Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3445/85 van de Commissie van 6 december 1985 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 798/80 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten
Publicatieblad Nr. L 328 van 07/12/1985 blz. 0013 - 0014
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 39 blz. 0107
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 39 blz. 0107
*****
VERORDENVERORDENING (EEG) Nr. 3445/85 VAN DE COMMISSIE
van 6 december 1985
tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 798/80 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten
DEDE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1018/84 (2), en met name op artikel 16, lid 6, en artikel 24, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de overige verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor landbouwprodukten,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 855/84 (4), en met name op artikel 6,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2026/83 (6),
Overwegende dat in artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie (7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1663/81 (8), bepalingen zijn vastgesteld voor het vrijgeven van de krachtens artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 565/80 vereiste waarborg;
Overwegende dat artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 798/80 voorziet in een minimumwaarborg wanneer het bedrag daarvan groter is dan het overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die verordening berekende bedrag, waaraan eventueel het positieve monetaire compenserende bedrag is toegevoegd, een en ander verhoogd met 20 % van het aldus verkregen bedrag;
Overwegende dat dit in bepaalde gevallen kan leiden tot een overdreven zware sanctie wanneer terugvordering noodzakelijk wordt;
Overwegende dat de voorschriften voor de berekening van het terug te vorderen bedrag wanneer gebruik is gemaakt van de minimumwaarborg, moeten worden gewijzigd om een overdreven zware sanctie te voorkomen;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van alle betrokken Comités van beheer,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 10, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 798/80 wordt gelezen als volgt:
»4. Behoudens overmacht zullen de volgende bedragen worden teruggevorderd:
a) wanneer de in artikel 11 vastgestelde termijnen niet in acht zijn genomen: een bedrag gelijk aan de waarborg;
b) wanneer de in artikel 11 vastgestelde termijnen in acht zijn genomen, maar qua restitutie op een lager bedrag aanspraak kan worden gemaakt dan op het in lid 1, sub b), bedoelde bedrag en de in artikel 7, lid 1, tweede zin, bedoelde minimumverhoging niet is toegepast:
- ingeval het bepaalde in artikel 7, lid 3, van toepassing is op een bedrag gelijk aan de waarborg, verminderd met het bedrag van de werkelijke restitutie min het eventueel verschuldigde negatieve monetaire compenserende bedrag, beide laatste verhoogd met 20 %,
- in andere gevallen een bedrag gelijk aan de waarborg, verminderd met het bedrag van de werkelijke restitutie en het eventueel verschuldigde positieve monetaire compenserende bedrag, verhoogd met 20 %,
c) wanneer de in artikel 11 vastgestelde termijnen in acht zijn genomen, maar qua restitutie op een lager bedrag aanspraak kan worden gemaakt dan op het in lid 1, sub b), bedoelde bedrag en de in artikel 7, lid 1, tweede zin, bedoelde minimumverhoging is toegepast: een bedrag gelijk aan het verschil tussen het vooruitbetaalde bedrag en het verschuldigde bedrag, verhoogd met het percentage verhouding van het bedrag van de minimumverhoging tot het vooruitbetaalde bedrag.".
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Op verzoek van de belanghebbenden geldt het in artikel 1 bepaalde voor de nog niet afgesloten dossiers.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 6 december 1985.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Vice-Voorzitter
((1) PB nr. L 281 van 1. 11. 1975, blz. 1.
(2) PB nr. L 107 van 19. 4. 1984, blz. 1.
(3) PB nr. L 106 van 12. 5. 1971, blz. 1.
(4) PB nr. L 90 van 1. 4. 1984, blz. 1.
(5) PB nr. L 62 van 7. 3. 1980, blz. 5.
(6) PB nr. L 199 van 22. 7. 1983, blz. 12.
(7) PB nr. L 87 van 1. 4. 1980, blz. 42.
(8) PB nr. L 166 van 24. 6. 1981, blz. 9.
Top