Avis juridique important
84/563/EEG: Beschikking van de Commissie van 30 mei 1984 met betrekking tot steunmaatregelen in de gewestelijke Wet nr. 105 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië houdende wijzigingen van de gewestelijke begroting en van de begroting van het Bureau voor de domaniale bossen van het gewest Sicilië voor het begrotingsjaar 1982 (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 311 van 29/11/1984 blz. 0033 - 0035
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 30 mei 1984
met betrekking tot steunmaatregelen in de gewestelijke Wet nr. 105 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië houdende wijzigingen van de gewestelijke begroting en van de begroting van het Bureau voor de domaniale bossen van het gewest Sicilië voor het begrotingsjaar 1982
(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
(84/563/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Gelet op de verordeningen van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor landbouwprodukten, en met name op Verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1018/84 (2),
Na de belanghebbenden overeenkomstig artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (3),
I
Overwegende dat de Italiaanse Regering bij schrijven van 7 september 1982 de Commissie op de hoogte heeft gebracht van de Wet nr. 105 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië houdende wijzigingen van de gewestelijke begroting en de begroting van het Bureau voor de domaniale bossen van het gewest Sicilië voor het begrotingsjaar 1982;
Overwegende dat de Italiaanse autoriteiten bij schrijven van 20 juni 1983 en telexberichten van 25 juli 1983 en 22 oktober 1983 aanvullende inlichtingen hebben verstrekt;
Overwegende dat in artikel 39 van genoemde wet in een uitgavenmachtiging ten bedrage van 3 798,9 miljoen lire voor het jaar 1982 is voorzien met het oog op de herfinanciering van de maatregelen van artikel 36 van gewestelijke Wet nr. 83 van 12 augustus 1980, waarin in een aanvullende subsidie ten behoeve van de cooeperaties, consortiums en producentengroeperingen is voorzien om aan de als gevolg van de gestegen bouwkosten toegenomen investeringskosten het hoofd te kunnen bieden;
Overwegende dat in artikel 42 van genoemde wet in een uitgavenmachtiging ten bedrage van 2 000 miljoen lire voor het jaar 1982 is voorzien met het oog op de herfinanciering van de maatregelen bedoeld in de artikelen 1 en 3 van gewestelijke Wet nr. 23 van 28 juli 1978 en in artikel 2 van gewestelijke Wet nr. 197 van 13 augustus 1979 inzake subsidies van 60 tot 70 % ten behoeve van producentenverenigingen, cooeperaties en consortiums voor de modernisering van installaties voor bewaring en verwerking van landbouw- en veeteeltprodukten, alsmede inzake voorschotten op deze subsidies ten belope van 30 % van het bedrag;
Overwegende dat artikel 51 van genoemde wet voor 1982 een uitgavenmachtiging van 1 650 miljoen lire behelst voor de herfinanciering van de maatregelen bedoeld in artikel 22 van Wet nr. 85 van 12 augustus 1980 met het oog op de toekenning van subsidies ten belope van 12 % van de aankoopprijs voor ieder kwintaal door de maalindustrie gekochte Siciliaanse durum tarwe;
Overwegende dat krachtens de specifieke bepalingen van de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten deze steunmaatregelen onder de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag vallen;
II
Overwegende dat de Commissie aan de hand van een eerste onderzoek van Wet nr. 105 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië, heeft geconstateerd dat de uit de toepassing van de artikelen 39 en 42 van genoemde wet voortvloeiende steunmaatregelen ter begunstiging van de oprichting of modernisering van verpakkings-, verwerkings- en afzetinstallaties voor landbouwprodukten, niet beperkt zijn tot de steunpercentages die in het algemeen door de Commissie worden toegestaan;
Overwegende dat de subsidie die uit de toepasing van artikel 52 van bedoelde wet voortvloeit en die 12 % van de aankoopprijs van door de maalindustrie aangekochte durum tarwe bedraagt, een werkingssteun is die geen enkele duurzame verbetering voor de structuur van de betrokken sector meebrengt; dat deze steun bijgevolg met de communautaire bepalingen onverenigbaar is;
Overwegende dat de Commissie in verband met het voorafgaande bij schrijven van 25 maart 1983 ten aanzien van de vorenbedoelde maatregelen de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag heeft ingeleid en de Italiaanse Regering heeft aangemaand haar opmerkingen te maken;
Overwegende dat de Commissie de overige Lid-Staten en de andere belanghebbenden dan de Lid-Staten heeft aangemaand hun opmerkingen te maken;
III
Overwegende dat de Italiaanse autoriteiten in hun antwoorden op het aanmaningsschrijven geen duidelijke garanties hebben verstrekt dat de door de Commissie gevraagde percentages, wat de investeringssteun betreft die uit de toepassing van de artikelen 39 en 42 van de betrokken wet voortvloeit, zouden worden nageleefd; dat de Italiaanse autoriteiten evenmin redenen hebben aangevoerd die ten aanzien van de steun die uit de toepassing van artikel 51 van die wet voortvloeit, het standpunt van de Commissie zouden kunnen wijzigen;
IV
Overwegende dat wat de steun betreft die uit de toepassing van de artikelen 39 en 42 van de betrokken wet voortvloeit, de Commissie in haar vroegere standpunten duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen, enerzijds, de in het kader van nationale of gewestelijke programma's door de Commissie op grond van Verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3164/82 (2), goedgekeurde en in de probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad (3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 82/786/EEG (4), gelegen projecten, waarvoor steun tot ten hoogste 75 % van het investeringsbedrag mag worden toegekend en, anderzijds, projecten die niet in deze gebieden liggen of die niet in het kader van dergelijke programma's worden uitgevoerd en die slechts tot ten hoogste 50 % van het investeringsbedrag zouden behoren te worden gesubsidieerd; dat met deze zeer hoge steunbedragen niettemin de begunstigde van de steun in voldoende mate in de financiering van het project deel moet hebben; dat een financiële deelneming van 25 % of 50 % een minimum zou moeten zijn omdat anders het gevaar bestaat dat er activiteiten worden ontwikkeld die de voorwaarden voor het handelsverkeer zouden kunnen wijzigen op een manier die tegen het gemeenschappelijk belang indruist, doordat bedrijven worden opgericht die met verlies werken en zonder verdere steun niet duurzaam zouden kunnen voortbestaan, terwijl zij bovendien produkten vervaardigen waarvan zonder interventie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) de afzet niet is verzekerd;
Overwegende dat de subsidie voor de aankoop van durum tarwe door de maalindustrie die uit de toepassing van artikel 51 van de genoemde wet voortvloeit, een werkingssteun betreft zonder gunstig en duurzaam effect op de structuur; dat de voornoemde maatregel de Siciliaanse producenten in vergelijking met de producenten uit andere Italiaanse gewesten en andere Lid-Staten kunstmatig steunt en dat deze maatregel bijgevolg het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig zou kunnen beïnvloeden;
Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de steun waartoe door de Italiaanse autoriteiten is besloten, het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig zou kunnen beïnvloeden en de concurrentie zou kunnen vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag;
Overwegende dat in artikel 92, lid 1, van het Verdrag is bepaald dat de steun die aan de in die bepaling vastgestelde criteria beantwoordt, principieel met de gemeenschappalijke markt onverenigbaar is;
Overwegende dat het in artikel 92, lid 1, van het Verdrag uitgevaardigde verbod niet op grond van lid 2 van dat artikel kan worden opgeheven, daar de in dat lid opgesomde afwijkingen in het onderhavige geval duidelijk niet van toepassing zijn;
Overwegende dat de in lid 3 van het genoemde artikel vervatte afwijkingen op deze onverenigbaarheid een nauwkeurige omschrijving bieden van de in het belang van de Gemeenschap en niet alleen in dat van bepaalde sectoren van de nationale economie nagestreefde doelstellingen; dat deze afwijkingen bij het onderzoek van ieder steunprogramma waarbij een regionaal of sectorieel doel voor ogen staat of van ieder afzonderlijk geval van toepassing van algemene steunregelingen eng moeten worden geïnterpreteerd; dat zij met name slechts kunnen worden toegelaten in de gevallen waarin de Commissie kan vaststellen dat de steun nodig is voor het bereiken van een van de in die bepalingen bedoelde doelstellingen;
Overwegende dat wanneer dergelijke afwijkingen zouden worden toegepast op steunmaatregelen die niet een dergelijke tegenhanger inhouden, dit zou neerkomen op toestaan van inbreuken op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, van concurrentiedistorsies die uit het oogpunt van communautair belang onverantwoord zijn en, in samenhang daarmee, van onredelijke voordelen voor bepaalde Lid-Staten;
Overwegende dat in het onderhavige geval de investeringssteun, naarmate deze de boven omschreven beperkingen overschrijdt, alsmede de steun voor de aankoop van durum tarwe door de maalindustrie, het niet mogelijk maken vast te stellen dat er een dergelijke tegenhanger is; dat de Italiaanse autoriteiten geen enkele rechtvaardiging hebben kunnen geven, noch de Commissie er een heeft kunnen ontdekken, welke de vaststelling zou toelaten dat de betrokken steunmaatregelen aan de voorwaarden voldoen die voor de toepassing van een van de in artikel 92, lid 3, van het Verdrag bedoelde afwijkingen vereist zijn;
Overwegende dat het noch om maatregelen gaat ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid bestaat, noch om maatregelen ter verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en evenmin om een maatregel om een ernstige verstoring in de economie van de betrokken Lid-Staat op te heffen; dat bijgevolg artikel 92, lid 3, sub a) en b), van het Verdrag niet van toepassing is;
Overwegende dat de oprichting van bedrijven met behulp van te hoge steun het gevaar inhoudt dat niet-levensvatbare eenheden worden gecreëerd die slechts met aanvullende steun kunnen voortbestaan, waarbij zij produkten vervaardigen waarvoor reeds een overvoerde markt bestaat en waarvoor de afzetkosten een verzwaring van de lasten van het EOGFL zouden kunnen betekenen; dat deze steunmaatregelen bijgevolg de voorwaarden voor het handelsverkeer zouden kunnen wijzigen op een manier die met het gemeenschappelijk belang in strijd is;
Overwegende bovendien dat de subsidie voor de aankoop van durum tarwe voor de begunstigde bedrijven een werkingssteun vormt met een louter conservatoir karakter; dat de Commissie zich in het algemeen tegen dergelijke steunmaatregelen heeft gekant, daar deze op zichzelf niet aan de voorwaarden voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor de afwijking bedoeld in artikel 92, lid 3, sub c), van het Verdrag, daar zij de ontwikkeling zoals bedoeld in die bepaling niet kunnen bevorderen;
Overwegende voorts dat, rekening houdend met de analoge economische situatie waarin de bedrijven van alle Lid-Staten zich thans bevinden, welke situatie wordt gekenmerkt door een stagnatie of een inkomstenvermindering tegenover sterk stijgende produktiekosten, voorts rekening houdend met de voor de meeste landbouwprodukten gevoelige of zelfs belangrijke intracommunautaire concurrentie, deze steunmaatregelen van dien aard zijn dat zij de voorwaarden voor het handelsverkeer zouden kunnen veranderen op een wijze die met het gemeenschappelijk belang in strijd is;
Overwegende dat bijgevolg voor de Commissie er geen enkele reden bestaat de onverenigbaarheid van de betrokken steunmaatregelen op te heffen door deze onder de afwijking bedoeld in artikel 92, lid 3, sub c), van het Verdrag te begrijpen;
Overwegende dat, rekening houdend met het voorafgaande, de voornoemde steunmaatregelen niet aan de voorwaarden voldoen die zijn vereist om voor een van de afwijkingen van artikel 92, lid 3, van het Verdrag in aanmerking te komen;
Overwegende dat deze beschikking niet vooruitloopt op de gevolgtrekkingen uit de genoemde steunuitkering waartoe de Commissie in voorkomend geval ten aanzien van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door het EOGFL zal komen,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
1. Het deel van de steunmaatregelen dat voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 39 en 42 van Wet nr. 105 van 5 augustus 1982 van het gewest Sicilië hoger is dan:
a) 75 % van de uitgaven die zijn toegestaan voor projecten in bergstreken of probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG en die zijn ingepast in nationale of regionale programma's die door de Commissie op grond van Verordening (EEG) nr. 355/77 zijn goedgekeurd, of
b) 50 % in de overige gebieden of voor projecten die niet in dergelijke programma's worden ingepast,
is met het bepaalde in artikel 92 van het Verdrag onverenigbaar en mag niet worden toegekend.
2. De steun voortvloeiende uit de toepassing van artikel 51 van genoemde wet is met het bepaalde in artikel 92 van het Verdrag onverenigbaar en mag bijgevolg niet worden toegekend.
Artikel 2
De Italiaanse Republiek brengt de Commissie binnen twee maanden na de mededeling van deze beschikking op de hoogte van de maatregelen die zij zal hebben genomen om aan het bepaalde in artikel 1 te voldoen.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 30 mei 1984.
Voor de Commissie
Poul DALSAGER
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 281 van 1. 11. 1975, blz. 1.
(2) PB nr. L 107 van 19. 4. 1984, blz. 1.
(3) PB nr. C 201 van 28. 7. 1983, blz. 4.
(1) PB nr. L 51 van 23. 2. 1977, blz. 1.
(2) PB nr. L 332 van 27. 11. 1982, blz. 1.
(3) PB nr. L 128 van 19. 5. 1975, blz. 1.
(4) PB nr. L 327 van 24. 11. 1982, blz. 19.
Top