Avis juridique important
Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de Regering van Canada ter vervanging van de "Overgangsregeling inzake verrijking, opwerking en daarop aansluitende opslag van kernmateriaal in de Gemeenschap en Canada" die bijlage C vormt bij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling van 16 januari 1978 tussen Euratom en de Regering van Canada
Publicatieblad Nr. L 027 van 04/02/1982 blz. 0025 - 0030
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 12 Deel 4 blz. 0037
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 12 Deel 4 blz. 0037
*****
OVEREENKOMST
in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de Regering van Canada ter vervanging van de »Overgangsregeling inzake verrijking, opwerking en daarop aansluitende opslag van kernmateriaal in de Gemeenschap en Canada" die bijlage C vormt bij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling van 16 januari 1978 tussen Euratom en de Regering van Canada
(82/52/Euratom)
Brussel, 18 december 1981
A. Brief van de Regering van Canada
Mijnheer de Vice-Voorzitter,
1. Hierbij heb ik de eer te verwijzen naar de briefwisseling van 16 januari 1978 tussen de Regering van Canada en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) (hierna te noemen de briefwisseling) tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Regering van Canada en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie tot samenwerking op het gebied van het vreedzaam gebruik van atoomenergie van 6 oktober 1959 (hierna te noemen de Overeenkomst), in het bijzonder waar deze betrekking heeft op controlemaatregelen (gevolgd door een aanvullende briefwisseling). Ik verwijs in het bijzonder naar paragraaf e) van de briefwisseling, waarin het volgende wordt bepaald:
»Materiaal bedoeld in paragraaf c) is tot meer dan 20 % verrijkt of opgewerkt; plutonium of tot meer dan 20 % verrijkt uranium mag uitsluitend onder voorwaarden die partijen schriftelijk zijn overeengekomen worden opgeslagen (zie bijlage C: Overgangsregeling inzake verrijking, opwerking en daarop aansluitende opslag van kernmateriaal in de Gemeenschap en Canada).".
In paragraaf 5 van bijlage C wordt bepaald dat partijen zo spoedig mogelijk na 31 december 1979 of na beëindiging van het onderzoek van de INFCE, indien dit eerder is beëindigd, beginnen met onderhandelingen ter vervanging van de voorlopige regeling door andere regelingen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met eventuele resultaten van de onderzoekingen van de INFCE met betrekking tot deze verrichtingen.
2. Deze onderhandelingen zijn thans beëindigd en ik stel voor dat bij de opwerking en bij opslag en gebruik van plutonium de hierna vermelde richtsnoeren worden gevolgd:
A. de partij die opwerking, alsmede opslag en gebruik van plutonium overweegt, dient een verbintenis te hebben aangegaan tot non-proliferatie en dient deze te handhaven;
B. al het kernmateriaal dat valt onder een verbintenis tot vreedzaam gebruik in installaties voor opwerking en de opslag en het gebruik van plutonium, dient aan de controle van de IAEA te worden onderworpen;
C. al het kernmateriaal waarvoor een verbintenis is aangegaan inzake vreedzaam gebruik in installaties voor opwerking en in aansluiting daarop de opslag en het gebruik van plutonium, met inbegrip van het desbetreffende vervoer, dient te worden onderworpen aan passende maatregelen inzake materiële bescherming;
D. tussen de partijen dienen wederzijds bevredigende procedures te bestaan voor kennisgeving en rapportage inzake het materiaal;
E. er dient een beschrijving van het lopende en geplande kernenergieprogramma, met in het bijzonder een gedetailleerde beschrijving van het beleid en de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften met betrekking tot de opwerking, de opslag en het gebruik van plutonium, te worden verschaft door de partij die dergelijke activiteiten overweegt;
F. de partijen dienen in te stemmen met geregeld en tijdig onderling overleg; tijdens dit overleg zou onder meer de informatie die overeenkomstig richtsnoer E wordt verschaft, worden bijgewerkt en zouden belangrijke wijzigingen in het kernenergieprogramma met de grootst mogelijke aandacht moeten worden bestudeerd;
G. de opwerking en de opslag van plutonium mag slechts plaatshebben wanneer de informatie betreffende het kernenergieprogramma van de betrokken partij is ontvangen, wanneer de verbintenissen, regelingen en overige informaties die volgens de richtsnoeren zijn vereist, tot stand zijn gekomen of zijn ontvangen, en wanneer de partijen overeengekomen zijn dat de opwerking en de opslag van plutonium een integrerend deel uitmaken van het beschreven kernenergieprogramma; indien wordt voorgesteld over te gaan tot opwerking of tot opslag van plutonium zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, mag een en ander slechts plaatshebben wanneer de partijen na overleg aldus zijn overeengekomen; overleg over een dergelijk voorstel dient onverwijld plaats te hebben;
H. de overwogen opwerking en opslag van plutonium mag slechts plaatshebben zolang de verbintenis van de betrokken partij tot non-proliferatie ongewijzigd blijft en aan de verbintenis tot geregeld en tijdig overleg, bedoeld in richtsnoer F, is voldaan.
3. Ik neem er nota van dat Canada en de Gemeenschap overeengekomen zijn dat aan de doelstellingen van voornoemde richtsnoeren is voldaan.
Ik neem er in het bijzonder nota van dat Canada en de Gemeenschap en haar Lid-Staten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, een verbintenis tot non-proliferatie zijn aangegaan en al het desbetreffende materiaal hebben onderworpen aan de controle van de IAEA en aan passende maatregelen inzake materiële bescherming in de paragrafen c) en g) van de briefwisseling, aangevuld met de brieven van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Lid-Staten aan de Canadese ambassadeurs inzake materiële bescherming. Ik neem er tevens nota van dat de Gemeenschap Canada de beschrijving heeft doen toekomen van de lopende en geplande kernenergieprogramma's van de Gemeenschap en van haar Lid-Staten en dat de procedures inzake kennisgeving en rapportage inzake het materiaal zijn vastgesteld. 4. Ten slotte neem ik er nota van dat bij deze regelingen onder meer rekening is gehouden met de resultaten van de onderzoekingen van de INFCE met betrekking tot de desbetreffende verrichtingen, als bedoeld in paragraaf 5 van bijlage C bij de briefwisseling. Ik neem er nota van dat de partijen in het bijzonder erkennen dat scheiding, opslag, transport en gebruik van plutonium bijzondere maatregelen vereisen om het risico van nucleaire proliferatie te verminderen; dat zij vastbesloten zijn steun te blijven verlenen aan de ontwikkeling van internationale waarborgen en andere non-proliferatiemaatregelen met betrekking tot opwerking en plutonium, met inbegrip van een doeltreffend en algemeen aanvaard internationaal programma voor de opslag van plutonium; dat zij de rol erkennen van de opwerking in verband met het optimaal gebruik van de beschikbare hulpbronnen en het beheer van materialen die zich in verbruikte splijtstof bevinden of in verband met andere vreedzame, niet-explosieve gebruiksvormen, met inbegrip van onderzoek, in het bijzonder in het kader van belangrijke kernenergieprogramma's, en dat zij de voorzienbare en praktische tenuitvoerlegging wensen van paragraaf e) van de briefwisseling, rekening houdende zowel met hun streven naar bevordering van de doelstelling van non-proliferatie, als met de behoeften op lange termijn van de kernenergieprogramma's van de partijen.
5. Hierbij heb ik de eer de Commissie ervan op de hoogte te brengen dat de Regering van Canada, krachtens het voorgaande en overeenkomstig paragraaf e) van de briefwisseling, ermee instemt dat materiaal dat onder de Overeenkomst valt, mag worden opgewerkt en dat plutonium mag worden opgeslagen in het kader van de lopende en geplande kernenergieprogramma's, zoals deze zijn beschreven en van tijd tot tijd worden bijgewerkt door de Gemeenschap en haar Lid-Staten.
6. Ik heb de eer de Commissie mede te delen dat de instemming die de Regering van Canada heeft betuigd in paragraaf 5, van kracht zal blijven zolang wordt voldaan aan de voorwaarden:
i) dat de Gemeenschap, wat richtsnoer A betreft, haar in paragraaf c) van de briefwisseling vermelde verbintenis tot non-proliferatie handhaaft, en
ii) dat de Gemeenschap overleg blijft plegen met de Regering van Canada, zoals bepaald in de Overeenkomst, met het oog op de bijwerking van de beschreven kernenergieprogramma's en ten einde de Regering van Canada op de hoogte te brengen van eventuele belangrijke wijzigingen.
7. In paragraaf e) van de briefwisseling wordt bepaald dat materiaal dat onder de Overeenkomst valt, tot meer dan 20 % is verrijkt en dat uranium dat tot meer dan 20 % is verrijkt, uitsluitend mag worden opgeslagen onder voorwaarden die de partijen schriftelijk zijn overeengekomen. Hierbij stel ik voor dat de partijen ermee instemmen overleg te plegen binnen 40 dagen na ontvangst van een verzoek van een van beide partijen om voorstellen te bespreken in verband met de schriftelijk overeen te komen voorwaarden volgens welke materiaal dat onder de Overeenkomst valt tot meer dan 20 % mag worden verrijkt of uranium dat tot meer dan 20 % is verrijkt, mag worden opgeslagen.
8. Hierbij heb ik de eer te bevestigen dat de documenten die de beschrijving bevatten van de huidige en geplande kernenergieprogramma's van de Gemeenschap en haar Lid-Staten, vertrouwelijk zullen blijven tussen de overeenkomstsluitende partijen.
9. Indien het voorgaande door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie kan worden aanvaard, stel ik voor dat deze brief, die zowel in het Engels als in het Frans authentiek is, samen met het desbetreffende antwoord van Uwe Excellentie de Overeenkomst vormt, die is vereist krachtens paragraaf e) van de briefwisseling, en zowel bijlage C daarbij als de briefwisseling van 23 december 1980 vervangt. Deze Overeenkomst wordt van kracht op de datum van het antwoord van Uwe Excellentie op deze brief.
Met gevoelens van bijzondere hoogachting.
De Heer W. Haferkamp
Vice-Voorzitter
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Wetstraat 200
B-1049 Brussel
Brussel, 18 december 1981
B. Brief van de Gemeenschap
Excellentie,
Ik heb de eer de ontvangst te melden van Uw brief van heden luidende als volgt:
»1. Hierbij heb ik de eer te verwijzen naar de briefwisseling van 16 januari 1978 tussen de Regering van Canada en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) (hierna te noemen de briefwisseling) tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Regering van Canada en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie tot samenwerking op het gebied van het vreedzaam gebruik van atoomenergie van 6 oktober 1959 (hierna te noemen de Overeenkomst), in het bijzonder waar deze betrekking heeft op controlemaatregelen (gevolgd door een aanvullende briefwisseling). Ik verwijs in het bijzonder naar paragraaf e) van de briefwisseling, waarin het volgende wordt bepaald:
»Materiaal bedoeld in paragraaf c) is tot meer dan 20 % verrijkt of opgewerkt; plutonium of tot meer dan 20 % verrijkt uranium mag uitsluitend onder voorwaarden die partijen schriftelijk zijn overeengekomen worden opgeslagen (zie bijlage C: Overgangsregeling inzake verrijking, opwerking en daarop aansluitende opslag van kernmateriaal in de Gemeenschap en Canada).".
In paragraaf 5 van bijlage C wordt bepaald dat partijen zo spoedig mogelijk na 31 december 1979 of na beëindiging van het onderzoek van de INFCE, indien dit eerder is beëindigd, beginnen met onderhandelingen ter vervanging van de voorlopige regeling door andere regelingen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met eventuele resultaten van de onderzoekingen van de INFCE met betrekking tot deze verrichtingen.
2. Deze onderhandelingen zijn thans beëindigd en ik stel voor dat bij de opwerking en bij opslag en gebruik van plutonium de hierna vermelde richtsnoeren worden gevolgd:
A. de partij die opwerking, alsmede opslag en gebruik van plutonium overweegt, dient een verbintenis te hebben aangegaan tot non-proliferatie en dient deze te handhaven;
B. al het kernmateriaal dat valt onder een verbintenis tot vreedzaam gebruik in installaties voor opwerking en de opslag en het gebruik van plutonium, dient aan de controle van de IAEA te worden onderworpen;
C. al het kernmateriaal waarvoor een verbintenis is aangegaan inzake vreedzaam gebruik in installaties voor opwerking en in aansluiting daarop de opslag en het gebruik van plutonium, met inbegrip van het desbetreffende vervoer, dient te worden onderworpen aan passende maatregelen inzake materiële bescherming;
D. tussen de partijen dienen wederzijds bevredigende procedures te bestaan voor kennisgeving en rapportage inzake het materiaal;
E. er dient een beschrijving van het lopende en geplande kernenergieprogramma, met in het bijzonder een gedetailleerde beschrijving van het beleid en de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften met betrekking tot de opwerking, de opslag en het gebruik van plutonium, te worden verschaft door de partij die dergelijke activiteiten overweegt;
F. de partijen dienen in te stemmen met geregeld en tijdig onderling overleg; tijdens dit overleg zou onder meer de informatie die overeenkomstig richtsnoer E wordt verschaft, worden bijgewerkt en zouden belangrijke wijzigingen in het kernenergieprogramma met de grootst mogelijke aandacht moeten worden bestudeerd;
G. de opwerking en de opslag van plutonium mag slechts plaatshebben wanneer de informatie betreffende het kernenergieprogramma van de betrokken partij is ontvangen, wanneer de verbintenissen, regelingen en overige informaties die volgens de richtsnoeren zijn vereist, tot stand zijn gekomen of zijn ontvangen, en wanneer de partijen overeengekomen zijn dat de opwerking en de opslag van plutonium een integrerend deel uitmaken van het beschreven kernenergieprogramma; indien wordt voorgesteld over te gaan tot opwerking of tot opslag van plutonium zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, mag een en ander slechts plaatshebben wanneer de partijen na overleg aldus zijn overeengekomen; overleg over een dergelijk voorstel dient onverwijld plaats te hebben;
H. de overwogen opwerking en opslag van plutonium mag slechts plaatshebben zolang de verbintenis van de betrokken partij tot non-proliferatie ongewijzigd blijft en aan de verbintenis tot geregeld en tijdig overleg, bedoeld in richtsnoer F, is voldaan.
3. Ik neem er nota van dat Canada en de Gemeenschap overeengekomen zijn dat aan de doelstellingen van voornoemde richtsnoeren is voldaan.
Ik neem er in het bijzonder nota van dat Canada en de Gemeenschap en haar Lid-Staten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, een verbintenis tot non-proliferatie zijn aangegaan en al het desbetreffende materiaal hebben onderworpen aan de controle van de IAEA en aan passende maatregelen inzake materiële bescherming in de paragrafen c) en g) van de briefwisseling, aangevuld met de brieven van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Lid-Staten aan de Canadese ambassadeurs inzake materiële bescherming. Ik neem er tevens nota van dat de Gemeenschap Canada de beschrijving heeft doen toekomen van de lopende en geplande kernenergieprogramma's van de Gemeenschap en van haar Lid-Staten en dat de procedures inzake kennisgeving en rapportage inzake het materiaal zijn vastgesteld.
4. Ten slotte neem ik er nota van dat bij deze regelingen onder meer rekening is gehouden met de resultaten van de onderzoekingen van de INFCE met betrekking tot de desbetreffende verrichtingen, als bedoeld in paragraaf 5 van bijlage C bij de briefwisseling. Ik neem er nota van dat de partijen in het bijzonder erkennen dat scheiding, opslag, transport en gebruik van plutonium bijzondere maatregelen vereisen om het risico van nucleaire proliferatie te verminderen; dat zij vastbesloten zijn steun te blijven verlenen aan de ontwikkeling van internationale waarborgen en andere non-proliferatiemaatregelen met betrekking tot opwerking en plutonium, met inbegrip van een doeltreffend en algemeen aanvaard internationaal programma voor de opslag van plutonium; dat zij de rol erkennen van de opwerking in verband met het optimaal gebruik van de beschikbare hulpbronnen en het beheer van materialen die zich in verbruikte splijtstof bevinden of in verband met andere vreedzame, niet explosieve gebruiksvormen, met inbegrip van onderzoek, in het bijzonder in het kader van belangrijke kernenergieprogramma's, en dat zij de voorzienbare en praktische tenuitvoerlegging wensen van paragraaf e) van de briefwisseling, rekening houdende zowel met hun streven naar bevordering van de doelstelling van non-proliferatie, als met de behoeften op lange termijn van de kernenergieprogramma's van de partijen. 5. Hierbij heb ik de eer de Commissie ervan op de hoogte te brengen dat de Regering van Canada, krachtens het voorgaande en overeenkomstig paragraaf e) van de briefwisseling, ermee instemt dat materiaal dat onder de Overeenkomst valt, mag worden opgewerkt en dat plutonium mag worden opgeslagen in het kader van de lopende en geplande kernenergieprogramma's, zoals deze zijn beschreven en van tijd tot tijd worden bijgewerkt door de Gemeenschap en haar Lid-Staten.
6. Ik heb de eer de Commissie mede te delen dat de instemming die de Regering van Canada heeft betuigd in paragraaf 5, van kracht zal blijven zolang wordt voldaan aan de voorwaarden:
i) dat de Gemeenschap, wat richtsnoer A betreft, haar in paragraaf c) van de briefwisseling vermelde verbintenis tot non-proliferatie handhaaft, en
ii) dat de Gemeenschap overleg blijft plegen met de Regering van Canada, zoals bepaald in de Overeenkomst, met het oog op de bijwerking van de beschreven kernenergieprogramma's en ten einde de Regering van Canada op de hoogte te brengen van eventuele belangrijke wijzigingen.
7. In paragraaf e) van de briefwisseling wordt bepaald dat materiaal dat onder de Overeenkomst valt, tot meer dan 20 % is verrijkt en dat uranium dat tot meer dan 20 % is verrijkt, uitsluitend mag worden opgeslagen onder voorwaarden die de partijen schriftelijk zijn overeengekomen. Hierbij stel ik voor dat de partijen ermee instemmen overleg te plegen binnen 40 dagen na ontvangst van een verzoek van een van beide partijen om voorstellen te bespreken in verband met de schriftelijk overeen te komen voorwaarden volgens welke materiaal dat onder de Overeenkomst valt tot meer dan 20 % mag worden verrijkt of uranium dat tot meer dan 20 % is verrijkt, mag worden opgeslagen.
8. Hierbij heb ik de eer te bevestigen dat de documenten die de beschrijving bevatten van de huidige en geplande kernenergieprogramma's van de Gemeenschap en haar Lid-Staten, vertrouwelijk zullen blijven tussen de overeenkomstsluitende partijen.
9. Indien het voorgaande door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie kan worden aanvaard, stel ik voor dat deze brief, die zowel in het Engels als in het Frans authentiek is, samen met het desbetreffende antwoord van Uwe Excellentie de Overeenkomst vormt, die is vereist krachtens paragraaf e) van de briefwisseling, en zowel bijlage C daarbij als de briefwisseling van 23 december 1980 vervangt. Deze Overeenkomst wordt van kracht op de datum van het antwoord van Uwe Excellentie op deze brief.".
Voorts heb ik de eer Uwe Excellentie mede te delen dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie nota neemt van de richtsnoeren die door de Regering van Canada zijn uiteengezet in de brief van Uwe Excellentie, dat zij aanvaardt dat deze richtsnoeren gelden voor de opwerking van het materiaal dat onder de Overeenkomst valt en voor de opslag van het aldus verkregen plutonium en dat zij ermee instemt dat de brief van Uwe Excellentie en dit antwoord daarop de Overeenkomst zullen vormen die is vereist in paragraaf e) van de briefwisseling, en dat zij zowel bijlage C daarbij als de briefwisseling van 23 december 1980 zullen vervangen.
Met gevoelens van bijzondere hoogachting.
De heer R. Tait
Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur
Hoofd van de Missie van Canada bij de Europese Gemeenschappen
Top