Avis juridique important
84/562/EEG: Beschikking van de Commissie van 2 mei 1984 betreffende de staatssteun voorzien in Wet nr. 87 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië houdende maatregelen inzake landbouwkrediet en tot dringende interventies voor bepaalde sectoren van de landbouwproduktie (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 311 van 29/11/1984 blz. 0029 - 0032
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 2 mei 1984
betreffende de staatssteun voorzien in Wet nr. 87 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië houdende maatregelen inzake landbouwkrediet en tot dringende interventies voor bepaalde sectoren van de landbouwproduktie
(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
(84/562/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 856/84 (2), en met name op de artikelen 23 en 24, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de overige verordeningen die voorzien in een gemeenschappelijke marktordening in de sector landbouwprodukten,
Na de belanghebbenden overeenkomstig het bepaalde in artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (3), en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I
De Italiaanse autoriteiten hebben bij schrijven van 7 september 1982 de Commissie op grond van artikel 93, lid 3, van het Verdrag mededeling gedaan van een wetsontwerp van het gewest Sicilië houdende maatregelen inzake landbouwkredieten en dringende interventies voor bepaalde produktiesectoren. Vervolgens hebben zij op 29 september 1982 de Commissie meegedeeld dat het wetsontwerp op 5 augustus 1982 onder nr. 87 door het gewestelijke Parlement was goedgekeurd, waarop de Commissie voor de beoordeling ervan om aanvullende inlichtingen heeft gevraagd, die zij op 29 oktober 1982 en 14 februari 1983 heeft ontvangen.
In de artikelen 4 en 5 van Wet nr. 87/82 is zowel voor 1982 als voor 1983 voorzien in een machtiging om 500 miljoen lire uit te trekken met het oog op de betaling door het gewest van een aanvullende rentesubsidie ter dekking van de stijging van de maximumreferentierentevoet die heeft plaatsgevonden tussen de toekenning van de rentesubsidie en de daadwerkelijke betaling ervan voor de uitvoering van investeringen in de sector afzet van landbouwprodukten toegekend op grond van de gewestelijke wetten, onderscheidenlijk:
- van 9 mei 1974, nr. 9, artikel 9,
- van 18 juli 1974, nr. 22, artikel 9,
- van 28 juli 1978, nr. 23, artikel 2, eerste en derde alinea,
- van 13 augustus 1979, nr. 197, en van 23 april 1975 nr. 125, artikel 3.
In artikel 8 is voorzien in een machtiging om met ingang van 1 september 1983 4,5 miljard lire uit te trekken voor de herfinanciering van de gewestelijke wetten, onderscheidenlijk:
- van 28 juli 1978, nr. 23, artikel 2, derde alinea,
- van 13 augustus 1979, nr. 197, artikel 3,
- van 27 mei 1980, nr. 47, artikel 12,
- van 6 mei 1981, nr. 97, artikel 43,
waarin onder andere is voorzien in:
- subsidies tot ten hoogste 70 % voor de aankoop, uitvoering, uitbreiding en modernisering van installaties bestemd voor de bewaring, verwerking en verkoop van landbouwprodukten,
- rentesubsidies voor de leningen waarmee het verschil wordt gedekt tussen de subsidies waarvan in het bovenstaande sprake is en de totale uitgaven om de investering uit te voeren,
- de toekenning van subsidies tot een beloop van 70 % vermeerderd met rentesubsidies gedurende twintig jaar over het deel van de investering dat niet door de subsidie wordt gedekt, om de uitvoering mogelijk te maken van de uitgekozen projecten van het EOGFL, die echter wegens het ontbreken van middelen niet zijn gefinancierd.
In artikel 9 is voorzien in een verhoging van het bij Wet van 7 februari 1963, nr. 12, bij het »Istituto regionale per il credito alla Cooperazione" (IRCAC) ingestelde fonds voor hernieuwbaar krediet met een bedrag van vijf miljard lire voor de toekenning van leningen met een looptijd van 15 jaar tegen een rentevoet van 7,5 % met 2 jaar vooraflossing, wanneer het landbouwcooeperaties of hun »consorzi" betreft, voor investeringen met het oog op de aanpassing en de verbetering van de verwerkings- en afzetstructuur.
In artikel 15 is voorzien in de uitbreiding tot de reeds overeenkomstig de Wet nr. 306 van 8 juli 1975 en/of de Wet nr. 674 van 20 oktober 1978 op de datum van inwerkingtreding van de betrokken wet tot stand gekomen producentengroeperingen van de voordelen bedoeld in de artikelen 30 en 31 van gewestelijke Wet nr. 97/81, met name:
- de toekenning aan de melkproducenten, die lid zijn van cooeperaties of »consorzi" van 4 500 lire per hl aan bedoelde instellingen geleverde melk, waarbij deze steun bestemd is om de kosten voor het ophalen, het vervoer en het koelen van de melk te drukken,
- een steun voor samenwerkende kaasproducenten van 4 500 lire per hl op Sicilië geproduceerde melk, die tot kaas van de soorten »caciocavallo", »pecorino Siciliano" en »canestrato misto" wordt verwerkt.
Deze steunmaatregelen vallen krachtens de specifieke bepalingen die zijn opgenomen in de voorschriften van de gemeenschappelijke ordeningen van de markten, onder de artikelen 92, 93, en 94 van het Verdrag.
Na een eerste onderzoek van de Wet nr. 87 van 5 augustus 1982 heeft de Commissie geconstateerd dat de steun bedoeld in de artikelen 4, 5, 8 en 9 ten behoeve van de bouw of modernisering van verpakkings-, verwerkings- en afzetinstallaties voor landbouwprodukten overeenkomstig de vastgestelde communautaire criteria niet werd beperkt.
De uitbreiding tot producentengroeperingen van:
- de in artikel 30 van Wet nr. 97/81 bedoelde subsidie van 4 500 lire per hl aan de cooeperaties en »consorzi" geleverde melk die wordt toegekend aan de melkproducenten die van deze instellingen lid zijn met het oog op kostenverlaging voor het ophalen, het vervoer en het koelen van de melk, en
- de in artikel 31 van Wet nr. 97/81 bedoelde subsidie van 4 500 lire per hl Siciliaanse melk die door de samenwerkende kaasproducenten wordt gebruikt en verwerkt tot kaas van de soorten »caciocavallo", »pecorino siciliano" en »canestrato misto",
is een maatregel die in strijd is met artikel 24, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 804/68 waarin is bepaald dat »die steun is verboden waarvan het bedrag wordt vastgesteld in verhouding tot de prijs of de hoeveelheid produkt".
II
De Commissie heeft ten aanzien van de voornoemde maatregelen om met name de naleving van de bovengenoemde beperkingen en voorwaarden te waarborgen, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag ingeleid en de Italiaanse Regering gemaand haar opmerkingen in te dienen.
De Commissie heeft de overige Lid-Staten en de andere belanghebbenden dan de Lid-Staten aangemaand hun opmerkingen te maken.
III
De Italiaanse autoriteiten hebben in hun antwoord van 17 juni 1983 op de aanmaningsbrief niet de elementen verstrekt die het inbreuk makende karakter van de gewraakte maatregelen van artikel 15 zouden kunnen wegnemen. Het met de steun beoogde sociale doel is namelijk niet van dien aard dat het verbod van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 804/68 daardoor wordt opgeheven.
Door de vaststelling van steunmaatregelen die een inbreuk vormen op de gemeenschappelijke marktordeningen hebben de Italiaanse autoriteiten zich niet gehouden aan het beginsel dat de Lid-Staten niet meer gemachtigd zijn unilateraal te beslissen over de inkomens van de landbouwers in het kader van een marktordening. De Raad houdt immers bij de instelling van de gemeenschappelijke marktordeningen en bij de vaststelling van de prijzen van de landbouwprodukten rekening met de onderscheiden doelstellingen en elementen van het gemeenschappelijk beleid, bedoeld in artikel 39 van het Verdrag. Het is duidelijk dat er, gezien de verscheidenheid van deze doelstellingen, prioriteiten zijn gesteld die een Lid-Staat niet unilateraal mag corrigeren zonder de op communautair vlak gemaakte keuzen in gevaar te brengen en zonder het risico te lopen dat er onevenwichtige situaties ontstaan die ertoe zouden kunnen leiden dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten erdoor wordt beïnvloed.
Deze maatregelen leiden tot een kunstmatige bevoordeling van de Siciliaanse producenten in vergelijking met de uit andere Italiaanse gewesten en uit andere Lid-Staten en zijn bijgevolg van dien aard dat zij op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van invloed zijn.
De Italiaanse autoriteiten hebben geen overtuigende waarborgen verschaft dat de door de Commissie verlangde hoogte van de in de artikelen 4, 5, 8 en 9 van de betrokken wet bedoelde steun voor wat de investeringssteun in de sector verpakking, verwerking en afzet betreft ook wordt nageleefd. De Commisie heeft steeds onderscheid gemaakt tussen projecten die worden ingepast in nationale of regionale programma's die door de Commissie zijn goedkeurd op grond van Verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3164/82 (2), of die de bergstreken en probleemgebieden betreffen van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 82/786/EEG (4), voor welke projecten steun kan worden toegekend tot een beloop van 75 % van de waarde van de investering, en projecten die buiten deze gebieden zijn gelegen of niet in dergelijke programma's kunnen worden ingepast en tot ten hoogste 50 % zouden mogen worden gesubsidieerd. Boven deze maximumpercentages bestaat het gevaar dat de oprichting wordt aangemoedigd van bedrijven die zonder verdere steun niet levensvatbaar zijn en dat bijgevolg wordt bijgedragen tot de ontwikkeling van produkten die de voorwaarden van het handelsverkeer in een niet met het gemeenschappelijk belang strokende mate zouden kunnen wijzigen door de produktie van produkten waarvan de afzet slechts door een toeneming van de interventies van het EOGFL zal kunnen worden verzekerd.
IV
Uit het voorgaande blijkt dat de door de autoriteiten van het gewest Sicilië beoogde steun van dien aard is dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig zou kunnen worden beïnvloed en dat deze steun de concurrentie in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag zou kunnen vervalsen of dreigt te vervalsen.
In artikel 92, lid 1, van het Verdrag is bepaald dat de steunmaatregelen die met in dit artikel genoemde criteria overeenkomen, in beginsel onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.
Het in artikel 92, lid 1, besloten liggende verbod kan niet worden opgeheven op grond van lid 2 van dat artikel, aangezien de in die bepaling opgenomen uitzonderingen op het voorliggende geval duidelijk niet van toepassing zijn.
Met het oog op het onderzoek van iedere nationale of regionale maatregel, moeten de in artikel 92, lid 3, bedoelde uitzonderingen strikt worden geïnterpreteerd. Zij kunnen met name slechts worden toegestaan wanneer de Commissie kan vaststellen dat de steun nodig is voor het bereiken van een van de daarin beoogde doelstellingen.
Toepassing van de betreffende uitzonderingen op steunmaatregelen, waarin niet in een dergelijke tegenprestatie is voorzien, zou gelijk staan met het toelaten van een situatie die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten schaadt en van concurrentiedistorsies die uit communautair oogpunt onverantwoord zijn en bijgevolg van ongerechtvaardigde voordelen voor bepaalde Lid-Staten.
In het onderhavige geval laten de steunmaatregelen bedoeld in artikel 15 alsmede de steunmaatregelen bedoeld in de artikelen 4, 5, 8 en 9 van de betrokken wet, in zoverre zij de door de Commissie vastgestelde niveaus overschrijden, het niet toe het bestaan van een dergelijke tegenprestatie te constateren.
De Italiaanse Regering heeft namelijk geen rechtvaardiging kunnen geven, noch heeft de Commissie er een kunnen ontdekken, die toelaat vast te stellen dat de betrokken steunmaatregelen aan de voorwaarden voldoen die voor de toepassing van één van de in artikel 92, lid 3, van het Verdrag bedoelde uitzonderingen zijn vereist.
Het betreft noch maatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst, noch maatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van de betrokken Lid-Staten op te heffen, zodat artikel 92, lid 3, sub a) en b), van het Verdrag niet van toepassing is.
De oprichting van bedrijven met behulp van te hoge steun houdt het gevaar in dat niet levensvatbare eenheden worden gecreëerd die slechts met aanvullende steun kunnen voortbestaan, waarbij zij produkten vervaardigen waarvoor een overvoerde markt bestaat en waarvoor de afzetkosten een grote lastenverzwaring voor het EOGFL betekenen. Deze steunmaatregelen komen bijgevolg niet in aanmerking voor de in artikel 92, lid 3, sub c), van het Verdrag bedoelde uitzondering.
De in artikel 15 van de betrokken wet bedoelde steunmaatregel vormt een inbreuk op de gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector melk en zuivelprodukten; een steunmaatregel die een inbreuk vormt kan niet in aanmerking komen voor de in artikel 92, lid 3, van het Verdrag bedoelde uitzondering.
Rekening houdend met de analoge economische situatie waarin de bedrijven in alle Lid-Staten thans verkeren, welke wordt gekenmerkt door een stagnatie of een daling van de inkomsten tegenover sterk stijgende produktiekosten; eveneens rekening houdend met de niet geringe en zelfs voor het merendeel van de landbouwprodukten belangrijke intracommunautaire concurrentie, is deze steunmaatregel van dien aard dat zij de voorwaarden voor het handelsverkeer dermate kan veranderen dat er strijdigheid ontstaat met het gemeenschappelijke belang.
Gezien het voorafgaande, voldoen de voornoemde steunmaatregelen niet aan de voorwaarden om voor één van de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, van het Verdrag in aanmerking te komen.
Wat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door het EOGFL betreft doet deze beschikking geen afbreuk aan de eventuele gevolgtrekkingen van de Commissie ten aanzien van uitkering van de bovengenoemde steun,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
1. De steun bedoeld in artikel 15 van de Wet nr. 87 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië is onverenigbaar met het bepaalde in artikel 92 van het EEG-Verdrag en met de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector melk en zuivelprodukten en mag niet meer worden toegekend.
2. Het uit de toepassing van de artikelen 4, 5, 8 en 9 van de in lid 1 genoemde wet voortvloeiende gedeelte van de steun dat de grens overschrijdt van:
a) 75 % van de uitgaven die zijn toegelaten voor projecten in bergstreken of probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG en die zijn ingepast in door de Commissie in toepassing van Verordening (EEG) nr. 355/77 goedgekeurde nationale of regionale programma's, of
b) 50 % voor projecten in de andere gebieden of die niet in dergelijke programma's zijn ingepast,
is onverenigbaar met het bepaalde in artikel 92 van het EEG-Verdrag en mag niet meer worden toegekend.
Artikel 2
Italië brengt de Commissie binnen twee maanden na de mededeling van deze beschikking op de hoogte van de door haar genomen maatregelen om aan het bepaalde in artikel 1 te voldoen.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 2 mei 1984.
Voor de Commissie
Poul DALSAGER
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13.
(2) PB nr. L 90 van 1. 4. 1984, blz. 10.
(3) PB nr. C 201 van 28. 7. 1983, blz. 5.
(1) PB nr. L 51 van 23. 2. 1977, blz. 1.
(2) PB nr. L 332 van 27. 11. 1982, blz. 1.
(3) PB nr. L 128 van 19. 5. 1975, blz. 1.
(4) PB nr. L 327 van 24. 11. 1982, blz. 19.
Top