanis
men” wordt een beschrijving gegeven van de koppeling, wederzijdse
authenticatie en sleutelovereenstemming tijdens de sessie tussen de
externe GNSS-module en de voertuigunit.
4.4. Behandeling van fouten
In dit gedeelte wordt uiteengezet hoe mogelijke fouttoestanden van de
externe GNSS-module worden behandeld en geregistreerd in de VU.
4.4.1 Fout in communicatie met de externe GNSS-module
▼M3
GNS_28 Een fout in de communicatie met de externe GNSS-module
wordt opgeslagen in de VU, zoals gedefinieerd in voor
schrift 82 van Bijlage IC en aanhangsel 1 (EventFault
Type). In dit geval is er sprake van een communicatiefout
indien de beveiligde VU-transceiver geen antwoordbericht
ontvangt op een verzoekbericht, zoals omschreven in punt
4.2.
▼B
4.4.2 Aantasting van de fysieke integriteit van de externe GNSS-module
▼M3
GNS_29 Indien de fysieke integriteit van de GNSS-module is aange
tast, zorgt de externe GNSS-module ervoor dat het crypto
grafisch materiaal onbeschikbaar is. Zoals omschreven in
GNS_25 en GNS_26, detecteert de VU manipulatie indien
de antwoordstatus „6690” is. De VU genereert en regi
streert vervolgens een poging tot inbreuk op de beveiliging,
zoals gedefinieerd in voorschrift 85 van bijlage IC en aan
hangsel 1 (EventFaultType voor manipulatiedetectie van
GNSS). Bij wijze van alternatief kan de externe
GNSS-module op VU-verzoeken antwoorden zonder bevei
ligde berichtenuitwisseling en met status „6A88”.
▼B
4.4.3 Afwezigheid van positie-informatie van de GNSS-ontvanger
▼M3
GNS_30 Indien geen gegevens van de GNSS-ontvanger worden ont
vangen, genereert de beveiligde GNSS-transceiver een ant
woordbericht op het READ RECORD-commando waarvan
het RECORD-nummer gelijk is aan „01” en met een ge
gevensveld van 12 bytes, allemaal ingesteld op „0xFF”. Bij
ontvangst van het antwoordbericht met deze waarde van
het gegevensveld genereert en registreert de VU een afwe
zigheid van positie-informatie van de GNSS-ontvanger, zo
als gedefinieerd in voorschrift 81 van bijlage IC en aan
hangsel 1 (EventFaultType).
▼B
4.4.4 Geldigheidsduur certificaat van de externe GNSS-module verstreken
▼M3
GNS_31 Als de VU detecteert dat het EGF-certificaat dat wordt
gebruikt voor wederzijdse authenticatie niet meer geldig
is, genereert en registreert de VU een poging tot inbreuk
op de beveiliging, zoals gedefinieerd in voorschrift 85 van
bijlage IC en aanhangsel 1 (EventFaultType voor verlopen
certificaat van de externe GNSS-module). De VU blijft
gebruikmaken van de ontvangen GNSS-positiegegevens.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 519
Figuur 6
Overzicht van de externe GNSS-module
▼B
5. VOERTUIGUNIT ZONDER EXTERNE GNSS-MODULE
5.1. Configuratie
In deze configuratie bevindt de GNSS-ontvanger zich binnen de voer
tuigunit, zoals omschreven in Figuur 1.
▼M3
GNS_32 Voor de verzending van de positie, DOP en satellietgege
vens functioneert de GNSS-ontvanger als zender en ver
stuurt hij NMEA-zinnen of op NMEA gelijkende zinnen
naar de verwerkingseenheid van de VU, die functioneert
als ontvanger. De zendfrequentie bedraagt 1/10 Hz of meer
voor de vooraf gedefinieerde reeks zinnen, die ten minste
de RMC-, GSA-, AMC- en ASA-zinnen moeten bevatten.
Bij wijze van alternatief mogen de verwerkingseenheid van
de VU en de interne GNSS-ontvanger gebruik maken van
andere gegevensformaten om de gegevens in de
NMEA-zinnen of op NMEA gelijkende zinnen, zoals ge
specificeerd in GNS_4, GNS_4a en GNS_5, uit te
wisselen.
▼B
GNS_33 Een op het voertuig gemonteerde externe GNSS-antenne of
een ingebouwde GNSS-antenne wordt aangesloten op de
VU.
▼M3
5.2. Overdracht van informatie van de GNSS-ontvanger naar de VU
GNS_34 De verwerkingseenheid van de VU controleert de ontvan
gen gegevens door de informatie (bijvoorbeeld lengtegraad,
breedtegraad, tijd) te lezen uit de NMEA RMC-zin en de
AMC-zin.
GNS_35 Indien de niet-geauthenticeerde positie geldig is, staat deze
informatie in de NMEA RMC-zin. Is de niet-geauthenti
ceerde positie ongeldig, dan zijn er geen positiegegevens
beschikbaar en is het niet mogelijk de voertuigpositie op
basis daarvan te registreren. Als de niet-geauthenticeerde
positie geldig is, leest de verwerkingseenheid van de VU
ook de waarden van HDOP uit GSA NMEA.
GNS_36 De verwerkingseenheid van de VU leest ook de gegevens
(bijv. lengtegraad, breedtegraad, tijd) uit de AMC-zin. In
dien de niet-geauthenticeerde positie geldig is overeenkom
stig GNS_4a, staat deze informatie in de AMC-zin. Als de
niet-geauthenticeerde positie geldig is, leest de verwer
kingseenheid van de VU ook de waarden van HDOP uit
ASA-zinnen.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 520
5.3. Overdracht van informatie van de VU naar de GNSS-ontvanger
GNS_37 De verwerkingseenheid van de VU verstrekt aan de
GNSS-ontvanger de RTC-tijd van de VU en het maximale
verschil tussen de werkelijke tijd en de RTC-tijd van de
VU, overeenkomstig GNS_3f en GNS_3g.
5.4. Behandeling van fouten
5.4.1 Afwezigheid van positie-informatie van de GNSS-ontvanger
GNS_38 De VU genereert en registreert een afwezigheid van
positie-informatie van de GNSS-ontvanger, zoals gedefini
eerd in voorschrift 81 van bijlage IC en aanhangsel 1
(EventFaultType).
6. VERWERKING EN REGISTRATIE VAN POSITIEGEGEVENS
DOOR DE VU
Dit gedeelte geldt voor de configuratie van de slimme tachograaf,
zowel met als zonder externe GNSS-module.
GNS_39 Positiegegevens worden opgeslagen in de VU, samen met
een teken dat aangeeft of de positie is geauthenticeerd.
Wanneer positiegegevens moeten worden geregistreerd in
de VU, zijn de volgende regels van toepassing:
a) Als zowel de geauthenticeerde als de standaardpositie
geldig en coherent is, worden de standaardpositie en
de nauwkeurigheid ervan opgeslagen in de VU en wordt
het teken op „geauthenticeerd” gezet.
b) Als zowel de geauthenticeerde als de standaardpositie
geldig maar niet coherent is, worden de geauthenti
ceerde positie en de nauwkeurigheid ervan opgeslagen
in de VU en wordt het teken op „geauthenticeerd” gezet.
c) Als de geauthenticeerde positie geldig is maar de stan
daardpositie niet geldig is, worden de geauthenticeerde
positie en de nauwkeurigheid ervan geregistreerd in de
VU en wordt het teken op „geauthenticeerd” gezet.
d) Als de standaardpositie geldig is maar de geauthenti
ceerde positie niet geldig is, worden de standaardpositie
en de nauwkeurigheid ervan geregistreerd in de VU en
wordt het teken op „niet geauthenticeerd” gezet.
Geauthenticeerde en standaardposities worden als coherent
beschouwd, zoals afgebeeld in figuur 7, als de horizontale
geauthenticeerde positie zich bevindt in een cirkel met de
horizontale standaardpositie als middelpunt, en waarvan de
straal het resultaat is van de afronding tot het volgende
gehele getal van de waarde van R_H, overeenkomstig de
volgende formule:
R_H = 1,74 • σ UERE • HDOP
waarbij:
— R_H is de relatieve straal van een cirkel rond de ge
raamde horizontale positie, in meters. Het is een indi
cator die wordt gebruikt om de coherentie tussen
standaard- en geauthenticeerde posities te berekenen.
— σ UERE is de standaardafwijking voor de User Equivalent
Range Error (UERE), een model voor alle meetfouten
voor de doeltoepassing, ook in een stedelijke omgeving.
Er wordt een constante waarde gebruikt van σ UERE = 10
meter.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 521
— HDOP is door de GNSS-ontvanger berekende verzwak
king van de horizontale nauwkeurigheid.
— σ UERE . HDOP is de schatting van de standaardafwij
king in het horizontale vlak.
Figuur 7
Coherente geauthenticeerde en standaard- (niet geauthenticeerde)
posities
GNS_40 Wanneer de statuswaarde in een ontvangen AMC-zin op
„J”, „O” of „F” wordt gezet overeenkomstig voorschrift
GNS_4a, genereert en registreert de VU een
GNSS-anomalie, zoals gedefinieerd in voorschrift 88a van
bijlage IC en aanhangsel 1 (EventFaultType). De voertuig
unit kan aanvullende controles uitvoeren alvorens een
GNSS-anomalie op te slaan, na ontvangst van de „J”- of
„O”-instelling.
7. TEGENSTRIJDIGE GNSS-TIJDGEGEVENS
GNS_41 Als de VU een verschil vaststelt tussen het tijdstip van de
tijdmetingsfunctie van de voertuigunit en het tijdstip dat
afkomstig is van de GNSS-signalen, genereert en registreert
hij een tijdsconflict, zoals gedefinieerd in voorschrift 86
van bijlage IC en aanhangsel 1 (EventFaultType).
8. TEGENSTRIJDIGE BEWEGINGSGEGEVENS
GNS_42 De VU genereert en registreert een bewegingsconflict over
eenkomstig voorschrift 84 van bijlage IC, in het geval op
basis van de bewegingssensor berekende bewegingsinfor
matie in strijd is met bewegingsinformatie die door de
interne GNSS-ontvanger, de externe GNSS-module of een
andere onafhankelijke bewegingsbron is berekend, zoals
uiteengezet in voorschrift 26 van bijlage IC.
Het bewegingsconflict wordt gegenereerd in een van de
volgende omstandigheden:
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 522
Omstandigheid 1:
het getrimde gemiddelde van de snelheidsverschillen tussen
deze bronnen wordt gebruikt als de positie-informatie van
de GNSS-ontvanger beschikbaar is en de contactschakelaar
aanstaat, zoals hieronder gespecificeerd:
— Maximaal één keer per 10 seconden wordt de absolute
waarde berekend van het verschil tussen de via GNSS
geraamde voertuigsnelheid en de door de bewegings
sensor geraamde voertuigsnelheid.
— Het getrimde gemiddelde wordt berekend op basis van
alle waarden binnen een tijdvenster dat de voertuigbe
weging over de laatste vijf minuten bestrijkt.
— Het getrimde gemiddelde wordt berekend als gemid
delde van 80 % van de betreffende snelheidswaarden,
na eliminatie van de hoogste absolute waarden.
Het voorval van tegenstrijdige bewegingsgegevens wordt
gestart indien het getrimde gemiddelde van de snelheids
verschillen gedurende vijf ononderbroken minuten groter is
dan 10 km/h. (Opmerking: door het getrimde gemiddelde
over de laatste vijf minuten te berekenen, wordt het risico
van uitschieters en tijdelijk afwijkende meetwaarden tegen
gegaan).
Voor de berekening van het getrimde gemiddelde wordt het
voertuig als in beweging beschouwd als minstens één snel
heidswaarde van het voertuig, op basis van de bewegings
sensor of de GNSS-ontvanger, niet gelijk is aan nul.
Omstandigheid 2:
Het bewegingsconflict wordt ook gegenereerd als de vol
gende voorwaarde is vervuld:
[OdometerDifference×OdometerToleranceFactor+Minimum
(SlipDistanceUpperlimit;(OdometerDifference×SlipFac
tor))+GnssTolerance+FerryTrainDistance]
waarbij:
— GnssDistance de afstand is tussen de huidige positie
van het voertuig en de vorige, beide verkregen op basis
van geldige geauthenticeerde positieberichten, zonder
rekening te houden met de hoogte,
— OdometerDifference het verschil is tussen de huidige
kilometerstand en de kilometerstand die overeenstemt
met het vorige geldige geauthenticeerde positiebericht,
— de OdometerToleranceFactor gelijk is aan 1,1 (worst
case-tolerantiefactor voor alle meettolerantie van de ki
lometerteller van het voertuig),
— de GNSSTolerance gelijk is aan 1 km (worstcase-
GNSS-tolerantie),
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 523
— het minimum (SlipDistanceUpperLimit; (OdometerDif
ference * SlipFactor)) de minimumwaarde is tussen:
— de SlipDistanceUpperLimit, die gelijk is aan 10 km
(bovengrens van de slipafstand veroorzaakt door het
slipeffect tijdens het remmen),
— en OdometerDifference * SlipFactor, waarbij Slip
Factor gelijk is aan 0,2 (maximale invloed van het
slipeffect tijdens het remmen),
— FerryTrainDistance wordt berekend als: FerryTrainDis
tance =200km/h * tFerryTrain, waarbij tFerryTrain de
som is van de duur in uren van de ferry-/treinverbin
dingen in het desbetreffende tijdsinterval. De duur van
een ferry-/treinverbinding is gedefinieerd als het tijds
verschil tussen het eindteken en het beginteken van de
verbinding.
De voorafgaande controles worden om de 15 minuten ver
richt als de nodige positiegegevens beschikbaar zijn, en
anders zodra deze beschikbaar zijn.
Voor deze omstandigheid:
— zijn de datum en het tijdstip van het begin van het
voorval gelijk aan de datum en het tijdstip van ont
vangst van het vorige positiebericht,
— zijn de datum en het tijdstip van het voorval gelijk aan
de datum en het tijdstip waarop de gecontroleerde voor
waarde opnieuw vals wordt.
Omstandigheid 3:
De voertuigunit stelt een afwijking vast die eruit bestaat dat
de bewegingssensor geen beweging vaststelt en de on
afhankelijke bewegingsbron wel een beweging vaststelt
voor een bepaalde periode. De voorwaarden om een ver
schil vast te stellen en de periode waarin het verschil wordt
vastgesteld, worden uiteengezet door de fabrikant van de
voertuigeenheid, hoewel het verschil over een maximale
tijdspanne van drie uur moet worden vastgesteld.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 524
Aanhangsel 13
ITS-INTERFACE
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
1.1. Toepassingsgebied
1.2. Afkortingen en definities
2. REFERENTIENORMEN
3. WERKINGSBEGINSELEN VAN DE ITS-INTERFACE
3.1. Communicatietechnologie
3.2. Beschikbare diensten
3.3. Toegang via de ITS-interface
3.4. Beschikbare gegevens en behoefte aan instemming van de bestuurder
4. LIJST VAN GEGEVENS DIE BESCHIKBAAR ZIJN VIA DE
ITS-INTERFACE EN PERSOONLIJKE/NIET-PERSOONLIJKE CLASSI
FICATIE
1. INLEIDING
1.1. Toepassingsgebied
ITS_01 Dit aanhangsel bevat de basisspecificaties voor de communicatie
via de tachograafinterface met intelligente vervoerssystemen (ITS),
zoals vereist in de artikelen 10 en 11 van Verordening (EU)
nr. 165/2014.
ITS_02 De ITS-interface staat toe dat externe inrichtingen gegevens ver
krijgen van de tachograaf, gebruik maken van de diensten van de
tachograaf en ook gegevens verstrekken aan de tachograaf.
Andere tachograafinterfaces (bv. CAN bus) mogen eveneens voor
dat doel worden gebruikt.
Het volgende is niet gespecificeerd in dit aanhangsel:
— de wijze waarop gegevens die via de ITS-interface worden
verstrekt, moeten worden verzameld en beheerd in de
tachograaf,
— de wijze waarop de verzamelde gegevens moeten worden aan
geboden aan de toepassing op de externe inrichting,
— de ITS-beveiligingsspecificatie, in aanvulling op hetgeen Blue
tooth® verstrekt,
— de Bluetooth®-protocollen die worden gebruikt door de
ITS-interface.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 525
1.2. Afkortingen en definities
De volgende afkortingen en definities, die specifiek zijn voor dit aanhangsel,
worden gebruikt:
GNSS Global Navigation Satellite System (wereldwijd satellietna
vigatiesysteem)
ITS Intelligent Transport System (Intelligent vervoerssysteem)
OSI Open Systems Interconnection (Interconnectie in een open
systeem)
VU Vehicle Unit (Voertuigunit)
ITS-eenheid een externe inrichting of externe toepassing die/dat gebruik
maakt van de ITS-interface van de VU.
2. REFERENTIENORMEN
ITS_03 Dit aanhangsel verwijst naar en wordt geregeld door de hierna
genoemde verordeningen en normen of gedeelten daarvan. In dit
aanhangsel wordt verwezen naar de relevante normen of de rele
vante bepalingen daarvan. In geval van tegenspraak prevaleert dit
aanhangsel.
In dit aanhangsel wordt verwezen naar de volgende normen:
— Bluetooth® – Core Version 5.0.
— ISO 16844-7: Wegvoertuigen - Tachograafsystemen - Deel 7:
Parameters
— ISO/IEC 7498-1:1994 Information technology - Open Systems
Interconnection - Basic Reference Model, the Basic Model
3. WERKINGSBEGINSELEN VAN DE ITS-INTERFACE
ITS_04 De VU dient de tachograafgegevens die via de ITS-interface wor
den verstuurd, te actualiseren en bij te houden zonder tussenkomst
van de ITS-interface.
3.1. Communicatietechnologie
ITS_05 Communicatie via de ITS-interface vindt plaats via een Blue
tooth®-interface en is compatibel met Bluetooth® Low Energy
(lage energie), overeenkomstig versie 5.0 of recenter van Blue
tooth.
ITS_06 De communicatie tussen de VU en de ITS-eenheid wordt tot stand
gebracht nadat een Bluetooth®-koppelingsproces is voltooid.
ITS_07 Er wordt een beveiligde en versleutelde communicatie tot stand
gebracht tussen de VU en de ITS-eenheid, overeenkomstig de
mechanismen van de Bluetooth®-specificatie. In dit aanhangsel
worden geen andere dan de door Bluetooth® verstrekte
versleutelings- of beveiligingsmechanismen gespecificeerd.
ITS_08 Bluetooth® maakt gebruik van een server/klant-model om de ver
zending van gegevens tussen inrichtingen te controleren, waarbij
de VU de server is en de ITS-eenheid de klant.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 526
3.2. Beschikbare diensten
ITS_09 De gegevens die overeenkomstig punt 4 via de ITS-interface moe
ten worden verzonden, worden ter beschikking gesteld via de in
aanhangsels 7 en 8 vermelde diensten. Bovendien stelt de VU de
diensten die nodig zijn voor manuele gegevensinvoer, overeenkom
stig voorschrift 61 van bijlage IC, ter beschikking van de
ITS-eenheid en, facultatief, voor andere realtime-gegevensinvoer.
Figuur 1
partitie van de communicatie via de ITS-interface volgens de lagen van het OSI-model
ITS_10 Als de downloadinterface wordt gebruikt via de frontconnector,
verstrekt de VU niet de in aanhangsel 7 vermelde downloaddien
sten via de Bluetooth®-verbinding met de ITS.
ITS_11 Als de kalibratie-interface wordt gebruikt via de frontconnector,
verstrekt de VU niet de in aanhangsel 8 bedoelde kalibratiediensten
via de Bluetooth®-verbinding met de ITS.
3.3. Toegang via de ITS-interface
ITS_12 De ITS-interface verschaft draadloze toegang aan alle in de aan
hangsels 7 en 8 vermelde diensten, ter vervanging van een kabel
verbinding met de frontconnector voor kalibreren en downloaden,
zoals gespecificeerd in aanhangsel 6.
ITS_13 De VU stelt de ITS-interface ter beschikking van de gebruiker via
de combinatie van geldige tachograafkaarten die in de VU worden
ingevoerd, zoals gespecificeerd in tabel 1.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 527
Tabel 1
Beschikbaarheid van de ITS-interface al naargelang het type kaart dat in de tachograaf wordt ingebracht
Beschikbaarheid van de
ITS-interface
Lezer bestuurder
Geen kaart Bestuurderskaart Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
L
ez
er
bi
jr
ij
de
r
Geen kaart Niet beschik
baar
Beschikbaar Beschikbaar Beschikbaar Beschikbaar
Bestuurderskaart Beschikbaar Beschikbaar Beschikbaar Beschikbaar Beschikbaar
Controlekaart Beschikbaar Beschikbaar Beschikbaar Niet beschik
baar
Niet beschikbaar
Werkplaatskaart Beschikbaar Beschikbaar Niet beschik
baar
Beschikbaar Niet beschikbaar
Bedrijfskaart Beschikbaar Beschikbaar Niet beschik
baar
Niet beschik
baar
Beschikbaar
ITS_14 Na een succesvolle Bluetooth®-koppeling met de ITS, wijst de VU
de Bluetooth®-koppeling met de ITS toe aan de specifieke in
gebrachte tachograafkaart, overeenkomstig tabel 2:
Tabel 2
Toewijzing van de ITS-koppeling al naargelang het type kaart dat in de tachograaf wordt ingebracht
Toewijzing van de Blue
tooth®-koppeling met de ITS
Lezer bestuurder
Geen kaart Bestuurderskaart Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
L
ez
er
bi
jr
ij
de
r
Geen kaart Niet beschik
baar
Bestuurders
kaart
Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
Bestuurderskaart Bestuurders
kaart
Bestuurders
kaart (**)
Controlekaart Werkplaatskaart Bedrijfskaart
Controlekaart Controlekaart Controlekaart Contro
lekaart (*)
Niet beschik
baar
Niet beschikbaar
Werkplaatskaart Werkplaatskaart Werkplaatskaart Niet beschik
baar
Werkplaats
kaart (*)
Niet beschikbaar
Bedrijfskaart Bedrijfskaart Bedrijfskaart Niet beschik
baar
Niet beschik
baar
Bedrijfskaart (*)
(*) De Bluetooth®-koppeling met de ITS wordt toegewezen aan de tachograafkaart in de bestuurderslezer van de VU.
(**) De gebruiker selecteert de kaart waaraan de Bluetooth®-koppeling met de ITS wordt toegewezen (ingebracht in de lezer van de
bestuurder of de bijrijder).
ITS_15 Als een tachograafkaart wordt uitgenomen, beëindigt de VU de aan
deze kaart toegewezen Bluetooth®-koppeling met de ITS.
ITS_16 De VU ondersteunt de ITS-verbinding met minstens één
ITS-eenheid en kan verbindingen met meerdere ITS-eenheden te
gelijk ondersteunen.
ITS_17 De toegangsrechten tot de beschikbare gegevens en diensten via de
ITS-interface moeten voldoen aan voorschriften 12 en 13 van bij
lage IC, en de bestuurder moet toestemming geven overeenkomstig
punt 3.4 van deze bijlage.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 528
3.4. Beschikbare gegevens en behoefte aan toestemming van de bestuurder
ITS_18 Alle tachograafgegevens die beschikbaar zijn via de in punt 3.3
bedoelde diensten worden geclassificeerd als persoonlijk of
niet-persoonlijk voor de bestuurder, bijrijder of beide.
ITS_19 Minstens de in punt 4 als verplicht geclassificeerde lijst van gege
vens wordt beschikbaar gesteld via de ITS-interface.
ITS_20 De als „persoonlijk” geclassificeerde gegevens in punt 4 zijn alleen
toegankelijk met de toestemming van de bestuurder; als de bestuur
der toestemming verleent, aanvaardt hij dat de persoonlijke gege
vens het voertuignetwerk verlaten, behalve in het geval van voor
schrift ITS_25, waarvoor geen toestemming van de bestuurder no
dig is.
ITS_21 Andere dan de in punt 4 vermelde gegevens die als verplicht
worden beschouwd, kunnen beschikbaar worden gesteld via de
ITS-interface. Niet in punt 4 vermelde gegevens worden geclassi
ficeerd als „persoonlijk” of „niet persoonlijk” door de
VU-fabrikant; de toestemming van de bestuurder is vereist voor
gegevens die als „persoonlijk” zijn geclassificeerd, behalve in het
geval van voorschrift ITS_25.
ITS_22 Wanneer een voor de voertuigunit onbekende bestuurderskaart
wordt ingebracht, wordt de kaarthouder door de tachograaf ge
vraagd om toestemming te geven voor de verzending van persoon
lijke gegevensoutput via de ITS-interface, overeenkomstig voor
schrift 61 van bijlage IC.
ITS_23 De status van de toestemming (actief/inactief) wordt geregistreerd
in het geheugen van de voertuigunit.
ITS_24 Indien er meerdere bestuurders zijn, zijn alleen de persoonsgege
vens van de bestuurders die toestemming hebben gegeven toegan
kelijk via de ITS-interface. Als, bijvoorbeeld, in een teamsituatie
alleen de bestuurder toestemming heeft gegeven, zijn de persoons
gegevens van de bijrijder niet toegankelijk.
ITS_25 Wanneer de VU zich in de controle-, bedrijfs- of kalibratiemodus
bevindt, worden de toegangsrechten via de ITS-interface beheerd
overeenkomstig eisen 12 en 13 van bijlage IC, en is de toestem
ming van de bestuurder dus niet vereist.
4. LIJST VAN GEGEVENS DIE BESCHIKBAAR ZIJN VIA DE
ITS-INTERFACE EN PERSOONLIJKE/NIET-PERSOONLIJKE CLASSI
FICATIE
Gegevensnaam Gegevensformaat Bron
Gegevensclassificatie (persoonlijk/niet-
persoonlijk) Toestemming voor de
beschikbaarheid van
de gegevens
Beschikbaar
heid
bestuurder bijrijder
VehicleIdentification
Number
Aanhangsel 8 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
CalibrationDate ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
TachographVehicle
Speed
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 529
Gegevensnaam Gegevensformaat Bron
Gegevensclassificatie (persoonlijk/niet-
persoonlijk) Toestemming voor de
beschikbaarheid van
de gegevens
Beschikbaar
heid
bestuurder bijrijder
Driver1WorkingState ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2WorkingState ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
DriveRecognize ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
Driver1TimeRelated
States
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2TimeRelated
States
ISO 16844-7 VU Niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
DriverCardDriver1 ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
DriverCardDriver2 ISO 16844-7 VU Niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
OverSpeed ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
TimeDate Aanhangsel 8 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
HighResolutionTotal
VehicleDistance
ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
HighResolutionTrip
Distance
ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
ServiceComponentI
dentification
ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
ServiceDelayCalend
arTimeBased
ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
Driver1Identification ISO 16844-7 Be
stuu
rder
skaa
rt
persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2Identification ISO 16844-7 Be
stuu
rder
skaa
rt
niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 530
Gegevensnaam Gegevensformaat Bron
Gegevensclassificatie (persoonlijk/niet-
persoonlijk) Toestemming voor de
beschikbaarheid van
de gegevens
Beschikbaar
heid
bestuurder bijrijder
NextCalibrationDate Aanhangsel 8 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
Driver1ContinuousDri
vingTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2ContinuousDri
vingTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
Driver1Cumulative
BreakTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2Cumulative
BreakTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
Driver1CurrentDuratio
nOfSelectedActivity
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2CurrentDuratio
nOfSelectedActivity
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
SpeedAuthorised Aanhangsel 8 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
TachographCardSlot1 ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet van toe
passing
toestemming niet
nodig
verplicht
TachographCardSlot2 ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
Driver1Name ISO 16844-7 Be
stuu
rder
skaa
rt
persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
Driver2Name ISO 16844-7 Be
stuu
rder
skaa
rt
niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
OutOfScopeCondition ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
ModeOfOperation ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
Driver1CumulatedDri
vingTimePreviousAnd
CurrentWeek
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
verplicht
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 531
Gegevensnaam Gegevensformaat Bron
Gegevensclassificatie (persoonlijk/niet-
persoonlijk) Toestemming voor de
beschikbaarheid van
de gegevens
Beschikbaar
heid
bestuurder bijrijder
Driver2CumulatedDri
vingTimePreviousAnd
CurrentWeek
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
verplicht
EngineSpeed ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
RegisteringMember
State
Aanhangsel 8 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
VehicleRegistration
Number
Aanhangsel 8 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
verplicht
Driver1EndOfLastDai
lyRestPeriod
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2EndOfLastDai
lyRestPeriod
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1EndOfLast
WeeklyRestPeriod
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2EndOfLast
WeeklyRestPeriod
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1EndOfSecond
LastWeeklyRestPeriod
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2EndOfSecond
LastWeeklyRestPeriod
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1TimeLastLoa
dUnloadOperation
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2TimeLastLoa
dUnloadOperation
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1CurrentDaily
DrivingTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2CurrentDaily
DrivingTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1CurrentWeekly
DrivingTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2CurrentWeekly
DrivingTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 532
Gegevensnaam Gegevensformaat Bron
Gegevensclassificatie (persoonlijk/niet-
persoonlijk) Toestemming voor de
beschikbaarheid van
de gegevens
Beschikbaar
heid
bestuurder bijrijder
Driver1TimeLeftUntil
NewDailyRestPeriod
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2TimeLeftUntil
NewDailyRestPeriod
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1CardExpiry
Date
ISO 16844-7 Be
stuu
rder
skaa
rt
persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2CardExpiry
Date
ISO 16844-7 Be
stuu
rder
skaa
rt
niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1CardNextMan
datoryDownloadDate
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2CardNextMan
datoryDownloadDate
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
TachographNextMan
datoryDownloadDate
ISO 16844-7 VU niet persoon
lijk
niet persoon
lijk
toestemming niet
nodig
facultatief
Driver1TimeLeftUntil
NewWeeklyRestPeriod
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2TimeLeftUntil
NewWeeklyRestPeriod
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1NumberOfTi
mes9hDailyDrivingTi
mesExceeded
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2NumberOfTi
mes9hDailyDrivingTi
mesExceeded
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1CumulativeUn
interruptedRestTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2CumulativeUn
interruptedRestTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1MinimumDai
lyRest
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2MinimumDai
lyRest
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 533
Gegevensnaam Gegevensformaat Bron
Gegevensclassificatie (persoonlijk/niet-
persoonlijk) Toestemming voor de
beschikbaarheid van
de gegevens
Beschikbaar
heid
bestuurder bijrijder
Driver1Minimum
WeeklyRest
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2Minimum
WeeklyRest
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1MaximumDai
lyPeriod
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2MaximumDai
lyPeriod
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1MaximumDai
lyDrivingTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2MaximumDai
lyDrivingTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1NumberOfUse
dReducedDailyRest
Periods
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2NumberOfUse
dReducedDailyRest
Periods
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
Driver1RemainingCur
rentDrivingTime
ISO 16844-7 VU persoonlijk niet van toe
passing
toestemming van
de bestuurder
facultatief
Driver2RemainingCur
rentDrivingTime
ISO 16844-7 VU niet van toe
passing
persoonlijk toestemming van
de bijrijder
facultatief
VehiclePosition Aanhangsel 8 VU persoonlijk persoonlijk toestemming van
de bestuurder en
bijrijder
verplicht
ByDefaultLoadType Aanhangsel 8 VU persoonlijk persoonlijk toestemming van
de bestuurder en
de bijrijder
verplicht
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 534
Aanhangsel 14
FUNCTIE VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING
2 TOEPASSINGSGEBIED
3 ACRONIEMEN, DEFINITIES EN NOTATIES
4 OPERATIONELE SCENARIO'S
4.1 Overzicht
4.1.1 Eerste vereisten voor gegevensoverdracht via 5,8 GHz DSRC-interfaces
4.1.2 Profiel 1a: via een in de hand gehouden of tijdelijk langs de weg opge
stelde REDCR
4.1.3 Profiel 1b: via een in het voertuig gemonteerde en van daaruit gerichte
REDCR
4.2 Beveiliging/integriteit
5 ONTWERP EN PROTOCOLLEN VOOR COMMUNICATIE OP AF
STAND
5.1 Ontwerp
5.2 Workflow
5.2.1 Operaties
5.2.2 Interpretatie van de via de DSRC-interface ontvangen gegevens
5.3 Fysieke DSRC-interfaceparameters voor communicatie op afstand
5.3.1 Beperkingen met betrekking tot de gebruikslocatie
5.3.2 Downlink- en uplinkparameters
5.3.3 Antenneontwerp
5.4 DSRC-protocolvereisten voor RTM
5.4.1 Overzicht
5.4.2 Commando's
5.4.3 Volgorde van ondervragingscommando's
5.4.4 Gegevensstructuren
5.4.5 Elementen van RtmData, uitgevoerde acties en definities
5.4.6 Mechanisme voor gegevensoverdracht
5.4.7 Gedetailleerde beschrijving van transacties via DSRC-interfaces
5.4.8 Beschrijving van de testtransactie via DSRC-interfaces
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 535
5.5 Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼B
5.6 Gegevensoverdracht tussen DSRC-VU en VU
5.6.1 Fysieke verbinding en interfaces
5.6.2 Toepassingsprotocol
5.7 Behandeling van fouten
5.7.1 Registratie en doorgifte van de gegevens in de DSRC-VU
5.7.2 Fouten in de draadloze communicatie
6 TESTS BIJ INBEDRIJFSTELLING EN PERIODIEKE CONTROLE
VAN DE FUNCTIE VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND
6.1 Algemeen
6.2 Echo-commando
6.3 Tests om de beveiligde gegevensinhoud te bevestigen
1 INLEIDING
In dit aanhangsel worden de ontwerpspecificaties en de toepasselijke
procedures uiteengezet om de functie voor communicatie op afstand
uit te voeren zoals voorgeschreven in artikel 9 van Verordening (EU)
nr. 165/2014 (tachograafverordening).
DSC_1 Op grond van Verordening (EU) nr. 165/2014 wordt de tacho
graaf uitgerust met een functie voor communicatie op afstand
waarmee de personeelsleden van de bevoegde controleautori
teiten tachograafinformatie van voorbijrijdende voertuigen
kunnen lezen met behulp van apparatuur voor ondervraging
op afstand (lezer voor communicatie over vroegtijdige detectie
op afstand [REDCR]), in het bijzonder draadloze ondervra
gingssystemen die gebruikmaken van DSRC-interfaces in de
frequentieband van 5,8 GHz en die voldoen aan de voorschrif
ten van het Europees Comité voor normalisatie (CEN).
Het is van belang in te zien dat deze functie uitsluitend dient
als voorfilter om de voertuigen te selecteren voor nadere con
trole, en niet bedoeld is ter vervanging van de formele con
troleprocedure waarin Verordening (EU) nr. 165/2014 voor
ziet. Punt 9 van de considerans van de tachograafverordening
bepaalt inderdaad dat communicatie op afstand tussen de ta
chograaf en de controleautoriteiten alleen beoogt gerichte weg
controles te vergemakkelijken.
DSC_2 De gegevens worden uitgewisseld via communicatie op af
stand, waarbij de transmissie langs draadloze weg plaatsvindt
via een 5,8 GHz DSRC-systeem dat in overeenstemming is
met dit aanhangsel en dat werd getoetst aan de desbetreffende
parameters van EN 300 674-1, {Electromagnetic compatibility
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 536
and Radio spectrum Matters (ERM); Road Transport and Traf
fic Telematics (RTTT); Dedicated Short Range Communica
tion (DSRC) transmission equipment (500 kbit/s / 250 kbit/s)
operating in the 5,8 GHz Industrial, Scientific and
Medical (ISM) band; Part 1: General characteristics and test
methods for Road Side Units (RSU) and On-Board
Units (OBU)}.
DSC_3 De communicatieverbinding wordt uitsluitend tot stand ge
bracht door toedoen van het apparaat van de controleautoritei
ten, met gebruikmaking van een conform radiocommunicatie
middel (lezer voor communicatie over vroegtijdige detectie op
afstand (REDCR)).
DSC_4 De gegevens worden beveiligd om de integriteit te
waarborgen.
DSC_5 Toegang tot de uitgewisselde gegevens wordt beperkt tot voor
controle bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn inbreuken
op Verordening (EG) nr. 561/2006 en Verordening (EU)
nr. 165/2014 te controleren, en tot werkplaatsen voor zover
het noodzakelijk is te controleren of de tachograaf goed
functioneert.
DSC_6 Tijdens de communicatie op afstand worden uitsluitend gege
vens uitgewisseld die nodig zijn voor gerichte wegcontrole van
voertuigen met een tachograaf ten aanzien waarvan het ver
moeden van manipulatie of misbruik bestaat.
DSC_7 De gegevensintegriteit en -beveiliging worden gewaarborgd
door de gegevens in de voertuigunit (VU) te versleutelen en
door uitsluitend versleutelde payload- en beveiligingsgegevens
(zie punt 5.4.4) door te geven via het draadloze 5,8 GHz
DSRC-systeem voor communicatie op afstand. Dit betekent
dat alleen daartoe gemachtigde personen van de bevoegde
controleautoriteiten in staat zijn de via de communicatie op
afstand uitgewisselde gegevens te begrijpen en de authenticiteit
daarvan te controleren. Zie aanhangsel 11 „Algemene beveili
gingsmechanismen”.
DSC_8 De gegevens bevatten een tijdaanduiding die aangeeft wanneer
ze voor het laatst werden geactualiseerd.
DSC_9 Uitsluitend de bevoegde controleautoriteiten en de partijen met
wie zij deze informatie delen, zijn op de hoogte van de be
veiligingsgegevens, en hebben de controle over de inhoud
daarvan. Deze inhoud valt buiten de werkingssfeer van de in
dit aanhangsel vervatte bepalingen met betrekking tot com
municatie op afstand. Niettemin wordt ervoor gezorgd dat bij
elke overdracht van payloadgegevens ook beveiligingsgege
vens worden meegezonden.
DSC_10 Dezelfde architectuur en apparatuur moeten het mogelijk ma
ken andere gegevens (bijvoorbeeld van een weegsysteem aan
boord van het voertuig) te verzamelen met toepassing van de
hierin vervatte architectuurvoorschriften.
DSC_11 Voor alle duidelijkheid: overeenkomstig artikel 7 van Verorde
ning (EU) nr. 165/2014 worden via communicatie op afstand
geen gegevens over de identiteit van de bestuurder
uitgewisseld.
2 TOEPASSINGSGEBIED
In dit aanhangsel wordt gespecificeerd hoe personeelsleden van de be
voegde controleautoriteiten een specifiek 5,8 GHz DSRC-systeem voor
draadloze communicatie op afstand gebruiken met het doel gegevens te
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 537
verzamelen ter identificatie van een bepaald voertuig dat mogelijkerwijs
inbreuk maakt op Verordening (EU) nr. 165/2014 en dat daarom moet
worden tegengehouden voor nadere controle.
Overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 165/2014 moeten de
verzamelde gegevens beperkt blijven tot, of betrekking hebben op ge
gevens ter identificatie van eventuele inbreuken op de tachograafver
ordening.
▼M1
In dit geval is de voor de communicatie beschikbare tijd beperkt omdat
gerichte gegevens over korte afstand moeten worden uitgewisseld.
Voorts kunnen de bevoegde controleautoriteiten dezelfde communicatie
middelen voor tachograafcontrole op afstand (RTM) ook voor andere
toepassingen inzetten (bijvoorbeeld ter bepaling van de maximaal toe
gestane afmetingen en gewichten van zware vrachtvoertuigen als be
doeld in Richtlijn (EU) 2015/719). Dit kan, naar keuze van de bevoegde
controleautoriteiten, geschieden in de vorm van aparte of opeenvolgende
verrichtingen.
▼B
Dit aanhangsel bevat specificaties met betrekking tot:
— de voor de communicatie op afstand te gebruiken apparatuur, pro
cedures en -protocollen;
— de normen en verordeningen waaraan de radioapparatuur dient te
voldoen;
— de aanbiedingsvorm van de gegevens aan de communicatieappa
ratuur;
— de opvraag- en downloadprocedures en de bewerkingsvolgorde;
— de over te brengen gegevens;
— de mogelijke interpretatie van de via communicatie op afstand over
gebrachte gegevens;
— de bepalingen met betrekking tot beveiligingsgegevens in het kader
van de communicatie op afstand;
— de beschikbaarstelling van de gegevens aan de bevoegde
controleautoriteiten;
— de wijze waarop de lezer voor communicatie over vroegtijdige de
tectie op afstand (REDCR) uiteenlopende gegevens over het vracht
vervoer en voertuigenpark kan opvragen.
Voor alle duidelijkheid: dit aanhangsel bevat geen specificaties met
betrekking tot:
— het verzamelen van gegevens met het oog op de werking en het
beheer in de VU (dit hangt af van het productontwerp tenzij anders
is bepaald in Verordening (EU) nr. 165/2014);
— de aanbiedingsvorm van de verzamelde gegevens aan de personeels
leden van de bevoegde controleautoriteiten, noch de criteria die deze
autoriteiten toepassen om te beslissen welke voertuigen worden te
gengehouden (dit hangt af van het productontwerp, tenzij anders is
bepaald in Verordening (EU) nr. 165/2014 of in beleidsbeslissingen
van de bevoegde controleautoriteiten). Voor alle duidelijkheid: de
functie voor communicatie op afstand beoogt uitsluitend de gegevens
beschikbaar te stellen aan de bevoegde controleautoriteiten zodat zij
zelf met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 538
— de bepalingen inzake gegevensbeveiliging (zoals codering) met be
trekking tot de gegevensinhoud (die worden gespecificeerd aanhang
sel 11 „Algemene beveiligingsmechanismen”);
— bijzonderheden over andere gegevens die losstaan van de tachograaf
controle op afstand (RTM) en die met behulp van dezelfde architec
tuur en apparatuur kunnen worden verkregen;
— bijzonderheden over de wisselwerking en het beheer tussen de VU
en de DSRC-VU, noch over de interne werking van de DSRC-VU
(tenzij om de door een REDCR opgevraagde gegevens te verstrek
ken).
3 ACRONIEMEN, DEFINITIES EN NOTATIES
In dit aanhangsel worden de volgende acroniemen en begrippen gebruikt
in de daarachter vermelde betekenis:
antenne: elektrisch apparaat dat wisselstroom om
zet in radiofrequente energie (zend
antenne) en omgekeerd (ontvangantenne),
in combinatie met een radiozender of
radio-ontvanger. Bij gebruik als zend
antenne voert een radiozender radiofre
quente wisselstroom toe aan de antenne
klemmen en straalt de antenne deze ra
diofrequente energie uit in de vorm van
elektromagnetische golven (radiogolven).
Bij gebruik als ontvangantenne onttrekt
de antenne een bepaalde hoeveelheid
energie aan een elektromagnetische golf
om op de antenneklemmen wisselstroom
op te wekken; deze wisselstroom wordt
aangelegd op een ontvanger om het sig
naal te versterken;
communicatie: uitwisseling van informatie/gegevens op
master-slavebasis tussen een DSRC-
REDCR en DSRC-VU, zoals uiteengezet
in punt 5, met het doel gerichte gegevens
te verkrijgen;
gegevens: beveiligde gegevens in een vastgelegd
formaat (zie punt 5.4.4), die door de
DSRC-REDCR worden opgevraagd en
door de DSRC-VU aan de
DSRC-REDCR worden verstrekt via een
5,8 GHz DSRC-interface als bedoeld in
punt 5 hieronder;
tachograafverordening: Verordening (EU) nr. 165/2014 van het
Europees Parlement en van de Raad van
4 februari 2014 betreffende tachografen
in het wegvervoer, tot intrekking van
Verordening (EEG) nr. 3821/85 van
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 539
de Raad betreffende het controleapparaat
in het wegvervoer en tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 561/2006 van het
Europees Parlement en de Raad tot har
monisatie van bepaalde voorschriften van
sociale aard voor het wegvervoer;
AID Toepassingsidentificator
BLE Bluetooth Low Energy
BST Dienstrooster radiobaken
CIWD Inbrengen van de kaart tijdens het rijden
CRC Cyclische redundantiecontrole
DSC (n) Identificator van een voorschrift voor een
specifieke DSRC-inrichting
DSRC Speciale korteafstandscommunicatie
DSRC-REDCR DSRC-lezer voor communicatie over
vroegtijdige detectie op afstand
DSRC-VU DSRC-voertuigunit. Dit is de „apparatuur
voor vroegtijdige detectie op afstand” als
gedefinieerd in bijlage 1 C.
DWVC Rijden zonder geldige kaart
EID Elementidentificator
LLC Logische verbindingsbesturing
LPDU LLC-protocol gegevensunit
OWS Weegsysteem aan boord van een voertuig
PDU Protocol gegevensunit
REDCR Lezer voor communicatie over vroegtij
dige detectie op afstand. Dit is de „ap
paratuur voor communicatie over vroeg
tijdige detectie op afstand” als gedefini
eerd in bijlage 1 C.
RTM Tachograafcontrole op afstand
SM-REDCR Beveiligingsmodule van de lezer voor
communicatie over vroegtijdige detectie
op afstand
TARV Telematics Applications for Regulated
Vehicles (ISO 15638-normenreeks)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 540
VU Voertuigunit
VUPM Payloadgeheugen van de voertuigunit
VUSM Beveiligingsmodule van de voertuigunit
VST Dienstrooster voertuig
WIM Wegen terwijl het voertuig aan het rijden
is
WOB Wegen aan boord van het voertuig
De in dit aanhangsel vastgestelde specificatie verwijst naar en wordt
geregeld door de hierna genoemde verordeningen en normen of gedeel
ten daarvan. In dit aanhangsel zijn de relevante normen of de relevante
bepalingen van normen gespecificeerd. In geval van tegenspraak preva
leert dit aanhangsel. Indien er zich tegenstrijdigheden voordoen waar
voor een duidelijke specificatie in dit aanhangsel ontbreekt, prevaleert
aanbeveling 70-03 van het Europees Comité voor radiocommunicatie
(ERC) (na toetsing aan de desbetreffende parameters van EN 300 674-
1), in afnemende volgorde van voorkeur gevolgd door EN 12795, EN
12253, EN 12834 en EN 13372, punten 6.2, 6.3, 6.4 en 7.1.
In dit aanhangsel wordt verwezen naar de volgende verordeningen en
normen:
[1] Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van
de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het weg
vervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de
Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot
wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees
Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften
van sociale aard voor het wegvervoer
[2] Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de
Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschrif
ten van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van
Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de
Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van
de Raad (Voor de EER relevante tekst)
[3] ERC 70-03 CEPT: ECC Recommendation 70-03: Relating to the
Use of Short Range Devices (SRD)
[4] ISO 15638 Intelligent transport systems — Framework for coope
rative telematics applications for regulated commercial freight
vehicles (TARV)
[5] EN 300 674-1 Electromagnetic compatibility and Radio spectrum
Matters (ERM); Road Transport and Traffic Telematics (RTTT);
Dedicated Short Range Communication (DSRC) transmission
equipment (500 kbit/s / 250 kbit/s) operating in the 5.8 GHz Indu
strial, Scientific and Medical (ISM) band; Part 1: General charac
teristics and test methods for Road Side Units (RSU) and On-Board
Units (OBU).
[6] EN 12253 Road transport and traffic telematics — Dedicated
short-range communication — Physical layer using microwave at
5.8 GHz.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 541
[7] EN 12795 Road transport and traffic telematics — Dedicated
short-range communication — Data link layer: medium access
and logical link control.
[8] EN 12834 Road transport and traffic telematics — Dedicated
short-range communication — Application layer.
[9] EN 13372 Road transport and traffic telematics — Dedicated
short-range communication — Profiles for RTTT applications
[10] ISO 14906 Electronic fee collection — Application interface defi
nition for dedicated short- range communication
4 OPERATIONELE SCENARIO'S
4.1 Overzicht
De tachograafverordening voorziet in specifieke, duidelijk afgebakende
scenario's waarin gebruik dient te worden gemaakt van communicatie op
afstand.
De ondersteunde scenario's zijn:
„Communication Profile 1: Roadside inspection using a short range
wireless communication Remote Early Detection Communication Reader
instigating a physical roadside inspection (master-:-slave)
Reader Profile 1a: via a hand aimed or temporary roadside mounted
and aimed Remote Early Detection Communication
Reader Profile 1b: via a vehicle mounted and directed Remote Early
Detection Communication Reader.”
4.1.1 Eerste vereisten voor gegevensoverdracht via 5,8 GHz DSRC-interfaces
OPMERKING: voor een beter begrip van het kader waarin deze eerste
vereisten worden toegepast, wordt verwezen naar figuur 14.3 hieronder.
4.1.1.1 In de VU bewaarde gegevens
DSC_12 De VU dient de gegevens die in de VU moeten worden opge
slagen, om de 60 seconden te actualiseren en bij te houden
zonder tussenkomst van de DSRC-functie voor communicatie
op afstand. De daartoe gebruikte middelen hangen af van het
interne ontwerp van de VU, zoals gespecificeerd in de tacho
graafverordening, bijlage 1 C, punt 3.19 „Communicatie op
afstand voor gerichte wegcontroles”, en worden niet behandeld
in dit aanhangsel.
4.1.1.2 Aan de DSRC-VU verstrekte gegevens
DSC_13 De VU dient de DSRC-gerelateerde tachograafgegevens bij te
werken telkens wanneer de in de VU opgeslagen gegevens
worden geactualiseerd met de in punt 4.1.1.1 (DSC_12) be
paalde regelmaat, zonder tussenkomst van de DSRC-functie
voor communicatie op afstand.
DSC_14 De VU-gegevens dienen als uitgangspunt voor het samenstel
len en actualiseren van de tachograafgegevens. De daartoe
gebruikte middelen worden gespecificeerd in de tachograafver
ordening, bijlage 1 C, punt 3.19 „Communicatie op afstand
voor gerichte wegcontroles”. Bij gebrek aan ter zake dienende
specificaties hangen deze middelen af van het productontwerp
en worden zij niet behandeld in dit aanhangsel. Zie punt 5.6
voor meer informatie over het ontwerp van de communicatie
verbinding tussen de DSRC-VU en de VU.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 542
4.1.1.3 Gegevensinhoud
DSC_15 De gegevens zijn inhoudelijk zodanig opgemaakt dat ze na
decodering kunnen worden gestructureerd en beschikbaar ge
steld in de vorm die en het formaat dat is vastgelegd in punt
5.4.4 „Gegevensstructuren” van dit aanhangsel.
4.1.1.4 Aanbiedingsvorm van de gegevens
DSC_16 De gegevens die met de in punt 4.1.1.1 bepaalde regelmaat
zijn geactualiseerd, worden op voorhand versleuteld en als
beveiligde gegevens aangeboden aan de DSRC-VU om daar
tijdelijk te worden opgeslagen als huidige versie van de gege
vens. De VUSM brengt deze gegevens over naar de VUPM
via de DSRC-functie. De VUSM en VUPM zijn functionele
voorzieningen en niet noodzakelijk fysieke inrichtingen. De
uitvoeringsvorm van deze functionele voorzieningen hangt af
van het productontwerp tenzij anders is bepaald in de
tachograafverordening.
4.1.1.5 Beveiligingsgegevens
▼M3
DSC_17 Beveiligingsgegevens (DSRCSecurityData), met inbegrip van
de gegevens die de REDCR nodig heeft om de gegevens te
decoderen, worden verstrekt op de in aanhangsel 11 „Alge
mene beveiligingsmechanismen” vastgelegde wijze, voor tijde
lijke opslag in de DSRC-VU als huidige versie van DSRCSe
curityData, in het in punt 5.4.4 van dit aanhangsel omschreven
formaat.
▼B
4.1.1.6 Voor overdracht via de DSRC-interface beschikbare VUPM-gegevens
DSC_18 In punt 5.4.4 wordt in het kader van de integrale specificaties
van de ASN.1-module vastgelegd welke gegevens altijd be
schikbaar moeten zijn in de VUPM voor onmiddellijke over
dracht op verzoek van de REDCR.
Algemeen overzicht van communicatieprofiel 1
Dit profiel is van toepassing indien een personeelslid van de bevoegde
controleautoriteiten („controleambtenaar”) gebruikmaakt van een
DSRC-REDCR (5,8 GHz DSRC-interfaces die functioneren overeen
komstig ERC-aanbeveling 70-03 en die zijn getoetst aan de desbetref
fende parameters van EN 300 674-1 zoals omschreven in punt 5) ten
einde op afstand een voertuig te identificeren dat mogelijkerwijs inbreuk
maakt op de tachograafverordening. Zodra dit voertuig is geïdentificeerd,
beslist de controleambtenaar op basis van de opgevraagde gegevens of
het voertuig moet worden tegengehouden.
4.1.2 Profiel 1a: via een in de hand gehouden of tijdelijk langs de weg opge
stelde REDCR
De controleambtenaar staat in dit geval aan de wegkant en richt een in
de hand gehouden, op een statief gemonteerde of soortgelijke draagbare
REDCR naar het midden van de voorruit van het gecontroleerde voer
tuig. Voor de ondervraging wordt gebruikgemaakt van 5,8 GHz
DSRC-interfaces die functioneren overeenkomstig ERC-aanbeveling
70-03 en die zijn getoetst aan de desbetreffende parameters van EN
300 674-1 zoals omschreven in punt 5. Zie figuur 14.1 (praktijkgeval 1).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 543
Figuur 14.1
Ondervraging aan de wegkant via 5,8 GHz DSRC-interfaces
4.1.3 Profiel 1b: via een in het voertuig gemonteerde en van daaruit gerichte
REDCR
De controleambtenaar zit in dit geval in een rijdend voertuig en richt van
daaruit een in de hand gehouden, draagbare REDCR naar het midden
van de voorruit van het gecontroleerde voertuig. De REDCR kan ook in
of op het voertuig van de controleambtenaar gemonteerd zijn. In dit
geval wordt de REDCR naar het midden van de voorruit van het ge
controleerde voertuig gericht indien het voertuig van de controleambte
naar zich in een bepaalde positie bevindt (bijvoorbeeld voorligger) ten
opzichte van het gecontroleerde voertuig (achterligger). Voor de onder
vraging wordt gebruikgemaakt van 5,8 GHz DSRC-interfaces die func
tioneren overeenkomstig ERC-aanbeveling 70-03 en die zijn getoetst aan
de desbetreffende parameters van EN 300 674-1 zoals omschreven in
punt 5. Zie figuur 14.2 (praktijkgeval 2)
Figuur 14.2
Ondervraging vanuit het voertuig via 5,8 GHz DSRC-interfaces
4.2 Beveiliging/integriteit
Teneinde de authenticiteit en integriteit van de via communicatie op
afstand gedownloade gegevens te kunnen verifiëren, worden de bevei
ligde gegevens geverifieerd en gedecodeerd overeenkomstig aanhangsel
11 „Algemene beveiligingsmechanismen”.
5 ONTWERP EN PROTOCOLLEN VOOR COMMUNICATIE OP AF
STAND
5.1 Ontwerp
Het ontwerp van de functie voor communicatie op afstand in de slimme
tachograaf wordt verduidelijkt in figuur 14.3.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 544
Figuur 14.3
Ontwerp van de functie voor communicatie op afstand
DSC_19 Hieronder wordt een overzicht gegeven van de functies die
zich in de VU bevinden.
— VUSM (beveiligingsmodule van de VU): deze functie in
de VU beveiligt de gegevens die de DSRC-VU via com
municatie op afstand doorgeeft aan de controleambtenaar.
— De beveiligde gegevens worden opgeslagen in het geheu
gen van de VUSM. De in het geheugen van de DSRC-VU
bijgehouden RTM-gegevens (met inbegrip van de verderop
in dit aanhangsel bepaalde payload- en beveiligingsgege
vens) worden door de VU gecodeerd en gecompleteerd
met de in punt 4.1.1.1 (DSC_12) bepaalde regelmaat. De
werking van de beveiligingsmodule wordt nader omschre
ven in aanhangsel 11 „Algemene beveiligingsmechanis
men” en valt buiten het toepassingsgebied van dit aanhang
sel. Niettemin moet de beveiligingsmodule, telkens wan
neer de VUSM-gegevens veranderen, aangepaste gegevens
verstrekken aan de VU-inrichting voor communicatie op
afstand.
— De communicatie tussen de VU en de DSRC-VU vindt
plaats via een kabel- of draadverbinding dan wel langs
draadloze weg, via een BLE(Bluetooth Low Energy)-ver
binding. De DSRC-VU kan geïntegreerd zijn in de antenne
op de voorruit van het voertuig, in de VU ingebouwd zijn
of zich ergens daartussen bevinden.
— De DSRC-VU moet beschikken over een betrouwbare, on
onderbroken stroomvoorziening. De daartoe gebruikte mid
delen worden in de ontwerpfase vastgesteld.
— De DSRC-VU heeft een niet-vluchtig geheugen zodat de
gegevens in de DSRC-VU bewaard blijven zelfs wanneer
de ontsteking van het voertuig uitgeschakeld is.
— Indien de VU en de DSRC-VU via een BLE-verbinding
met elkaar communiceren en de DSRC-VU via een
niet-oplaadbare batterij van stroom wordt voorzien, moet
deze stroombron bij elke periodieke controle van de
DSRC-VU worden vervangen. De fabrikant van de
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 545
DSRC-VU dient ervoor te zorgen dat de stroomvoorzie
ning gewaarborgd blijft tussen twee periodieke controles.
Daarbij moeten de gegevens op normale wijze en zonder
enige storing of onderbreking toegankelijk blijven voor een
REDCR.
— VUPM (payloadgeheugen van de VU) voor tachograafcon
trole op afstand (RTM): via deze functie in de VU worden
de gegevens verstrekt en geactualiseerd. De gegevens
inhoud („TachographPayload”) wordt hieronder gedefini
eerd in punten 5.4.4 en 5.4.5, en wordt geactualiseerd
met de in punt 4.1.1.1 (DSC_12) bepaalde regelmaat.
— DSRC-VU: deze functie is geïntegreerd in of aangesloten
op de antenne en communiceert met de VU via een kabel-
of draadverbinding dan wel langs draadloze weg, via een
BLE-verbinding. Deze functie houdt de huidige gegevens
(VUPM-gegevens) bij en beheert het antwoord op een on
dervraging via de 5,8 GHz DSRC-interface. Het loskop
pelen van de DSRC-interface of het anderszins belemme
ren of verhinderen van de werking daarvan tijdens normaal
bedrijf van het voertuig wordt aangemerkt als inbreuk op
de tachograafverordening.
— SM-REDCR (beveiligingsmodule van de REDCR): deze
functie wordt gebruikt om de gegevens afkomstig van de
VU te decoderen en op integriteit te controleren. De daar
toe gebruikte middelen worden niet nader omschreven in
dit aanhangsel, maar vastgelegd in aanhangsel 11 „Alge
mene beveiligingsmechanismen”.
— DSRC-REDCR: deze functie bevat een 5,8 GHz zendont
vangapparaat („transceiver”) met bijbehorende firmware en
software voor het beheer van de communicatie op afstand
met de DSRC-VU overeenkomstig dit aanhangsel.
— De DSRC-REDCR ondervraagt de DSRC-VU van het ge
controleerde voertuig en ontvangt de gegevens (de huidige
VUPM-gegevens van het gecontroleerde voertuig) via de
DSRC-interface, verwerkt die en slaat ze op in de
SM-REDCR.
▼M1
— De antenne van de DSRC-VU wordt aangebracht op een
plaats waar zij zorgt voor optimale DSRC-communicatie
tussen het voertuig en de antenne langs de weg, waarbij de
lezer op een afstand van 15 m vóór het voertuig en een
hoogte van 2 m wordt geïnstalleerd, gericht op het hori
zontale en verticale middenpunt van de voorruit. Voor
lichte voertuigen (bestelwagens e.d.) kan de antenne aan
de bovenzijde van de voorruit worden gemonteerd. Voor
alle andere voertuigen wordt de DSRC-antenne in de na
bijheid van de onderzijde of de bovenzijde van de voorruit
geïnstalleerd.
▼B
DSC_20 De antenne en de functie voor communicatie op afstand wer
ken overeenkomstig ERC-aanbeveling 70-03 en zijn getoetst
aan de desbetreffende parameters van EN 300 674-1 zoals
omschreven in punt 5. In de antenne en de functie voor com
municatie op afstand kunnen ontstoringstechnieken worden
toegepast om interferentie van andere draadloze apparaten te
gen te gaan, zoals omschreven in rapport 228 van het Comité
voor elektronische communicatie (ECC), bijvoorbeeld door
gebruik te maken van ontstoringsfilters voor de CEN DSRC
5,8 GHz communicatie.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 546
DSC_21 De antenne wordt hetzij rechtstreeks aangesloten op de
DSRC-VU in de module op of nabij de voorruit, hetzij via
een specifieke kabel die niet onrechtmatig kan worden losge
koppeld. Het loskoppelen van de antenne of het anderszins
belemmeren of verhinderen van de werking daarvan wordt
beschouwd als een inbreuk op de tachograafverordening. Het
opzettelijk maskeren/afschermen van de antenne of het anders
zins nadelig beïnvloeden van de operationele prestaties daar
van wordt beschouwd als een inbreuk op de tachograafver
ordening.
DSC_22 ►M1 De vormfactor van de antenne is niet nader bepaald: de
beslissing daarover wordt in de commerciële sfeer genomen
mits de geïnstalleerde DSRC-VU voldoet aan de in punt 5
hierna vastgestelde conformiteitsvoorschriften. De antenne
wordt geplaatst volgens het bepaalde in DSC_19 en biedt op
efficiënte wijze ondersteuning aan de in punten 4.1.2 en 4.1.3
toegelichte praktijkgevallen. ◄
Figuur 14.4
Montage van de 5,8 GHz DSRC-antenne op de voorruit van
gereglementeerde voertuigen
De vormfactor van de REDCR en bijbehorende antenne kan variëren
afhankelijk van de opstellingswijze van de lezer (op statief, in de hand
gehouden, in het voertuig gemonteerd enz.) en de werkmethode van de
controleambtenaar.
Via een weergave- en/of meldfunctie wordt de controleambtenaar op de
hoogte gebracht van de resultaten van de communicatie op afstand. De
resultaten kunnen beschikbaar worden gesteld door weergave in een
leesvenster, in de vorm van een afdruk, via een akoestisch waarschu
wingssignaal of een combinatie daarvan. De uitvoeringsvorm van deze
weergave- en/of meldfunctie hangt af van vereisten van de controleamb
tenaren, en wordt niet behandeld in dit aanhangsel.
DSC_23 Het ontwerp en de vormfactor van de REDCR hangen af van
de commerciële vormgeving, van de werking overeenkomstig
ERC-aanbeveling 70-03 alsook van de in punt 5.3.2 van dit
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 547
aanhangsel gespecificeerde ontwerp- en prestatie-eigenschap
pen. Zo wordt marktdeelnemers zoveel mogelijk marge gebo
den om apparatuur te ontwerpen en te leveren die afgestemd is
op de specifieke ondervragingsscenario's van de bevoegde
controleautoriteiten.
DSC_24 Het ontwerp en de vormfactor van de DSRC-VU alsook de
opstellingswijze daarvan (binnen of buiten de VU) hangen af
van de commerciële vormgeving, van de werking overeenkom
stig ERC-aanbeveling 70-03 alsmede van de in dit voorschrift
(punt 5.1) en de in punt 5.3.2 van dit aanhangsel gespecifi
ceerde ontwerp- en prestatie-eigenschappen.
DSC_25 Niettemin moet de DSRC-VU redelijkerwijs in staat zijn ge
gevens van andere slimme voertuigapparatuur, zoals weegsys
temen aan boord van het voertuig, te ontvangen via op een
open industrienorm gebaseerde verbindingen en protocollen.
Als voorwaarde daarbij geldt dat deze gegevens worden ge
ïdentificeerd door unieke en bekende toepassingsidentificato
ren/bestandsnamen, dat de gebruiksinstructies voor deze pro
tocollen beschikbaar worden gesteld aan de Europese Com
missie en tevens kosteloos verkrijgbaar zijn voor de betrokken
apparatuurfabrikanten.
5.2 Workflow
5.2.1 Operaties
De operationele workflow wordt verduidelijkt in figuur 14.5.
Figuur 14.5
Workflow van de functie voor communicatie op afstand
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 548
Hieronder wordt een stapsgewijze beschrijving gegeven van deze work
flow.
a. Wanneer het voertuig in gebruik is (contact aangezet), verstrekt de
tachograaf gegevens aan de VU-functie. De VU-functie maakt de
gegevens gereed voor communicatie op afstand door ze te coderen,
en actualiseert de VUPM-gegevens die worden bijgehouden in het
geheugen van de DSRC-VU (zoals omschreven in punten 4.1.1.1 en
4.1.1.2). De verzamelde gegevens worden opgemaakt volgens het in
punten 5.4.4 en 5.4.5 hieronder vastgestelde formaat.
b. Telkens wanneer de gegevens worden geactualiseerd, wordt de tijd
aanduiding van de beveiligingsgegevens bijgewerkt.
c. De VUSM-functie beveiligt de gegevens volgens de in aanhangsel
11 vastgestelde procedures.
d. Telkens wanneer de gegevens worden geactualiseerd (zie punten
4.1.1.1 en 4.1.1.2), worden ze overgebracht naar de DSRC-VU en
worden eventueel bestaande gegevens overschreven. Op die manier
zijn de huidige gegevens altijd up-to-date in het geval dat het voer
tuig wordt ondervraagd door een REDCR. De gegevens die de VU
aan de DSRC-VU verstrekt, zijn identificeerbaar aan de hand van de
bestandsnaam RTMData of de toepassingsidentificator (AID) en de
attribuutidentificator.
e. Indien een controleambtenaar de gegevens van een voertuig wil
verzamelen voor controledoeleinden, plaatst hij zijn smartcard in
de REDCR om de functie voor communicatie op afstand te active
ren en om de SM-REDCR in staat te stellen een authenticiteitscon
trole uit te voeren en de gegevens te decoderen.
f. De controleambtenaar richt vervolgens de REDCR op het gecontro
leerde voertuig en vraagt de gegevens op via de communicatie op
afstand. De REDCR start een 5,8 GHz DSRC-interfacesessie met de
DSRC-VU van het gecontroleerde voertuig, en vraagt de gegevens
op. De gegevens worden via het draadloze communicatiesysteem
naar de REDCR overgebracht als DSRC-attribuut met behulp van
het GET-commando van de toepassing, zoals omschreven in punt
5.4. Het attribuut bevat de gecodeerde payloadgegevens en de
DSRC-beveiligingsgegevens.
g. De gegevens worden geanalyseerd door de REDCR en doorgegeven
aan de controleambtenaar.
h. Aan de hand van deze gegevens kan de controleambtenaar beslissen
om het voertuig al dan niet tegen te houden voor nadere controle, of
kan hij een collega vragen het voertuig tegen te houden.
5.2.2 Interpretatie van de via de DSRC-interface ontvangen gegevens
DSC_26 De via de 5,8 GHz DSRC-interface ontvangen gegevens mogen
uitsluitend worden opgevat in de betekenis en binnen de draag
wijdte die daaraan worden gegeven in punten 5.4.4 en 5.4.5
hieronder. Deze gegevens moeten worden begrepen in het licht
van de hierbij nagestreefde doelstellingen. Overeenkomstig de
tachograafverordening worden de gegevens uitsluitend gebruikt
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 549
om ter zake dienende informatie te verstrekken aan de bevoegde
controleambtenaar zodat die kan beslissen of het voertuig moet
worden tegengehouden voor nadere controle. Nadien worden
deze gegevens gewist zoals voorgeschreven in artikel 9 van
de tachograafverordening.
5.3 Fysieke DSRC-interfaceparameters voor communicatie op afstand
5.3.1 Beperkingen met betrekking tot de gebruikslocatie
DSC_27 Het op een 5,8 GHz DSRC-interface gebaseerde systeem voor
ondervraging op afstand van voertuigen mag niet worden
gebruikt op minder dan 200 m van een 5,8 GHz
DSRC-wegportaal.
5.3.2 Downlink- en uplinkparameters
DSC_28 De voor de tachograafcontrole op afstand (RTM) gebruikte
apparatuur moet voldoen aan en functioneren overeenkomstig
ERC-aanbeveling 70-03 en de in tabellen 14.1 en 14.2 hier
onder aangegeven parameters.
DSC_29 De gebruikte RTM-apparatuur voldoet bovendien aan de in
EN 12253 en EN 13372 vastgestelde parameters ter waarbor
ging van de compatibiliteit met de operationele parameters
van andere gestandaardiseerde 5,8 GHz DSRC-systemen.
Het betreft met name:
▼C2
Tabel 14.1
Downlinkparameters
Item nr. Parameter Waarde(n) Opmerking
D1 Draaggolffrequenties van
downlinkkanaal
Een REDCR kan vier alter
natieve frequenties gebrui
ken:
5,7975 GHz
5,8025 GHz
5,8075 GHz
5,8125 GHz
Overeenkomstig ERC-aanbeveling
70-03.
Draaggolffrequenties kunnen wor
den gekozen door de uitvoerder
van het wegkantsysteem en hoeven
niet bekend te zijn in de
DSRC-VU.
(Conform EN 12253 en EN 13372)
D1a (*) Tolerantie van draaggolffre
quenties
Binnen ± 5 ppm (Conform EN 12253)
D2 (*) Zenderspectrummasker
RSU (REDCR)
Overeenkomstig
ERC-aanbeveling 70-03.
REDCR voldoet aan klasse
B en C, als bedoeld in EN
12253.
Geen ander specifiek voor
schrift in deze bijlage.
Parameter gebruikt voor storings
onderdrukking tussen nabijgelegen
ondervragingssystemen (als be
doeld in EN 12253 en EN 13372).
D3 Minimaal frequentiebereik
OBU (DSRC-VU)
5,795 - 5,815 GHz (Conform EN 12253)
D4 (*) Maximaal equivalent iso
troop uitgestraald vermogen
(EIRP)
Overeenkomstig
ERC-aanbeveling 70-03
(zonder licentie) en natio
nale regelgeving
Maximaal + 33 dBm
(Conform EN 12253)
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 550
Item nr. Parameter Waarde(n) Opmerking
D4a Hoekscheidend
EIRP-masker
Zoals in aangegeven en be
kendgemaakte specificatie
van ontwerper ondervra
gingssysteem
(Conform EN 12253)
D5 Polarisatie Cirkelvormig linksdraaiend (Conform EN 12253)
D5a Kruispolarisatie Kruispolarisatiediscriminati
e (XPD):
in as van de
antenne: (REDCR) RSU t
≥ 15 dB
(DSRC-VU) OBU r ≥ 10
dB
In gebied van –
3 dB: (REDCR) RSU t ≥
10 dB
(DSRC-VU) OBU r ≥ 6 dB
(Conform EN 12253)
D6 (*) Modulatie Amplitudemodulatie met
twee niveaus
(Conform EN 12253)
D6a (*) Modulatie-index 0,5 … 0,9 (Conform EN 12253)
D6b Oogpatroon ≥ 90 % (tijd)/≥ 85 % (am
plitude)
D7 (*) Gegevenscodering FM0
Bit „1” heeft alleen over
gang bij het begin en einde
van het bitinterval. Bit „0”
heeft een extra overgang in
het midden van het bitinter
val vergeleken met bit „1”.
(Conform EN 12253)
D8 (*) Bitsnelheid 500 kBit/s (Conform EN 12253)
D8a Bitkloktolerantie Beter dan ± 100 ppm (Conform EN 12253)
D9 (*) Bitfoutenkans
voor communicatie
≤ 10 – 6 indien invallend
vermogen van OBU
(DSRC-VU) ligt binnen het
bereik van [D11a t/m D11b]
(Conform EN 12253)
D10 Startsignaal voor activering
OBU (DSRC-VU)
OBU (DSRC-VU) wordt
geactiveerd bij ontvangst
van een frame van 11 bytes
of meer (inclusief blokvoor
loper)
Geen bijzonder activeringspatroon
is vereist.
DSRC-VU kan ook worden geacti
veerd bij ontvangst van een frame
met minder dan 11 bytes.
(Conform EN 12253)
D10a Maximale aanlooptijd ≤ 5 ms (Conform EN 12253)
D11 Communicatiegebied Ruimtelijk gebied waarin
een bitfoutenkans volgens
D9a wordt bereikt
(Conform EN 12253)
D11a (*) Bovenste vermogensgrens
voor communicatie
– 24 dBm (Conform EN 12253)
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 551
Item nr. Parameter Waarde(n) Opmerking
D11b (*) Onderste vermogensgrens
voor communicatie
Invallend vermogen:
– 43 dBm (as van de an
tenne)
– 41 dBm (binnen – 45° tot
+ 45° volgens het horizon
tale vlak (azimut) evenwij
dig aan het wegdek indien
de DSRC-VU later in het
voertuig wordt gemonteerd)
(Conform EN 12253)
Uitgebreidere vereisten voor hori
zontale hoeken tot ± 45° als gevolg
van de in deze bijlage vastgestelde
gebruiksgevallen.
D12 (*) Grensvermogens-niveau van
(DSRC-VU)
– 60 dBm (Conform EN 12253)
D13 Blokvoorloper Verplicht (Conform EN 12253)
D13a Lengte en patroon
van blokvoorloper
16 bits ± 1 bit van FM0-
gecodeerde bits „1”
(Conform EN 12253)
D13b Golfvorm van blokvoor
loper
Afwisselende reeks voor
loopsignalen van laag en
hoog niveau met een puls
duur van 2 μs.
De tolerantie wordt bepaald
door D8a
(Conform EN 12253)
D13c Staartbits De RSU (REDCR) mag na
de eindvlag ten hoogste 8
bits verzenden. Een OBU
(DSRC-VU) is niet vereist
om deze extra bits in reke
ning te brengen.
(Conform EN 12253)
(*) – Downlinkparameters moeten aan conformiteitstests worden onderworpen overeenkomstig de relevante parametertest van EN
300 674-1.
Tabel 14.2
Uplinkparameters
Item nr. Parameter Waarde(n) Opmerking
U1 (*) Subdraaggolffrequenties Een OBU (DSRC-VU)
ondersteunt 1,5 MHz en 2,0
MHz
Een RSU (REDCR) onder
steunt 1,5 MHz of 2,0 MHz
of allebei. U1-0: 1,5 MHz
U1-1: 2,0 MHz
Keuze van subdraaggolffrequentie
(1,5 MHz of 2,0 MHz) hangt af
van het gekozen EN 13372-profiel.
U1a (*) Tolerantie van subdraag
golffrequenties
Binnen ± 0,1 % (Conform EN 12253)
U1b Gebruik van zijbanden Dezelfde gegevens aan
beide zijden
(Conform EN 12253)
U2 (*) Zenderspectrummasker
OBU (DSRC-VU)
Conform EN 12253
1) Buiten-de-band-ver
mogen:
zie EN 300674-1 van
het Europees Instituut
voor telecommunicatie
normen (ETSI)
(Conform EN 12253)
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 552
Item nr. Parameter Waarde(n) Opmerking
2) Binnen-de-band-ver
mogen:
[U4a] dBm op 500 kHz
3) Emissie in een ander
uplinkkanaal:
U2(3)-1 = – 35 dBm op
500 kHz
U4a (*) Maximaal EIRP enkelzij
band (as van de antenne)
Twee opties:
U4a-0: – 14 dBm
U4a-1: – 21 dBm
Zoals in aangegeven en bekendge
maakte specificatie van ontwerper
apparatuur
U4b (*) Maximaal EIRP enkelzij
band (35°)
Twee opties:
— niet van toepassing
— – 17 dBm
Zoals in aangegeven en bekendge
maakte specificatie van ontwerper
apparatuur
U5 Polarisatie Cirkelvormig linksdraaiend (Conform EN 12253)
U5a Kruispolarisatie XPD:
in as van de
antenne: (REDCR) RSU r
≥ 15 dB
(DSRC-VU) OBU t ≥ 10
dB
Op -3 dB: (REDCR) RSU r
≥ 10 dB
(DSRC-VU) OBU t ≥ 6 dB
(Conform EN 12253)
U6 Subdraaggolfmodulatie 2-PSK
Gecodeerde gegevens ge
synchroniseerd op sub
draaggolf: overgangen van
gecodeerde gegevens vallen
samen met overgangen van
subdraaggolf
(Conform EN 12253)
U6b Bedrijfscyclus Bedrijfscyclus:
50 % ± α, α ≤ 5 %
(Conform EN 12253)
U6c Modulatie op draaggolf Vermenigvuldiging van ge
moduleerde subdraaggolf
met draaggolf
(Conform EN 12253)
U7 (*) Gegevenscodering NRZI (Non-Return to Zero,
Inverted) (geen overgang bij
begin van bit „1”, overgang
bij begin van bit „0”, geen
overgang binnen bit)
(Conform EN 12253)
U8 (*) Bitsnelheid 250 kBit/s (Conform EN 12253)
U8a Bitkloktolerantie Binnen ± 1 000 ppm (Conform EN 12253)
U9 Bitfoutenkans voor com
municatie
≤ 10 – 6 (Conform EN 12253)
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 553
Item nr. Parameter Waarde(n) Opmerking
U11 Communicatiegebied Het ruimtelijk gebied
waarin de DSRC-VU zich
bevindt, wordt zodanig ge
kozen dat de REDCR de
door de DSRC-VU verzon
den gegevens kan ontvan
gen met een bitfoutenkans
die kleiner is dan bepaald
in U9a.
(Conform EN 12253)
U12a (*) Conversieversterking (on
dergrens)
1 dB voor elke zijband
Hoekbereik: cirkelvormig
symmetrisch tussen as van
antenne en ± 35°
en
binnen – 45° t/m + 45° vol
gens het horizontale vlak
(azimut) evenwijdig aan
het wegdek indien de
DSRC-VU later in het voer
tuig wordt gemonteerd.
Groter dan het gespecificeerde
waardebereik voor horizontale hoe
ken tot ± 45°, als gevolg van de in
deze bijlage vastgestelde
gebruiksgevallen.
U12b (*) Conversieversterking (bo
vengrens)
10 dB voor elke zijband Kleiner dan het gespecificeerde
waardebereik voor elke zijband
binnen een cirkelkegel rond de as
van de antenne met een openings
hoek van ± 45°
U13 Blokvoorloper Verplicht (Conform EN 12253)
U13a Blokvoorloper
Lengte en patroon
32 tot 36 μs, alleen gemo
duleerd met subdraaggolf,
gevolgd door 8 bits van
NRZI-gecodeerde bits „0”
(Conform EN 12253)
U13b Staartbits De DSRC-VU mag na de
eindvlag ten hoogste 8 bits ver
zenden. Een RSU (REDCR) is
niet vereist om deze extra bits
in rekening te brengen.
(Conform EN 12253)
(*) – Uplinkparameters moeten aan conformiteitstests worden onderworpen overeenkomstig de relevante parametertest van EN
300 674-1.
▼B
5.3.3 Antenneontwerp
5.3.3.1 REDCR-antenne
DSC_30 Het ontwerp van de REDCR-antenne wordt bepaald door de
commerciële vormgeving en met het oog op de werking bin
nen de in punt 5.3.2 bepaalde grenswaarden, waar nodig aan
gepast om de leesprestaties van de DSRC-REDCR optimaal
af te stemmen op het specifieke gebruiksdoel en de werkings
omstandigheden waarvoor de REDCR is ontworpen.
5.3.3.2 VU-antenne
DSC_31 Het ontwerp van de antenne van de DSRC-VU wordt bepaald
door de commerciële vormgeving en met het oog op de wer
king binnen de in punt 5.3.2 bepaalde grenswaarden, waar
nodig aangepast om de leesprestaties van de DSRC-REDCR
optimaal af te stemmen op het specifieke gebruiksdoel en de
werkingsomstandigheden waarvoor de REDCR is ontworpen.
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 554
DSC_32 De VU-antenne wordt bevestigd op of nabij de voorruit van
het voertuig, zoals gespecificeerd in punt 5.1 hierboven.
DSC_33 Een DSRC-VU-antenne die, overeenkomstig punt 5.1 hier
boven, aan de binnenzijde van een heldere standaardvoorruit
is vastgemaakt, kan in de testomgeving van een werkplaats
(zie punt 6.3) een succesvolle verbinding tot stand brengen
met standaardtestapparatuur en met succes een
RTM-transactie uitvoeren op de in dit aanhangsel omschreven
wijze, op een afstand van 2 tot en met 10 m, met een slaag
percentage van meer dan 99 %, berekend als gemiddelde over
1 000 ondervragingen met leestoegang.
5.4 DSRC-protocolvereisten voor RTM
5.4.1 Overzicht
DSC_34 Het transactieprotocol om de gegevens te downloaden via de
5,8 GHz DSRC-interface verloopt in de hieronder toegelichte
stappen. De beschrijving van de transactiestroom in dit ge
deelte berust op ideale omstandigheden zonder hertransmissie
of onderbreking van de communicatie.
Opmerking: het doel van de initialisatiefase (stap 1) is twee
ledig: enerzijds de verbindingsopbouw tussen de REDCR en
de DSRC-VU's die binnen het bereik van de 5,8 GHz
DSRC-interface (op master-slavebasis) zijn gekomen, maar
nog niet in verbinding staan met de REDCR en anderzijds
de aanmelding van toepassingsprocedures.
— Stap 1 Initialisatie De REDCR verzendt een frame met
een dienstrooster radiobaken (BST) waarin de toepas
singsidentificatoren (AID's) van de lijst van ondersteunde
diensten zijn opgenomen. Voor de RTM-toepassing is dit
doorgaans de dienst waarvan de AID gelijk is aan 2
(„Freight&Fleet”). De DSRC-VU onderzoekt de ontvan
gen BST, verzendt als antwoord (zie verder) de lijst van
ondersteunde toepassingen in het domein
„Freight&Fleet”, of antwoordt niet indien geen toepassin
gen worden ondersteund. Indien de REDCR geen AID=2
verzendt, geeft de DSRC-VU geen antwoord aan de
REDCR.
— Stap 2 De DSRC-VU verzendt een frame met een ver
zoek om toewijzing van een tijdvenster.
— Stap 3 De REDCR verzendt een frame met het toegewe
zen tijdvenster.
— Stap 4 De DSRC-VU verzendt binnen het toegewezen
tijdvenster een frame met het dienstrooster
voertuig (VST). Deze VST bevat een lijst van alle toe
passingen die deze DSRC-VU ondersteunt in het domein
„Freight&Fleet” (AID=2). De verschillende toepassingen
worden geïdentificeerd door unieke elementidentificatoren
(EID's), gekoppeld aan een parameterwaarde van de con
textmarkering die de ondersteunde norm en toepassing
aangeeft.
— Stap 5 De REDCR analyseert de ontvangen VST. Indien
de VST irrelevant is (bijvoorbeeld een VST ontvangen
van een DSRC-VU die geen ondersteuning biedt aan de
RTM-transactie), verbreekt de REDCR de verbinding
(Release-commando). Indien de ontvangen VST geschikt
wordt bevonden, begint de REDCR de toepassing te
concretiseren.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 555
— Stap 6 Daartoe verzendt de REDCR een frame met een
commando om de RTM-gegevens op te halen, waarbij de
geconcretiseerde RTM-toepassing wordt geïdentificeerd
op basis van de corresponderende identificator die de
DSRC-VU in de VST heeft gespecificeerd. Verder wijst
de REDCR een tijdvenster toe.
— Stap 7 De DSRC-VU verzendt binnen het nieuw toege
wezen tijdvenster een frame met de adresidentificator die
voor de geconcretiseerde RTM-toepassing in de VST is
opgegeven, gevolgd door het attribuut RtmData (payload
element + beveiligingselement).
— Stap 8 Indien meerdere diensten worden aangeroepen,
wordt de waarde „n” gewijzigd in het volgende referen
tienummer van de dienst, en wordt de procedure opnieuw
uitgevoerd.
— Stap 9 De REDCR bevestigt ontvangst van de gegevens
door een frame met een Release-commando naar de
DSRC-VU te verzenden om de sessie te beëindigen OF
gaat terug naar stap 6 indien de REDCR er niet in ge
slaagd is de geslaagde ontvangst van de LDPU te
valideren.
Het transactieprotocol wordt grafisch verduidelijkt in figuur
14.6.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 556
Figuur 14.6
Stroomschema RTM-proces via 5,8 GHz DSRC-interface
5.4.2 Commando's
DSC_35 De volgende commando's zijn de enige functies die tijdens de
RTM-transactie worden gebruikt:
— INITIALISATION.request: door de REDCR verzonden
commando met de definitie van de door de REDCR on
dersteunde toepassingen.
— INITIALISATION.response: antwoord waarin de
DSRC-VU de verbinding bevestigt en waarin een lijst is
opgenomen van ondersteunde toepassingen met kenmer
ken en nadere informatie om deze aan te roepen (EID).
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 557
— GET.request: door de REDCR naar de DSRC-VU ver
zonden commando waarin nauwkeurig wordt aangegeven
welke toepassing moet worden aangeroepen met behulp
van een bepaalde EID in de ontvangen VST, en waarin de
DSRC-VU wordt gevraagd de geselecteerde attributen te
verzenden met de gegevens. Het Get-commando zorgt
ervoor dat de REDCR de gegevens verkrijgt van de
DSRC-VU.
— GET.response: antwoord van de DSRC-VU waarin de
gevraagde gegevens zijn opgenomen.
— ACTION.request ECHO: commando waarin de
DSRC-VU wordt gevraagd gegevens terug te zenden
naar de REDCR. Dankzij het Echo-commando kunnen
werkplaatsen of testcentra voor typegoedkeuring de wer
king van de DSRC-interface testen zonder toegang te
moeten krijgen tot beveiligingsreferenties.
— ACTION.response ECHO: antwoord van de DSRC VU
op het Echo-commando.
— EVENT_REPORT.request RELEASE: commando
waarin de DSRC-VU wordt opgedragen de transactie te
beëindigen. Het Release-commando heeft tot doel de ses
sie met de DSRC-VU te beëindigen. Na ontvangst van
het Release-commando reageert de DSRC-VU niet meer
op aanvullende ondervragingen tijdens de huidige verbin
ding. Overeenkomstig EN 12834 maakt de DSRC-VU
niet nogmaals verbinding met hetzelfde ondervragingssys
teem tenzij de DSRC-VU zich gedurende 255 seconden
buiten het communicatiegebied heeft bevonden, of de
baken-ID van het ondervragingssysteem wordt gewijzigd.
5.4.3 Volgorde van ondervragingscommando's
▼C2
DSC_36 Rekening houdend met de volgorde van commando's en ant
woorden kan de transactie als volgt worden omschreven:
Sequentie Zender Ontvanger Omschrijving Actie
1 REDCR > DSRC-VU Initialisatie van de com
municatieverbinding —
Vraag
REDCR zendt BST
2 DSRC-VU > REDCR Initialisatie van de com
municatieverbinding —
Antwoord
Als BST AID = 2 onder
steunt, vraagt DSRC-VU een
privaat venster
3 REDCR > DSRC-VU Wijst privaat venster toe Zendt frame met toewijzing
privaat venster
4 DSRC-VU > REDCR Zendt VST Zendt frame met VST
5 REDCR > DSRC-VU Zendt GET.request over
gegevens in attribuut voor
specifiek EID
6 DSRC-VU > REDCR Zendt GET.response met
gevraagd attribuut voor
specifiek EID
Zendt attribuut (RTMData,
OWSData…) met gegevens
voor specifiek EID
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 558
Sequentie Zender Ontvanger Omschrijving Actie
▼M1
7 REDCR > DSRC-VU Sends GET.request for data
of other Attribute (if appro
priate)
▼C2
8 DSRC-VU > REDCR Zendt GET.response met
gevraagd attribuut
Zendt attribuut met gegevens
voor specifiek EID
9 REDCR > DSRC-VU Bevestigt ontvangst van ge
gevens
Zendt RELEASE-commando
ter beëindiging van de trans
actie
10 DSRC-VU Beëindigt transactie
Punten 5.4.7 en 5.4.8 bevatten een voorbeeld van de trans
actievolgorde en de inhoud van de uitgewisselde frames.
▼B
5.4.4 Gegevensstructuren
DSC_37 De semantische structuur van de via de 5,8 GHz
DSRC-interface uitgewisselde gegevens stemt overeen met
de in dit aanhangsel vervatte beschrijving. In dit punt wordt
uiteengezet hoe deze gegevens worden gestructureerd.
DSC_38 De payloadgegevens (RTM-gegevens) bestaan uit de samen
voeging van:
1. EncryptedTachographPayload data, zijnde de codering van
de in punt 5.4.5 van ASN.1 gedefinieerde TachographPay
load. De coderingsmethode wordt nader toegelicht in aan
hangsel 11.
2. DSRCSecurityData, zoals gespecificeerd in aanhangsel 11.
DSC_39 De RTM-gegevens worden aangeroepen met RTM-attribuut=1
en overgebracht in RtmContainer=10.
DSC_40 Rtm-ContextMark identificeert het deel van de ondersteunde
norm uit de TARV-normenreeks (voor RTM is dit deel 9).
De ASN.1-module voor de DSRC-interfacegegevens in de
RTM-toepassing wordt als volgt gedefinieerd:
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 559
► (2) (3) M1
► (1) M3
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 560
5.4.5 Elementen van RtmData, uitgevoerde acties en definities
DSC_41 De VU berekent de gegevenswaarden waarmee de beveiligde
gegevens in de DSRC-VU worden geactualiseerd, overeen
komstig de regels in tabel 14.3.
▼M3
Tabel 14.3
Elementen van RtmData, uitgevoerde acties en definities
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM1
Kenteken
van het voertuig
De VU stelt de waarde van
het gegevenselement RTM1
tp15638VehicleRegistration
Plate in op basis van de ge
registreerde waarde van het
gegevenstype
VehicleRegistrationIdentifica
tion zoals gedefinieerd in
aanhangsel 1 VehicleRegi
strationIdentification
Kenteken van het voer
tuig uitgedrukt als te
kenreeks (string)
tp15638VehicleRegistration
Plate LPN,
–Vehicle RegistrationPlate
using the data structure from
ISO 14906, but with the fol
lowing limitation for the RTM
application:
the SEQUENCE starts with
the Country Code, followed by
an alphabet indicator, followed
by the plate number itself,
which is always 14 octets
(padded with zero's) so the
LPN type length is always 17
octets (no length determinant
needed), of which 14 are the
„real” plate number.
RTM2
Snelheidsoverschrijding
De VU genereert een bool
eaanse waarde voor het ge
gevenselement RTM2
tp15638SpeedingEvent.
De VU berekent de waarde
van tp15638SpeedingEvent
op basis van de in de VU
geregistreerde snelheidsover
schrijdingen de jongste tien
dagen, zoals gedefinieerd in
bijlage IC.
1 (TRUE): de recentste
snelheidsoverschrijding
werd de voorbije tien
dagen beëindigd of is
nog steeds aan de gang;
0 (FALSE): elk ander
geval.
tp15638SpeedingEvent
BOOLEAN,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 561
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM3
Rijden zonder
geldige kaart
De VU genereert een bool
eaanse
waarde voor het gegevens
element RTM3
tp15638DrivingWithout
ValidCard.
De VU wijst de waarde
TRUE toe aan de variabele
tp15638DrivingWithout
ValidCard indien de VU de
jongste tien dagen ten minste
één voorval heeft geregis
treerd van het type „Rijden
zonder geldige kaart”, zoals
gedefinieerd in bijlage IC.
1 (TRUE): het recentste
voorval van het type
„rijden zonder geldige
kaart” werd de voorbije
tien dagen beëindigd of
is nog steeds aan de
gang;
0 (FALSE): elk ander
geval.
tp15638DrivingWithoutValid
Card
BOOLEAN,
RTM4
Geldige bestuurders
kaart
De VU genereert een bool
eaanse waarde voor het ge
gevenselement RTM4
tp15638DriverCard op basis
van de in de bestuurderslezer
ingebrachte geldige
bestuurderskaart.
1 (TRUE): er is geen
geldige bestuurderskaart
ingebracht in de be
stuurderslezer van de
VU;
0 (FALSE): er is een
geldige bestuurderskaart
ingebracht in de be
stuurderslezer van de
VU.
tp15638DriverCard BOOL
EAN,
RTM5
Inbrengen van de kaart
tijdens
het rijden
De VU genereert een bool
eaanse waarde voor het ge
gevenselement RTM5
tp15638CardInsertion.
De VU wijst de waarde
TRUE toe aan de variabele
tp15638CardInsertion indien
de VU de voorbije tien dagen
ten minste één voorval heeft
geregistreerd van het type
„Inbrengen van de kaart tij
dens het rijden”, zoals gede
finieerd in bijlage IC.
1 (TRUE): het recentste
voorval van het type
„inbrengen van de kaart
tijdens het rijden” vond
de voorbije tien dagen
plaats;
0 (FALSE): elk ander
geval.
tp15638CardInsertion BOOL
EAN,
RTM6
Fout in de bewegings
gegevens
De VU genereert een bool
eaanse
waarde voor het gegevens
element RTM6.
De VU wijst de waarde
TRUE toe aan de variabele
tp15638MotionDataError in
dien de VU de voorbije tien
dagen ten minste één voorval
heeft geregistreerd van het
type „Fout in de bewegings
gegevens”, zoals gedefinieerd
in bijlage IC.
1 (TRUE): de recentste
fout in de bewegings
gegevens werd de voor
bije tien dagen beëindigd
of is nog steeds aan de
gang;
0 (FALSE): elk ander
geval.
tp15638MotionDataError
BOOLEAN,
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 562
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM7
Tegenstrijdige
bewegingsgegevens
De VU genereert een bool
eaanse
waarde voor het gegevens
element RTM7.
De VU wijst de waarde
TRUE toe aan de variabele
tp15638VehicleMotionCon
flict indien de VU de voor
bije tien dagen ten minste één
voorval heeft geregistreerd
van het type „tegenstrijdige
bewegingsgegevens”.
1 (TRUE): het recentste
voorval van het type
„tegenstrijdige be
wegingsgegevens” werd
de voorbije tien dagen
beëindigd of is nog
steeds aan de gang;
0 (FALSE): elk ander
geval.
tp15638VehicleMotionConflict
BOOLEAN,
RTM8
Tweede bestuurders
kaart
De VU genereert een bool
eaanse
waarde voor het gegevens
element RTM8 op basis van
bijlage IC („Bestuurdersacti
viteiten” TEAM en BIJRIJ
DER).
Indien er een geldige bijrij
derskaart is, stelt de VU de
waarde van RTM8 in op
TRUE.
1 (TRUE): er is een
geldige bijrijderskaart
ingebracht in de VU;
2 (FALSE): er is geen
geldige bijrijderskaart
ingebracht in de VU.
tp156382ndDriverCard
BOOLEAN,
RTM9
Lopende activiteit
De VU genereert een bool
eaanse
waarde voor het gegevens
element RTM9.
De VU stelt de waarde van
RTM9 in op TRUE indien in
de VU een andere lopende
activiteit dan RIJDEN is ge
registreerd, zoals gedefinieerd
in bijlage IC.
1 (TRUE): andere acti
viteit
gekozen;
0 (FALSE): gekozen ac
tiviteit is „rijden”
tp15638CurrentActivityDri
ving
BOOLEAN
RTM10
Afsluiting van laatste
sessie
De VU genereert een bool
eaanse waarde voor het ge
gevenselement RTM10.
De VU stelt de waarde van
FTM10 in op TRUE indien
de laatste kaartsessie niet
juist is afgesloten, zoals ge
definieerd in bijlage IC.
1 (TRUE): minstens één
ingebrachte kaart heeft
geleid tot een voorval
„laatste kaartsessie niet
correct afgesloten”;
0 (FALSE): Geen enkele
ingebrachte kaart heeft
geleid tot een voorval
„laatste kaartsessie niet
correct afgesloten”.
tp15638LastSessionClosed
BOOLEAN
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 563
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM11
Onderbreking van de
stroomvoorziening
De VU genereert een inte
gerwaarde
voor het gegevenselement
RTM11.
De VU wijst aan de variabele
tp15638PowerSupplyInter
ruption een waarde toe gelijk
aan het aantal geregistreerde
onderbrekingen van de
stroomvoorziening die de
voorbije tien dagen in de VU
zijn opgeslagen, als bedoeld
in bijlage IC.
Indien de voorbije tien dagen
geen enkele onderbreking
van de stroomvoorziening is
geregistreerd, wordt de
waarde van RTM11 ingesteld
op 0.
Aantal geregistreerde
onderbrekingen van de
stroomvoorziening de
voorbije tien dagen.
tp15638PowerSupplyInterrup
tion
INTEGER (0..127),
RTM12
Sensorstoring
De VU genereert een inte
gerwaarde voor het gege
venselement RTM12.
De VU wijst aan de variabele
sensorFault de volgende
waarde toe:
— 1 indien een voorval van
het type „35”H Sensor
de voorbije tien dagen is
beëindigd of nog steeds
aan de gang is.
— 2 indien een voorval van
het type fout in de
GNSS-ontvanger (interne
of extern, met enum
waarden „36”H of
„37”H) de voorbije tien
dagen is beëindigd of
nog steeds aan de gang
is.
— 3 indien een voorval van
het type „0E”H com
municatiefout met de
externe GNSS-module de
voorbije tien dagen is
beëindigd of nog steeds
aan de gang is.
— 4 indien fouten in zowel
de sensor als de
GNSS-ontvanger tijdens
de voorbije tien dagen
zijn beëindigd of nog
steeds aan de gang zijn.
— 5 indien zowel fouten in
de sensor als communi
catiefouten met de ex
terne GNSS-module de
voorbije tien dagen zijn
beëindigd of nog steeds
aan de gang zijn.
–fout in de sensor één
byte volgens de verkla
rende woordenlijst van
de gegevens
tp15638SensorFault INTEGER
(0..255),
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 564
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
— 6 indien zowel fouten in
de GNSS-ontvanger als
communicatiefouten met
de externe GNSS-module
de voorbije tien dagen
zijn beëindigd of nog
steeds aan de gang zijn.
— 7 indien de drie sensor
fouten de voorbije tien
dagen allemaal zijn be
ëindigd of nog steeds aan
de gang zijn.
Indien de voorbije tien dagen
geen voorvallen zijn beëin
digd of nog steeds aan de
gang zijn, stelt de VU de
waarde van RTM12 in op 0.
RTM13
Tijdafstelling
De VU genereert voor het
gegevenselement RTM13 een
integerwaarde (timeReal vol
gens aanhangsel 1) op basis
van de aanwezigheid van
tijdafstellingsgegevens, als
bedoeld in bijlage IC.
De VU stelt de waarde van
RTM13 in op het laatste
tijdstip waarop het voorval
„Tijdafstelling” heeft plaats
gehad.
Indien in de VU-gegevens
geen voorval „Tijdafstelling”
in de zin van bijlage IC is
geregistreerd, wordt de
waarde van RTM13 ingesteld
op 0.
oldTimeValue van de
meest recente
tijdafstelling.
tp15638TimeAdjustment
(0..4294967295),
RTM14
Poging tot inbreuk op
de beveiliging
De VU genereert voor het
gegevenselement RTM14 een
integerwaarde (timeReal vol
gens aanhangsel 1) op basis
van de aanwezigheid van een
poging tot inbreuk op de be
veiliging, als bedoeld in
bijlage IC.
De VU stelt de waarde in van
het laatste tijdstip waarop de
VU het voorval „Poging tot
inbreuk op de beveiliging”
heeft geregistreerd.
Indien in de VU-gegevens
geen voorval „Poging tot in
breuk op de beveiliging” in
de zin van bijlage IC is ge
registreerd, stelt de VU de
waarde van RTM14 in op 0.
Begintijd van Iaatste op
geslagen poging tot in
breuk op de beveiliging.
tp15638LatestBreachAttempt
(0..4294967295),
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 565
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM15
Laatste kalibratie
De VU genereert voor het
gegevenselement RTM15 een
integerwaarde (timeReal vol
gens aanhangsel 1) op basis
van de aanwezigheid van de
recentste kalibratiegegevens,
als bedoeld in bijlage IC.
De VU stelt de waarde van
RTM15 in op de oldTime
Value van de laatste kalibra
tierecord.
Indien geen kalibratie heeft
plaatsgevonden, stelt de VU
de waarde van RTM15 in
op 0.
oldTimeValue van de
meest recente
kalibratierecord.
tp15638LastCalibrationData
(0..4294967295),
RTM16
Vorige kalibratie
De VU genereert voor het
gegevenselement RTM16 een
integerwaarde (timeReal vol
gens aanhangsel 1) op basis
van de kalibratierecords die
voorafgingen aan de laatste
kalibratie.
De VU stelt de waarde van
RTM16 in op de oldTime
Value van de kalibratierecord
die voorafging aan de laatste
kalibratie.
Indien er geen vorige kali
bratie is, stelt de VU de
waarde van RTM16 in op 0.
oldTimeValue van de
kalibratierecord die
voorafging aan de meest
recente kalibratierecord.
tp15638PrevCalibrationData
(0..4294967295),
RTM17
Datum van aansluiting
tachograaf
De VU genereert een inte
gerwaarde (timeReal volgens
aanhangsel 1) voor het gege
venselement RTM17.
De VU stelt de waarde van
RTM17 in op de datum van
de eerste kalibratie van de
VU in het huidige voertuig.
De VU haalt deze gegevens
uit de VuCalibrationData
(Aanhangsel 1) van de vu
CalibrationRecords met Cali
brationPurpose gelijk aan:
„03”H
Indien er geen vorige kali
bratie is, stelt de VU de
waarde van RTM17 in op 0.
Datum van de eerste ka
libratie van de VU in het
huidige voertuig.
tp15638DateTachoConnected
(0..4294967295),
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 566
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM18
Effectieve snelheid
De VU genereert een inte
gerwaarde
voor het gegevenselement
RTM18.
De VU stelt de waarde van
RTM18 in op de laatste ef
fectieve snelheid die is gere
gistreerd op het opgenblik dat
de RtmData voor het laatst
zijn geactualiseerd.
Laatste effectieve snel
heid die is geregistreerd
tp15638CurrentSpeed INTE
GER (0..255),
RTM19
Tijdaanduiding
Voor het gegevenselement
RTM19 genereert de VU een
integerwaarde (timeReal vol
gens aanhangsel 1).
De VU stelt de waarde voor
RTM19 in op het tijdstip
waarop de RtmData voor het
laatst zijn geactualiseerd.
Tijdaanduiding van hui
dige
TachographPayload
tp15638Timestamp
(0..4294967295),
RTM20
Tijdstip waarop de laat
ste geauthenticeerde
voertuigpositie beschik
baar was
De VU genereert een inte
gerwaarde (timeReal volgens
aanhangsel 1) voor het gege
venselement RTM20.
De VU stelt de waarde van
RTM20 in op het tijdstip
waarop de laatste geauthenti
ceerde voertuigpositie be
schikbaar was van de
GNSS-ontvanger.
Indien nooit een geauthenti
ceerde voertuigpositie be
schikbaar was van de
GNSS-ontvanger, stelt de VU
de waarde van RTM20 in
op 0.
Tijdaanduiding van de
laatste geauthenticeerde
voertuigpositie
tp15638LatestAuthenticated
Position
(0..4294967295),
RTM21
Ononderbroken rijtijd
De VU genereert een inte
gerwaarde voor het gege
venselement RTM21.
De VU stelt de waarde voor
RTM21 in op de lopende
ononderbroken rijtijd van de
bestuurder.
Ononderbroken rijtijd
van de bestuurder, geco
deerd als een integer
waarde.
Lengte: 1 byte
Resolutie: 2 minuten/bit
Geen offset
Gegevensbereik: 0 tot en
met 250
Een waarde van 250
geeft aan dat de on
onderbroken rijtijd van
de bestuurder minstens
gelijk is aan 500 minu
ten.
Waarden 251 tot en met
254 worden niet ge
bruikt.
Waarde 255 geeft aan
dat de informatie niet
beschikbaar is.
tp15638ContinuousDriving
Time INTEGER(0..255),
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 567
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM22
Langste dagelijkse rijtijd
voor de lopende en vo
rige RTM-shift, bere
kend overeenkomstig het
addendum bij aanhang
sel 14
De VU genereert een inte
gerwaarde voor het gege
venselement RTM22.
De VU stelt de waarde van
RTM22 in op de langste van
de twee dagelijkse rijtijden
van de bestuurder (de lo
pende of de vorige
RTM-shift).
Dagelijkse rijtijd van de
bestuurder, gecodeerd als
een integerwaarde.
Lengte: 1 byte
Resolutie: 4 minuten/bit
Geen offset
Gegevensbereik: 0 tot en
met 250
Een waarde van 250
geeft aan dat de dage
lijkse rijtijd van de be
stuurder minstens gelijk
is aan 1000 minuten.
Waarden 251 tot en met
254 worden niet ge
bruikt.
Waarde 255 geeft aan
dat de informatie niet
beschikbaar is.
tp15638DailyDrivingTimeShift
INTEGER(0..255),
RTM23
Langste dagelijkse rijtijd
in de lopende week, be
rekend overeenkomstig
het addendum bij aan
hangsel 14
De VU genereert een inte
gerwaarde voor het gege
venselement RTM23.
De VU stelt de waarde van
RTM23 in op de langste da
gelijkse rijtijd van de be
stuurder, namelijk de lopende
RTM-shift of een voltooide
RTM-shift die is begonnen of
beëindigd in de lopende
week.
Dagelijkse rijtijd van de
bestuurder, gecodeerd als
een integerwaarde.
Lengte: 1 byte
Resolutie: 4 minuten/bit
Geen offset
Gegevensbereik: 0 tot en
met 250
Een waarde van 250
geeft aan dat de dage
lijkse rijtijd van de be
stuurder minstens gelijk
is aan 1000 minuten.
Waarden 251 tot en met
254 worden niet ge
bruikt.
Waarde 255 geeft aan
dat de informatie niet
beschikbaar is.
tp15638DailyDrivingTime
Week INTEGER(0..255),
RTM24
Wekelijkse rijtijd, bere
kend overeenkomstig het
addendum bij aanhang
sel 14
De VU genereert een inte
gerwaarde voor het gege
venselement RTM24.
De VU stelt de waarde voor
RTM24 in op de wekelijkse
rijtijd van de bestuurder.
Wekelijkse rijtijd van de
bestuurder, gecodeerd als
een integerwaarde.
Lengte: 1 byte
Resolutie: 20 minuten/bit
Geen offset
Gegevensbereik: 0 tot en
met 250
Een waarde van 250
geeft aan dat de weke
lijkse rijtijd van de be
stuurder minstens gelijk
is aan 5000 minuten.
Waarden 251 tot en met
254 worden niet ge
bruikt.
Waarde 255 geeft aan
dat de informatie niet
beschikbaar is.
tp15638WeeklyDrivingTime
INTEGER(0..255),
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 568
1)
RTM-gegevenselement
2)
Door de VU uitgevoerde actie
3)
Gegevensdefinitie in ASN.1
RTM25
Tweewekelijkse rijtijd,
berekend overeenkom
stig het addendum bij
aanhangsel 14
De VU genereert een inte
gerwaarde voor het gege
venselement RTM25.
De VU stelt de waarde voor
RTM25 in op de tweeweke
lijkse rijtijd van de
bestuurder.
Tweewekelijkse rijtijd
van de bestuurder, geco
deerd als een integer
waarde.
Lengte: 1 byte
Resolutie: 30 minuten/bit
Geen offset
Gegevensbereik: 0 tot en
met 250
Een waarde van 250
geeft aan dat de twee
wekelijkse rijtijd van de
bestuurder minstens ge
lijk is aan 7500 minuten.
Waarden 251 tot en met
254 worden niet ge
bruikt.
Waarde 255 geeft aan
dat de informatie niet
beschikbaar is.
tp15638FortnightlyDriving
Time INTEGER(0..255),
Opmerking: RTM22, RTM23, RTM24 en RTM25 worden berekend overeen
komstig het addendum bij dit aanhangsel
▼B
5.4.6 Mechanisme voor gegevensoverdracht
DSC_42 Eerder gedefinieerde payloadgegevens worden na de initia
lisatiefase opgevraagd door de REDCR en vervolgens door
de DSRC-VU verzonden binnen het toegewezen tijdvenster.
De REDCR gebruikt het Get-commando om de gegevens op
te halen.
▼M1
DSC_43 Voor elke uitwisseling via DSRC-interfaces worden de gege
vens gecodeerd op basis van PER (Packed Encoding Rules)
UNALIGNED, behalve en
, die worden gecodeerd op basis van OER
(Octet Encoding Rules), zoals gedefinieerd in ISO/IEC 8825-
7, Rec. ITU-T X.696.
▼B
5.4.7 Gedetailleerde beschrijving van transacties via DSRC-interfaces
DSC_44 De initialisatie wordt uitgevoerd overeenkomstig de voor
schriften DSC_44 tot en met DSC_48 en de tabellen 14.4
tot en met 14.9. Bij aanvang van de initialisatiefase verzendt
de REDCR een frame met een dienstrooster radiobaken (BST)
overeenkomstig EN 12834 en EN 13372, punten 6.2, 6,3, 6,4
en 7.1, waarvan de instellingen worden gespecificeerd in de
onderstaande tabel 14.4.
▼C2
Tabel 14.4
Initialisatie: instellingen BST-frame
Veld Instellingen
Link Identifier Broadcast-adres
Beacon ID Conform EN 12834
Time Conform EN 12834
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 569
Profile Geen extensie, 0 of 1 te ge
bruiken
MandApplications Geen extensie, EID niet aan
wezig, parameter niet aan
wezig, AID = 2
Freight&Fleet
NonMandApplications Niet aanwezig
ProfileList Geen extensie, aantal profie
len in lijst = 0
Fragmentation header Geen fragmentatie
Layer 2 Settings PDU commando, UI-com
mando
▼B
In de onderstaande tabel 14.5 worden de instellingen van
tabel 14.4 verduidelijkt aan de hand van een praktijkvoor
beeld, met aanduiding van de bitcodering.
▼C2
Tabel 14.5
Initialisatie: voorbeeld inhoud BST-frame
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Broadcast ID Broadcast-adres
3 MAC Control Field PDU commando
4 LLC Control Field UI-commando
5 Fragmentation header Geen fragmentatie
6 BST Verzoek om initialisatie
SEQUENCE {
OPTION indicator
BeaconID SEQUENCE {
ManufacturerId INTEGER (0..65535)
NonMand-toepassingen
niet aanwezig
Fabrikant-ID
7
8
IndividualID INTEGER (0..134217727)
}
27-bits ID beschikbaar
voor fabrikant
9
10
11
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 570
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
12 Time INTEGER (0..4294967295) 32-bits UNIX realtime
13
14
15
16 Profile INTEGER (0..127,…) Geen extensie. Voorbeeld
profiel 0
17 MandApplications SEQUENCE
(SIZE(0..127,…)) OF {
Geen extensie, aantal
mand-toepassingen = 1
18 SEQUENCE {
OPTION indicator EID niet aanwezig
OPTION indicator Parameter niet aanwezig
AID DSRCApplicationEntityID}} Geen extensie. AID = 2
Freight&Fleet
19 ProfileList SEQUENCE (0..127,…) OF
Profile}
Geen extensie, aantal pro
fielen in
lijst = 0
20 FCS Framecontrolevolgorde
21
22 Flag Eindvlag
▼B
DSC_45 Bij ontvangst van een BST verzendt de DSRC-VU een ver
zoek om toewijzing van een tijdvenster, als bedoeld in EN
12795 en EN 13372, punt 7.1.1, zonder specifieke
RTM-instellingen. In tabel 14.6 staat een voorbeeld van de
bitcodering.
▼C2
Tabel 14.6
Initialisatie: frame-inhoud verzoek om toewijzing van tijdvenster
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3
4
5
6 MAC Control Field Verzoek om toewijzing
particulier tijdvenster
7 FCS Framecontrolevolgorde
8
9 Flag Eindvlag
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 571
DSC_46 De REDCR beantwoordt dit verzoek door een tijdvenster toe
te wijzen, als bedoeld in EN 12795 en EN 13372, punt 7.1.1,
zonder specifieke RTM-instellingen.
In tabel 14.7 staat een voorbeeld van de bitcodering.
▼C2
Tabel 14.7
Initialisatie: frame-inhoud toewijzing van tijdvenster
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3
4
5
6 MAC Control Field Toewijzing particulier
tijdvenster
7 FCS Framecontrolevolgorde
8
9 Flag Eindvlag
▼B
DSC_47 Bij ontvangst van het toegewezen tijdvenster verzendt de
DSRC-VU het dienstrooster voertuig (VST), als bedoeld in
EN 12834 en EN 13372, punten 6.2, 6,3, 6.4 en 7.1, volgens
de in tabel 14.8 gespecificeerde instellingen en binnen het
toegewezen tijdvenster voor verzending.
▼C2
Tabel 14.8
Initialisatie: instellingen VST-frame
Veld Instellingen
Private LID Conform EN 12834
VST parameters Opvulling = 0, daarna voor elke ondersteunde
toepassing: EID aanwezig, parameter aan
wezig,
AID = 2, EID zoals gegenereerd door OBU
Parameter Geen extensie, bevat de RTM-contextmarke
ring
ObeConfiguration Het facultatieve veld OBE-status kan aanwezig
zijn, maar wordt niet gebruikt door de REDCR
Fragmentation header Geen fragmentatie
Layer 2 settings PDU commando, UI-commando
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 572
DSC_48 De DSRC-VU ondersteunt de toepassing „Freight and Fleet”,
geïdentificeerd door toepassingsidentificator (AID) „2”. Mo
gelijk worden andere toepassingsidentificatoren ondersteund,
maar die staan niet in deze VST, aangezien de BST alleen
AID=2 vereist. Het veld „Toepassingen” bevat een lijst van
ondersteunde toepassingen in de DSRC-VU. Voor elke onder
steunde toepassing wordt een verwijzing naar de toepasselijke
norm opgegeven, met name Rtm-ContextMark, bestaande uit
een objectidentificator die de bijbehorende norm voorstelt, het
deel van de norm (deel 9 voor RTM) en in voorkomend geval
de versie daarvan, alsook een EID die door de DSRC-VU
wordt gegenereerd en die aan deze toepassing gekoppeld is.
In de onderstaande tabel 14.9 worden de instellingen van
tabel 14.8 verduidelijkt aan de hand van een praktijkvoor
beeld, met aanduiding van de bitcodering.
▼M3
Tabel 14.9
Initialisatie - voorbeeld inhoud VST-frame
Byte # Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1. TEKEN 0111 1110 Startteken
2. Private LID xxxx xxxx Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3. xxxx xxxx
4. xxxx xxxx
5. xxxx xxxx
6. MAC Control field 1100 0000 PDU-commando
7. LLC Control field 0000 0011 UI-commando
8 Fragmentation header 1xxx x001 Geen fragmentatie
9 VST
SEQUENCE {
Fill BIT STRING (SIZE(4))
1001 Antwoord op initialisatie
0000 Niet gebruikt en ingesteld
op 0
10 Profile INTEGER (0..127,...)
Applications SEQUENCE OF {
0000 0000 Geen extensie. Voorbeeld
profiel 0
Geen extensie, 1 toepas
sing
11 0000 0001
12 SEQUENCE {
OPTION indicator
OPTION indicator
AID DSRCApplicationEntityID
1. EID aanwezig
1. Parameter aanwezig
00 0010 Geen extensie. AID = 2
Freight&Fleet
13. EID Dsrc-EID xxxx xxxx Gedefinieerd in OBU en
identificeert het toepas
singsexemplaar.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 573
Byte # Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
14 Parameter Container { 0000 0010 Geen extensie, gekozen
container = 02,
Bytestring
15 0000 0110 Geen extensie, lengte
Rtm-contextmarkering = 6
16 Rtm-ContextMark ::= SEQUENCE {
StandardIdentifier
0000 0101 Eerste byte is 05H, zijnde
de lengte ervan.
De volgende 5 bytes co
deren de Object Identifier
van de ondersteunde
norm, deel en versie.
{ISO (1) Standard (0)
TARV (15638) part9(9)
Version2 (2)}
17. standardIdentifier 0010 1000
18 1111 1010
19 0001 0110
20 0000 1001
21 0000 0010
22 ObeConfiguration Sequence {
OPTION indicator
0 ObeStatus niet aanwezig
EquipmentClass INTEGER (0..32767) xxx xxxx In dit veld worden
23 xxxx xxxx indicaties van de fabrikant
over de software-/hardwa
reversie van de DSRC-in
terface vermeld
24 ManufacturerId INTEGER (0..65535) xxxx xxxx Fabrikant-ID voor DSRC-
VU, zoals beschreven in
register ISO 14816
25 xxxx xxxx
26 FCS xxxx xxxx Framecontrolevolgorde
27 xxxx xxxx
28 Teken 0111 1110 Eindteken
▼B
DCS_49 De REDCR leest vervolgens de gegevens door een
Get-commando te verzenden, zoals gedefinieerd in EN 13372,
punten 6.2, 6.3 en 6.4 en in EN 12834, met de in tabel
14.10 gespecificeerde instellingen.
▼C2
Tabel 14.10
Overzicht: instellingen GET.request-frame
Veld Instellingen
Invoker Identifier (IID) Niet aanwezig
Link Identifier (LID) Verbindingsadres van specifieke
DSRC-VU
Chaining Neen
Element Identifier (EID)
identificatie (EID)
Zoals opgegeven in de VST. Geen
extensie
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 574
Veld Instellingen
Access Credentials Toegangsreferen
ties
Neen
AttributeIdlist Geen extensie, 1 attribuut, Attribue
tId = 1 (RtmData)
Fragmentation Neen
Layer 2 settings PDU commando, Polled ACn-com
mando
▼B
In tabel 14.11 wordt aan de hand van een voorbeeld verdui
delijkt hoe de RTM-gegevens worden gelezen.
▼C2
Tabel 14.11
Voorstelling: voorbeeld GET.request-frame
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3
4
5
6 MAC Control Field PDU commando
7 LLC Control Field Polled ACn-commando,
n-bit
8 Fragmentation header Geen fragmentatie
9 Get.request
SEQUENCE {
Verzoek om gegevens op
te halen (GET)
OPTION indicator Toegangsreferenties niet
aanwezig
OPTION indicator IID niet aanwezig
OPTION indicator AttributeIdList aanwezig
Fill BIT STRING(SIZE(1)) Ingesteld op 0
10 EID INTEGER (0..127,…) De EID van het RTM-toe
passingsexemplaar,
zoals opgegeven in de
VST. Geen extensie
11 AttributeIdList'SEQUENCE OF {
AttributeId}}
Geen extensie, aantal at
tributen = 1
12 Attribuut-ID = 1,
RtmData. Geen extensie
13 FCS Framecontrolevolgorde
14
15 Flag Eindvlag
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 575
DSC_50 Bij ontvangst van een verzoek om gegevens op te halen (Get-
commando) verzendt de DSRC-VU een antwoord met de
opgevraagde gegevens, zoals gedefinieerd in EN 13372, pun
ten 6.2, 6.3 en 6.4 en in EN 12834, met de in tabel 14.12
gespecificeerde instellingen.
▼C2
Tabel 14.12
Voorstelling: instellingen GET.response-frame
Veld Instellingen
Invoker Identifier (IID) Niet aanwezig
Link Identifier (LID) Conform EN 12834
Chaining Neen
Element Identifier (EID) Zoals opgegeven in de VST
Access Credentials Neen
Fragmentation Neen
Layer2 Settings Antwoord PDU, antwoord
beschikbaar en commando
geaccepteerd,
ACn-commando
▼B
In tabel 14.13 wordt aan de hand van een voorbeeld verdui
delijkt hoe de RTM-gegevens worden gelezen.
▼C2
Tabel 14.13
Voorstelling: voorbeeld inhoud antwoordframe
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3
4
5
6 MAC Control Field Antwoord PDU
7 LLC Control Field Antwoord beschikbaar,
ACn-commando n-bit
8 LLC Status Field Antwoord beschikbaar en
commando geaccepteerd
9 Fragmentation header Geen fragmentatie
10 Get.response
SEQUENCE {
Antwoord GET
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 576
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
OPTION indicator IID niet aanwezig
OPTION indicator Attribuutlijst aanwezig
OPTION indicator Retourstatus niet aan
wezig
Fill BIT STRING(SIZE(1)) Niet gebruikt
11 EID INTEGER (0..127,…) Antwoord verzonden van
uit RTM-
toepassingsexemplaar.
Geen extensie
12 AttributeList SEQUENCE OF { Geen extensie, aantal at
tributen = 1
13 Attributes SEQUENCE {
AttributeId
Geen extensie, attribuut-
ID = 1 (RtmData)
14 AttributeValue CONTAINER { Geen extensie, gekozen
container = 10 10
15 RtmData
16
17
… …
n }}}}
n+1 FCS Framecontrolevolgorde
n+2
n+3 Flag Eindvlag
▼B
DSC_51 De REDCR verbreekt vervolgens de verbinding door een
Event_Report, Release-commando te verzenden overeenkom
stig EN 13372, punten 6.2, 6.3 en 6.4 en EN 12834, punt
7.3.8, zonder specifieke RTM-instellingen. In tabel 14.14 staat
een voorbeeld van de bitcodering voor het
Release-commando.
▼C2
Tabel 14.14
Beëindiging. EVENT_REPORTinhoud Release-Frame
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3
4
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 577
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
5
6 MAC Control Field Het frame bevat een
LPDU-commando
7 LLC Control Field UI-commando
8 Fragmentatie header Geen fragmentatie
9 EVENT_REPORT.request
SEQUENCE {
EVENT_REPORT (Re
lease)
OPTION indicator Toegangsreferenties niet
aanwezig
OPTION indicator Voorvalparameter niet
aanwezig
OPTION indicator IID niet aanwezig
Mode BOOLEAN Geen antwoord verwacht
10 EID INTEGER (0..127,…) Geen extensie, EID = 0
(System)
11 EventType INTEGER (0..127,…)} Voorvaltype 0 = Release
12 FCS Framecontrolevolgorde
13
14 Vlag Eindvlag
▼B
DSC_52 De DSRC-VU dient het Release-commando niet te beant
woorden. De verbinding wordt daarop verbroken.
5.4.8 Beschrijving van de testtransactie via DSRC-interfaces
DSC_53 Zoals vastgelegd in aanhangsel 11 „Algemene beveiligings
mechanismen” moeten met behulp van het hierboven toege
lichte Get-commando volledige tests, met inbegrip van gege
vensbeveiliging, worden uitgevoerd door personen die over de
nodige bevoegdheden beschikken om toegang te krijgen tot
beveiligingsprocedures.
DSC_54 Zoals voorgeschreven in aanhangsel 11 „Algemene beveili
gingsmechanismen” en in aanhangsel 9 „Lijst van minimaal
vereiste typegoedkeuringstests” moeten op het ogenblik van
inbedrijfstelling en bij periodieke controles tests worden
uitgevoerd.
Niettemin kan de basisfunctie voor communicatie op afstand
via DSRC-interfaces worden getest met behulp van het
Echo-commando. Deze tests kunnen niet alleen worden ver
eist op het ogenblik van inbedrijfstelling of bij periodieke
controles, maar ook indien de bevoegde controleautoriteit
dit verlangt of indien de tachograafverordening zulks voor
schrijft (zie punt 6 hieronder).
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 578
DSC_55 Om deze basistest uit te voeren, verzendt de REDCR het
Echo-commando tijdens een verbindingssessie, dat wil zeggen
nadat de initialisatiefase met succes is voltooid. De volgorde
van interacties is derhalve vergelijkbaar met die van een
ondervraging:
— Stap 1 De REDCR verzendt een dienstrooster
radiobaken (BST) met de toepassingsidentificatoren
(AID's) in de lijst van ondersteunde diensten. Voor
RTM-toepassingen is dit doorgaans de dienst waarvan
de AID gelijk is aan 2.
De DSRC-VU onderzoekt de ontvangen BST en verzendt
een antwoord indien blijkt dat in de BST de toepassing
„Freight&Fleet” (AID=2) wordt aangeroepen. Indien de
REDCR geen AID=2 verzendt, beëindigt de DSRC-VU
de transactie met de REDCR.
— Stap 2 De DSRC-VU verzendt een verzoek om toewij
zing van een tijdvenster.
— Stap 3 De REDCR verzendt een toegewezen tijdvenster.
— Stap 4 De DSRC-VU verzendt binnen het toegewezen
tijdvenster een frame met het dienstrooster
voertuig (VST). Deze VST bevat een lijst van alle toe
passingen die deze DSRC-VU ondersteunt in het domein
„Freight&Fleet” (AID=2). De verschillende toepassingen
worden geïdentificeerd door unieke elementidentificatoren
(EID's), gekoppeld aan een parameterwaarde die de on
dersteunde toepassing aangeeft.
— Stap 5 De REDCR analyseert de ontvangen VST. Indien
de VST als irrelevant wordt beschouwd (bijvoorbeeld een
VST ontvangen van een DSRC-VU die geen RTM-VU
is), verbreekt de REDCR de verbinding (Release-com
mando). Wordt de ontvangen VST geschikt bevonden,
dan begint de REDCR de toepassing te concretiseren.
— Stap 6 De REDCR verzendt een Echo-commando naar de
betrokken DSRC-VU, en wijst een tijdvenster toe.
— Stap 7 De DSRC-VU verzendt binnen het toegewezen
tijdvenster een Echo-antwoordframe.
De gegevensuitwisseling in het kader van een Echo-commando wordt
verduidelijkt aan de hand van het praktijkvoorbeeld in de volgende
tabellen.
DSC_56 De initialisatie wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 5.4.7
(DSC_44 tot en met DSC_48) en tabellen 14.4 tot en met
14.9.
DSC_57 De REDCR verzendt een Action, Echo-commando overeen
komstig ISO 14906 met 100 gegevensbytes en zonder speci
fieke RTM-instellingen. De inhoud van het door de REDCR
verzonden frame wordt verduidelijkt in tabel 14.15.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 579
Tabel 14.15
Voorbeeld van het Action, Echo-verzoekframe
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke DSRC-VU
3
4
5
6 MAC Control Field PDU commando
7 LLC Control Field Polled ACn-commando,
n-bit
8 Fragmentation Header Geen fragmentatie
9 ACTION.request
SEQUENCE {
Verzoek om actie (ECHO)
OPTION indicator Toegangsreferenties niet
aanwezig
OPTION indicator Actieparameter aanwezig
OPTION indicator IID niet aanwezig
Mode BOOLEAN Antwoord verwacht
10 EID INTEGER (0..127,…) Geen extensie, EID = 0
(System)
11 ActionType INTEGER (0..127) Geen extensie, actietype
ECHO-verzoek
12 ActionParameter CONTAINER { Geen extensie, gekozen
container = 2
13 Geen extensie. String
lengte = 100 bytes
14 Te echoën gegevens
… …
113 }}
114614 FCS Framecontrolevolgorde
115715
116816 Flag Eindvlag
▼C2
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 580
DSC_58 Bij ontvangst van het Echo-verzoek verzendt de DSRC-VU
een Echo-antwoord van 100 bytes waarin het ontvangen com
mando wordt weergegeven overeenkomstig ISO 14906, zon
der specifieke RTM-instellingen. In tabel 14.16 wordt de bit
codering verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld.
▼C2
Tabel 14.16
Voorbeeld van het Action, Echo-antwoordframe
B
yt
e
nr
.
Attribuut/veld Bits in byte Omschrijving
1 FLAG Startvlag
2 Private LID Verbindingsadres van spe
cifieke VU
3
4
5
6 MAC Control Field Antwoord PDU
7 LLC Control Field ACn-commando, n-bit
8 LLC status field Antwoord beschikbaar
9 Fragmentation header Geen fragmentatie
10 ACTION.response
SEQUENCE {
Antwoord op
ACTIE (ECHO)
OPTIE-indicator IID niet aanwezig
OPTIE-indicator Antwoordparameter aan
wezig
OPTIE-indicator Retourstatus niet aan
wezig
Fill BIT STRING (SIZE (1)) Niet gebruikt
11 EID INTEGER (0..127,…) Geen extensie, EID = 0
(Systeem)
12 ResponseParameter CONTAINER { Geen extensie, gekozen
container = 2
13 Geen extensie. String
lengte = 100 bytes
14 Geëchode gegevens
… …
113 }}
114 FCS Framecontrolevolgorde
115
116 Flag Eindvlag
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 581
5.5 Gereserveerd voor toekomstig gebruik
▼M2
__________
▼B
5.6 Gegevensoverdracht tussen DSRC-VU en VU
5.6.1 Fysieke verbinding en interfaces
DSC_66 De verbinding tussen de VU en de DSRC-VU kan bestaan uit
een fysieke kabel of een draadloze BLE-verbinding voor kor
teafstandscommunicatie op basis van Bluetooth v4.0.
DSC_67 De volgende voorschriften moeten worden nageleefd, onge
acht de gekozen fysieke verbinding en interface:
DSC_68 ►M1 a) De verbinding tussen de VU en de DSRC-VU die
zich niet in de VU bevindt, moet berusten op een
open industrienorm zodat verschillende fabrikanten
in aanmerking komen voor de levering van de VU
en de DSRC-VU, met inbegrip van de diverse
uitvoeringsvormen daarvan. De VU wordt verbon
den met de DSRC-VU door middel van ◄
i) een vaste kabel met een lengte van ten minste
2 m die via een goedgekeurde Straight DIN
41612-conforme 11-pens H11-stekker van de
DSRC-VU wordt aangesloten op een soortge
lijke DIN/ISO-conforme contrastekker van de
VU,
ii) een BLE(Bluetooth Low Energy)-verbinding,
iii) een standaardverbinding die voldoet aan ISO
11898 of SAE J1939.
DSC_69 b) De definitie van de interfaces en verbinding tussen de VU
en de DSRC-VU moet ondersteuning bieden aan de in
punt 5.6.2 gedefinieerde commando's van het
toepassingsprotocol.
DSC_70 c) De VU en de DSRC-VU moeten de gegevensoverdracht
via de verbinding ondersteunen wat prestaties en stroom
voorziening betreft.
5.6.2 Toepassingsprotocol
DSC_71 Het toepassingsprotocol tussen de VU-inrichting voor com
municatie op afstand en de DSRC-VU staat in voor de peri
odieke gegevensoverdracht tussen de VU en de DSRC-VU.
DSC_72 De belangrijkste commando's zijn:
1. Verzoek om initialisatie van de communicatieverbinding
2. Antwoord op het verzoek om initialisatie van de communi
catieverbinding
3. Gegevens verzenden met de identificator van de
RTM-toepassing en de door RtmData gedefinieerde paylo
adgegevens
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 582
4. Ontvangstbevestiging van de gegevens
5. Verzoek om verbreking van de communicatieverbinding
6. Antwoord op het verzoek om verbreking van de communi
catieverbinding
DSC_73 In ASN1.0 kunnen de vorige commando's als volgt worden
gedefinieerd:
DSC_74 Beschrijving van de commando's en parameters:
—
wordt gebruikt om de communicatieverbinding te initia
liseren. Dit commando wordt door de VU verzonden naar
de DSRC-VU. De verbindingsidentificator (LID) wordt
ingesteld door de VU en doorgegeven aan de
DSRC-VU om een specifieke communicatieverbinding
op te sporen.
(Opmerking: dit is bedoeld ter ondersteuning van toekom
stige verbindingen en andere toepassingen/modules, zoals
weging aan boord van het voertuig).
—
wordt door de DSRC-VU gebruikt als antwoord op het
verzoek om de communicatieverbinding te initialiseren.
Dit commando wordt door de DSRC-VU verzonden
naar de VU. Het commando geeft als resultaat van de
initialisatie „1” (Geslaagd) of „0” (Mislukt).
DSC_75 De communicatieverbinding wordt uitsluitend geïnitialiseerd
na installatie, kalibrering en inschakeling van de motor/VU.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 583
— wordt door de VU gebruikt om de
getekende RCDTData (dat wil zeggen de gegevens van
de communicatie op afstand) naar de DSRC-VU te ver
zenden. De gegevens worden iedere 60 seconden verzon
den. De parameter DataTransactionId identificeert de spe
cifieke datatransmissie. De verbindingsidentificator (LID)
wordt ook gebruikt om te waarborgen dat de verbinding
juist tot stand is gebracht.
— wordt door de
DSRC-VU verzonden om feedback te geven aan de VU
over de gegevensontvangst via het commando
dat wordt geïdentificeerd door de pa
rameter DataTransactionId. Het antwoord heeft de waarde
„1” (Geslaagd) of „0” (Mislukt). Indien een VU meer dan
drie antwoorden met de waarde „0” ontvangt of indien de
VU geen RCDT-Data Acknowledgment ontvangt voor
een eerder verzonden RCDT–Send Data met een speci
fieke DataTransactionId, genereert en registreert de VU
een voorval.
—
wordt door de VU verzonden naar de DSRC-VU om de
verbinding voor een specifieke verbindingsidentificator
(LID) te verbreken.
DSC_76 Bij het herstarten van de DSRC-VU of een VU moeten alle
bestaande communicatieverbindingen worden verbroken om
te vermijden dat er „hangende” verbindingen bestaan als ge
volg van de plotselinge uitschakeling van een VU.
—
wordt door de DSRC-VU verzonden naar de VU ter be
vestiging van het door de VU verzonden verzoek om de
verbinding voor de specifieke verbindingsidentificator
(LID) te verbreken.
5.7 Behandeling van fouten
5.7.1 Registratie en doorgifte van de gegevens in de DSRC-VU
▼M3
DSC_77 De gegevens worden in beveiligde vorm beschikbaar gesteld
aan de DSRC-VU door de VUSM. De VUSM controleert of de
in de DSRC-VU geregistreerde gegevens met succes zijn ver
zonden naar de DSRC-VU. Eventuele fouten in de gegevens
overdracht van de VU naar het geheugen van de DSRC-VU
worden geregistreerd met type EventFaultType en
enum-waarde „0C”H „Communicatiefout met het systeem
voor communicatie op afstand”, samen met de tijdaanduiding.
De VUSM controleert of de gegevens met succes zijn ver
zonden naar de DSRC-VU.
DSC_78 Gereserveerd voor toekomstig gebruik.
▼B
DSC_79 Indien de VUPM er niet in slaagt VU-gegevens van de be
veiligingsmodule te verkrijgen (om die aan de DSRC-VU
door te geven), wordt deze storing geregistreerd op basis
van een voorval van het type EventFaultType met de
enum-waarde „62”H Fout in de inrichting voor communicatie
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 584
op afstand, samen met de tijdaanduiding. De communicatie
storing wordt vastgesteld indien het bericht
meer dan drie keer na elkaar
niet wordt ontvangen voor het bijbehorende bericht
(dat wil zeggen met dezelfde
DataTransactionId in de berichten
).
5.7.2 Fouten in de draadloze communicatie
DSC_80 Communicatiefouten worden behandeld overeenkomstig de
desbetreffende DSRC-normen, met name EN 300 674-1, EN
12253, EN 12795, EN 12834 en de toepasselijke parameters
van EN 13372.
5.7.2.1 Fouten in codering en handtekening
DSC_81 Fouten in codering en handtekening worden behandeld zoals
toegelicht in aanhangsel 11 „Algemene beveiligingsmechanis
men”, en worden niet opgenomen in foutmeldingen die ver
band houden met de gegevensoverdracht via
DSRC-interfaces.
5.7.2.2 Registratie van fouten
Als dynamisch instrument voor draadloze communicatie functioneert de
DSRC-interface in een onzekere omgeving die wordt gekenmerkt door
uiteenlopende weersomstandigheden en (storings)invloeden van buitenaf.
Dit is met name het geval bij gebruik van de draagbare REDCR in
combinatie met rijdende voertuigen. Bijgevolg moet onderscheid worden
gemaakt tussen de „mislukking” van een leesbewerking en een „fout
conditie”. Bij transacties via een draadloze interface komt het vaak voor
dat leesbewerkingen mislukken. In dit geval wordt doorgaans een
nieuwe poging ondernomen door de BST opnieuw te verzenden en de
transacties nogmaals uit te voeren. In de meeste gevallen wordt de
communicatieverbinding dan met succes tot stand gebracht en worden
de gegevens met succes overgedragen, tenzij het gecontroleerde voertuig
zich inmiddels buiten bereik bevindt. Om een leesbewerking met succes
uit te voeren, worden doorgaans meerdere (nieuwe) pogingen
ondernomen.
Een leesbewerking kan mislukken doordat de antennes niet juist zijn
gekoppeld (storing bij het „richten”) of doordat een van de antennes
is afgeschermd. Een antenne kan opzettelijk worden afgeschermd,
maar ook ongewild als gevolg van de fysieke aanwezigheid van een
ander voertuig, radiostoringen, in het bijzonder van in de 5,8 GHz-fre
quentieband werkende WiFi-apparatuur of andere publiek toegankelijke
draadloze communicatienetwerken. Verder kan een leesbewerking mis
lukken als gevolg van radarstoringen of ongunstige weersomstandighe
den (bijvoorbeeld onweer) of doordat het gecontroleerde voertuig zich
buiten het bereik van de DSRC-communicatieapparatuur bevindt. Afzon
derlijke gevallen waarin leesbewerkingen mislukken kunnen per definitie
niet worden geregistreerd om de eenvoudige reden dat er geen com
municatie heeft plaatsgehad.
Indien de controleambtenaar een specifiek voertuig wil controleren door
de DSRC-VU ervan te ondervragen, maar er niet in slaagt gegevens over
te brengen, kan dat ook het gevolg zijn van opzettelijke manipulatie.
Daarom heeft de controleambtenaar een hulpmiddel nodig om dit voor
val in een logboek te registreren en collega's in het vervolgtraject te
waarschuwen dat er mogelijk sprake is van een inbreuk. Zo kunnen
deze collega's het voertuig tegenhouden en aan een nadere controle
onderwerpen. Aangezien de communicatie mislukt is, kunnen daarover
echter geen gegevens in de DSRC-VU worden geregistreerd. Bijgevolg
moet deze rapportage deel uitmaken van het functionele ontwerp van de
REDCR.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 585
Technisch gezien is het „mislukken” van een leesbewerking niet het
zelfde als het optreden van een „fout”. In het kader van de tachograaf
toepassing betekent een „fout” dat een onjuiste waarde werd verkregen.
De gegevens zijn al beveiligd wanneer ze aan de DSRC-VU worden
doorgegeven. Bijgevolg moet de verstrekker van de gegevens ze veri
fiëren (zie punt 5.4).
Gegevens die vervolgens via de ether worden overgebracht, ondergaan
cyclische redundantiecontroles (CRC) op het niveau van de communi
catieverbinding. Een geslaagde CRC betekent dat de gegevens juist zijn.
Indien de CRC mislukt, moeten de gegevens opnieuw worden verzon
den. De kans dat gegevens waarvoor de CRC mislukt toch met succes
worden overgebracht, is statistisch gezien zo klein dat ze te verwaar
lozen is.
Indien de CRC mislukt en er geen tijd is om de juiste gegevens opnieuw
te verzenden en te ontvangen, is het resultaat geen fout, maar de con
cretisering van een mislukte leesbewerking.
Het enige betekenisvolle gegeven dat over deze „mislukking” kan wor
den geregistreerd, is het aantal keren dat transacties met succes werden
geïnitialiseerd, zij het zonder succesvolle gegevensoverdracht naar de
REDCR.
DSC_82 De REDCR registreert bijgevolg — met tijdaanduiding —
hoeveel keren de initialisatiefase van een ondervraging via
de DSRC-interface met succes werd voltooid, maar de trans
actie niettemin werd beëindigd voordat de REDCR de gege
vens met succes heeft kunnen ophalen. Deze gegevens wor
den aan de controleambtenaar beschikbaar gesteld en opge
slagen in het geheugen van de REDCR. De daartoe gebruikte
middelen hangen af van het productontwerp of van de speci
ficaties van de bevoegde controleautoriteiten.
Het enige betekenisvolle gegeven dat over de „fout” kan
worden geregistreerd, is het aantal keren dat de REDCR er
niet in geslaagd is de ontvangen gegevens te decoderen. Dit
heeft echter alleen te maken met de doelmatigheid van de
REDCR-software. Zelfs na decodering kunnen gegevens se
mantisch gezien betekenisloos zijn.
DSC_83 De REDCR registreert bijgevolg — met tijdaanduiding — het
aantal mislukte pogingen om de via de DSRC-interface ont
vangen gegevens te decoderen.
6 TESTS BIJ INBEDRIJFSTELLING EN PERIODIEKE CONTROLE
VAN DE FUNCTIE VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND
6.1 Algemeen
DSC_84 In het kader van de functie voor communicatie op afstand
worden twee tests uitgevoerd:
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 586
1) Een Echo-test om de draadloze tweerichtingsverbinding
tussen de DSRC-REDCR en de DSRC-VU te bevestigen.
2) Een beveiligingstest tussen bron en bestemming om te
waarborgen dat een werkplaatskaart toegang kan krijgen
tot de gecodeerde en getekende gegevens van de VU die
via de draadloze communicatieverbinding worden
verzonden.
6.2 Echo-commando
De specifieke testvoorschriften in dit punt zijn bedoeld om na te gaan of
de tweerichtingsverbinding tussen DSRC-REDCR en DSRC-VU vol
ledig operationeel is.
Dankzij het Echo-commando kunnen werkplaatsen of testcentra voor
typegoedkeuring de werking van de DSRC-interface testen zonder toe
gang te moeten krijgen tot beveiligingsreferenties. De bediener van het
testapparaat hoeft bijgevolg alleen een verbinding via de DSRC-interface
te initialiseren (door een BST met AID=2 te verzenden) en daarna het
Echo-commando te verzenden. Indien de DSRC-interface operationeel
is, ontvangt hij daarna het antwoord op het Echo-commando. Zie punt
5.4.8 voor meer informatie. Indien dit antwoord correct wordt ontvan
gen, mag ervan worden uitgegaan dat de DSRC-interface (tweerichtings
verbinding tussen DSRC-REDCR en DSRC-VU) correct functioneert.
6.3 Tests om de beveiligde gegevensinhoud te bevestigen
DSC_85 Met deze test wordt de beveiligde gegevensstroom tussen
bron en bestemming bevestigd. Voor deze test moet de
DSRC-testlezer worden gebruikt. De DSRC-testlezer voert
dezelfde functies uit en wordt geïmplementeerd overeenkom
stig dezelfde specificaties als de door controleambtenaren ge
bruikte lezer. Het enige verschil is dat de gebruiker van de
DSRC-testlezer wordt geauthenticeerd op basis van een werk
plaatskaart, en niet op basis van een controlekaart. De test kan
worden uitgevoerd op het ogenblik dat de slimme tachograaf
voor het eerst wordt geactiveerd of na afloop van de kalibre
ringsprocedure. Zodra de tachograaf is geactiveerd, genereert
de voertuigunit de beveiligde gegevens voor vroegtijdige de
tectie, en geeft die door aan de DSRC-VU.
DSC_86 De werkplaatsmedewerker plaatst de DSRC-testlezer op een
afstand tussen 2 en 10 m vóór het voertuig.
DSC_87 Vervolgens brengt de werkplaatsmedewerker een werkplaats
kaart in de DSRC-testlezer om de voertuigunit te ondervragen
en gegevens over vroegtijdige detectie te verkrijgen. Indien de
ondervraging met succes verloopt, leest de werkplaatsmede
werker de ontvangen gegevens om de integriteit ervan te con
troleren en zeker te stellen dat ze juist werden gedecodeerd.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 587
Addendum
Regels voor de berekening van de dagelijkse, wekelijkse en tweewekelijkse rijtijd
1. Basisberekeningsregels
De VU berekent de dagelijkse, wekelijkse en tweewekelijkse rijtijd op basis
van relevante gegevens die zijn opgeslagen op een bestuurderskaart (of werk
plaatskaart) die is ingebracht in het bestuurdersslot (slot 1, kaartlezer #1) van
de voertuigunit, en geselecteerde activiteiten van de bestuurder terwijl deze
kaart in de VU is ingebracht.
De rijtijden worden niet berekend wanneer geen bestuurderskaart (of werk
plaatskaart) is ingebracht.
ONBEKENDE periode(n) tijdens de voor de berekeningen benodigde periode
worden gelijkgesteld aan RUSTPAUZE.
Er wordt geen rekening gehouden met ONBEKENDE perioden en activiteiten
van negatieve duur (d.w.z. het begin van de activiteit valt na het einde van de
activiteit) ten gevolge van tijdsoverlappingen tussen twee verschillende VU’s
of tijdafstellingen.
Op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten die overeenstemmen met
„NIET VERPLICHTE” perioden overeenkomstig de definitie van punt gg)
van bijlage IC, worden als volgt geïnterpreteerd:
— RUSTPAUZE wordt berekend als „PAUZE” of „RUST”
— WERKEN en RIJDEN worden beschouwd als „WERKEN”
— BESCHIKBAARHEID wordt beschouwd als „BESCHIKBAARHEID”
In het kader van dit addendum wordt verondersteld dat de VU een dagelijkse
rustperiode heeft aan het begin van de records van de kaartactiviteiten.
2. Concepten
De volgende concepten zijn uitsluitend van toepassing op dit aanhangsel, en
zijn bedoeld als specificatie van de berekening van de rijtijden door de VU en
de latere verzending ervan door het systeem voor communicatie op afstand.
a) „RTM-shift” is de periode tussen het einde van een dagelijkse rustperiode
en het einde van de direct daarop volgende dagelijkse rustperiode.
De VU start een nieuwe RTM-shift nadat een dagelijkse rustperiode is
beëindigd.
De lopende RTM-shift is de periode sinds het einde van de laatste dage
lijkse rustperiode;
b) „cumulatieve rijtijd” is de som van de duur van alle RIJ-activiteiten van de
bestuurder gedurende een andere periode dan NIET VERPLICHT;
c) „dagelijkse rijtijd” is de opgetelde rijtijd in een RTM-shift;
d) „wekelijkse rijtijd” is de opgetelde rijtijd voor de lopende week;
e) „continue rustperiode” is een ononderbroken periode van RUSTPAUZE;
f) „tweewekelijkse rijtijd” is de opgetelde rijtijd van de vorige en de lopende
week;
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 588
g) „dagelijkse rustperiode” is een periode van RUSTPAUZE, die kan bestaan
uit een van de volgende:
— een regelmatige dagelijkse rustperiode,
— een gesplitste dagelijkse rustperiode, of
— een beperkte dagelijkse rustperiode.
Wanneer een VU wekelijkse rustperioden berekent, worden die wekelijkse
rustperioden in het kader van aanhangsel 14 beschouwd als dagelijkse
rustperioden;
h) een „regelmatige dagelijkse rustperiode” is een continue rustperiode van
minstens 11 uur.
Wanneer de omstandigheid VERVOER PER FERRY/TREIN van toepas
sing is, mag de regelmatige dagelijkse rustperiode bij wijze van uitzon
dering hoogstens twee keer worden onderbroken door andere activiteiten
dan rust, met een maximale opgetelde duur van één uur, d.w.z. dat de
regelmatige dagelijkse rustperiode die het vervoer per ferry/trein omvat, in
twee of drie delen mag worden gesplit. De VU berekent dan een regel
matige dagelijkse rustperiode wanneer de overeenkomstig punt 3 bere
kende opgetelde rusttijd minstens 11 uur bedraagt.
Wanneer een regelmatige dagelijkse rustperiode is onderbroken, zal de
VU:
— de rijactiviteit tijdens die onderbrekingen niet meenemen bij de bereke
ning van de dagelijkse rijtijd, en
— een nieuwe RTM-shift starten aan het einde van de regelmatige dage
lijkse rustperiode die onderbroken is.
Figuur 1.
Voorbeeld van een dagelijkse rustperiode die is onderbroken wegens vervoer per ferry/trein
i) een „beperkte dagelijkse rustperiode” is een continue rustperiode van min
stens 9 en minder dan 11 uur;
j) een „gesplitste dagelijkse rustperiode” is een dagelijkse rustperiode die in
twee delen wordt opgenomen:
— het eerste deel is een continue rustperiode van minstens 3 en minder
dan 9 uur,
— het tweede deel is een continue rustperiode van minstens 9 uur.
Wanneer een omstandigheid VERVOER PER FERRY/TREIN van toepas
sing is tijdens een of beide delen van een gesplitste dagelijkse rustperiode,
kan de gesplitste dagelijkse rustperiode bij wijze van uitzondering hoog
stens twee keer worden onderbroken door andere activiteiten met een
opgetelde duur van hoogstens één uur, d.w.z.:
— het eerste deel van de gesplitste dagelijkse rustperiode kan een of twee
keer worden onderbroken, of
— het tweede deel van de gesplitste dagelijkse rustperiode kan een of
twee keer worden onderbroken, of
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 589
— zowel het eerste deel van de gesplitste dagelijkse rustperiode als het
tweede deel van de gesplitste dagelijkse rustperiode kan één keer wor
den onderbroken.
De VU berekent dan een gesplitste dagelijkse rustperiode wanneer de
overeenkomstig punt 3 berekende opgetelde rusttijd minstens als volgt
bedraagt:
— minstens drie uur en minder dan 11 uur voor de eerste rustperiode en
minstens 9 uur voor de tweede rustperiode, wanneer de eerste rust
periode onderbroken is door VERVOER PER FERRY/TREIN.
— minstens drie uur en minder dan 9 uur voor de eerste rustperiode en
minstens 9 uur voor de tweede rustperiode, wanneer de eerste rust
periode niet is onderbroken door VERVOER PER FERRY/TREIN.
Figuur 2.
Voorbeeld van een gesplitste dagelijkse rustperiode die is onderbroken wegens vervoer per ferry/trein
Wanneer de gesplitste dagelijkse rustperiode is onderbroken, zal de VU:
— de rijactiviteit tijdens die onderbrekingen niet meenemen bij de bereke
ning van de dagelijkse rijtijd, en
— een nieuwe RTM-shift starten aan het einde van de gesplitste dage
lijkse rustperiode die onderbroken is;
k) „week” is de periode in UTC-tijd tussen 00:00 uur op maandag en 24:00
uur op zondag;
3. Berekening van de rustperiode wanneer deze is onderbroken wegens vervoer
per ferry/trein
In het geval de rustperiode is onderbroken wegens vervoer per ferry/trein,
berekent de VU de opgetelde rusttijd volgens de volgende stappen:
a) Stap 1
De VU detecteert onderbrekingen van de rusttijd die zich voordoen vóór
de activering van het teken VERVOER PER FERRY/TREIN (BEGIN),
overeenkomstig figuur 3 en in voorkomend geval figuur 4, en evalueert
voor elke gedetecteerde onderbreking of de volgende voorwaarden zijn
vervuld:
— de onderbreking heeft tot gevolg dat de totale duur van de gedetec
teerde onderbrekingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, onder
brekingen die zich voordoen tijdens het eerste deel van een gesplitste
dagelijkse rustperiode ten gevolge van vervoer per ferry/trein, in totaal
meer dan één uur bedraagt,
— de onderbreking heeft tot gevolg dat het totale aantal gedetecteerde
onderbrekingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, onderbrekin
gen die zich voordoen tijdens het eerste deel van een gesplitste dage
lijkse rustperiode ten gevolge van vervoer per ferry/trein, meer dan
twee uur bedraagt,
— er is een „Invoer van eindpunt van de dagelijkse werkperiode” opge
slagen nadat de onderbreking is beëindigd.
Indien geen enkele van de bovenstaande voorwaarden is vervuld, wordt de
continue rustperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de onderbreking toe
gevoegd aan de opgetelde rusttijd.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 590
Indien minstens een van de bovenstaande voorwaarden is vervuld, stopt de
VU met de berekening van de opgetelde rusttijd overeenkomstig stap 2 of
detecteert hij onderbrekingen van de rusttijd die zich voordoen na het
teken VERVOER PER FERRY/TREIN (BEGIN) overeenkomstig stap 3.
b) Stap 2
Voor elke onderbreking die is gedetecteerd overeenkomstig stap 1, evalu
eert de VU of de berekening van de opgetelde rusttijd moet stoppen. De
VU stopt het berekeningsproces wanneer twee continue rustperioden die
zich voordoen vóór de activering van de vlag VERVOER PER
FERRY/TREIN (BEGIN) zijn toegevoegd aan de opgetelde rusttijd, met
inbegrip van, in voorkomend geval, rustperioden die zijn toegevoegd in het
eerste deel van een gesplitste dagelijkse rustperiode die eveneens is onder
broken door vervoer per ferry/trein. Zoniet gaat de VU over naar stap 3.
c) Stap 3
Indien de VU, na de uitvoering van stap 2, de berekening van de opgetelde
rusttijd voortzet, detecteert hij onderbrekingen die zich voordeden na de
deactivering van de voorwaarde VERVOER PER FERRY/TREIN, over
eenkomstig figuur 3 en, in voorkomend geval, figuur 4.
Voor elke gevonden onderbreking evalueert de VU of de onderbreking tot
gevolg heeft dat de opgetelde tijd van alle gedetecteerde onderbrekingen in
totaal meer dan één uur bedraagt; in dat geval wordt de berekening van de
opgetelde rustperiode stopgezet aan het einde van de continue rustperiode
die voorafgaat aan de onderbreking. Zoniet worden de continue rustperio
den die zich voordoen na de respectieve onderbrekingen meegenomen in
de berekening van de dagelijkse rustperiode tot de voorwaarde van stap 4
is vervuld.
d) Stap 4
De berekening van de opgetelde rusttijd stopt als de VU, ten gevolge van
stappen 1 en 3, hoogstens twee continue rustperioden heeft toegevoegd aan
de rustperiode waarvoor de voorwaarde VERVOER PER FERRY/TREIN
is geactiveerd, met inbegrip, in voorkomend geval, van onderbrekingen die
zich voordoen tijdens het eerste deel van een gesplitste dagelijkse rust
periode ten gevolge van vervoer per ferry/trein.
Figuur 3.
Verwerking van rusttijden door de VU om te bepalen of een onderbroken rustperiode wordt meegerekend als
regelmatige dagelijkse rustperiode of als het eerste deel van een gesplitste dagelijkse rustperiode
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 591
Figuur 4.
Verwerking van rusttijden door de VU om te bepalen of een onderbroken rustperiode wordt meegerekend
als het tweede deel van een gesplitste dagelijkse rustperiode.
Figuur 5.
Voorbeeld van een dagelijkse rustperiode die meer dan twee keer is onderbroken, waardoor rustperiode H
niet is meegenomen in de berekening.
Figuur 6.
Voorbeeld van een dagelijkse rustperiode waarbij het vervoer per ferry/trein gestart is aan het einde van
de werkperiode.
Figuur 7.
Voorbeeld van een dagelijkse rustperiode die meer dan twee keer is onderbroken, waardoor rustperiode B
niet is meegenomen in de berekening.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 592
Figuur 8.
Voorbeeld van een gesplitste dagelijkse rustperiode die één keer is onderbroken tijdens de eerste rustperiode en
één keer tijdens de tweede rustperiode.
4. Berekening van de dagelijkse, wekelijkse en tweewekelijkse rijtijden
De VU berekent de dagelijkse rijtijd(en) voor de lopende en vorige
RTM-shifts. De rijtijd tijdens de onderbrekingen van de dagelijkse rustperio
den wordt niet meegenomen in de berekening van de dagelijkse rijtijd als die
onderbrekingen het gevolg zijn van vervoer per ferry/trein en als de eisen in
punt 2, h) en j), en punt 3 zijn vervuld. Als de VU geen volledige of gesplitste
dagelijkse rustperiode heeft berekend overeenkomstig punt 3, worden de rij
tijden tijdens de onderbrekingen echter wel toegevoegd aan de dagelijkse
rijtijd voor de lopende RTM-shift.
De VU berekent ook de wekelijkse en tweewekelijkse rijtijden. De rijtijd
tijdens de onderbrekingen van de dagelijkse rustperioden ten gevolge van
vervoer per ferry/trein wordt toegevoegd aan de berekening van de wekelijkse
en tweewekelijkse rijtijden.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 593
Aanhangsel 15
MIGRATIE: DE COËXISTENTIE VAN VERSCHILLENDE
GENERATIES EN VERSIES VAN APPARATUUR BEHEREN
▼B
INHOUDSOPGAVE
1. DEFINITIES
2. ALGEMENE BEPALINGEN
2.1. Overzicht van de overgang
▼M3
2.2. Interoperabiliteit tussen VU en kaarten
▼B
2.3. Interoperabiliteit tussen VU's en bewegingssensoren
2.4. Interoperabiliteit tussen voertuigunits, tachograafkaarten en apparatuur
voor het downloaden van gegevens
2.4.1 Kaarten rechtstreeks downloaden met intelligente toepassingsgerichte
apparatuur (IDE)
2.4.2 Het downloaden van een kaart via een voertuigunit
2.4.3 Het downloaden van een voertuigunit
2.5. Interoperabiliteit tussen VU's en kalibratieapparatuur
3. BELANGRIJKSTE STAPPEN IN DE PERIODE VÓÓR DE DATUM
VAN INVOERING
4. BEPALINGEN VOOR DE PERIODE NA DE DATUM VAN INVOE
RING
▼M3
5. REGISTRATIE VAN GRENSOVERSCHRIJDINGEN IN TACHOGRA
FEN VAN DE EERSTE GENERATIE EN DE EERSTE VERSIE VAN
TACHOGRAFEN VAN DE TWEEDE GENERATIE
▼B
1. DEFINITIES
Met het oog op de toepassing van dit aanhangsel wordt verstaan onder:
slim tachograafsysteem: zoals gedefinieerd in deze bijlage (hoofdstuk
1: definitie bbb);
tachograafsysteem van de eerste generatie: zoals gedefinieerd in deze
verordening (artikel 2: definitie 1);
tachograafsysteem van de tweede generatie: zoals gedefinieerd in deze
verordening (artikel 2: definitie 7);
datum van invoering: zoals gedefinieerd in deze bijlage (hoofdstuk 1:
definitie ccc);
Intelligente toepassingsgerichte apparatuur: apparatuur die wordt ge
bruikt voor het downloaden van gegevens, zoals gedefinieerd in aan
hangsel 7 van deze bijlage.
▼M3
2. ALGEMENE BEPALINGEN
2.1. Overzicht van de overgang
In de inleiding van deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de
overgang tussen de tachograafsystemen van de eerste en de tweede
generatie, en van de invoering van de tweede versie van de tweede
generatie controleapparaten en tachograafkaarten.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 594
Naast de bepalingen van deze inleiding, wordt ook herinnerd aan de
volgende informatie:
— bewegingssensoren van de eerste generatie zijn interoperabel met
geen enkele versie van voertuigunits van de tweede generatie,
— alleen bewegingssensoren van de tweede generatie kunnen worden
geïnstalleerd in voertuigen die zijn uitgerust met voertuigunits van de
tweede generatie, ongeacht de versie,
— apparatuur voor gegevensdownload en kalibratie moet het gebruik
van beide generaties of versies controleapparaten en tachograafkaar
ten ondersteunen.
2.2. Interoperabiliteit tussen VU's en kaarten
Er wordt van uitgegaan dat tachograafkaarten van de eerste generatie
interoperabel zijn met voertuigunits van de eerste generatie (overeen
komstig bijlage IB van Verordening (EEG) nr. 3821/85), en dat tacho
graafkaarten van de tweede generatie, ongeacht de versie, interoperabel
zijn met voertuigunits van de tweede generatie, ongeacht de versie (over
eenkomstig bijlage IC bij deze verordening). Voorts zijn ook de onder
staande voorschriften van toepassing.
MIG_001 Behoudens het bepaalde in voorschrift MIG_004 en
MIG_005, mogen tachograafkaarten van de eerste generatie
verder worden gebruikt in voertuigunits van de tweede ge
neratie, ongeacht de versie, tot het einde van hun geldig
heidsduur. De houders kunnen evenwel vragen ze te ver
vangen door tachograafkaarten van de tweede generatie zo
dra deze beschikbaar zijn.
MIG_002 Het moet mogelijk zijn elke geldige bestuurders-, controle-
en bedrijfskaart van de eerste generatie te gebruiken in voer
tuigunits van de tweede generatie, ongeacht de versie.
MIG_003 Werkplaatsen kunnen dit definitief onmogelijk maken, zodat
tachograafkaarten van de eerste generatie niet meer worden
aanvaard. Dit mag alleen gebeuren nadat de Europese Com
missie is gestart met een procedure die tot doel heeft werk
plaatsen te verzoeken dit te doen, bijvoorbeeld tijdens elke
periodieke inspectie van de tachograaf.
MIG_004 Voertuigunits van de tweede generatie mogen alleen werk
plaatskaarten van de tweede generatie kunnen gebruiken.
MIG_005 Om de operationele modus te bepalen, houden voertuigunits
van de tweede generatie, ongeacht de versie, alleen rekening
met het type geldige kaarten dat wordt ingebracht, ongeacht
de generatie of versie.
MIG_006 Elke geldige tachograafkaart van de tweede generatie, on
geacht de versie, kan in voertuigunits van de eerste genera
tie worden gebruikt op exact dezelfde wijze als hetzelfde
type tachograafkaarten van de eerste generatie.
2.3. Interoperabiliteit tussen VU's en bewegingssensoren
Er wordt van uitgegaan dat bewegingssensoren van de eerste generatie
interoperabel zijn met voertuigunits van de eerste generatie, en dat be
wegingssensoren van de tweede generatie interoperabel zijn met voer
tuigunits van de tweede generatie, ongeacht de versie. Voorts zijn ook
de onderstaande voorschriften van toepassing.
MIG_007 Voertuigunits van de tweede generatie, ongeacht de versie,
mogen niet worden gekoppeld aan en gebruikt met be
wegingssensoren van de eerste generatie.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 595
MIG_008 Bewegingssensoren van de tweede generatie kunnen worden
gekoppeld aan en gebruikt met uitsluitend voertuigunits van
de tweede generatie, ongeacht de versie, of met beide gene
raties voertuigunits.
2.4. Interoperabiliteit tussen voertuigunits, tachograafkaarten en appara
tuur voor het downloaden van gegevens
MIG_009 Apparatuur voor het downloaden van gegevens kan com
patibel zijn met alle generaties en versies van voertuigunits
en tachograafkaarten.
2.4.1 Kaarten rechtstreeks downloaden met intelligente toepassingsgerichte
apparatuur (IDE)
MIG_010 De gegevens worden gedownload door IDE van tachograaf
kaarten van één generatie die in hun kaartlezers worden
ingebracht, met gebruikmaking van de beveiligingsmecha
nismen en het downloadprotocol van deze generatie; alle
gedownloade gegevens hebben het voor deze versie gedefi
nieerde formaat.
MIG_011 Om de controle van bestuurders door autoriteiten van buiten
de EU mogelijk te maken, is het ook mogelijk om gegevens
van bestuurders- (en werkplaats-)kaarten van de tweede ge
neratie, ongeacht de versie, te downloaden op exact dezelfde
wijze als van bestuurders- (en werkplaats-)kaarten van de
eerste generatie. Een dergelijke download omvat:
— de IC en ICC (facultatief) van niet-ondertekende EF’s,
— het Card_Certificate en CA_Certificate van niet-onder
tekende EF's (eerste generatie),
— de andere gegevensbestanden van de EF's (in DF Tacho
graph) die worden gevraagd door de eerste generatie van
het downloadprotocol. Deze informatie wordt beveiligd
met een digitale handtekening, volgens de beveiligings
mechanismen van de eerste generatie.
Een dergelijke download omvat geen gegevensbestanden
van EF's die alleen aanwezig zijn in bestuurders- (en
werkplaats-)kaarten van de tweede generatie, versie 1
of 2 (gegevensbestanden van EF's in DF Tacho
graph_G2).
2.4.2 Het downloaden van een kaart via een voertuigunit
MIG_012 De gegevens worden gedownload van een kaart van de
tweede generatie, ongeacht de versie, die is ingebracht in
een voertuigunit van de eerste generatie, met gebruikmaking
van het downloadprotocol van de eerste generatie. De kaart
reageert op exact dezelfde wijze als een kaart van de eerste
generatie op de commando's van de voertuigunit en de ge
downloade gegevens hebben hetzelfde formaat als gegevens
die zijn gedownload van een kaart van de eerste generatie.
MIG_013 De gegevens worden gedownload van een kaart van de
eerste generatie, ongeacht de versie, die is ingebracht in
een voertuigunit van de tweede generatie met gebruikma
king van het in aanhangsel 7 van deze bijlage gedefinieerde
downloadprotocol. De voertuigunit stuurt commando's naar
de kaart op precies dezelfde wijze als een voertuigunit van
de eerste generatie, en de gedownloade gegevens beant
woorden aan het formaat dat is gedefinieerd voor kaarten
van de eerste generatie.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 596
2.4.3 Het downloaden van een voertuigunit
MIG_014 Buiten het kader van de controle van bestuurders door
controle-autoriteiten van buiten de EU, wordt voor het
downloaden van gegevens van een voertuigunit van de
tweede generatie gebruik gemaakt van de beveiligings
mechanismen van de tweede generatie en van het in aan
hangsel 7 van deze bijlage gespecificeerde downloadproto
col voor de desbetreffende versie.
MIG_015 Om controle-autoriteiten van buiten de EU de mogelijkheid
te geven om bestuurders te controleren, kan het facultatief
ook mogelijk zijn om gegevens te downloaden van voer
tuigunits van de tweede generatie, ongeacht de versie, door
gebruik te maken van beveiligingsmechanismen van de eer
ste generatie. De gedownloade gegevens hebben dan het
zelfde formaat als gegevens die zijn gedownload uit een
voertuigunit van de eerste generatie. Deze mogelijkheid
kan worden geselecteerd via commando's in het menu.
2.5. Interoperabiliteit tussen VU's en kalibratieapparatuur
MIG_016 Kalibratieapparatuur is in staat kalibraties te verrichten van
tachografen van elke generatie of versie, met gebruikmaking
van het kalibratieprotocol van deze generatie of versie. Ka
libratieapparatuur kan compatibel zijn met alle generaties en
versies van voertuigunits.
3. BELANGRIJKSTE STAPPEN IN DE PERIODE VÓÓR DE DATUM
VAN INVOERING
MIG_017 Testsleutels en -certificaten moeten op de datum van
bekendmaking van deze bijlage ter beschikking staan van
de fabrikanten.
MIG_018 De interoperabiliteitstesten zijn uiterlijk 15 maanden vóór
de datum van invoering klaar om van start te gaan met
versie 2 van voertuigunits en versie 2 van tachograafkaarten,
op verzoek van fabrikanten.
MIG_019 Voor versie 2 van tachografen, tachograafkaarten en be
wegingssensors van de tweede generatie worden dezelfde
sleutels en certificaten gebruikt als voor versie 1 van ap
paratuur van de tweede generatie.
MIG_020 De lidstaten kunnen uiterlijk 1 maand vóór de datum van
invoering werkplaatskaarten van versie 2 van de tweede
generatie afgeven.
MIG_021 De lidstaten kunnen uiterlijk 1 maand vóór de datum van
invoering alle andere types tachograafkaarten van versie 2
van de tweede generatie afgeven.
4. BEPALINGEN VOOR DE PERIODE NA DE DATUM VAN INVOE
RING
MIG_022 Met ingang van de datum van invoering geven de lid
staten alleen nog tachograafkaarten van versie 2 van de
tweede generatie af.
MIG_023 Fabrikanten van voertuigunits / bewegingssensoren mo
gen voertuigunits / bewegingssensoren van de eerste ge
neratie blijven produceren zolang deze worden gebruikt
op het terrein, zodat defecte onderdelen kunnen worden
vervangen.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 597
MIG_023 bis Met ingang van de datum van invoering worden slecht
werkende voertuigunits of externe GNSS-modules van
versie 1 van de tweede generatie vervangen door voer
tuigunits of externe GNSS-modules van versie 2 van de
tweede generatie.
MIG_024 Fabrikanten van voertuigunits / bewegingssensoren kun
nen het behoud van de typegoedkeuring van voertuig
units / bewegingssensoren van de eerste generatie of van
versie 1 van de tweede generatie waarvoor reeds type
goedkeuring is verkregen, vragen en krijgen.
5. REGISTRATIE VAN GRENSOVERSCHRIJDINGEN IN TACHO
GRAFEN VAN DE EERSTE GENERATIE EN TACHOGRAFEN
VAN DE EERSTE VERSIE VAN DE TWEEDE GENERATIE
MIG_025 Het symbool van het land en, indien van toepassing, de
regio die de bestuurder binnenrijdt na het overschrijden
van een lidstaatgrens, overeenkomstig artikel 34, lid 7,
van Verordening (EU) nr. 165/2014, wordt ingevoerd als
een plaats waar de dagelijkse werkperiode begint, over
eenkomstig de manuele invoer van plaatsen zoals vast
gesteld in voorschrift 60 van bijlage IC bij
Verordening (EU) nr. 165/2014 en voorschrift 50 van
bijlage IB bij Verordening (EEG) nr. 3821/85.
▼M3
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 598
Aanhangsel 16
ADAPTER VOOR VOERTUIGEN VAN DE CATEGORIEËN M1 EN N1
INHOUD
1. AFKORTINGEN EN REFERENTIEDOCUMENTEN
1.1. Afkortingen
1.2. Referentienormen
2. ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN DE ADAPTER
2.1. Algemene beschrijving van de adapter
2.2. Functies
2.3. Beveiliging
3. EISEN VOOR HET CONTROLEAPPARAAT WANNEER EEN ADAP
TER IS GEÏNSTALLEERD
4. FABRICAGE EN FUNCTIONELE VEREISTEN VAN DE ADAPTER
4.1. Totstandbrenging van interfaces en aanpassing van inkomende snelheids
impulsen
4.2. Invoering van de inkomende impulsen in de ingebouwde bewegingssensor
4.3. Ingebouwde bewegingssensor
4.4. Veiligheidsvoorschriften
4.5. Prestatiekenmerken
4.6. Materialen
4.7. Merktekens
5. INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT WANNEER EEN
ADAPTER WORDT GEBRUIKT
5.1. Installatie
5.2. Verzegeling
6. CONTROLES, INSPECTIES EN HERSTELLINGEN
6.1. Periodieke controles
7. TYPEGOEDKEURING VAN HET CONTROLEAPPARAAT WAN
NEER EEN ADAPTER WORDT GEBRUIKT
7.1. Algemeen
7.2. Functioneel certificaat
1. AFKORTINGEN EN REFERENTIEDOCUMENTEN
1.1. Afkortingen
TBD Nog vast te stellen
VU Voertuigunit
1.2. Referentienormen
ISO16844-3 Road vehicles — Tachograph systems — Part 3: Motion
sensor interface
2. ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN DE ADAPTER
2.1. Algemene beschrijving van de adapter
ADA_001 De adapter levert beveiligde bewegingsgegevens die permanent
representatief zijn voor de snelheid en afgelegde afstand van
het voertuig aan de aangesloten VU.
De adapter is alleen bestemd voor voertuigen die overeenkom
stig deze verordening met een controleapparaat moeten worden
uitgerust.
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 599
De adapter wordt alleen geïnstalleerd en gebruikt in de onder
(yy) „adapter” van bijlage IC gedefinieerde voertuigtypen,
wanneer het mechanisch niet mogelijk is een ander bestaand
type bewegingssensor te installeren dat verenigbaar is met de
bepalingen van deze bijlage en met de aanhangsels 1 tot en met
16 daarbij.
De adapter mag geen mechanische interface met een bewegend
deel van het voertuig omvatten, maar moet aangesloten zijn op
de snelheids-/afstandsimpulsen die worden gegenereerd door
geïntegreerde sensoren of alternatieve interfaces.
ADA_002 Een bewegingssensor waarvoor typegoedkeuring is verleend
(volgens de voorschriften van deze bijlage IC, punt 8, Type
goedkeuring van controleapparaten en tachograafkaarten) wordt
gemonteerd in de adapterbehuizing, die eveneens een impul
somvormer omvat welke de inkomende impulsen invoert in de
ingebouwde bewegingssensor. De ingebouwde bewegingssen
sor zelf wordt aangesloten op de voertuigunit, zodat de inter
face tussen de voertuigunit en de adapter voldoet aan de eisen
van ISO16844-3.
2.2. Functies
ADA_003 De adapter heeft de volgende functies:
— fungeert als interface en past de inkomende snelheidsimpul
sen aan,
— invoering van de inkomende impulsen in de ingebouwde
bewegingssensor,
— alle functies van de ingebouwde bewegingssensor die be
veiligde bewegingsgegevens aan de voertuigunit leveren.
2.3. Beveiliging
ADA_004 Er hoeft geen veiligheidscertificering van de adapter te worden
uitgevoerd overeenkomstig de in aanhangsel 10 bij deze
bijlage vastgestelde algemene beveiligingsdoelstelling voor de
bewegingssensor. In plaats daarvan zijn de in punt 4.4 van dit
aanhangsel gespecificeerde veiligheidseisen van toepassing.
3. EISEN VOOR HET CONTROLEAPPARAAT WANNEER EEN ADAP
TER IS GEÏNSTALLEERD
Uit de in de volgende hoofdstukken vermelde eisen blijkt hoe de voor
schriften van deze bijlage moeten worden verstaan wanneer een adapter
wordt gebruikt. Tussen haakjes is het nummer van het voorschrift van
bijlage IC vermeld.
ADA_005 Het controleapparaat van een voertuig dat met een adapter is
uitgerust, moet voldoen aan alle voorschriften van deze bijlage,
tenzij anders gespecificeerd in dit aanhangsel.
ADA_006 Wanneer een adapter is geïnstalleerd, omvat het controleap
paraat kabels, de adapter (met inbegrip van een bewegingssen
sor) en een voertuigunit [01].
ADA_007 De functie voor het detecteren van voorvallen en/of fouten van
het controleapparaat wordt als volgt gewijzigd:
— wanneer de stroomvoorziening van de ingebouwde be
wegingssensor [79] gedurende meer dan 200 milliseconden
wordt onderbroken, veroorzaakt de voertuigunit, wanneer
deze zich niet in de kalibreringsmodus bevindt, het voorval
„onderbreking in de stroomvoorziening”;
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 600
— wanneer de normale gegevensstroom tussen de ingebouwde
bewegingssensor en de voertuigunit wordt onderbroken
en/of wanneer zich een fout voordoet in de integriteit van
de gegevens of in de authenticatie van de gegevens tijdens
de gegevensuitwisseling tussen de ingebouwde bewegings
sensor en de voertuigunit [83], veroorzaakt de voertuigunit
het voorval „fout in de bewegingsgegevens”;
— wanneer zich een ander voorval voordoet dat de beveiliging
van de ingebouwde bewegingssensor aantast, wanneer deze
zich niet in kalibreringsmodus bevindt, veroorzaakt de
voertuigunit het voorval „poging tot inbreuk op de bevei
liging” [85];
— wanneer zich een fout in de ingebouwde bewegingssensor
voordoet, wanneer deze zich niet in kalibreringsmodus be
vindt, veroorzaakt de voertuigunit het voorval „fout in het
controleapparaat” [88].
ADA_008 De fouten van de adapter die door het controleapparaat kunnen
worden vastgesteld, zijn die welke verband houden met de
ingebouwde bewegingssensor [88].
ADA_009 De kalibreringsmodus van de voertuigunit moet het mogelijk
maken de ingebouwde bewegingssensor automatisch te verbin
den met koppelen de voertuigunit [202, 204].
4. FABRICAGE EN FUNCTIONELE VEREISTEN VAN DE ADAPTER
4.1. Totstandbrenging van interfaces en aanpassing van inkomende snel
heidsimpulsen
ADA_011 De inputinterface van de adapter aanvaardt frequentie-impulsen
die representatief zijn voor de snelheid van het voertuig en de
afgelegde afstand. De elektrische kenmerken van de inkomende
impulsen zijn: nader vast te stellen door de fabrikant. Aan
passingen die alleen kunnen worden uitgevoerd door de fabri
kant van de adapter en de goedgekeurde werkplaats die de
adapter heeft geïnstalleerd, maken de correcte interface tussen
de adapterinput en het voertuig mogelijk, voor zover van
toepassing.
▼M3
ADA_012 De inputinterface van de adapter moet, voor zover van toepas
sing, in staat zijn de frequentie-impulsen van de inkomende
snelheidsimpulsen te vermenigvuldigen met of te delen door
een vaste factor, teneinde het signaal te herleiden tot het in
deze bijlage gedefinieerde bereik van de k-factor (2 400 t.e.m.
25 000 impulsen/km). Deze vaste factor mag alleen worden
geprogrammeerd door de fabrikant van de adapter en door de
goedgekeurde werkplaats die de adapter heeft geïnstalleerd.
▼B
4.2. Invoering van de inkomende impulsen in de ingebouwde bewegings
sensor
ADA_013 De inkomende impulsen, eventueel aangepast zoals hierboven
uiteengezet, worden zodanig in de ingebouwde bewegingssen
sor ingevoerd dat elke inkomende impuls door de bewegings
sensor wordt gedetecteerd.
4.3. Ingebouwde bewegingssensor
ADA_014 De ingebouwde bewegingssensor wordt gestimuleerd door de
ingevoerde impulsen, waardoor hij bewegingsgegevens kan
voortbrengen die accuraat de beweging van het voertuig weer
geven, alsof er een mechanische interface bestond tussen de
sensor en een bewegend deel van het voertuig.
ADA_015 De identificatiegegevens van de ingebouwde bewegingssensor
worden door de voertuigunit gebruikt om de adapter te identi
ficeren [95].
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 601
ADA_016 De in de ingebouwde bewegingssensor opgeslagen installatie
gegevens worden geacht de installatiegegevens van de adapter
te vertegenwoordigen [122].
4.4. Veiligheidsvoorschriften
ADA_017 De behuizing van de adapter wordt zodanig ontworpen dat ze
niet kan worden geopend. Ze wordt verzegeld, zodat pogingen
om ermee te knoeien gemakkelijk kunnen worden vastgesteld
(bijv. door een visuele inspectie, zie ADA_035). De verzege
ling moet voldoen aan dezelfde eisen als zegels van be
wegingsopnemers [398 tot en met 406]
ADA_018 Het mag niet mogelijk zijn de ingebouwde bewegingssensor
los te maken van de adapter zonder het zegel/de zegels van
de adapterbehuizing of het zegel tussen de sensor en de adap
terbehuizing te verbreken (zie ADA_034).
ADA_019 De adapter moet ervoor zorgen dat bewegingsgegevens uitslui
tend kunnen worden verwerkt en afgeleid van de adapterinput.
4.5. Prestatiekenmerken
ADA_020 De adapter moet volledig operationeel zijn binnen het door de
fabrikant vastgestelde temperatuurbereik.
ADA_021 De adapter moet volledig operationeel zijn binnen het vochtig
heidsbereik van 10 % tot 90 % [214].
ADA_022 De adapter moet tegen overspanning, polariteitomkering en
kortsluiting worden beveiligd [216].
ADA_023 De adapter moet:
— reageren op een magnetisch veld dat de detectie van be
weging van het voertuig stoort. In dat geval, wordt door de
voertuigunit een fout in de sensor [88] geregistreerd en
opgeslagen, ofwel
— een aftastelement bevatten dat beschermd is tegen, of on
gevoelig is voor, een magnetisch veld [217].
ADA_024 De adapter moet voldoen aan het internationale reglement VN
ECE R 10 met betrekking tot elektromagnetische compatibili
teit en moet tegen elektrostatische ontladingen en stootspanning
worden beveiligd [218]
4.6. Materialen
ADA_025 De adapter moet voldoen aan beschermingsklasse (nader vast
te stellen door de fabrikant, afhankelijk van de installatieposi
tie) [220, 221].
ADA_026 De kleur van de adapterbehuizing moet geel zijn.
4.7. Merktekens
ADA_027 Op de adapter moet een opschriftenplaatje worden bevestigd
waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
— naam en adres van de fabrikant van de adapter,
— onderdeelnummer van de fabrikant en bouwjaar van de
adapter,
— goedkeuringsmerkteken van het type adapter of van het
type controleapparaat met adapter,
— de datum waarop de adapter is geïnstalleerd,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 602
— het voertuigidentificatienummer van het voertuig waarin de
adapter is geïnstalleerd.
ADA_028 Op het opschriftenplaatje moeten ook de volgende bijzonder
heden worden vermeld (indien niet direct leesbaar aan de bui
tenzijde van de ingebouwde bewegingssensor):
— naam van de fabrikant van de ingebouwde bewegingssen
sor,
— onderdeelnummer van de fabrikant en bouwjaar van de
ingebouwde bewegingssensor,
— goedkeuringsmerkteken van de ingebouwde bewegingssen
sor.
5. INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT WANNEER EEN
ADAPTER WORDT GEBRUIKT
5.1. Installatie
ADA_029 Adapters voor installatie in voertuigen mogen alleen worden
geïnstalleerd door voertuigfabrikanten of door erkende werk
plaatsen die gemachtigd zijn om digitale en slimme tachografen
te installeren, te activeren en te kalibreren.
ADA_030 Een erkende werkplaats die een adapter installeert, stelt de
inputinterface in en selecteert de verdeelverhouding van het
inputsignaal (indien van toepassing).
ADA_031 Een erkende werkplaats die een adapter installeert, verzegelt de
adapterbehuizing.
ADA_032 De adapter wordt zo dicht mogelijk geïnstalleerd bij het deel
van het voertuig dat de inkomende impulsen levert.
ADA_033 De kabels voor de stroomvoorziening van de adapter zijn rood
(positief) en zwart (aarding).
5.2. Verzegeling
ADA_034 De volgende verzegelingseisen zijn van toepassing:
— de behuizing van de adapter wordt verzegeld (zie
ADA_017),
— de behuizing van de ingebouwde sensor wordt verzegeld
aan de adapterbehuizing, tenzij het onmogelijk is de sensor
uit de adapterbehuizing te verwijderen zonder het zegel/de
zegels van de adapterbehuizing te verbreken (zie
ADA_018),
— de adapterbehuizing wordt verzegeld aan het voertuig,
— de verbinding tussen de adapter en de apparatuur die de
inkomende impulsen verstuurt, wordt aan beide uiteinden
verzegeld (voor zover redelijkerwijze mogelijk).
6. CONTROLES, INSPECTIES EN HERSTELLINGEN
6.1. Periodieke controles
ADA_035 Wanneer een adapter wordt gebruikt, moet bij elke periodieke
inspectie (overeenkomstig voorschrift [409] tot en met [413]
van bijlage 1C) van het controleapparaat worden gecontroleerd:
— of de passende typegoedkeuringsmerktekens op de adapter
zijn aangebracht,
— of de zegels op de adapter en de verbindingen intact zijn,
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 603
— of de adapter geïnstalleerd is zoals aangegeven op het
installatieplaatje,
— of de adapter geïnstalleerd is zoals gespecificeerd door de
aanpasser en/of fabrikant van het voertuig,
— of het monteren van een adapter is toegestaan voor het
geïnspecteerde voertuig.
ADA_036 Bij deze controles moet een kalibrering plaatsvinden en moeten
alle zegels, ongeacht de staat waarin ze zich bevinden, worden
vervangen.
7. TYPEGOEDKEURING VAN HET CONTROLEAPPARAAT WAN
NEER EEN ADAPTER WORDT GEBRUIKT
7.1. Algemeen
ADA_037 Het volledige controleapparaat, met de adapter, wordt ter type
goedkeuring ingediend [425].
ADA_038 Een adapter kan met het oog op de typegoedkeuring van de
adapter zelf of met het oog op de typegoedkeuring als onder
deel van een controleapparaat worden ingediend.
ADA_039 Een dergelijke typegoedkeuring moet functionele tests van de
adapter omvatten. Positieve testresultaten worden op een rele
vant certificaat vermeld [426].
7.2. Functioneel certificaat
ADA_040 Alleen als de adapter met succes de onderstaande tests heeft
doorstaan, wordt een functioneel certificaat voor de adapter of
voor het controleapparaat dat de adapter omvat, afgegeven aan
de fabrikant van de adapter.
Nr. Test Beschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
1. Administratieve controle
1.1 Documentatie Correctheid van de
documentatie van
de adapter
2. Visuele inspectie
2.1. Overeenstemming van de adapter met de docu
mentatie
2.2. Identificatie van/opschriften op de adapter ADA_027,
ADA_028
2.3 Materialen van de adapter [219] tot en met
[223]ADA_026
2.4. Verzegeling ADA_017,
ADA_018,
ADA_034
3. Functionele tests
3.1 Invoering van de snelheidsimpulsen in de inge
bouwde bewegingssensor
ADA_013
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 604
Nr. Test Beschrijving
Gerelateerde voorschrif
ten
3.2 Totstandbrenging van interfaces en aanpassing
van inkomende snelheidsimpulsen
ADA_011,
ADA_012
3.3 Juistheid van bewegingsmeting [30] tot en met [35],
[217]
4. Milieutests
4.1 Testresultaten van de fa
brikant
Resultaten van de
milieutests van de
fabrikant.
ADA_020,
ADA_021,
ADA_022,
ADA_024
5. EMC
5.1 Stralingsemissies en ge
voeligheid
Controleer de over
eenstemming met
Richtlijn 2006/28/
EG
ADA_024
5.2 Testresultaten van de fa
brikant
Resultaten van de
milieutests van de
fabrikant.
ADA_024
▼B
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 605
Aanhangsel 17
OVERGANGSBEPALINGEN BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN
OSNMA DOOR TACHOGRAFEN
1. DEFINITIES EN AFKORTINGEN
1.1. Definities
Dienstverklaring van de Galileo Open Service Navigation Message
Authentication (OSNMA): de verklaring van de Europese Commissie
dat Galileo OSNMA de operationele fase ingaat.
Overgangsvoertuigunit: voertuigunit die voldoet aan de bepalingen van
dit aanhangsel.
Overgangsvoertuigunits worden gebouwd overeenkomstig het SIS ICD en
de richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers die van toepassing zijn op de
openbare testfase van OSNMA. Zij bevatten een GNSS-ontvanger die in
staat is gebruik te maken van OSNMA tijdens de openbare testfase.
Overgangsvoertuigunits zijn echter niet in staat de navigatieberichten die
na de dienstverklaring van OSNMA beschikbaar zijn, te authenticeren
omdat dit een update van het cryptografisch materiaal in de voertuigunit
vereist. Er moet een passende software-update worden uitgevoerd, zodat
zij OSNMA kunnen beginnen te gebruiken en aan alle eisen van bijlage I
C en de aanhangsels 1 tot en met 16 kunnen voldoen. Vóór de update
passen overgangsvoertuigunits de in dit aanhangsel gespecificeerde
OSNMA-functies toe. Functies die geen verband houden met OSNMA
blijven ongewijzigd.
Als de passende software-update wordt uitgevoerd, passen de overgangs
voertuigunits het SIS ICD en de richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers
toe die van toepassing zijn op de operationele fase van OSNMA, en vol
doen zij aan alle voorschriften van bijlage I C en de aanhangsels 1 tot en
met 16 daarbij, zodat gebruik kan worden gemaakt van OSNMA tijdens
de operationele fase.
Overgangstachograaf: een tachograaf die een overgangsvoertuigunit
bevat.
1.2. Acroniemen
ICD Interface Control Document
OSNMA Galileo Open Service Navigation Message Authen
tication
SIS Signal in Space
VU Voertuigunit
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 606
2. ALGEMENE OVERWEGINGEN IN VERBAND MET OSNMA
Om ervoor te zorgen dat voertuigen die voor het eerst worden geregi
streerd, kunnen worden uitgerust met versie 2 van tachografen van de
tweede generatie vanaf de gevraagde datum van invoering zoals gedefini
eerd in punt 1, ccc), van bijlage I C bij Uitvoeringsverorde
ning (EU) 2016/799, moeten voertuigunits vóór de dienstverklaring van
OSNMA worden goedgekeurd, geproduceerd en in de handel gebracht.
Voor deze voertuigunits, die overgangsvoertuigunits worden genoemd,
moeten de OSNMA-gerelateerde voorschriften van bijlage I C en de aan
hangsels 1 tot en met 16 worden aangepast, zodat zij typegoedkeuring
kunnen krijgen en op het terrein kunnen worden gebruikt.
In dit aanhangsel zijn de specifieke voorschriften gedefinieerd die van
toepassing zijn op overgangsvoertuigunits. Zij zijn alleen van toepassing
op voertuigunits met een interne GNSS-ontvanger.
3. EISEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP DE GNSS-ONTVANGER
VAN OVERGANGSTACHOGRAFEN
TRA_001 Overgangsvoertuigunits moeten een GNSS-ontvanger bevatten
die gebruik kan maken van OSNMA tijdens de openbare testfase.
TRA_002 De voorschriften van aanhangsel 12 zijn van toepassing op de
GNSS-ontvanger in overgangsvoertuigunits, met de volgende interpreta
ties:
— Het SIS ICD en de richtsnoeren voor OSNMA-ontvangers zijn de
documenten die beschikbaar zijn voor de openbare testfase:
— Galileo Open Service Navigation Message Authentication
(OSNMA) User ICD for the Test Phase, Issue 1.0, november 2021,
— Galileo Open Service Navigation Message Authentication
(OSNMA) Receiver Guidelines for the Test Phase, Issue 1.0, no
vember 2021,
— OSNMA is de dienst die beschikbaar is tijdens de openbare testfase,
— SIS is het signal in space dat beschikbaar is tijdens de openbare
testfase.
TRA_003 De GNSS-ontvanger in overgangsvoertuigunits moet zodanig
zijn ontworpen dat hij na een software-update van de voertuigunit volledig
voldoet aan de voorschriften van bijlage 12 en gebruik kan maken van
OSNMA tijdens de operationele fase.
4. VOORSCHRIFTEN VOOR OVERGANGSVOERTUIGUNITS
Overgangsvoertuigunits mogen het tijdens de openbare testfase beschik
bare OSNMA-signaal verwerken, maar zijn niet in staat de authenticatie
status van de navigatieberichten van het SIS te rapporteren tijdens de
operationele fase van OSNMA totdat een passende software-update is
uitgevoerd. Er wordt derhalve van uitgegaan dat de standaardposities
van de GNSS-ontvanger altijd geauthenticeerd zijn.
De voorschriften van bijlage I C en de aanhangsels 1 tot en met 16 zijn
van toepassing, met de volgende interpretaties.
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 607
TRA_004 Bijlage I C, punt 3.9.15 “Tijdsoverlapping”, voorschrift 86,
wordt als volgt gelezen:
Dit voorval treedt op wanneer een VU die zich niet in de kalibrerings
modus bevindt een afwijking detecteert tussen de tijd van de meetfunctie
van de voertuigunit en de tijd op basis van de standaardposities die door
de GNSS-ontvanger of de externe GNSS-faciliteit worden verzonden. Er
wordt een “tijdsafwijking” gedetecteerd als het tijdsverschil groter is
dan ± 3 seconden, overeenkomend met de in voorschrift 41a) uiteengezette
tijdnauwkeurigheid, waarbij deze laatste wordt verhoogd met de maximale
tijdsafwijking per dag. Dit voorval wordt samen met de interne klok
waarde van het controleapparaat geregistreerd. De VU verricht de con
trole om het voorval “tijdsconflict” te genereren net voordat de VU de
interne klok van de VU automatisch bijwerkt overeenkomstig voorschrift
211.
TRA_005 Bijlage I C, punt 3.9.18 “GNSS-storing”, voorschrift 88a),
wordt als volgt gelezen:
Dit voorval treedt op als de GNSS-ontvanger een aanval detecteert , als
gespecificeerd in aanhangsel 12, terwijl de VU zich niet in de kalibre
ringsmodus bevindt. Nadat een GNSS-storing is veroorzaakt, mag de VU
de volgende 10 minuten geen andere GNSS-storingsvoorvallen genereren.
TRA_006 Bijlage I C, punt 3.12.5 Registratie en opslag in het geheugen,
Plaatsen en posities waar de dagelijkse werktijd begint, eindigt en/of waar
een cumulatieve rijtijd van 3 uur wordt bereikt, voorschrift 110, wordt als
volgt gelezen:
Samen met elke plaats en positie moet het controleapparaat gegevens
registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:
— het nummer van bestuurders- en/of bijrijderskaart en de lidstaat van
afgifte,
— de generatie van de kaart,
— de datum en het tijdstip van de ingevoerde gebeurtenis,
— de aard van die gebeurtenis (begin, einde en/of 3 uur cumulatieve
rijtijd),
— desgevallend de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid, datum en tijd,
— de kilometerstand van het voertuig,
— een vlagje dat aangeeft dat de positie verondersteld wordt geauthen
ticeerd te zijn.
TRA_007 Bijlage I C, punt 3.12.17 Registratie en opslag in het geheu
gen, Grensoverschrijdingen, voorschrift 133b, wordt als volgt gelezen:
Samen met de landen en posities moet het controleapparaat gegevens
registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:
— het nummer van bestuurders- en/of bijrijderskaart en de lidstaat van
afgifte,
— de generatie van de kaart,
— de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid, datum en tijd,
— een vlagje dat aangeeft dat de positie verondersteld wordt geauthen
ticeerd te zijn,
— de kilometerstand van het voertuig op het tijdstip waarop de grens
wordt overschreden.
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 608
TRA_008 Bijlage I C, punt 3.12.18 Registratie en opslag in het geheu
gen, Laden en lossen, voorschrift 133 g, wordt als volgt gelezen:
Samen met het type verrichting en de positie moet het controleapparaat
gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:
— het nummer van bestuurders- en/of bijrijderskaart en de lidstaat van
afgifte,
— de generatie van de kaart,
— de datum en het tijdstip van de laad- en/of losverrichting,
— desgevallend de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid, datum en tijd,
— een vlagje dat aangeeft dat de positie verondersteld wordt geauthen
ticeerd te zijn,
— de kilometerstand van het voertuig.
TRA_009 Bijlage I C, punt 3.23 “Tijdsafstelling”, voorschrift 211, wordt
als volgt gelezen:
De tijdsbepaling van de interne klok van de VU wordt met variabele
tussenpozen automatisch bijgewerkt. De volgende automatische tijdsafstel
ling wordt geïnitieerd tussen 72h en 168h na de vorige, en nadat de VU
via een geldig standaard positiebericht overeenkomstig aanhangsel 12
toegang krijgt tot de GNSS-tijdgegevens. Niettemin mag de tijdsafstelling
nooit verder reiken dan de gecumuleerde maximale tijdsafwijking per dag,
als door de VU-fabrikant berekend overeenkomstig voorschrift 41b. Als
het verschil tussen de interne klok van de VU en de GNSS-ontvanger
groter is dan de maximale afwijking per dag, brengt de tijdsafstelling
de interne klok van de VU zo dicht mogelijk bij de tijd van de
GNSS-ontvanger. De tijdsafstelling mag alleen gebeuren als de door de
GNSS-ontvanger verstrekte tijd wordt ontvangen via standaard positiebe
richten als toegelicht in aanhangsel 12. De referentietijd voor de automa
tische tijdsafstelling van de interne klok van de VU is de door het stan
daard positiebericht verstrekte tijd.
TRA_010 Bijlage I C, punt 3.23 “Tijdsafstelling”, voorschrift 212, wordt
als volgt gelezen:
In de kalibreringsmodus kan de tijdafstellingsfunctie voor de bijwerking
van de huidige tijd worden geactiveerd.
Werkplaatsen kunnen de tijd afstellen:
— hetzij door in de VU een tijd in te voeren aan de hand van de
WriteDataByIdentifier-dienst overeenkomstig punt 6.2 van aanhangsel 8,
— hetzij door een afstemming van de VU-klok op de door de
GNSS-ontvanger verstrekte tijd te vragen. Dit mag alleen gebeuren als
de door de GNSS-ontvanger verstrekte tijd wordt ontvangen via stan
daardpositieberichten. In het laatste geval wordt gebruikgemaakt van de
RoutineControl-dienst overeenkomstig deel 8 van aanhangsel 8.
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 609
TRA_011 Aanhangsel 4, punt 2 Specificatie van gegevensblokken, eerste
alinea, zevende streepje, wordt als volgt gelezen:
Als het wordt afgedrukt na de lengte- en breedtegraad van een opgeslagen
positie, of na de tijdsstempel van het moment waarop de positie is be
paald, geeft het pictogram aan dat de positie verondersteld wordt
geauthenticeerd te zijn.
TRA_012 Aanhangsel 8, RoutineControl-dienst(tijdafstelling), punt 8.1,
Omschrijving van het bericht, voorschrift CPR_065a, wordt als volgt
gelezen:
De functie RoutineControl (tijdafstelling) voorziet in de mogelijkheid om
een afstemming van de VU-klok op de door de GNSS-ontvanger verstrekte
tijd te initiëren.
Voor de uitvoering van de functie RoutineControl (tijdafstelling) moet de
VU in de stand CALIBRATION staan.
Voorwaarde: er moet worden op toegezien dat de VU in staat is standaard
positieberichten te ontvangen van de GNSS-ontvanger.
Zolang de tijdafstelling aan de gang is, antwoordt de VU op het verzoek
RoutineControl, subfunctie requestRoutineResults, met routineInfo =
0 × 78.
Opmerking: de tijdafstelling kan enige tijd in beslag nemen. Het diagnos
tisch testapparaat vraagt de status van de tijdafstelling door gebruik te
maken van de subfunctie requestRoutineResults.
TRA_013 In aanhangsel 12, punt 3 Door de GNSS-ontvanger verstrekte
zinnen, wordt voorschrift GNS_4a als volgt gelezen:
De eventuele gegevens in de AMC-zinnen van de GNSS-ontvanger mogen
niet worden gebruikt door de voertuigunit, behalve voor de volgende
statuswaarden:
J = jamming of O = andere GNSS-aanval (door de toepassing van co
herentiecontroles overeenkomstig GNS_3a),
V = Void (geauthenticeerde positie niet beschikbaar om andere redenen).
TRA_014 In aanhangsel 12, punt 3 Door de GNSS-ontvanger verstrekte
zinnen, wordt voorschrift GNS_5 als volgt gelezen:
De eventuele gegevens in de ASA-zinnen van de GNSS-ontvanger mogen
niet worden gebruikt door de voertuigunit.
TRA_015 In aanhangsel 12, punt 5 Voertuigunit zonder externe
GNSS-module, 5.2 Overdracht van informatie van de GNSS-ontvanger
naar de VU, worden voorschriften GNS_34 en 36 als volgt gelezen:
De verwerkingseenheid van de VU maakt geen gebruik van informatie uit
de AMC-zin, behalve voor de volgende statuswaarden:
J = jamming of O = andere GNSS-aanval (door de toepassing van co
herentiecontroles overeenkomstig GNS_3a),
V = Void (geauthenticeerde positie niet beschikbaar om andere redenen).
De verwerkingseenheid van de VU maakt geen gebruik van informatie uit
de ASA-zin.
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 610
TRA_016 Aanhangsel 12, punt 6 Verwerking en registratie van positie
gegevens door de VU, voorschrift GNS_39, wordt als volgt gelezen:
Positiegegevens worden opgeslagen in de VU, samen met een teken dat
aangeeft of de positie als geauthenticeerd wordt beschouwd. Wanneer
positiegegevens moeten worden geregistreerd in de VU, zijn de volgende
regels van toepassing:
(a) Als de standaardpositie geldig is, worden de standaardpositie en de
nauwkeurigheid ervan opgeslagen in de VU en wordt het teken op
“geauthenticeerd” gezet.
TRA_017 Aanhangsel 12, punt 6 Verwerking en registratie van positie
gegevens door de VU, voorschrift GNS_40, wordt als volgt gelezen:
Wanneer de statuswaarde in een ontvangen AMC-zin op “J” of “O” wordt
gezet overeenkomstig voorschrift GNS_4a, genereert en registreert de VU
een GNSS-anomalie, zoals gedefinieerd in voorschrift 88a van bijlage I C
en aanhangsel 1 (EventFaultType). De voertuigunit kan aanvullende con
troles uitvoeren alvorens een GNSS-anomalie op te slaan, na ontvangst
van de “J”- of “O”-instelling.
TRA_018 Aanhangsel 12, punt 8 Tegenstrijdige bewegingsgegevens,
voorschrift GNS_42, Omstandigheid 2, eerste en tweede streepje na de
formule worden als volgt gelezen:
— GnssDistance de afstand is tussen de huidige positie van het voertuig
en de vorige, beide verkregen op basis van geldige standaard positie
berichten, zonder rekening te houden met de hoogte,
— OdometerDifference het verschil is tussen de huidige kilometerstand en
de kilometerstand die overeenstemt met het vorige geldige standaard
positiebericht.
TRA_019 Aanhangsel 14 DSRC-protocolvereisten voor RTM, punt 5.4.5
Elementen van RtmData, uitgevoerde acties en definities, voorschrift
DSC_41, tabel 14.3, tweede cel in de rij RTM20, wordt als volgt gelezen:
De VU genereert een integerwaarde (timeReal volgens aanhangsel 1) voor
het gegevenselement RTM20.
De VU stelt de waarde van RTM20 in op het tijdstip waarop de laatste
standaard voertuigpositie beschikbaar was van de GNSS-ontvanger.
Indien nooit een standaard voertuigpositie beschikbaar was van de
GNSS-ontvanger, stelt de VU de waarde van RTM20 in op 0.
TRA_020 De fabrikant van een overgangsvoertuigunit waarvoor type
goedkeuring is verleend, stelt de Commissie in kennis van de software
versies ervan. De Commissie publiceert deze softwareversies op een voor
het publiek toegankelijke website.
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 611
5. Specifieke bepalingen voor typegoedkeuring en gebruik van overgangs
tachografen
TRA_021 Voor overgangsvoertuigunits wordt typegoedkeuring verleend
overeenkomstig de voorschriften van bijlage I C en de bijlagen 1 tot en
met 16 daarbij, aangevuld met de bepalingen van dit aanhangsel.
TRA_022 Typegoedkeuringscertificaten van overgangsvoertuigunits en
overgangstachografen mogen slechts worden aangevraagd tot en met 31 de
cember 2023 of tot de datum van de dienstverklaring van OSNMA, als
deze datum later valt.
TRA_023 Overgangsvoertuigunits mogen slechts worden gemonteerd in
voertuigen die voor het eerst worden geregistreerd tot 31 mei 2024 of tot
vijf maanden na de datum van de dienstverklaring van OSNMA, als deze
datum later valt.
▼M4
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 612
BIJLAGE II
GOEDKEURINGSMERK EN -CERTIFICAAT
I. GOEDKEURINGSMERK
1. Het goedkeuringsmerk bestaat uit:
a) een rechthoek waarbinnen een kleine letter „e” is aangebracht, gevolgd
door het nummer of de kenletters van het land waar de goedkeuring is
afgegeven:
België 6,
Bulgarije 34,
Tsjechië 8,
Denemarken 18,
Duitsland 1,
Estland 29,
Ierland 24,
Griekenland 23,
Spanje 9,
Frankrijk 2,
Kroatië 25,
Italië 3,
Cyprus CY,
Letland 32,
Litouwen 36,
Luxemburg 13,
Hongarije 7,
Malta MT,
Nederland 4,
Oostenrijk 12,
Polen 20,
Portugal 21,
Roemenië 19,
Slovenië 26,
Slowakije 27,
Finland 17,
Zweden 5,
Verenigd Koninkrijk 11,
en
▼M1
b) een goedkeuringsnummer, dat overeenstemt met het nummer op het goed
keuringscertificaat dat is opgesteld voor het model van het controleapparaat
of van het registratieblad of van de tachograafkaart, en aangebracht in een
willekeurige stand in de nabijheid van die rechthoek.
▼C1
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 613
2. Het goedkeuringsmerk wordt aangebracht op het identificatieplaatje van elk
apparaat, op elk registratieblad en op elke tachograafkaart. Het moet onuit
wisbaar zijn en steeds goed leesbaar blijven.
3. De afmetingen van het hierna weergegeven goedkeuringsmerk ( 1 ) zijn uit
gedrukt in millimeters en gelden als minimumafmetingen. De verhoudingen
tussen de afmetingen moeten in acht worden genomen.
▼C1
( 1 ) Deze cijfers worden slechts aangegeven bij wijze van voorbeeld.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 614
II. GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR ANALOGE TACHOGRAFEN
De lidstaat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goed
keuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling van afgege
ven goedkeuringen aan de overige lidstaten of eventuele intrekkingen gebruikt
elke lidstaat kopieën van dit document.
GOEDKEURINGSCERTIFICAAT
Naam van de bevoegde instantie
Mededeling betreffende ( 1 ):
— goedkeuring van een type controleapparaat
— intrekking van de goedkeuring van een type controleapparaat
— goedkeuring van een modelregistratieblad
— intrekking van de goedkeuring van een modelregistratieblad
Goedkeuring nr.:
...................................
1. Fabrieks- of handelsmerk
2. Benaming van het model
3. Naam van de fabrikant
4. Adres van de fabrikant
5. Ter goedkeuring aangeboden op
6. Getest te:
7. Datum en nummer van de test(en)
8. Datum van goedkeuring
9. Datum waarop de goedkeuring is ingetrokken
10. Types controleapparaten waarvoor het blad is ontworpen
11. Plaats
12. Datum
13. Bijgevoegde beschrijvende documenten
14. Opmerkingen (inclusief de eventuele plaats van de verzegelingen)
(Handtekening)
▼C1
( 1 ) Doorhalen wat Niet van toepassing is.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 615
III. GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR DIGITALE TACHOGRAFEN
De lidstaat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goed
keuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling aan de ove
rige lidstaten van afgegeven goedkeuringen of eventuele intrekkingen gebruikt
elke lidstaat kopieën van dit document.
GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR DIGITALE TACHOGRAFEN
Naam van de bevoegde instantie
Mededeling betreffende ( 1 ):
□ goedkeuring van: □ intrekking van de goedkeuring van:
□ een type controleapparaat
□ een onderdeel van een controleapparaat ( 2 )
□ een bestuurderskaart
□ een werkplaatskaart
□ een bedrijfskaart
□ een controleurskaart
Goedkeuring nr.:
1. Fabrieks- of handelsmerk
2. Benaming van het model
3. Naam van de fabrikant
4. Adres van de fabrikant
▼M1
5. Ter goedkeuring aangeboden op
▼C1
6. Laboratori(um)(a)
7. Datum en nummer van het laboratoriumverslag
8. Datum van goedkeuring
9. Datum waarop de goedkeuring is ingetrokken
10. Types controleapparaten waarvoor het onderdeel is ontworpen
11. Plaats
12. Datum
13. Bijgevoegde beschrijvende documenten
14. Opmerkingen (waaronder desgevallend de plaats van de verzegeling)
(Handtekening)
▼C1
( 1 ) Gelieve de toepasselijke vakjes aan te kruisen.
( 2 ) In de kennisgeving aangeven welk onderdeel.
02016R0799 — NL — 21.08.2023 — 003.002 — 616
IV. GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR SLIMME TACHOGRAFEN
De lidstaat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goed
keuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling van afgege
ven goedkeuringen of eventuele intrekkingen aan de overige lidstaten gebruikt
elke lidstaat kopieën van dit document.
GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR SLIMME TACHOGRAFEN
Naam van de bevoegde instantie
Mededeling betreffende ( 1 ):
□ goedkeuring van: □ intrekking van de goedkeuring van:
□ een type controleapparaat
□ een onderdeel van een controleapparaat ( 2 )
□ een bestuurderskaart
□ een werkplaatskaart
□ een bedrijfskaart
□ een controleurskaart
Goedkeuring nr.:
1. Fabrieks- of handelsmerk
2. Benaming van het model
3. Naam van de fabrikant
4. Adres van de fabrikant
▼M1
5. Ter goedkeuring aangeboden op
▼C1
6. a) Testlaboratorium voor functiecertificatie
b) Testlaboratorium voor veiligheidscertificatie
c) Testlaboratorium voor interoperabiliteitscertificatie
7. a) Datum en nummer van het functiecertificaat
b) Datum en nummer van het beveiligingscertificaat
c) Datum en nummer van het interoperabiliteitscertificaat
8. Datum van goedkeuring
9. Datum waarop de goedkeuring is ingetrokken
10. Types controleapparaten waarvoor het onderdeel is ontworpen
11. Plaats
12. Datum
13. Bijgevoegde beschrijvende documenten
14. Opmerkingen (waaronder desgevallend de plaats van de verzegeling)
(Handtekening)
▼C1
( 1 ) Gelieve de toepasselijke vakjes aan te kruisen.
( 2 ) In de kennisgeving aangeven welk onderdeel.
Full & Egal Universal Law Academy