Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3898/86 van de Raad van 18 december 1986 betreffende de opening en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor diepgevroren filets en fijngemaakt vlees in blokken van heek van post ex 03.01 B II b) 9 en post ex 03.01 B I t) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief
Publicatieblad Nr. L 364 van 23/12/1986 blz. 0003
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3898/86 VAN DE RAAD
van 18 december 1986
betreffende de opening en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor diepgevroren filets en fijngemaakt vlees in blokken van heek van post ex 03.01 B II b) 9 en post ex 03.01 B I t) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 28,
Overwegende dat de Raad bij de Verordeningen (EEG) nr. 2061/86 (1) en (EEG) nr. 3285/86 (2) voor diepgevroren filets en fijngemaakt vlees in blokken van heek van post ex 03.01 B II b) 9 en post ex 03.01 B I t) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief voor de tijdvakken tot en met 31 december 1986 respectievelijk 31 januari 1987 communautaire tariefcontingenten van 7 250 ton respectievelijk 4 000 ton tegen een recht van 5 % heeft geopend en over bepaalde Lid-Staten heeft verdeeld;
Overwegende dat er op grond van de meest recente gegevens omtrent deze produkten geen twijfel aan bestaat dat de omvang van dit tariefcontingent niet de totale behoefte aan invoer van de Gemeenschap uit derde landen zal dekken; dat de aanvullende invoerbehoeften op dit ogenblik geraamd kunnen worden op 4 000 ton tot en met 31 januari 1987 en dat deze voornamelijk betrekking hebben op de in Verordening (EEG) nr. 3285/86 bedoelde soorten heek; dat derhalve een communautair tariefcontingent dient te worden geopend voor een tijdvak dat loopt tot en met 31 januari 1987 tegen een recht van 5 % en dat de omvang dient te worden vastgesteld op 4 000 ton;
Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle importeurs van de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van genoemd contingent en dat het aan dat contingent verbonden recht in alle Lid-Staten zonder onderbreking wordt toegepast op alle invoer van het betrokken produkt tot op het tijdstip waarop het contingent geheel is uitgeput; dat het evenwel, aangezien het gaat om een tariefcontingent dat behoeften moet dekken die niet met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden vastgesteld, aangewezen lijkt om niet in een verdeling tussen de Lid-Staten te voorzien, onverminderd het opnemen uit het contingent van hoeveelheden die overeenstemmen met hun behoeften onder nader te bepalen voorwaarden en volgens een nader te bepalen procedure; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie, die met name de uitputtingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten daarover moet kunnen inlichten;
Overwegende dat, aangezien het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie, elke handeling met betrekking tot het beheer van de aan genoemde Economische Unie toegewezen quota kan worden verricht door een van haar leden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Van de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 31 januari 1987 wordt het recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde diepgevroren filets en fijngemaakt vlees in blokken van heek (Merluccius spp., met uitzondering van de soorten Merluccius merluccius, Merluccius bilinearis en Merluccius carpensis) van post ex 03.01 B II b) 9 en post ex 03.01 B I t) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief geschorst tot op 5 % binnen de grenzen van een communautair tariefcontingent van 4 000 ton.
2. Binnen de grenzen van dit tariefcontingent passen het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek rechten toe die berekend worden overeenkomstig de bepalingen ter zake in de Toetredingsakte van 1985.
3. De invoer van de bedoelde produkten kan slechts in aanmerking komen voor het contingent bedoeld in lid 1, indien de prijs franco grens vastgesteld door de Lid-Staten overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EEG) nr. 3796/81 (3), op zijn minst gelijk is aan de door de Gemeenschap vastgestelde of vast te stellen referentieprijs voor de betrokken produkten of categorieën produkten.
4. Indien een importeur melding maakt van op handen zijnde invoer van het betrokken produkt in een andere Lid-Staat en indien hij verzoekt om voor het contingent in aanmerking te komen, gaat de betrokken Lid-Staat, door middel van een kennisgeving aan de Commissie, over tot opneming van een hoeveelheid die overeenstemt met zijn behoeften, voor zover het beschikbare saldo van het contingent zulks toelaat.
5. De krachtens lid 4 verrichte opnemingen zijn geldig tot het einde van de contingentperiode.
Artikel 2
1. De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat bij de opnemingen krachtens artikel 1, lid 4, zonder onderbreking afboekingen kunnen plaatsvinden op hun gecumuleerde aandeel in het communautaire tariefcontingent.
2. De Lid-Staten waarborgen aan de importeurs van het betrokken produkt vrije toegang tot de hun toegekende quota.
3. De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheden af op hun quota naar gelang het betrokken produkt bij de douane ten invoer in het vrije verkeer wordt aangegeven.
4. De uitputtingsgraad van de quota van de Lid-Staten wordt vastgesteld aan de hand van de ingevoerde hoeveelheden, die op de in lid 3 omschreven wijze zijn afgeboekt.
Artikel 3
De Lid-Staten stellen de Commissie op haar verzoek in kennis van de invoer die daadwerkelijk op hun quota is afgeboekt.
Artikel 4
De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om te bereiken dat deze verordening wordt nagekomen.
Artikel 5
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 18 december 1986.
Voor de Raad
De Voorzitter
M. JOPLING
(1) PB nr. L 176 van 1. 7. 1986, blz. 12.
(2) PB nr. L 304 van 30. 10. 1986, blz. 7.
(3) PB nr. L 379 van 31. 12. 1981, blz. 1.
Top