Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3973/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende de toepassing van de protocollen inzake de financiële en technische samenwerking tussen de Gemeenschap en Algerije, Marokko, Tunesië, Egypte, Libanon, Jordanië, Syrië, Malta en Cyprus
Publicatieblad Nr. L 370 van 30/12/1986 blz. 0005
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3973/86 VAN DE RAAD
van 22 december 1986
betreffende de toepassing van de protocollen inzake de financiële en technische samenwerking tussen de Gemeenschap en Algerije, Marokko, Tunesië, Egypte, Libanon, Jordanië, Syrië, Malta en Cyprus
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 209 en 235,
Gelet op de verordeningen betreffende de sluiting van de protocollen inzake de financiële en technische samenwerking tussen de Gemeenschap en Algerije (1), Marokko (2), Tunesië (3), Egypte (4), Libanon (5), Jordanië (6), Syrië (7), Malta (8) en Cyprus (9), hierna »protocollen" te noemen,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Gezien het advies van de Rekenkamer (10),
Overwegende dat in de protocollen het bedrag van de steun van de Gemeenschap voor elk van deze landen is vastgesteld en dat deze protocollen hun eigen bijzondere kenmerken hebben; dat niettemin gemeenschappelijke toepassingsregels moeten worden vastgesteld;
Overwegende dat de bijzondere bepalingen voor het beheer van de niet met eigen middelen van de Europese Investeringsbank, hierna »Bank" te noemen, gedekte steun moeten worden vastgesteld;
Overwegende dat het nodig is regels vast te stellen voor het beheer van de financiële samenwerking, een procedure te bepalen voor het richting geven aan en het onderzoeken en goedkeuren van de steunmaatregelen, en de wijze van controle op het gebruik van deze steun vast te stellen;
Overwegende dat het Verdrag, afgezien van artikel 235, niet voorziet in de daartoe vereiste bevoegdheden;
Overwegende dat er bij de Commissie een comité van vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten dient te worden ingesteld;
Overwegende dat de door de Bank opgestelde ontwerp-besluiten tot financiering van verrichtingen die niet met eigen middelen worden gedekt, voor advies dienen te worden voorgelegd aan het comité van vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten;
Overwegende dat het dienstig is de door de Commissie en de Bank verrichte werkzaamheden met het oog op de toepassing van de protocollen te harmoniseren;
Overwegende dat de Raad op 16 juli 1974 een resolutie betreffende de harmonisatie en cooerdinatie van het samenwerkingsbeleid van de Lid-Staten heeft aangenomen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Bij de tenuitvoerlegging van de steunmaatregelen voor Algerije, Marokko, Tunesië, Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië draagt de Commissie zorg voor de toepassing van het algemene mediterrane beleid en het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, zoals vastgesteld door de Raad, alsmede van de krachtens de met die landen gesloten overeenkomsten en protocollen vastgestelde algemene richtlijnen voor de technische en financiële samenwerking.
2. Bij de tenuitvoerlegging van de steunmaatregelen voor Malta en Cyprus draagt de Commissie zorg voor de toepassing van het algemene mediterrane beleid en het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, zoals vastgesteld door de Raad, alsmede van de algemene richtlijnen voor de technische en financiële samenwerking als vastgesteld krachtens het Protocol houdende vaststelling van enkele bepalingen betreffende de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Malta (11), het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Cyprus (12), en de met deze landen gesloten protocollen inzake financiële en technische samenwerking.
Artikel 2
1. De kredieten, geopend voor de financiering van de steunmaatregelen die niet met eigen middelen van de Bank worden gedekt, worden door de Commissie beheerd overeenkomstig het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, behoudens met name de artikelen 9, 10 en 11 van de onderhavige verordening en onverminderd de bevoegdheden van de Bank ten aanzien van het beheer van bepaalde steunvormen.
2. De bijzondere voorschriften voor het beheer van de in lid 1 bedoelde kredieten, met name betreffende de aanwijzing van de organen voor de financiële uitvoering en de voorwaarden voor een gelijkwaardige concurrentie, worden evenwel, voor zover dergelijke voorschriften noodzakelijk zijn voor de toepassing van de protocollen, in gezamenlijk overleg tussen de Commissie en ieder begunstigd land vastgesteld.
Artikel 3
1. Wat Algerijë, Marokko, Tunesië, Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië betreft, verstrekt de Commissie de Bank, na raadpleging van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten, uit naam van de Gemeenschap een algemeen mandaat voor het beheer van de rentesubsidies voor de leningen uit haar eigen middelen, van de verrichtingen met risicodragend kapitaal, alsmede van de bijzondere leningen in de sectoren industrie, energie, mijnbouw, toerisme en economische infrastructuur.
De Commissie zorgt zelf voor het beheer van de giften bestemd voor programma's of acties voor technische bijstand in ongeacht welke sector, alsmede voor het beheer van de bijzondere leningen in andere sectoren dan die bedoeld in het in de eerste alinea bedoelde aan de Bank verstrekte algemene mandaat.
2. Wat Malta en Cyprus betreft, verstrekt de Commissie de Bank, na raadpleging van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten, een algemeen mandaat van de Gemeenschap voor het beheer van de rentesubsidies voor de leningen uit eigen middelen, alsmede voor het beheer van de verrichtingen met risicodragend kapitaal en de bijzondere leningen.
De Commissie zorgt zelf voor het beheer van de giften bestemd voor programma's of acties voor technische bijstand.
3. De overeenkomstig de leden 1 en 2 aan de Bank verstrekte mandaten, met name de bepalingen betreffende het geldverkeer en de beloning van de mandataris, worden na raadpleging van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten opgenomen in een overeenkomst tussen de Commissie en de Bank. In deze overeenkomst worden ook de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 11 opgenomen.
De verrichtingen die voortvloeien uit de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde mandaten en die betrekking hebben op de bijzondere leningen en het risicodragend kapitaal, worden door de Bank uitgevoerd voor rekening en op risico van de Gemeenschap.
De Bank handelt volgens de procedures van haar statuten en volgens de bepalingen van de in de eerste alinea bedoelde overeenkomst.
Artikel 4
De Commissie stelt de Lid-Staten ten minste eenmaal per jaar in kennis van de inlichtingen die zij van de begunstigde landen ontvangt over de inhoud en de vooruitzichten van hun ontwikkelingsplan, over de doelstellingen die zij willen nastreven, alsmede over de reeds bekende projecten waarmee deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.
De Commissie stelt deze gegevens op in samenwerking met de Bank.
Tegelijkertijd verstrekken de Lid-Staten de Commissie gegevens over de bilaterale steun waartoe ten behoeve van de begunstigde landen is besloten; de Commissie zendt deze gegevens door aan de overige Lid-Staten.
Ook verstrekt de Commissie aan het in artikel 6 bedoelde Comité de gegevens die beschikbaar zijn over de overige bilaterale en multilaterale steunmaatregelen ten behoeve van de begunstigde landen.
Zij verzamelt hiertoe, mede om de Lid-Staten in te lichten, alle nodige gegevens over de steunmaatregelen ten behoeve van de begunstigde landen.
Artikel 5
1. Het door de Gemeenschap in te nemen standpunt met het oog op de omschrijving van de specifieke doelstellingen van de financiële en technische samenwerking in de Samenwerkings- of Associatieraden, wordt door de Raad vastgesteld op basis van een voorstel van de Commissie dat in nauwe samenwerking met de Bank wordt uitgewerkt aan de hand van de krachtens artikel 4 verzamelde gegevens. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, deelt de Bank haar standpunt aan de Raad mede.
2. Met het oog op de tenuitvoerlegging van de financiële en technische samenwerking op basis van de in het eerste lid genoemde specifieke doelstellingen beraadslaagt de Raad jaarlijks over de richtsnoeren voor de voortzetting van de financiële samenwerking. Hij ziet er in dit verband op toe dat met name naar behoren rekening wordt gehouden met de wederzijdse complementariteit van de betrokken belangen.
Ten behoeve van dit oriënterend beraad legt de Commissie de Raad een verslag voor, opgesteld in samenwerking met de Bank voor de haar betreffende passages, over de tenuitvoerlegging van de financiële samenwerking in het afgelopen jaar. De Commissie en de Bank stellen de Raad eveneens in kennis van de bij de begunstigde landen ingewonnen inlichtingen over de gewenste financieringen en de transacties die de Commissie en de Bank overeenkomstig de artikelen 7 en 10 voornemens zijn voor advies voor te leggen aan de in de artikelen 6 en 9 bedoelde comités.
Voorts maken de Commissie en de Bank een evaluatie van de voornaamste voltooide projecten in belangrijke sectoren, dat wil zeggen dat elke instelling de haar betreffende projecten evalueert, zulks om vast te stellen of de in de voorafgaande beoordeling van deze projecten omschreven doelstellingen zijn bereikt en ten einde richtlijnen te verschaffen voor een grotere doeltreffendheid van toekomstige steunmaatregelen. Alle Lid-Staten ontvangen de evaluatieverslagen.
Artikel 6
1. Bij de Commissie wordt een comité ingesteld, hierna »Comité van artikel 6" te noemen, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten. Het Comité van artikel 6 staat onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie; het secretariaat wordt door de Commissie waargenomen.
Een vertegenwoordiger van de Bank neemt deel aan de werkzaamheden van het Comité.
2. De Raad stelt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen het reglement van orde van het Comité van artikel 6 vast.
3. Het Comité van artikel 6 spreekt zich uit met de gekwalificeerde meerderheid van stemmen bedoeld in artikel 148, lid 2, van het Verdrag.
4. In het Comité van artikel 6 worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen volgens het bepaalde in artikel 148, lid 2, van het Verdrag.
Artikel 7
1. Het Comité van artikel 6 geeft advies over de door de Commissie voorgelegde ontwerp-besluiten tot financiering van projecten of acties.
2. In de ontwerp-besluiten tot financiering van projecten of acties wordt met name uiteengezet welke plaats zij innemen in het kader van de ontwikkelingsvooruitzichten van het begunstigde land of de begunstigde landen, terwijl voorts een oordeel over de doeltreffendheid van elk project of elke actie wordt gegeven, waarbij de van de uitvoering daarvan verwachte effecten worden afgewogen tegen de investeringen die daarvoor moeten worden gedaan. Eventueel wordt vermeld in hoeverre de reeds door de Gemeenschap in het kader van het project of van soortgelijke projecten in dit land of in deze landen verleende steun is benut, en worden de diverse externe bronnen die bij de financiering van deze projecten zijn betrokken, vermeld.
De ontwerp-besluiten bevatten in het bijzonder maatregelen die overeenkomstig de protocollen ten doel hebben de deelneming van ondernemingen uit de begunstigde landen aan de uitvoering van de projecten te bevorderen.
Artikel 8
De Commissie neemt besluiten die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien het Comité van artikel 6 geen gunstig advies heeft uitgebracht, worden deze besluiten door de Commissie onverwijld ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval stelt de Commissie de toepassing van de door haar genomen besluiten tot ten hoogste drie maanden na deze kennisgeving uit.
De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen drie maanden een andersluidend besluit nemen.
Artikel 9
1. Bij de Bank wordt een Comité ingesteld, hierna »Comité van artikel 9" te noemen, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten.
Het Comité van artikel 9 staat onder voorzitterschap van de vertegenwoordiger van de Regering van de Lid-Staat die het voorzitterschap van de Raad van Gouverneurs van de Bank waarneemt; het secretariaat wordt door de Bank waargenomen.
Een vertegenwoordiger van de Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het Comité.
2. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen het reglement van orde van het Comité van artikel 9 vast.
3. Het Comité van artikel 9 spreekt zich uit met de gekwalificeerde meerderheid van stemmen bedoeld in artikel 148, lid 2, van het Verdrag.
4. In het Comité van artikel 9 worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148, lid 2, van het Verdrag.
Artikel 10
1. Het Comité van artikel 9 brengt advies uit over de door de Bank krachtens artikel 3 opgestelde ontwerpfinancieringsbesluiten.
De vertegenwoordiger van de Commissie zet het standpunt van zijn Instelling ten aanzien van deze ontwerpen uiteen.
Het standpunt van de Commissie betreft met name de vraag of de ontwerpen in overeenstemming zijn met de in de overeenkomsten of de protocollen omschreven doelstellingen van de financiële en technische samenwerking en met de algemene richtlijnen die door de Samenwerkings- of Associatieraden zijn vastgesteld.
2. Het Comité van artikel 9 wordt bovendien door de Bank ingelicht over de leningen zonder rentesubsidie die de Bank uit haar eigen middelen wil verstrekken.
Artikel 11
1. In het document waarmede de Bank een ontwerp-financieringsbesluit aan het Comité van artikel 9 voorlegt, wordt met name uiteengezet welke plaats het project inneemt in het kader van de ontwikkelingsvooruitzichten van het begunstigde land of de begunstigde landen, terwijl in voorkomend geval ook wordt vermeld in hoeverre de door de Bank verleende steun die moet worden terugbetaald, is benut.
2. Wanneer het Comité van artikel 9 over een ontwerp-besluit tot financiering via een bijzondere lening of met risicodragend kapitaal een gunstig advies uitbrengt en de Commissie ter zake een positief standpunt inneemt, wordt dit ontwerp voorgelegd aan de Raad van Bewind van de Bank, die zich overeenkomstig de statuten van de Bank uitspreekt.
Indien een gunstig advies van het Comité van artikel 9 ontbreekt, of de Commissie een negatief standpunt inneemt, trekt de Bank het ontwerp in of vraagt de Lid-Staat die het voorzitterschap van het Comité van artikel 9 waarneemt, de zaak zo spoedig mogelijk aan de Raad voor te leggen.
3. Wanneer de zaak bij het ontbreken van een gunstig advies van het Comité van artikel 9 of in geval van een negatief standpunt van de Commissie overeenkomstig lid 2, tweede alinea, aan de Raad wordt voorgelegd, wordt het ontwerp van de Bank, vergezeld van het met redenen omklede advies van het Comité van artikel 9 of het standpunt van de Commissie, aan de Raad voorgelegd.
De Raad spreekt zich met gekwalificeerde meerderheid van stemmen uit. Indien de Raad besluit het door het Comité van artikel 9 of door de Commissie ingenomen standpunt te bevestigen, trekt de Bank haar voorstel in.
Indien de Raad zich daarentegen uitspreekt ten gunste van het voorstel van de Bank, legt deze de in haar statuten vastgestelde procedures ten uitvoer.
4. De Commissie en de Bank wijzen in gezamenlijk overleg de takken van bedrijvigheid aan die in aanmerking kunnen komen voor een lening met rentesubsidie.
Wanneer het Comité van artikel 9 een gunstig advies uitbrengt over een verzoek om een lening met rentesubsidie, wordt het verzoek voorgelegd aan de Raad van Bewind van de Bank, die zich uitspreekt overeenkomstig de statuten van de Bank.
Bij het ontbreken van een gunstig advies van het Comité van artikel 9, trekt de Bank het verzoek in of besluit zij tot handhaving hiervan. In dit laatste geval wordt het verzoek, vergezeld van het met redenen omklede advies van het Comité, voorgelegd aan de Raad van Bewind van de Bank, die zich overeenkomstig de statuten van de Bank uitspreekt.
Artikel 12
1. De Commissie ziet erop toe dat de in artikel 3 omschreven mandaten alsmede de rechtstreeks door haar beheerde steun ten uitvoer worden gelegd en zij gaat na onder welke voorwaarden de met deze steun gefinancierde lopende projecten worden uitgevoerd door de begunstigde landen of door eventuele andere begunstigden die in de respectieve met deze landen gesloten protocollen worden genoemd.
2. In nauwe samenwerking met de verantwoordelijke autoriteiten van het begunstigde land of van de begunstigde landen gaat zij voorts na onder welke voorwaarden de met de communautaire steun uitgevoerde projecten door de begunstigden worden benut.
3. Bij de in de leden 1 en 2 bedoelde onderzoeken gaat de Commissie met de Bank na in hoeverre er sprake is van verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de Samenwerkingsovereenkomsten met Algerije, Marokko, Tunesië, Egypte, Libanon, Jordanië en Syrië, van het Protocol houdende vaststelling van enkele bepalingen betreffende de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Malta, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Cyprus, alsmede de bepalingen van de protocollen met al deze landen.
4. De Commissie deelt het Europese Parlement en de Raad desgevraagd en ten minste eenmaal per jaar mee in hoeverre de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde voorwaarden zijn nageleefd.
Artikel 13
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1987.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 22 december 1986.
Voor de Raad
De Voorzitter
G. SHAW
(1) PB nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 1.
(2) PB nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 29.
(3) PB nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 43.
(4) Pb nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 8.
(5) PB nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 22.
(6) PB nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 15.
(7) PB nr. L 337 van 29. 11. 1982, blz. 36.
(8) PB nr. L 216 van 5. 8. 1986, blz. 1.
(9) PB nr. L 85 van 28. 3. 1984, blz. 37.
(10) PB nr. C 302 van 27. 11. 1986, blz. 6.
(11) PB nr. L 111 van 28. 4. 1976, blz. 3.
(12) PB nr. L 339 van 28. 12. 1977, blz. 2.
Top