Avis juridique important
87/16/EEG: Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 betreffende een steunvoornemen van de Italiaanse Regering ten behoeve van een onderneming in de chemische industrie (hulpstoffen voor de industrie, tussenprodukten en bestrijdingsmiddelen) (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 012 van 14/01/1987 blz. 0027 - 0031
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 23 april 1986
betreffende een steunvoornemen van de Italiaanse Regering ten behoeve van een onderneming in de chemische industrie (hulpstoffen voor de industrie, tussenprodukten en bestrijdingsmiddelen)
(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
(87/16/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Na belanghebbenden overeenkomstig genoemd artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I
Bij schrijven van 7 januari 1985 heeft de Italiaanse Regering de Commissie, overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag, en de besluiten van de Commissie van 11 juli 1983 en 2 augustus 1985 betreffende Wet nr. 46/82 (Innovatiefonds), in kennis gesteld van haar voornemen om uit hoofde van genoemde wet steun te verlenen voor een programma inzake innovatie op het gebied van eindprodukten en tussenprodukten in de chemische sector.
Het programma voorziet in onderzoek, ontwikkeling en proefnemingen met nieuwe procédés en nieuwe produkten op het gebied van hulpstoffen voor de industrie, tussenprodukten en bestrijdingsmiddelen.
De kosten van het programma belopen 30 399 miljoen lire. De steun zou worden verstrekt in de vorm van een krediet tegen verlaagde rente van 12 958 miljoen lire, hetgeen overeenkomt met 42,6 % van de kosten van het programma. Op basis van de referentierente van 17,13 %, zouden de kosten van dit krediet neerkomen op 2,57 % gedurende de eerste vijf jaar en 10,27 % voor de tien daaropvolgende jaren. Het netto-subsidie-equivalent kan worden geraamd op ongeveer 11 % van de kosten van het programma.
Bij de artikelen 14 tot en met 19 van Wet nr. 46/82 van 17 februari 1982, gepubliceerd in de »Gazetta Ufficiale della Repubblica Italiana" nr. 57 van 27 februari 1982 is een »Fondo speciale rotativo per l'innovazione tecnologica" (een speciaal fonds voor de technologische innovatie) ingesteld dat de bevordering beoogt van programma's tot invoering van technologische innovaties, gericht op nieuwe produkten of produktieprocédés of op de verbetering van reeds bestaande produkten of produktieprocédés.
De steun uit dit fonds dient voor de opzet van programma's, proefnemingen, ontwikkeling en aan de eigenlijke industrialisatie voorafgaande maatregelen en wordt verstrekt in de vorm van kredieten tegen verlaagde rente overeenkomende met 55 % van de programmakosten voor een duur van 15 jaar, waarvan vijf aflossingsvrij. De rentevoet die op deze kredieten wordt toegepast bedraagt 15 % van de referentierente gedurende de eerste vijf jaar en 60 % van de referentierente gedurende de tien daaropvolgende jaren. Op basis van de huidige referentierente van 17,13 % zouden de kosten van deze kredieten neerkomen op 2,57 % gedurende de eerste vijf jaar en 10,27 % gedurende de tien daaropvolgende jaren. Eventueel kan in plaats van een krediet tegen verlaagde rente of een deel daarvan een »subsidie à fonds perdu" worden verstrekt. De steun uit dit fonds mag niet worden gecumuleerd met andere steun ten behoeve van ditzelfde programma.
De Commissie heeft bij schrijven van 11 juli 1983 en meer recentelijk bij schrijven van 2 augustus 1985 betreffende de herfinanciering van dit fonds ingestemd met de toepassing van Wet nr. 46/82. Volgens haar kan in dit geval het bevorderen van de onderzoek- en innovatieprogramma's zoals dit bij deze wet is georganiseerd in het belang zijn van de Gemeenschap, mits de hulp niet wordt verstrekt voor produktieve investeringen en een buitensporige concentratie van de betrokken steun op bepaalde sectoren wordt vermeden, aangezien zulks de voorwaarden waaronder het handelsverkeer tussen de Lid-Staten plaatsvindt zodanig kan beïnvloeden dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
De Commissie heeft bij de goedkeuring van de toepassing van Wet nr. 46/82 eveneens als voorwaarde gesteld dat belangrijke concrete gevallen, met name gevallen waarin de kosten van het programma meer dan 15 miljard lire bedragen (10 miljard indien het programma wordt uitgevoerd door een onderneming die reeds via een ander programma steun uit het fonds heeft ontvangen), haar overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag, van tevoren dienen te worden medegedeeld aangezien het, op basis van Wet nr. 46/82 alleen, voor de Commissie niet mogelijk is na te gaan of het inderdaad innoverende maatregelen - en dus geen produktieve investeringen - betreft die bijdragen tot de verwezenlijking van een doelstelling die het gemeenschappelijk belang bevordert. De Commissie heeft zich het recht voorbehouden elk belangrijk geval op basis van zijn eigen merites te bestuderen, daarbij nagaande wat de achtergrond daarvan is en welke gevolgen de hulp in kwestie kan hebben op de concurrentiepositie van de ondernemingen in de betrokken sectoren in de zin van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag. De Commissie heeft na een eerste bestudering van het door de Italiaanse Regering bij schrijven van 7 januari 1985 aangemelde steunvoornemen, gemeend dat dit niet als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kon worden beschouwd.
Uit de inlichtingen die de Commissie waren toegezonden was niet gebleken of de hulp inderdaad zou dienen voor een innoverende maatregel ter verwezenlijking van een doelstelling die in het belang van de Gemeenschap wordt nagestreefd. Het leek veeleer te gaan om uitgaven die de betrokken onderneming een verdere normale voortzetting van haar werkzaamheden in de sector moesten garanderen. Derhalve had de Commissie besloten ten aanzien van dit steunvoornemen de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag in te leiden.
De Italiaanse Regering is bij schrijven van 18 april 1985 en de regeringen van de overige Lid-Staten bij schrijven van 25 juni 1985 ingelicht over dit besluit. De andere belanghebbenden dan de Lid-Staten zijn via een bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (1) op 11 juli 1985 op de hoogte gesteld.
II
De Italiaanse Regering heeft in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag bij schrijven van 12 juni 1985 van haar Permanente Vertegenwoordiging alsook tijdens een technische vergadering te Brussel op 17 juni 1985 geantwoord.
De Italiaanse Regering is van mening dat het onderzoekprogramma niet kan worden beschouwd als een onderdeel van de normale innoverende maatregelen die ieder chemisch bedrijf in de Gemeenschap uitvoert. Dank zij het programma zou het technologisch potentieel van de Gemeenschap kunnen worden uitgebreid. Dit potentieel zou met name nieuwe produkten en produktieprocédés betreffen die van de onderneming een dusdanige geheimhouding vereisen dat zelfs aanvragen van octrooien zou moeten worden ontraden.
Het onderzoek zou betrekking hebben op de sectoren:
- nieuwe hulpstoffen voor de industrie;
- nieuwe syntheseprocédés voor tussenprodukten voor de industrie;
- nieuwe technologieën voor de produktie van bestrijdingsmiddelen.
Wat de eerste sector betreft, hebben de Italiaanse autoriteiten medegedeeld dat het onderzoek gericht zou zijn op het ontdekken, ontwikkelen en in de handel brengen van nieuwe hulpstoffen voor de industrie die de eigenschappen van de vervaardigde kunststofprodukten onder moeilijke gebruiksomstandigheden zouden moeten verbeteren. Deze verbetering zou bestaan in een stabilisering van de polymerische systemen door het gebruik van nieuwe verbindingen die innoverende eigenschappen hebben vergeleken met de produkten die thans in de handel zijn, die grotendeelds worden ingevoerd uit de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. De nieuwe verbindingen zouden door hun bijzondere eigenschappen dikwijls kunnen worden gebruikt op terreinen waarvoor de traditionele produkten niet geschikt zijn.
Voor de tweede sector zou het onderzoek voornamelijk gericht zijn op het ontdekken van oorspronkelijke innoverende procédés voor de synthese van organische tussenprodukten voor farmaceutische produkten, additieven voor polymeren, voedingsadditieven, enz.
Het onderzoek zou met name gericht zijn op:
- het uitschakelen van mogelijke gevaarlijke omstandigheden die eigen zijn aan het werken met bepaalde chemische reactiemiddelen. Een voorbeeld in dit opzicht is het nieuwe technologische procédé dat het gebruik mogelijk maakt van dimethylcarbonaat waardoor het opslaan van gevaarlijke reactiemiddelen zoals methylisocyanaat en fosgeen overbodig wordt;
- een vermindering van het energieverbruik. Een voorbeeld in dit verband is de activering van zuurstofhoudend water door zeolithische katalyse. Met behulp van deze totaal nieuwe katalyse zou de indeling mogelijk zijn gemaakt van een procédé inzake de hydroxylering van fenol, waardoor vergeleken met de bestaande procédés 50 % aan energie kan worden bespaard.
Voor de derde sector beoogt het onderzoek de ontwikkeling van nieuwe synthesemethoden voor bestrijdingsmiddelen dank zij de door de beschikbaarheid van dimethylcarbonaat geboden mogelijkheden. Men zou met name een studie maken van de synthese van ureum gemengd met carbonaat en methylisocyanaat door in plaats van fosgeen dimethylcarbonaat als carbonyl- of carboxylvamer te gebruiken.
De Italiaanse autoriteiten hebben er tot besluit van hun opmerkingen op gewezen dat het onderzoekprogramma niet dient te worden beschouwd als een normale activiteit van de onderneming, doch integendeel een uiterst innoverend programma met een groot technisch en commercieel risico is. Het programma zou derhalve geen tegen het gemeenschappelijk belang indruisende concurrentiedistorsies teweegbrengen, doch zou integendeel duidelijk in het belang zijn van de Gemeenschap die daarmee haar technologisch potentieel verruimd zal zien.
Vier andere Lid-Staten en bepaalde concurrerende ondernemingen hebben in hun in het kader van dezelfde procedure ingediende opmerkingen de Commissie in haar standpunt gesteund en zich uiterst ongerust getoond ten aanzien van het betrokken steunvoornemen.
Zij menen dat het hier gaat om activiteiten die reeds in mindere of meerdere mate in andere Lid-Staten bestaan, en dat de innoverende aspecten van het programma derhalve niet verder gaan dan hetgeen andere ondernemingen normaal op eigen kosten doen.
In de sector kunststofprodukten en parasietenverdelgende middelen zouden tal van Europese ondernemingen bij het onderzoek zijn ingeschakeld. De steun in kwestie zou derhalve, doordat zij ten onrechte de Italiaanse onderneming bevoordeelt, de concurrentie in de Gemeenschap kunnen vervalsen. Zij hebben gewezen op de omvang van het handelsverkeer binnen de Gemeenschap en op het feit dat de producenten zonder moeilijkheden in de vraag naar bestrijdingsmiddelen kunnen voorzien.
III
De Commissie is van oordeel dat het steunvoornemen dat door de Italiaanse Regering is aangemeld als een concreet geval van toepassing van Wet nr. 46/82, een steunmaatregel is in de zin van artikel 92, lid 1.
De Commissie heeft geconstateerd dat het steunvoornemen een op Europees niveau uiterst belangrijk chemisch bedrijf betreft dat naar de andere landen van de Gemeenschap een groot deel van zijn produktie uitvoert; dat het in dit verband interessant is de door de Italiaanse autoriteiten voor 1983 verstrekte statistische gegevens over dit bedrijf te bestuderen.
De betrokken onderneming heeft in 1983 de volgende hoeveelheden naar de andere Lid-Staten uitgevoerd:
- kunststofprodukten: 30,5 % van de produktie,
- kunstrubber en latex: 44,4 % van de produktie,
- chemische produkten: 20,9 % van de produktie,
- tussenprodukten voor wasmiddelen: 17,3 % van de produktie,
- meststoffen en bestrijdingsmiddelen: 6,7 % van de produktie,
- farmaceutische produkten: 14,3 % van de produktie,
- synthetische vezels en textielprodukten: 28,2 % van de produktie.
Rekening dient te worden gehouden met het feit dat deze percentages overeenkomen met belangrijke hoeveelheden goederen aangezien de totale produktie van de onderneming voor elk van bovengenoemde produkten groot is.
De produktie van de betrokken onderneming voor de produkten waarop het onderzoek betrekking heeft vertegenwoordigde in 1983 een waarde van 2 500 miljoen lire. De Italiaanse autoriteiten hebben ten aanzien van de produkten, waarop het onderzoek door de onderneming betrekking heeft, medegedeeld dat de bestemming daarvan hoofdzakelijk gelijk zal blijven aan de huidige bestemming van soortgelijke produkten. De Italiaanse autoriteiten hebben laten weten dat de onderneming 40 % van haar produktie van hulpstoffen voor de industrie naar andere Lid-Staten denkt uit te voeren. Voor de tussenprodukten voor de industrie zal dit percentage naar verwachting op 10 liggen; de onderneming zal waarschijnlijk de gehele produktie van tussenprodukten voor bestrijdingsmiddelen naar derde landen uitvoeren.
Wanneer financiële steun van de overheid de positie van een onderneming ten opzichte van zijn concurrenten bij het handelsverkeer binnen de Gemeenschap versterkt, dient deze steun te worden aangemerkt als schadelijk voor het handelsverkeer binnen de Gemeenschap. In het onderhavige geval kan de voorgenomen steun, die voor het betrokken chemische bedrijf een vermindering van de normaal door dit bedrijf zelf te dragen investeringskosten zou inhouden, het handelsverkeer ongunstig beïnvloeden of de mededinging in het voordeel van genoemde onderneming dreigen te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag. Volgens dit artikel is steun met de daarin omschreven eigenschappen in principe onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
De voorgenomen steun kan niet in aanmerking komen voor de uitzonderingen van artikel 92, lid 2, van het EEG-Verdrag, gezien de aard van de steun, die zou worden verleend uit hoofde van een wet (Wet nr. 46/82) die niet de in genoemde bepaling vastgelegde doelstellingen nastreeft.
In artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag worden de steunmaatregelen vermeld die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. De verenigbaarheid met het Verdrag dient derhalve te worden beoordeeld binnen de context van de Gemeenschap en niet binnen die van een enkele Lid-Staat. Tot behoud van een goede werking van de gemeenschappelijke markt, dienen de afwijkingen van het principe van artikel 92, lid 1, vermeld in lid 3 van dat artikel, bij de bestudering van een steunregeling of een specifiek geval strikt te worden geïnterpreteerd, daarbij rekening houdende met het principe van artikel 3, onder f), van het EEG-Verdrag.
Deze uitzonderingen kunnen slechts worden toegepast wanneer de Commissie heeft kunnen vaststellen dat het marktmechanisme zonder steun op zichzelf niet voldoende is om de potentiële begunstigde te nopen tot een gedrag dat nodig is voor het verwezenlijken van een van de doelstellingen vermeld in deze uitzonderingsbepalingen.
Toepassing van deze afwijkingen op gevallen waarin de steun niet noodzakelijk zou zijn voor het verwezenlijken van deze doelstellingen, zou neerkomen op het ten onrechte verlenen van voordelen aan sectoren of ondernemingen van bepaalde Lid-Staten die daardoor hun financiële positie versterkt zouden zien en zou het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging vervalsen zonder dat zulks in welke mate dan ook zou worden gerechtvaardigd door het belang van de Gemeenschap in de zin van artikel 92, lid 3.
De Italiaanse Regering heeft zonder uitdrukkelijk een van de categorieën van uitzonderingen bedoeld in artikel 92, lid 3, te noemen, verklaard dat het onderzoekprogramma voldoet aan de voorwaarden die ten grondslag liggen aan Wet nr. 46/82, dat wil zeggen dat het een zeer innoverend programma is en dat het in het algemeen niet alleen het handelsverkeer niet op een tegen het gemeenschappelijk belang indruisende manier zal vervalsen, doch dat het daarentegen duidelijk van belang is voor de Gemeenschap aangezien het bijdraagt tot een verruiming van het communautair technologisch potentieel.
De Commissie is van oordeel dat de Italiaanse Regering een beroep heeft gedaan op de uitzonderingsbepaling van artikel 92, lid 3, onder c), voor steun ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten. Dit is ook de afwijking die volgens de Gemeenschap de bij Wet nr. 46/82 ingestelde steunregeling ter bevordering van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in de industrie kon rechtvaardigen. De Commissie heeft er reeds aan herinnerd dat zij ieder belangrijk geval van toepassing van Wet nr. 46/82 op de eigen merites daarvan bekijkt, en daarbij rekening houdt met niet alleen de innoverende aspecten van de maatregel die moeten bijdragen tot de verwezenlijking van een doelstelling die valt onder het gemeenschappelijk belang, doch ook met de gevolgen van de steun voor de concurrentiepositie van de ondernemingen uit de betrokken sector.
De Commissie heeft derhalve een grondige studie gemaakt van het steunvoornemen ten einde na te gaan of daarop een van de uitzonderingen bedoeld in artikel 92, lid 3, van toepassing kan zijn.
Ten aanzien van de uitzonderingen bedoeld in artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EEG-Verdrag ten behoeve van steun die de ontwikkeling van bepaalde streken moet bevorderen of vergemakkelijken, dient te worden opgemerkt dat de levensstandaard in de betrokken gebieden niet abnormaal laag is, dat daar evenmin een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst in de zin van de in punt a) bedoelde uitzondering en dat de Italiaanse Regering zich evenmin op deze bepaling beroept.
Ten aanzien van de uitzonderingsbepaling in artikel 92, lid 3, onder b), is duidelijk dat de voorgenomen steun niet bestemd is om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van Italië op te heffen.
Als enige mogelijke uitzondering blijft over die van artikel 92, lid 3, onder c), van het EEG-Verdrag voor steunmaatregelen die de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid moeten vergemakkelijken. Dit is ook de uitzonderingsbepaling waarop de Italiaanse Regering zich indirect beroept. Na bestudering van het onderzoekprogramma evenwel heeft de Commissie geconcludeerd dat het voornemen niet in aanmerking kan komen voor deze bepaling.
De Commissie is immers aan de hand van de schriftelijke opmerkingen van de Italiaanse Regering, van de regeringen van vier andere Lid-Staten en de concurrerende ondernemingen alsook op grond van de tijdens een technische vergadering door de vertegenwoordigers van de Italiaanse Regering verstrekte toelichtingen tot de conclusie gekomen dat het onderzoekprogramma weliswaar een aantal innoverende elementen omvat - hetgeen niets bijzonders is aangezien het onderzoek wordt verricht in sectoren die een constante evolutie doormaken en waarin alle belangrijke chemische bedrijven, zowel in Europa als in derde landen, onderzoek verrichten, doch globaal genomen niet de hoge graad van innovatie vertegenwoordigt die nodig is voor de concrete gevallen van toepassing van Wet nr. 46/82.
De Commissie heeft kunnen constateren dat het onderzoek wordt verricht in de sectoren:
- nieuwe hulpstoffen voor de industrie,
- nieuwe syntheseprocédés voor tussenprodukten voor de industrie,
- nieuwe technologieën voor de produktie van bestrijdingsmiddelen.
De Commissie heeft, wat de eerste sector aangaat, kunnen constateren dat het gaat om onderzoek voor nieuwe en nog niet op de markt voorkomende produkten. Dit onderzoek beoogt, zoals de Italiaanse autoriteiten dit zelf omschrijven, de produktie van produkten met betere eigenschappen. De term »nieuwe hulpstoffen" is zo ruim en tegelijkertijd ook zo vaag dat, in tegenstelling tot hetgeen de Italiaanse autoriteiten doen, niet kan worden beweerd dat de Gemeenschap voor deze produkten afhankelijk is van derde meer geavanceerde landen; integendeel, de meerderheid van de hulpstoffen voor de industrie wordt geproduceerd door bedrijven uit de Gemeenschap.
De Italiaanse autoriteiten verklaren dat de onderneming die het programma in kwestie heeft opgesteld in Europa reeds »market leader" zou zijn voor bepaalde hulpstoffen in de industrie. Van de nieuwe hulpstoffen zou bovendien, volgens de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte percentages, 40 % bestemd zijn voor de markten van de andere landen van de Gemeenschap.
De Commissie heeft voor de sector nieuwe verbindingsprocédés voor hulpstoffen voor de industrie en de sector nieuwe technologieën voor de produktie van bestrijdingsmiddelen kunnen constateren dat de door de Italiaanse autoriteiten voorgelegde technologische innovaties in werkelijkheid niet zo innoverend zijn als wordt beweerd. De Italiaanse autoriteiten hebben eveneens uiteengezet dat methylisocyanaat (MIC) in de nieuwe installaties van de onderneming slechts tijdelijk als tussenprodukt gedurende het chemische procédé aanwezig is en bovendien in zeer geringe hoeveelheden, dat wil zeggen nog geen 1,5 kg in het geval van een installatie die per jaar 800 ton carbonyl of carbufuron produceert. De Commissie heeft met alle waardering voor de door het Italiaanse bedrijf ondernomen inspanningen, kunnen constateren dat andere communautaire producenten reeds baanbrekende produkten zonder fosgeen gebruiken zoals dimethylureen en difenilcarbonaat die vanuit een oogpunt van bescherming van gezondheid en veiligheid, kunnen worden vergeleken met het door de Italiaanse onderneming gebruikte dimethylamingas.
De Commissie is, ten aanzien van het tweede aangehaalde innoverende aspect, namelijk de weliswaar slechts tijdelijke en geringe aanwezigheid van MIC tijdens de chemische reactie, van mening dat het hier niet een werkelijke innovatie betreft, doch dat het veeleer gaat om het feit dat bij de nieuwe installaties continuprocessen worden gebruikt. Bij iedere nieuwe installatie waarbij men gebruik maakt van continuprocessen en niet van roulatieprocédés, is het niet nodig het tussenprodukt MIC op te slaan.
In de Gemeenschap bestaan andere installaties die werken met het continuproces en waarin de hoeveelheden van het tussenprodukt MIC bijgevolg kleiner zijn dan het geval is bij de traditionele installaties. Zelfs al mochten de nieuwe installaties van de Italiaanse onderneming veiliger zijn dan de thans bestaande installaties van dat soort en dit uitsluitend vanwege het feit dat ze moderner zijn, zou dit de Commissie niet van mening doen veranderen. De Commissie is ten slotte van oordeel dat het hier gaat om normale technische verbeteringen dank zij nieuwe investeringen in plaats van om ware innovaties. Wat het onderzoek ter vermindering van het energieverbruik aangaat, waarvan de activering van zuurstofhoudend water door zeolythische katalyse volgens de Italiaanse autoriteiten het innoverende karakter van het onderzoek door de onderneming het duidelijkst doet uitkomen, heeft de Commissie kunnen constateren dat er concurrerende Europese ondernemingen zijn die zeggen dit reeds toe te passen.
De produktiecapaciteit voor zeoliet in de Gemeenschap ligt momenteel op 300 000 à 320 000 ton waarvan 200 000 ton in Duitsland. Volgens de Commissie zijn er verschillende Europese ondernemingen die een intensief onderzoekprogramma op het gebied van zeolieten uitvoeren en maakt een aantal daarvan reeds aanspraak op innovaties die kunnen worden vergeleken met de innovaties die de Italiaanse onderneming aanvoert.
De Commissie meent dat het programma derhalve geen bijzonder innoverende aspecten omvat die van essentieel belang zijn om op de steun die aan het programma zou worden verleend de in artikel 92, lid 3, onder c), van het EEG-Verdrag vervatte uitzonderingsbepaling toe te passen.
In de chemische sector is het volkomen normaal dat de ondernemingen belangrijke bedragen besteden aan onderzoek op het gebied van nieuwe procédés, nieuwe produkten en de verbetering daarvan.
Zoals de Commissie reeds heeft opgemerkt, wordt de sector waarop het onderzoek betrekking heeft bovendien gekenmerkt door een sterke concurrentie tussen de communautaire ondernemingen en een uiterst intensief handelsverkeer. De Commissie heeft er tevens reeds op gewezen dat in de produkten waarvoor het onderzoek wordt verricht handelsverkeer binnen de Gemeenschap plaatsvindt ook al kan de Commissie geen precieze cijfers verstrekken over dit handelsverkeer aangezien in de NIMEXE dikwijls hele groepen van chemische produkten in een enkel kader worden ondergebracht.
De Commissie heeft de door de Italiaanse autoriteiten ingediende statistieken voor de uitvoer in 1983 en de vooruitzichten voor later reeds voorgelegd; de onderneming overweegt alleen voor de tussenprodukten voor bestrijdingsmiddelen geen uitvoer naar andere Lid-Staten.
Waarschijnlijk wordt dit ingegeven door het besef dat de Europese markt voor pesticiden zonder enig probleem in de vraag kan voorzien, hetgeen de gegrondheid van het standpunt van de Commissie wat betreft het onvoldoende innoverende karakter van de produkten in kwestie bevestigt, aangezien deze indien zij werkelijk zeer innoverend zouden zijn, ongetwijfeld naar de andere landen van de Gemeenschap zouden worden uitgevoerd.
De Commissie is van oordeel dat het onderzoekprogramma in kwestie niet voldoende innoverend is. Zij moet op basis van dit element en de andere hierboven besproken elementen vaststellen of de steun die aan dit programma wordt verleend in aanmerking kan komen voor de in artikel 92, lid 3, onder c), van het EEG-Verdrag bedoelde uitzonderingen.
De voorgenomen steun zou derhalve volgens de Commissie uitsluitend in het belang zijn van de onderneming die daarvan een opmerkelijk financieel voordeel zou hebben en deze zou haar financiële lasten, die zij in ieder geval zou moeten dragen om haar produkten te moderniseren en haar concurrentiekracht op de markt te behouden, zoals overigens alle andere Europese ondernemingen die niet dezelfde financiële voordelen genieten van hun kant doen, verminderd zien. De voorgenomen steun, die de betrokken onderneming zou bevoordelen, zou bijgevolg de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, wijzigen op een voor het gemeenschappelijk belang schadelijke wijze.
Het steunvoornemen beantwoordt derhalve niet aan de voorwaarden voor toepassing van een van de in artikel 92, leden 2 en 3, van het EEG-Verdrag neergelegde uitzonderingsbepalingen.
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De steun die de Italiaanse Regering in toepassing van Wet nr. 46/82 voornemens is te verlenen aan een Italiaanse onderneming met het oog op de uitvoering van een innovatieprogramma in de chemische sector, die over installaties beschikt zowel in het noorden als in het zuiden van het land, dat hulpstoffen voor de industrie, tussenprodukten en bestrijdingsmiddelen betreft, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag.
Italië mag derhalve de voorgenomen steunmaatregel niet tot uitvoering brengen.
Artikel 2
Italië stelt de Commissie binnen een maand na de datum van kennisgeving van deze beschikking in kennis van de maatregelen die het heeft getroffen tot nakoming daarvan.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 23 april 1986.
Voor de Commissie
Peter SUTHERLAND
Lid van de Commissie
(1) PB nr. C 172 van 11. 7. 1985, blz. 3.
Top