Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3950/86 van de Commissie van 23 december 1986 betreffende het openen van de mogelijkheid tot het sluiten van langlopende contracten voor de particuliere opslag van tafelwijn, druivemost, geconcentreerde druivemost en gerectificeerde geconcentreerde druivemost voor het wijnoogstjaar 1986/1987
Publicatieblad Nr. L 365 van 24/12/1986 blz. 0042
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3950/86 VAN DE COMMISSIE
van 23 december 1986
betreffende het openen van de mogelijkheid tot het sluiten van langlopende contracten voor de particuliere opslag van tafelwijn, druivemost, geconcentreerde druivemost en gerectificeerde geconcentreerde druivemost voor het wijnoogstjaar 1986/1987
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3805/85 (2), en met name op artikel 7, lid 5, en artikel 65,
Overwegende dat uit de produktie- en behoeftenraming voor het wijnoogstjaar 1986/1987 blijkt dat de aan het begin van het wijnoogstjaar beschikbare hoeveelheden tafelwijn het normale gebruik met meer dan vier maanden overschrijden; dat daardoor de voorwaarden zijn vervuld voor het openen van de mogelijkheid om langlopende opslagcontracten te sluiten in de zin van artikel 7, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 337/79;
Overwegende dat uit de bovenbedoelde produktie- en behoeftenraming blijkt dat er overschotten bestaan voor alle soorten tafelwijn, alsmede voor tafelwijn die in nauw economisch verband staat met die soorten tafelwijn; dat moet worden bepaald dat voor deze soorten tafelwijn langlopende contracten kunnen worden gesloten; dat deze mogelijkheid om dezelfde redenen moet worden geopend voor druivemost, geconcentreerde druivemost en gerectificeerde geconcentreerde druivemost;
Overwegende dat in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 337/79 is bepaald dat voor de interventiemaatregelen alleen producenten in aanmerking komen die gedurende een nader te bepalen referentieperiode hebben voldaan aan de verplichtingen die zijn vermeld in artikel 39 en, in voorkomend geval, in de artikelen 40 en 41 van genoemde verordening; dat die periode thans dient te worden bepaald;
Overwegende dat in artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 1059/83 van de Commissie van 29 april 1983 betreffende de opslagcontracten voor tafelwijn, druivemost, geconcentreerde druivemost en gerectificeerde geconcentreerde druivemost (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3949/86 (4), is bepaald dat de tafelwijnen waarvoor contracten voor particuliere opslag kunnen worden gesloten, op basis van hun kwalitatieve kenmerken in twee categorieën worden ingedeeld; dat, uitgaande van de kwaliteit van de oogst 1986, de minimumkwaliteitseisen voor de twee categorieën moeten worden bepaald;
Overwegende dat het voor de mogelijke toepassing van artikel 12 bis van Verordening (EEG) nr. 337/79 nodig is de maximumhoeveelheid tafelwijn te kennen waarvoor een opslagcontract is gesloten en die in aanmerking komt voor de in dat artikel bedoelde distillatie; dat dientengevolge moet worden bepaald dat de producenten de interventiebureaus de nodige gegevens moeten mededelen en dat deze de Commissie ter kennis moeten worden gebracht;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor wijn,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1059/83 kunnen in de periode van 16 december 1986 tot en met 15 februari 1987 langlopende contracten voor particuliere opslag worden gesloten voor:
- alle soorten tafelwijn alsmede voor tafelwijn die in nauw economisch verband staat met die soorten tafelwijn, mits de wijn aan de in artikel 6 van de verordening vastgestelde voorwaarden voldoet;
- druivemost, geconcentreerde druivemost en gerectificeerde geconcentreerde druivemost.
2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 337/79, komen de producenten die in het wijnoogstjaar 1985/1986 aan de in de artikelen 39, 40 of 41 van Verordening (EEG) nr. 337/79 bedoelde verplichtingen waren onderworpen, slechts voor de in deze verordening bedoelde maatregelen in aanmerking voor zover zij het bewijs leveren dat zij in de referentieperiodes die zijn vastgesteld in, onderscheidenlijk, artikel 16 van Verordening (EEG) nr. 2260/85 van de Commissie (5), artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2261/85 van de Commissie (6) en artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 854/86 van de Commissie (7), aan hun verplichtingen hebben voldaan.
Artikel 2
De minimumkwaliteitseisen waaraan de wijnen van de twee in artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1059/83 bedoelde categorieën moeten voldoen, zijn vastgesteld in de bijlagen bij deze verordening.
Artikel 3
1. De producenten die, binnen de grenzen bedoeld in artikel 5, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 1059/83, voor tafelwijn een langlopend opslagcontract wensen te sluiten, stellen het interventiebureau bij de indiening van de aanvraag tot sluiting van het contract in kennis van de totale hoeveelheid tafelwijn die zij voor het lopende wijnoogstjaar hebben geproduceerd.
Te dien einde legt de producent een afschrift over van de overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2102/84 van de Commissie (1) opgestelde produktieopgave(n).
2. De Lid-Staten delen de Commissie uiterlijk 10 mei 1987 de maximumhoeveelheid wijn mede waarvoor langlopende opslagcontracten zijn gesloten en die in aanmerking komt voor de distillatie bedoeld in artikel 12 bis, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 337/79.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing met ingang van 16 december 1986.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 23 december 1986.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Vice-Voorzitter
(1) PB nr. L 54 van 5. 3. 1979, blz. 1.
(2) PB nr. L 367 van 31. 12. 1985, blz. 39.
(3) PB nr. L 116 van 30. 4. 1983, blz. 77.
(4) Zie blz. 40 van dit Publikatieblad.
(5) PB nr. L 211 van 8. 8. 1985, blz. 12.
(6) PB nr. L 211 van 8. 8. 1985, blz. 18.
(7) PB nr. L 80 van 25. 3. 1986, blz. 14.
(1) PB nr. L 194 van 24. 7. 1984, blz. 1.
BIJLAGE I
MINIMUMKWALITEITSEISEN VOOR TAFELWIJNEN VAN TWEEDE CATEGORIE
I. Witte wijn
1.2 // a) effectief alcoholgehalte: // ten minste 10 % vol // b) totaal gehalte aan zuren (uitgedrukt in wijnsteenzuur): // ten minste 4,5 g/l en ten minste 3,5 g/l voor de in Spanje geproduceerde tafelwijn (1) // c) gehalte aan vluchtige zuren: // ten hoogste 9 milli-equivalenten/l // d) gehalte aan zwaveldioxyde: // ten hoogste 155 mg/l // e) totaal gehalte aan residusuiker: // ten hoogste 2,5 g/l // f) gedrag bij contact met de lucht: // goed gedurende 24 uur // g) geen slechte smaak.
II. Rode wijn
1.2 // a) effectief alcoholgehalte: // ten minste 10 % vol // b) totaal gehalte aan zuren (uitgedrukt in wijnsteenzuur): // // - voor wijn met een effectief alcoholgehalte van minder dan 11 % vol: // ten minste 5 g/l en ten minste 4 g/l voor de in Spanje geproduceerde tafelwijn (1) // - voor wijn met een effectief alcoholgehalte van 11 % vol of meer: // ten minste 4,5 g/l en ten minste 3,5 g/l voor de in Spanje geproduceerde tafelwijn (1) // c) gehalte aan vluchtige zuren: // // - wijn met een alcoholgehalte van minder dan 12,5 % vol: // ten hoogste 12 milli-equivalenten/l // - wijn met een alcoholgehalte gelijk aan of hoger dan 12,5 % vol: // ten hoogste 14 milli-equivalenten/l // d) gehalte aan zwaveldioxyde: // ten hoogste 120 mg/l // e) gehalte aan residusuiker: // ten hoogste 2,5 g/l // f) Gedrag bij contact met de lucht: // goed gedurende 24 uur // g) geen slechte smaak // // h) geen hybriden. //
Roséwijnen moeten beantwoorden aan de voorwaarden zoals hierboven voorgeschreven voor rode wijnen, behalve wat het zwaveldioxyde betreft, waarvoor het maximumgehalte hetzelfde is als het maximumgehalte dat voor witte wijnen is vastgesteld.
De sub a), d) en e) bedoelde voorwaarden gelden echter niet voor tafelwijn van de soorten R III, A II en A III.
(1) Artikel 127 van de Toetredingsakte.
BIJLAGE II
MINIMUMKWALITEITSEISEN VOOR TAFELWIJNEN VAN HOGERE CATEGORIE
I. Witte wijn
1.2 // a) effectief alcoholgehalte: // ten minste 11 % vol // b) totaal gehalte aan zuren (uitgedrukt in wijnsteenzuur): // ten minste 4,5 g/l en ten minste 3,5 g/l voor de in Spanje geproduceerde tafelwijn (1) // c) gehalte aan vluchtige zuren: // ten hoogste 8 milli-equivalenten/l // d) gehalte aan zwaveldioxyde: // ten hoogste 135 mg/l // e) gehalte aan residusuiker: // ten hoogste 2 g/l // f) gedrag bij contact met de lucht: // goed gedurende 24 uur // g) geen slechte smaak. //
II. Rode wijn
1.2 // a) effectief alcoholgehalte: // ten minste 11 % vol // b) totaal gehalte aan zuren (uitgedrukt in wijnsteenzuur): // ten minste 4,5 g/l en ten minste 3,5 g/l voor de Spanje geproduceerde tafelwijn (1) // c) gehalte aan vluchtige zuren: // ten hoogste 11 milli-equivalenten/l // d) totaal gehalte aan zwaveldioxyde: // ten hoogste 95 mg/l // e) gehalte aan residusuiker: // ten hoogste 2 g/l // f) gedrag bij contact met de lucht: // goed gedurende 24 uur // g) geen slechte smaak // // h) geen hybriden. //
Roséwijnen moeten beantwoorden aan de voorwaarden zoals hierboven voorgeschreven voor rode wijnen, behalve, wat het zwaveldioxyde betreft, waarvoor het maximumgehalte hetzelfde is als het maximumgehalte dat voor witte wijnen is vastgesteld.
De sub a), d) en e) bedoelde voorwaarden gelden echter niet voor tafelwijn van de soorten R III, A II en A III.
(1) Artikel 127 van de Toetredingsakte.
Top