Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2026/1021
11.5.2026
RICHTLIJN (EU) 2026/1021 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 29 april 2026
betreffende de bestrijding van corruptie, ter vervanging van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad en van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 1, punt d), en artikel 83, leden 1 en 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Corruptie blijft een belangrijk probleem op Unieniveau, dat de stabiliteit en veiligheid van de samenleving bedreigt, onder meer omdat het georganiseerde en andere zware criminaliteit mogelijk maakt. Corruptie ondermijnt de democratische instellingen en de universele waarden waarop de Unie is gegrondvest, met name de rechtsstaat, democratie, gelijkheid en de bescherming van de grondrechten. Het brengt de ontwikkeling, de welvaart en de duurzaamheid en inclusiviteit van onze economieën in gevaar. Corruptiebestrijding is essentieel voor de versterking van de kwaliteit van de democratie en voor de volledige verwezenlijking van de rechtsstaat. Om corruptie doeltreffend te voorkomen en te bestrijden, is er een alomvattende en multidisciplinaire aanpak vereist. Deze richtlijn heeft tot doel corruptie aan te pakken door middel van het strafrecht, waardoor er een betere grensoverschrijdende samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk wordt.
(2)
Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad (4) bevat voorschriften inzake de strafbaarstelling van corruptie in de private sector. De Overeenkomst opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, punt c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (5) (de “Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn”), heeft betrekking op bepaalde daden van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten in het algemeen betrokken zijn. Die instrumenten zijn echter niet alomvattend genoeg, en de huidige strafbaarstelling van corruptie verschilt van lidstaat tot lidstaat, hetgeen een samenhangende en doeltreffende respons in de hele Unie bemoeilijkt. Ook zijn er lacunes in de handhaving aan het licht gekomen, alsook belemmeringen bij de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten. Deze richtlijn strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van die instrumenten. Aangezien de aan te brengen wijzigingen zowel in aantal als wat betreft hun inhoud aanzienlijk zijn, moeten beide instrumenten ter wille van de duidelijkheid integraal worden vervangen voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten.
(3)
Het bestaande rechtskader moet worden geactualiseerd en versterkt teneinde een doeltreffende corruptiebestrijding in de hele Unie te vergemakkelijken. Deze richtlijn heeft tot doel opzettelijk gepleegde corruptiedelicten strafbaar te stellen. Opzet en kennis kunnen worden afgeleid uit objectieve en feitelijke omstandigheden. Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften, staat het de lidstaten vrij om strengere voorschriften inzake corruptiedelicten vast te stellen of te handhaven. Deze richtlijn bouwt voort op het bestaande rechtskader en mag niet aldus worden uitgelegd dat ermee wordt beoogd de bestaande anticorruptieregels op nationaal niveau te verzwakken.
(4)
Corruptie is een transnationaal verschijnsel dat alle samenlevingen en economieën treft. Bij maatregelen op nationaal of Unieniveau moet die internationale dimensie worden erkend. Bij het optreden van de Unie moet daarom rekening worden gehouden met de werkzaamheden van de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (Greco), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC).
(5)
Uiteenlopende uitingen van corruptie vereisen van de lidstaten een doeltreffende gecoördineerde en geharmoniseerde aanpak van de onderliggende oorzaken en de gevolgen ervan. Om corruptie doeltreffend aan te pakken, zijn er zowel preventieve als repressieve mechanismen nodig. De lidstaten worden aangemoedigd om in het kader van de corruptiebestrijding een breed scala aan preventieve, wetgevende en samenwerkingsmaatregelen te nemen. Hoewel corruptie in de eerste plaats een misdrijf is en er in het nationale en internationale recht specifieke corruptiedelicten en corruptiegerelateerde delicten zijn gedefinieerd, kunnen tekortkomingen op het gebied van integriteit, niet openbaar gemaakte belangenconflicten of ernstige schendingen van integriteitsregels, corruptiedelicten worden als zij niet worden aangepakt. De voorkoming van corruptie vermindert de behoefte aan strafrechtelijke repressie en heeft bredere voordelen op het gebied van het bevorderen van het vertrouwen van het publiek en het beheer van het gedrag van overheidsfunctionarissen. Een doeltreffende aanpak van corruptiebestrijding in alle lidstaten moet berusten op maatregelen ter bevordering van transparantie en integriteit, onder meer door regulering op gebieden zoals belangenconflicten, lobbyactiviteiten en draaideurconstructies. Overheidsinstanties moeten naar de hoogste normen streven op het gebied van integriteit, transparantie en het vrijwaren tegen ongerechtvaardigde beïnvloeding, als een belangrijk onderdeel van corruptiebestrijding in het algemeen. Een openbare dienst die bestaat uit personen met een hoog niveau van vaardigheden en integriteit is een fundamentele pijler voor efficiënte, transparante en doeltreffende lidstaten die corruptie doeltreffend willen uitbannen. Meer transparantie, efficiëntie en gebruik van objectieve criteria bij de aanwerving en bevordering van overheidsfunctionarissen zou kunnen helpen een dergelijk personeelsbestand te bereiken. Omdat ook de private sector een sleutelrol speelt bij het voorkomen en opsporen van corruptie, kunnen de lidstaten de ontwikkeling en uitvoering van robuuste en doeltreffende nalevingsmechanismen binnen particuliere ondernemingen aanmoedigen. Om ten aanzien van de doeltreffendheid van die nalevingsmechanismen tot een gemeenschappelijke aanpak te komen, die een risicokaart, een gedragscode, evaluatie door derden en een interne controle en audit kan omvatten, kunnen de lidstaten samenwerken bij het ontwikkelen van gemeenschappelijke richtsnoeren.
(6)
Hoewel deze richtlijn volledig in overeenstemming is met alle toepasselijke bepalingen van nationale grondwetten, grondwettelijke beginselen en wetgeving, wordt benadrukt dat het onrechtmatig afschermen van personen, met name personen die openbare ambten bekleden, tegen verantwoording voor corruptiedelicten het vertrouwen van burgers kan ondermijnen op een wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van deze richtlijn.
(7)
Zonder afbreuk te doen aan hun institutionele en administratieve autonomie, moeten de lidstaten beschikken over instanties of organisatorische eenheden die belast zijn met de voorkoming en repressie van corruptie. De lidstaten zijn niet verplicht om krachtens deze richtlijn nieuwe instanties of organisatorische eenheden in het leven te roepen, zoals bijzondere rechtbanken of tribunalen, en kunnen besluiten om een orgaan of organisatorische eenheid zowel preventieve als repressieve taken toe te wijzen, alsook taken in verband met andere strafbare feiten, die bijvoorbeeld onder de georganiseerde misdaad vallen. Overeenkomstig het beginsel van de autonomie van de lidstaten hoeven die instanties of eenheden niet noodzakelijk centrale instanties of centrale organisatorische eenheden te zijn. Wanneer zij bevoegd zijn besluiten te nemen in zaken die onder hun aandacht worden gebracht of door hen zijn vastgesteld, of aanbevelingen te doen die zij noodzakelijk achten, moeten die instanties voor corruptiebestrijding, met volledige inachtneming van de institutionele en bestuurlijke autonomie van de lidstaten, zonder ongerechtvaardigde inmenging of ongerechtvaardigde beïnvloeding van anderen kunnen optreden en aldus beschermd zijn tegen ongepaste externe interventies of druk. Om de doeltreffende werking van die instanties of organisatorische eenheden te borgen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de aan die instanties of organisatorische eenheden toegewezen middelen en bevoegdheden volstaan om hun taken naar behoren uit te voeren en gespecialiseerde kennis over de voorkoming en de repressie van corruptie mogelijk maken.
(8)
Om burgers bewuster te maken van de omvang, de kenmerken en de gevolgen van corruptie, moeten verschillende maatregelen kunnen worden genomen, onder meer in samenwerking met belanghebbenden zoals het maatschappelijk middenveld, de academische wereld en de media. Mogelijke maatregelen zijn, onder meer, specifieke informatiebronnen, verzamelingen van publicaties en toepasselijke regelgeving, evenals voor het publiek toegankelijke bewustmakingscampagnes en seminars in een begrijpelijke taal.
(9)
De Unie is partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (United Nations Convention Against Corruption — UNCAC), het meest omvattende internationale rechtsinstrument ter bestrijding van corruptie, waarin maatregelen ter voorkoming en bestrijding van corruptie zijn samengebracht. Krachtens dat verdrag moeten de verdragsluitende partijen wetgevende en andere maatregelen nemen om omkoping, wederrechtelijke toe-eigening en het witwassen van geld strafbaar te stellen en moeten zij overwegen wetgevende of andere maatregelen te nemen om bijkomende handelingen, zoals misbruik van functie, ongeoorloofde beïnvloeding en onrechtmatige verrijking, strafbaar te stellen. In overeenstemming met de toezeggingen in de politieke verklaring die tijdens de speciale zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 2021 tegen corruptie is aangenomen, getiteld “Our common commitment to effectively addressing challenges and implementing measures to prevent and combat corruption and strengthen international cooperation” (Onze gezamenlijke verbintenis om op doeltreffende wijze uitdagingen aan te pakken en maatregelen te treffen teneinde corruptie te voorkomen en te bestrijden en de internationale samenwerking te versterken), moet de Unie, voor zover mogelijk, verder gaan dan de minimumvereisten van het UNCAC en aanvullende maatregelen vaststellen ter voorkoming en bestrijding van corruptie. Deze richtlijn is gebaseerd op de opmerkingen en beste praktijken die voortkomen uit het beoordelingsmechanisme voor de tenuitvoerlegging van het UNCAC.
(10)
Rekening houdend met de ontwikkeling van de corruptiedreigingen, de internationaalrechtelijke wettelijke verplichtingen van de Unie en de lidstaten en de ontwikkeling van nationale rechtskaders, dient de definitie van corruptiedelicten in alle lidstaten verder onderling te worden afgestemd, zodat corrupte gedragingen ruimer worden gedekt.
(11)
Om straffeloosheid voor corruptiedelicten in de publieke sector te voorkomen, moet het toepassingsgebied van deze richtlijn duidelijk worden afgebakend. Ten eerste moet het begrip “overheidsfunctionaris” ook personen omvatten die werkzaam zijn bij internationale organisaties, waaronder de instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale rechterlijke instanties. Ten tweede moet het begrip overheidsfunctionaris, aangezien veel entiteiten of personen openbare functies uitoefenen zonder een openbaar ambt te bekleden, alle betrokken ambtenaren omvatten — ongeacht of deze zijn benoemd of verkozen dan wel in dienst zijn op basis van een overeenkomst — die een bestuurlijk of rechterlijk ambt bekleden, alsook alle personen die openbare diensten verlenen en met overheidsgezag zijn bekleed of die in de uitoefening van die overheidsfunctie onder de controle of het toezicht van de overheid staan, zelfs indien zij geen openbaar ambt bekleden. Voor de toepassing van deze richtlijn moet de definitie van overheidsfunctionaris ook personen omvatten die een overheidsfunctie uitoefenen bij bedrijven die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van de staat, bij stichtingen voor vermogensbeheer en particuliere bedrijven die openbare diensten verlenen, en bij de door hen opgerichte of in stand gehouden rechtspersonen. Eenieder die op nationaal, regionaal of lokaal niveau een wetgevend ambt bekleedt, moet voor de toepassing van deze richtlijn worden gelijkgesteld aan een nationaal ambtenaar overeenkomstig het nationale recht.
(12)
Onder hoge ambtenaren moeten worden verstaan personen die sleutelfuncties op uitvoerend, bestuurlijk, wetgevend of rechterlijk niveau uitoefenen. Die functies kunnen bestaan uit het actief deelnemen aan de ontwikkeling of uitoefening van overheidsfuncties, het bepalen en uitvoeren van beleid, het handhaven van wetten, het voorstellen of uitvoeren van wetgeving, het vaststellen en uitvoeren van verordeningen of normatieve decreten, het nemen van beslissingen over overheidsuitgaven en over de benoeming van personen in sleutelfuncties op uitvoerend, bestuurlijk, wetgevend of rechterlijk niveau, alsmede het wijzen van beslissingen in rechtszaken. Hoge ambtenaren kunnen nationale ambtenaren omvatten, zoals leiders van een centrale of regionale regering, leden van een centrale of regionale regering, viceministers, staatssecretarissen, belangrijke politieke adviseurs, hoofden en leden van de eigen dienst of het kabinet van een minister, indien deze zijn opgericht, alsook leden van parlementaire kamers, leden van constitutionele en hooggerechtshoven, de procureur-generaal, en leden van hoge controle-instanties alsook leden van het college van commissarissen van de Europese Commissie en het Europees Parlement.
(13)
Het rechtskader voor de bestrijding van omkoping moet worden versterkt en de rechtshandhavings- en vervolgingsinstanties moeten worden uitgerust met doeltreffende en evenredige instrumenten. Er zijn twee soorten omkoping van overheidsfunctionarissen. Er is sprake van actieve omkoping in de publieke sector wanneer een persoon een ongerechtvaardigd voordeel van welke aard ook belooft, aanbiedt of verstrekt met het oog op de beïnvloeding van een overheidsfunctionaris. Er is sprake van passieve omkoping in de publieke sector wanneer een overheidsfunctionaris dat ongerechtvaardigd voordeel vraagt of ontvangt, of het aanbod of de belofte daarvan aanvaardt om op een bepaalde manier te handelen of na te laten te handelen. De voordelen kunnen materieel of immaterieel en geldelijk of niet-geldelijk zijn. Een voordeel wordt niet als ongerechtvaardigd beschouwd indien het bijvoorbeeld bij wet of administratieve voorschriften is toegestaan of indien het gaat om minimale geschenken of geschenken van zeer geringe waarde. In deze richtlijn moeten er ook minimumvoorschriften worden vastgelegd inzake omkoping en andere vormen van corruptie in de private sector, waarbij de directe slachtoffers onder meer bedrijven zijn die op oneerlijke wijze worden benadeeld en waarbij de vrije mededinging kan worden beperkt door elk geval van omkoping. Het strafbare feit van omkoping in de publieke sector bouwt voort op de strafbare feiten van passieve en actieve corruptie als omschreven in de artikelen 2 en 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, en mag niet soepeler worden uitgelegd of toegepast dan die bepalingen van de overeenkomst.
(14)
Gedragingen van leidinggevenden of werknemers van entiteiten uit de private sector die een inbreuk vormen op de beroepsplicht in het kader van economische, financiële of zakelijke activiteiten, kunnen de belangen van een bedrijf uit de private sector schaden en kunnen eveneens de mededinging bij de aankoop van goederen of commerciële diensten verstoren ten nadele van zowel mogelijke concurrenten als het grote publiek. Het strafbaar stellen van omkoping in de private sector is bedoeld om het toebrengen van beide soorten schade te ontmoedigen. Het moet helpen voorkomen dat derden zich mengen in het eerlijke verloop van zaken door leidinggevenden of werknemers van entiteiten uit de private sector een ongerechtvaardigd voordeel te beloven, aan te bieden of te verstrekken opdat zij in strijd met hun plichten een handeling verrichten of nalaten te verrichten (actieve omkoping in de private sector). Het strafbare feit moet ook betrekking hebben op leidinggevenden en werknemers van entiteiten uit de private sector die een ongerechtvaardigd voordeel vragen of ontvangen, dan wel het aanbod of de belofte daarvan aanvaarden, om in strijd met hun plichten te handelen of na te laten te handelen (passieve omkoping in de private sector).
(15)
Om te vermijden dat overheidsfunctionarissen opzettelijk de financiële belangen van de betrokken publieke of particuliere entiteit schaden door middelen te gebruiken voor andere doeleinden dan die waarvoor deze bestemd zijn, moeten er voorschriften worden vastgesteld inzake de wederrechtelijke toe-eigening door overheidsfunctionarissen van voorwerpen waarvan het beheer aan hen is toevertrouwd. Wederrechtelijke toe-eigening vormt pas een strafbaar feit als de overheidsfunctionaris of een derde er voordeel van trekt of als de financiële belangen van de betrokken publieke of particuliere entiteit worden geschaad. Met het oog op een alomvattende aanpak van de corruptiebestrijding worden de lidstaten ook aangemoedigd om wederrechtelijke toe-eigening in de private sector strafbaar te stellen. De lidstaten mogen het strafbare feit niet zodanig definiëren dat zowel schade als voordeel moet worden vastgesteld.
(16)
Het beïnvloeden van besluitvormers in de overheidssector met het oog op het verkrijgen van een ongerechtvaardigd voordeel, kan de goede werking van openbare besturen ernstig belemmeren. Om dit probleem op adequate wijze aan te pakken, moeten de bestanddelen van het strafbare feit van ongeoorloofde beïnvloeding, wanneer sprake is van opzet, twee verschillende situaties bestrijken. Ten eerste moet het beloven, aanbieden of verstrekken van een ongerechtvaardigd voordeel om ongepaste invloed uit te oefenen teneinde een ongerechtvaardigd voordeel van een overheidsfunctionaris te verkrijgen, onder het strafbare feit vallen. Ten tweede moeten het verzoek tot en het in ontvangst nemen van een ongerechtvaardigd voordeel of de aanvaarding van een aanbod of van een belofte daartoe, om ongepaste invloed uit te oefenen teneinde een ongerechtvaardigd voordeel van een overheidsfunctionaris te verkrijgen, ook onder het strafbare feit vallen. Deze gedragingen moeten als een strafbaar feit worden beschouwd, ongeacht of het om reële of beweerde invloed ging, of er al dan niet invloed werd uitgeoefend en of de invloed al dan niet tot het beoogde resultaat heeft geleid. De rechtmatige uitoefening van erkende vormen van belangen- of juridische vertegenwoordiging die erop gericht kunnen zijn de openbare besluitvorming rechtmatig te beïnvloeden, maar niet leiden tot een ongerechtvaardigde uitwisseling van voordelen, mag niet onder het strafbare feit vallen. Die vormen van belangenvertegenwoordiging, zoals belangenbehartiging, vinden vaak plaats in een gereguleerde omgeving, juist om te voorkomen dat zij door een gebrek aan transparantie de weg zouden vrijmaken voor corruptie. Goed functionerende aanvullende voorschriften inzake de openbaarmaking van belangenconflicten, “draaideurconstructies” of de financiering van politieke partijen kunnen ook helpen om grijze zones te vermijden en ongerechtvaardigde beïnvloeding te voorkomen. Voor de toepassing van het strafbare feit van ongeoorloofde beïnvloeding valt onder het ongerechtvaardigd voordeel om ongepaste invloed uit te oefenen ook de vergoeding voor die vormen van vertegenwoordiging indien die activiteiten worden uitgevoerd op een wijze die voldoet aan de andere bestanddelen van het strafbare feit, onder meer door een relevante schending van de toepasselijke voorschriften.
(17)
De onrechtmatige uitoefening van openbare functies dreigt het vertrouwen van het publiek, de rechtsstaat en de economische rechtvaardigheid te ondermijnen en kan het algemeen belang ernstig schaden. Om die schade te voorkomen, moeten de lidstaten ernstige schendingen van de wet in kaart brengen, of het nu gaat om een handeling of het nalaten ervan, of om beide. Die ernstige schendingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de schending van wettelijke bepalingen of regelgevingsbepalingen die bedoeld zijn om vrije toegang en contracten onder gelijke voorwaarden voor kandidaten te waarborgen, of op de opzettelijk onjuiste toepassing van de wet door rechters of arbiters. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben de toepassing van het strafbare feit van onrechtmatige uitoefening van openbare functies te beperken tot bepaalde categorieën overheidsfunctionarissen. Bij het in kaart brengen van de desbetreffende ernstige schendingen van de wet kunnen de lidstaten onder meer rekening houden met de vraag of een gedraging is begaan om een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen voor de betrokken ambtenaar of een derde, dan wel om de legitieme rechten of belangen van een persoon te schaden.
(18)
De belemmering van de rechtsgang is een strafbaar feit dat wordt gepleegd ter ondersteuning van onder meer het strafbare feit van corruptie. Dat wordt erkend in het strafrecht van de lidstaten. Derhalve moet belemmering van de rechtsgang, waarbij het gaat om het gebruiken van fysiek geweld, bedreigingen of intimidatie, of het aanzetten tot het afleggen van een valse getuigenis of tot het overleggen van vals bewijsmateriaal, strafbaar worden gesteld. Acties die gericht zijn op inmenging in het afleggen van een getuigenis of het overleggen van bewijsmateriaal of in de uitoefening van officiële taken door rechterlijke of rechtshandhavingsfunctionarissen, moeten ook binnen het toepassingsgebied van dit strafbaar feit vallen. In overeenstemming met het UNCAC is deze richtlijn alleen van toepassing op de belemmering van de rechtsgang in procedures in verband met corruptiedelicten. Bij de omzetting van deze richtlijn mogen de lidstaten niet worden verplicht een specifiek strafbaar feit van belemmering van de rechtsgang in verband met corruptiedelicten, als bepaald in hoofdstuk II, van deze richtlijn vast te stellen, indien hun nationale recht een algemene bepaling bevat die de belemmering van de rechtsgang strafbaar stelt en die van toepassing is op alle strafbare feiten, met inbegrip van corruptie. Het staat de lidstaten vrij deze gedragingen op nationaal niveau strafbaar te stellen door middel van verschillende strafbare feiten.
(19)
Corruptie wordt aangedreven door het streven naar ongerechtvaardigde financiële en andere voordelen. Om de prikkel voor personen en criminele organisaties om nieuwe strafbare feiten te plegen, in te perken en om personen ervan te weerhouden in te stemmen met de verwerving van schijneigendom, moet verrijking door corruptiedelicten strafbaar worden gesteld. Dit zou op zijn beurt het verhelen van op illegale wijze verworven voorwerpen moeten bemoeilijken en de verspreiding van corruptie en de schade voor de samenleving moeten verminderen. Transparantie helpt de bevoegde autoriteiten mogelijke illegale verrijking op te sporen. Zo kunnen de autoriteiten in rechtsgebieden waar overheidsfunctionarissen hun activa op gezette tijden moeten aangeven, onder meer bij indiensttreding en bij beëindiging van hun functie, nagaan of de aangegeven activa overeenstemmen met de aangegeven inkomsten.
(20)
De lidstaten moeten maatregelen nemen om het opzettelijk verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen, wetende dat die voorwerpen zijn verkregen uit het plegen van het strafbare feit van omkoping in de publieke of private sector, wederrechtelijke toe-eigening, ongeoorloofde beïnvloeding, belemmering van de rechtsgang, of uitlokking, medeplichtigheid en poging, als omschreven in deze richtlijn, strafbaar te stellen.
(21)
Illegale politieke financiering kan een middel zijn om besluitvormers ertoe aan te zetten besluiten te nemen die in het belang van de financier kunnen zijn. De lidstaten moeten overwegen passende maatregelen te nemen tegen soorten illegale politieke financiering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en de regels inzake verantwoordingsplicht en transparantie op Unie- en nationaal niveau en met volledige inachtneming van de fundamentele vrijheden van de interne markt en de kiesrechten van de burgers van de Unie. Hoewel illegale politieke financiering niet door deze richtlijn wordt geregeld, kunnen de lidstaten overwegen illegale politieke financiering strafbaar te stellen indien de democratie van de lidstaten en van de Unie erdoor wordt bedreigd.
(22)
Het strafbare feit van verrijking door corruptiedelicten moet betrekking hebben op de gedragingen van een overheidsfunctionaris die voorwerpen verwerft, bezit of gebruikt waarvan de overheidsfunctionaris weet dat die zijn verkregen uit, de opbrengst zijn van of een hulpmiddel zijn van een door een andere overheidsfunctionaris gepleegd corruptiedelict. De strafbare feiten van verrijking door corruptiedelicten en verheling doen geen afbreuk aan Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad (6), en met name artikel 3, lid 5, en overweging 11 daarvan, die betrekking hebben op “self-laundering”, indien van toepassing. Bij het beoordelen van de vraag of de voorwerpen zijn verkregen uit enige vorm van criminele betrokkenheid bij een corruptiedelict en of de betrokkene daarvan op de hoogte was, moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, zoals het feit dat de waarde van de voorwerpen niet evenredig is met tot de legale inkomsten van de beklaagde en het feit dat de criminele activiteiten en de verwerving van de voorwerpen in dezelfde periode hebben plaatsgevonden. Kennis van alle feitelijke elementen of alle omstandigheden in verband met de criminele betrokkenheid, waaronder de identiteit van de dader, hoeft niet te worden aangetoond. Daarnaast kunnen de door corruptiedelicten verkregen opbrengsten in beslag worden genomen op basis van Richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad (7). Die richtlijn bevat ook bepalingen over andere soorten confiscatie, waaronder onder bepaalde voorwaarden de confiscatie van opbrengsten, of andere voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten, die door een verdachte of beklaagde aan derden zijn overgedragen of die door derden van een verdachte of beklaagde zijn verworven, indien de betrokken derden wisten of hadden moeten weten dat de overdracht of de verwerving tot doel had confiscatie te vermijden.
(23)
Teneinde corruptie in de hele Unie te ontmoedigen, moeten de lidstaten, qua soort en qua hoogte, minimale strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke sancties vaststellen voor de in deze richtlijn omschreven strafbare feiten. De maximale gevangenisstraffen en de andere straffen moeten hoog genoeg zijn om mogelijke daders te ontmoedigen en om de schadelijkheid van corruptie te weerspiegelen. Tegelijkertijd moeten de strafmaten evenredig zijn met de ernst van de corruptiedelicten en in overeenstemming zijn met de hoogtes van strafrechtelijke sancties die in het Unierecht en het nationale recht zijn vastgesteld. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat sancties worden uitgevoerd in de mate die nodig is om het plegen van die strafbare feiten te ontmoedigen. Indien het nationale recht voorziet in de mogelijkheid van opgeschorte of voorwaardelijke straffen, vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling of gratie voor personen die zijn veroordeeld voor een van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, moeten de justitiële autoriteiten rekening kunnen houden met onder meer de ernst van de betrokken strafbare feiten.
(24)
Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de correcte en doeltreffende toepassing van andere dan strafrechtelijke disciplinaire maatregelen of sancties, zoals bestuurlijke sancties. Bij de veroordeling van een persoon voor een in deze richtlijn omschreven strafbaar feit mag er rekening worden gehouden met sancties die niet aan strafrechtelijke sancties kunnen worden gelijkgesteld maar al aan dezelfde persoon zijn opgelegd wegens dezelfde gedraging. Het beginsel van het verbod om in een strafprocedure voor hetzelfde strafbare feit tweemaal te worden berecht of gestraft (ne bis in idem-beginsel) moet volledig in acht worden genomen.
(25)
De lidstaten worden aangemoedigd hun bevoegde autoriteiten in staat te stellen om, in aanvulling op of als alternatief voor gevangenisstraffen, sancties of maatregelen op te leggen die niet noodzakelijkerwijs van strafrechtelijke aard hoeven te zijn, zoals de uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten of een tijdelijk verbod op kandidaatstelling voor openbare ambten. Die maatregelen hebben een algemeen afschrikkend effect en zouden recidive kunnen terugdringen. De lidstaten moeten ook overwegen procedures vast te stellen voor de schorsing of tijdelijke overplaatsing van overheidsfunctionarissen die worden beschuldigd van een in deze richtlijn bedoeld strafbaar feit, waarbij het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte moeten worden geëerbiedigd.
(26)
Om de strafrechtelijke respons op corruptiedelicten te versterken en het plegen van die strafbare feiten te ontmoedigen, moet de sanctieregeling voor rechtspersonen en natuurlijke personen worden verduidelijkt en in overeenstemming worden gebracht met andere strafrechtelijke instrumenten van de Unie. Krachtens de Richtlijnen 2009/81/EG (8), 2014/23/EU (9), 2014/24/EU (10) en 2014/25/EU (11) van het Europees Parlement en de Raad is een veroordeling bij onherroepelijk vonnis wegens corruptie een grond voor uitsluiting van deelname aan een aanbestedings- of een concessiegunningsprocedure. De lidstaten moeten evenwel ook kunnen besluiten om onder de strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen die aan natuurlijke of rechtspersonen kunnen worden opgelegd, de uitsluiting van die rechtspersonen van aanbestedingsprocedures of concessies op te nemen, teneinde ook aanbestedingsprocedures en concessiegunningsprocedures onder de drempelwaarden van de betrokken richtlijnen te bestrijken.
(27)
Rechtspersonen mogen hun aansprakelijkheid niet kunnen ontlopen door gebruik te maken van tussenpersonen, inclusief gelieerde rechtspersonen, die namens hen smeergeld aanbieden, beloven of betalen aan een overheidsfunctionaris. Bovendien moeten boeten voor rechtspersonen worden berekend met inachtneming van hun wereldwijde omzet, of op vaste maximumbedragen worden gebaseerd. Buitengerechtelijke afdoeningen worden toegepast in de context van corruptiedelicten en worden vaak gezien als een pragmatische en doeltreffende manier om zaken te beslechten die anders veel tijd en middelen voor onderzoek en vervolging zouden vergen voordat ze voor een rechtbank worden gebracht. Buitengerechtelijke afdoeningen kunnen echter ook een aantal uitdagingen met zich meebrengen, en de lidstaten worden aangemoedigd met die uitdagingen rekening te houden.
(28)
Hoewel er geen verplichting bestaat om hogere straffen op te leggen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de rechter of de rechtbank de in deze richtlijn omschreven verzwarende omstandigheden, zoals omgezet in het nationale recht, kan laten meewegen bij de veroordeling van daders. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de rechter of de rechtbank om te bepalen of de straf wegens de specifieke verzwarende omstandigheden wordt verhoogd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval. De lidstaten mogen niet worden verplicht in verzwarende omstandigheden te voorzien indien in het nationale recht is bepaald dat de strafbare feiten zoals gedefinieerd in Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad (12), strafbaar moeten worden gesteld als afzonderlijk strafbare feiten en dit strengere sancties tot gevolg kan hebben.
(29)
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de rechter of de rechtbank de in deze richtlijn omschreven verzachtende omstandigheden, zoals omgezet in het nationale recht, kan laten meewegen bij de veroordeling van daders. Met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de rechter, moeten die omstandigheden betrekking hebben op gevallen waarin daders informatie verstrekken of anderszins samenwerken met de autoriteiten. Evenzo moeten, wanneer rechtspersonen daadwerkelijke, doeltreffende en naar behoren beoordeelde interne controles, ethische normen en nalevingsprogramma’s hebben toegepast, die maatregelen als verzachtende omstandigheden kunnen worden aangemerkt bij de bestraffing van die rechtspersonen. Minder strenge straffen moeten ook worden overwogen wanneer een rechtspersoon bij de ontdekking van een strafbaar feit snel informatie openbaar maakt en corrigerende maatregelen neemt. In elk geval blijft de rechter of het gerecht de beoordelingsvrijheid behouden om de uiteindelijke hoogte van de sanctie in het licht van de specifieke verzachtende omstandigheden te bepalen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval, ook indien in voorkomend geval de rechtspersoon alleen voor cosmetische doeleinden — louter voor de schijn — nalevingsprogramma’s heeft.
(30)
Parlementsleden en andere overheidsfunctionarissen kunnen immuniteit of rechtsbescherming genieten ten aanzien van onderzoek of vervolging, hetgeen bijdraagt tot de versterking van hun onafhankelijkheid door hen te beschermen tegen ongegronde klachten, met name wat betreft meningen of stemmen die zij bij de uitoefening van hun functie hebben geuit of uitgebracht. Die immuniteit kan echter een doeltreffend onderzoek naar en de doeltreffende vervolging van corruptiedelicten belemmeren, onder meer doordat zij de opsporing van, het onderzoek naar of de vervolging van andere personen die geen immuniteit genieten en mogelijk bij het strafbare feit betrokken zijn, bemoeilijken. Er moet derhalve een passend evenwicht worden gevonden tussen, enerzijds, de immuniteiten of jurisdictievoorrechten die aan overheidsfunctionarissen zijn toegekend voor handelingen die zij bij de uitoefening van hun functie verrichten, en, anderzijds, de mogelijkheid om corruptiedelicten doeltreffend te onderzoeken, te vervolgen en te berechten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat aan nationale ambtenaren toegekende voorrechten of immuniteit ten aanzien van onderzoek en vervolging met betrekking tot de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, kunnen worden opgeheven. De lidstaten mogen echter niet worden verplicht om bij de omzetting van deze richtlijn hun nationale grondwet of grondwettelijke beginselen te wijzigen. Bij de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht en bij de toepassing van het nationale recht waarin deze richtlijn is omgezet, wordt ten volle rekening gehouden met die voorrechten en immuniteit, inclusief eerbiediging van de vrijheid van de uitvoering van het mandaat van het lid. Deze richtlijn moet de rechtmatige uitoefening van erkende vormen van belangenvertegenwoordiging die erop gericht kunnen zijn de openbare besluitvorming rechtmatig te beïnvloeden, maar niet leiden tot een ongerechtvaardigde uitwisseling van voordelen, onverlet laten. Belangenvertegenwoordiging is belangrijk voor de ontwikkeling van beleid dat wordt ondersteund door het maatschappelijk middenveld en kan een legitieme bijdrage leveren aan de publieke sector.
(31)
Onverminderd de structuur van hun nationale rechtsstelsels moeten de door het nationale recht verleende discretionaire bevoegdheden om personen niet te vervolgen voor de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, worden uitgeoefend conform duidelijke regels en criteria. Die regels moeten erop gericht zijn in het algemeen rekening te houden met de noodzaak van doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties voor corruptiedelicten, en de doeltreffendheid van de gerechtelijke procedure te waarborgen.
(32)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de algemene regels en beginselen van het nationale strafrecht inzake de toepassing en uitvoering van straffen op grond van de concrete omstandigheden van elk afzonderlijk geval.
(33)
Gezien met name de mobiliteit van bepaalde daders en de opbrengsten van criminele activiteiten, alsook de complexe grensoverschrijdende onderzoeken die nodig zijn om corruptie te bestrijden, moeten alle lidstaten hun rechtsmacht vestigen op een wijze die de bevoegde autoriteiten in staat stelt corruptie doeltreffend te onderzoeken en te vervolgen, ook indien het strafbare feit geheel of gedeeltelijk op hun grondgebied is gepleegd. Als onderdeel van deze verplichting moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij ook rechtsmacht hebben in situaties waarin een strafbaar feit is gepleegd door middel van een informatiesysteem dat op hun grondgebied wordt gebruikt, ongeacht of die technologie zich op hun grondgebied bevindt.
(34)
Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten voldoende tijd hebben om complexe onderzoeken en vervolgingen uit te voeren, voorziet deze richtlijn in een minimale verjaringstermijn die het mogelijk maakt corruptiedelicten gedurende een voldoende lange periode na het plegen ervan op te sporen, te onderzoeken, te vervolgen en te berechten, zonder dat dit gevolgen heeft voor de lidstaten die geen verjaringstermijnen voor onderzoek, vervolging en handhaving hebben vastgesteld.
(35)
Corruptiedelicten kunnen moeilijk op te sporen en te onderzoeken zijn, omdat ze meestal heimelijk worden gepleegd. Daardoor blijft een aanzienlijk deel van de corruptiedelicten onopgemerkt en kunnen criminelen profiteren van de opbrengsten van corruptie. Hoe langer het duurt om een corruptiedelict aan het licht te brengen, hoe moeilijker het is om bewijsmateriaal te vinden. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat rechtshandhavingsinstanties en bevoegde autoriteiten over passende onderzoeksinstrumenten beschikken om relevant bewijsmateriaal te verzamelen over corruptiedelicten, die vaak gevolgen hebben voor meer dan één lidstaat. Voorts moeten de lidstaten, in nauwe samenwerking met het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), zorgen voor voldoende opleiding, onder meer over het gebruik van onderzoeksinstrumenten voor een succesvol verloop van de procedure en over de identificatie en kwantificering van de opbrengsten van corruptie in verband met de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen. Daarnaast vergemakkelijkt deze richtlijn het verzamelen van informatie en bewijsmateriaal door te voorzien in verzachtende omstandigheden met betrekking tot daders die de autoriteiten helpen. De opleiding van rechtshandhavingsfunctionarissen en de justitiële autoriteiten moet betrekking hebben op strafrechtelijk onderzoek en strafprocedures voor strafbare feiten die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.
(36)
Personen die tijdens hun beroepsactiviteiten verkregen informatie over eerdere, lopende of geplande gevallen van corruptie melden aan de bevoegde autoriteiten, lopen in dat verband het risico het slachtoffer te worden van represailles. Die meldingen van klokkenluiders kunnen de handhaving versterken doordat zij de bevoegde autoriteiten in staat stellen corruptie doeltreffend te voorkomen, op te sporen en te vervolgen. Aangezien het in het algemeen belang is om publieke en particuliere entiteiten te beschermen tegen die handelingen en om de transparantie, het goede bestuur en de verantwoordingsplicht te versterken, moet ervoor worden gezorgd dat er doeltreffende regelingen zijn die klokkenluiders in staat stellen vertrouwelijke kanalen te gebruiken en de bevoegde autoriteiten te waarschuwen, en die klokkenluiders beschermen tegen represailles. Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (13) is van toepassing op meldingen van inbreuken die de financiële belangen van de Unie schaden als bedoeld in artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en zoals nader toegelicht in relevante Uniemaatregelen, en is derhalve van toepassing op de melding van alle strafbare feiten die onder Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (14) vallen. Wat de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten betreft, moet Richtlijn (EU) 2019/1937 van toepassing zijn op de melding van die strafbare feiten en op de bescherming van melders van die strafbare feiten, onder de daarin vastgestelde voorwaarden. Naast de verplichtingen die voortvloeien uit Richtlijn (EU) 2019/1937, moeten de bevoegde nationale autoriteiten ervoor zorgen dat de personen die bewijsmateriaal verstrekken of anderszins meewerken aan strafrechtelijke onderzoeken, toegang hebben tot de nodige bescherming, overeenkomstig het nationale recht.
(37)
Aangezien het grote publiek negatieve gevolgen ondervindt van corruptiedelicten en zich in het algemeen niet als slachtoffer in strafprocedures kan vertegenwoordigen, moeten leden van het betrokken publiek met het oog op een doeltreffende handhaving de mogelijkheid hebben om in corruptiezaken namens het algemeen belang op te treden, overeenkomstig het nationale recht en met inachtneming van de toepasselijke procedurele voorschriften. Deze richtlijn verplicht de lidstaten er niet toe nieuwe procedurele rechten in te voeren voor de leden van het betrokken publiek. Indien die procedurele rechten voor leden van het betrokken publiek in een lidstaat bestaan in vergelijkbare situaties met betrekking tot andere strafbare feiten dan die waarin op grond van deze richtlijn wordt voorzien, zoals het recht om zich burgerlijke partij te stellen in een procedure, moeten die procedurele rechten echter ook worden toegekend aan de leden van het betrokken publiek in procedures met betrekking tot de in deze richtlijn gedefinieerde corruptiedelicten. De rechten van de leden van het betrokken publiek doen geen afbreuk aan de rechten van slachtoffers als opgenomen in Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad (15). Het begrip “leden van het betrokken publiek” en het begrip “slachtoffers” moeten twee afzonderlijke concepten blijven, en de lidstaten mogen er niet toe worden verplicht de rechten van slachtoffers toe te passen op leden van het betrokken publiek. Deze richtlijn houdt voor de lidstaten geen verplichting in om de leden van het betrokken publiek de procedurele rechten in strafrechtelijke procedures toe te kennen die zij toekennen aan andere categorieën van personen dan leden van het betrokken publiek.
(38)
Deze richtlijn verplicht de lidstaten een nationale strategie ter voorkoming en bestrijding van corruptie aan te nemen en bekend te maken. De lidstaten worden aangemoedigd de nationale strategie te ontwikkelen in overleg met het maatschappelijk middenveld, instanties of organisatorische eenheden voor corruptiebestrijding, onafhankelijke deskundigen, onderzoekers en andere belanghebbenden. In de nationale strategie wordt rekening gehouden met de behoeften, specifieke kenmerken en uitdagingen van de lidstaten.
(39)
Onafhankelijke maatschappelijke organisaties zijn van cruciaal belang voor de goede werking van de democratie en spelen een sleutelrol bij de verdediging van de gemeenschappelijke waarden waarop de Unie is gegrondvest. Zij fungeren als essentiële waakhonden die de aandacht vestigen op bedreigingen voor de rechtsstaat, ertoe bijdragen dat de machthebbers verantwoording afleggen en waarborgen dat de grondrechten worden geëerbiedigd. De lidstaten moeten de deelname van het maatschappelijk middenveld aan corruptiebestrijding in voorkomend geval bevorderen.
(40)
De pluriformiteit en de vrijheid van de media zijn essentiële factoren voor de rechtsstaat, democratische verantwoordingsplicht, gelijkheid en corruptiebestrijding. Onafhankelijke en pluriforme media, meer in het bijzonder onderzoeksjournalistiek, spelen een belangrijke rol bij het toezicht op het overheidsoptreden, door mogelijke gevallen van corruptie en integriteitsinbreuken op te sporen, het bewustzijn te vergroten en integriteit te bevorderen. De lidstaten zijn verplicht een gunstig klimaat voor journalisten te waarborgen, hun veiligheid te beschermen en mediavrijheid en -pluriformiteit proactief te bevorderen. De aanbeveling van de Commissie over de bescherming, de veiligheid en de weerbaarheid van journalisten en andere mediaprofessionals in de Europese Unie van 16 september 2021, de aanbeveling van de Commissie over de wijze waarop journalisten en mensenrechtenverdedigers die betrokken zijn bij publieke participatie kunnen worden beschermd tegen kennelijk ongegronde of onrechtmatige gerechtelijke procedures (“strategische rechtszaken tegen publieke participatie”) van 27 april 2022, alsmede Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad (16) bevatten belangrijke waarborgen en normen om ervoor te zorgen dat journalisten, mensenrechtenverdedigers en anderen hun rol ongehinderd kunnen vervullen.
(41)
Om de in deze richtlijn gedefinieerde strafbare feiten doeltreffend te kunnen aanpakken, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten nauwkeurige, consistente en vergelijkbare statistische gegevens verzamelen over die strafbare feiten. De lidstaten moeten derhalve zorgen voor een geschikt systeem voor de registratie, productie en toezending van bestaande statistische gegevens over de in deze richtlijn gedefinieerde strafbare feiten. Het is belangrijk dat die statistische gegevens door de lidstaten worden gebruikt om de omvang van en trends in strafbare feiten in verband met corruptie te analyseren en om burgers informatie te verstrekken. De lidstaten moeten relevante statistische gegevens in verband met corruptiedelicten publiceren, die zijn geëxtraheerd uit gegevens die reeds op gecentraliseerd of gedecentraliseerd niveau in de hele lidstaat bestaan. Die gegevens kunnen door de Commissie worden geanalyseerd en gebruikt bij de monitoring, uitvoering en evaluatie van deze richtlijn en bij de toepassing van de instrumenten uit het instrumentarium voor de rechtsstaat, zoals het jaarlijks verslag over de rechtsstaat.
(42)
Efficiënte uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van corruptiedelicten is van cruciaal belang voor een doeltreffende bestrijding van corruptie. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat informatie doeltreffend en tijdig tussen de bevoegde rechtshandhavingsinstanties wordt uitgewisseld met behulp van de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Secure Information Exchange Network Application — Siena) van Europol, overeenkomstig het nationale recht en het Unierecht. Deze richtlijn, die tot doel heeft gemeenschappelijke definities van corruptiedelicten vast te stellen, moet dienen als benchmark voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten in het kader van de Verordeningen (EU) nr. 603/2013 (17), (EU) 2018/1240 (18) en (EU) 2018/1862 (19) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen (EU) 2016/681 (20), (EU) 2019/1153 (21) en (EU) 2023/977 (22) van het Europees Parlement en de Raad, en Besluit 2008/633/JBZ (23) van de Raad.
(43)
Corruptie is een sectoroverstijgend punt van zorg, en de kwetsbaarheden en de wijze waarop dat het best wordt aangepakt verschillen van sector tot sector. De lidstaten moeten daarom op gezette tijden een beoordeling uitvoeren om na te gaan welke sectoren of beroepen het grootste risico op corruptie lopen, en maatregelen ontwikkelen om de belangrijkste risico’s in de betrokken sectoren of beroepen aan te pakken, onder meer door, naargelang het geval, regelmatig bewustmakingsactiviteiten te organiseren die zijn toegesneden op de specifieke kenmerken van de betrokken sectoren of beroepen. lidstaten die over brede nationale corruptiebestrijdingsstrategieën beschikken, zouden ook kunnen kiezen of zij hun risicobeoordelingen in die strategieën aanpakken, mits de risico’s worden beoordeeld en de maatregelen regelmatig opnieuw worden bekeken. Bijvoorbeeld, zoals vermeld in het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 23 januari 2019, getiteld “Burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie”, behoren verblijfsregelingen voor investeerders tot de sectoren met een hoog risico op corruptie en moeten ze derhalve worden opgenomen in de beoordelingen van de sectoren die het grootste risico op corruptie lopen en in de opleidingen die de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn moeten organiseren.
(44)
Om een gelijkwaardig niveau van bescherming voor de financiële belangen van de Unie en de nationale financiële belangen te waarborgen, moeten de bepalingen van Richtlijn (EU) 2017/1371 in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van deze richtlijn. Daartoe moeten de regels die van toepassing zijn op strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, gelijkwaardig zijn aan die van deze richtlijn wat betreft strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke sancties, verzwarende en verzachtende omstandigheden en verjaringstermijnen.
(45)
Bij de uitvoering van deze richtlijn moet een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie worden gewaarborgd dat gelijkwaardig is aan dat van de bescherming van de nationale financiële belangen.
(46)
Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot de definities van strafbare feiten op het gebied van corruptie in alle lidstaten en de beschikbaarheid van doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties voor die strafbare feiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(47)
De beoogde afschrikkende werking van strafrechtelijke sancties vereist bijzondere voorzichtigheid ten aanzien van de grondrechten. Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die uitdrukkelijk zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van beroep en het recht te werken, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake strafbare feiten en sancties, alsook het ne bis in idem-beginsel.
(48)
Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (24) heeft de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming op 21 juni 2023 een advies uitgebracht.
(49)
Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, heeft Ierland bij brief van 10 juli 2023 te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn wenst deel te nemen.
(50)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Kaderbesluit 2003/568/JBZ blijft bindend voor en van toepassing op Denemarken,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de definitie van strafbare feiten en strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke sancties op het gebied van corruptie, alsook maatregelen om corruptie beter te voorkomen en te bestrijden.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1)
“voorwerpen”: middelen of activa van om het even welke soort, met inbegrip van cryptoactiva, lichamelijk dan wel onlichamelijk, roerend dan wel onroerend, materieel dan wel immaterieel, en rechtsbescheiden of instrumenten in om het even welke vorm, ook elektronisch of digitaal, waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die middelen of activa blijken;
2)
“overheidsfunctionaris”:
a)
een ambtenaar van de Unie of een nationaal ambtenaar van een lidstaat of van een derde land;
b)
ieder ander die als daartoe aangewezen persoon een overheidsfunctie bekleedt, overeenkomstig het nationale recht, met in begrip van diegenen die daartoe in de lidstaten of een derde land door of op gezag van een openbare autoriteit zijn gemachtigd;
c)
een persoon die is aangesteld in een overheidsfunctie en deze uitoefent voor een internationale organisatie of een internationale rechtbank;
3)
“ambtenaar van de Unie”: eenieder die:
a)
als ambtenaar, of als ander personeelslid op grond van een overeenkomst, door de Unie is aangesteld in de zin van het Statuut van de ambtenaren en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (25) (het “Statuut”), of
b)
door een lidstaat of door een overheids- of particuliere instelling ter beschikking van de Unie is gesteld en functies uitoefent die overeenstemmen met de functies die worden uitgeoefend door ambtenaren van de Unie of andere personeelsleden.
Leden van een instelling, orgaan of instantie van de Unie en het personeel daarvan worden gelijkgesteld aan ambtenaren van de Unie, voor zover het Statuut niet op hen van toepassing is;
4)
“nationaal ambtenaar”: eenieder die op nationaal, regionaal of lokaal niveau een uitvoerend, bestuurlijk of rechterlijk ambt bekleedt, hetzij door benoeming of door verkiezing, of in dienst is genomen op basis van een overeenkomst, hetzij permanent of tijdelijk, betaald of onbetaald, ongeacht zijn of haar anciënniteit.
Eenieder die op nationaal, regionaal of lokaal niveau een wetgevend ambt bekleedt, wordt gelijkgesteld aan een nationaal ambtenaar overeenkomstig het nationale recht;
5)
“arbiter”: eenieder die wordt opgeroepen een juridisch bindende beslissing te nemen in geschillen die door de partijen bij de arbitrageovereenkomst aanhangig zijn gemaakt, indien de status van arbiter in nationaal recht is vastgelegd;
6)
“jurylid”: eenieder die optreedt als lid van een orgaan dat verantwoordelijk is voor het vaststellen van de schuld van een beklaagde in het kader van een proces, overeenkomstig het nationale recht;
7)
“plichtsverzuim”: ten minste elk gedrag dat een inbreuk vormt op een wettelijke plicht of een inbreuk vormt op beroepsvoorschriften of -instructies die van toepassing zijn in het beroep van een persoon die, in welke hoedanigheid dan ook, leiding geeft aan of werkt voor een entiteit uit de private sector;
8)
“rechtspersoon”: elke entiteit met rechtspersoonlijkheid uit hoofde van toepasselijk nationaal recht, met uitzondering van staten of overheidsinstanties bij de uitoefening van het overheidsgezag en van publiekrechtelijke internationale organisaties;
9)
“hoge ambtenaar”: een overheidsfunctionaris die, overeenkomstig het nationale recht, een sleutelfunctie bekleedt op uitvoerend, bestuurlijk, wetgevend of gerechtelijk niveau; het kan daarbij gaan om: leiders van de centrale en regionale regering, leden van de centrale en regionale regering, viceministers, staatssecretarissen, belangrijke politieke adviseurs, hoofden en leden van de eigen dienst of het kabinet van een minister, indien deze zijn opgericht, alsook leden van parlementaire kamers, leden van constitutionele en hooggerechtshoven, een procureur-generaal, en leden van hoge controle-instanties alsook leden van het college van commissarissen van de Europese Commissie en van het Europees Parlement.
De bepalingen betreffende hoge ambtenaren van deze richtlijn laten de immuniteiten en voorrechten uit hoofde van de nationale grondwetten of wetten onverlet.
HOOFDSTUK II
CORRUPTIEDELICTEN
Artikel 3
Omkoping in de publieke sector
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen, indien zij opzettelijk zijn, een strafbaar feit vormen:
a)
het rechtstreeks of via een tussenpersoon aan een overheidsfunctionaris beloven, aanbieden of verstrekken van een ongerechtvaardigd voordeel, van welke aard ook, voor die functionaris zelf of voor een derde, opdat die functionaris een handeling verricht of nalaat te verrichten in de uitoefening van zijn of haar functie (actieve omkoping in de publieke sector);
b)
het rechtstreeks of via een tussenpersoon vragen of ontvangen door een overheidsfunctionaris van een ongerechtvaardigd voordeel, van welke aard ook, of de aanvaarding van het aanbod of de belofte van dat voordeel, voor die functionaris zelf of voor een derde, opdat die functionaris een handeling verricht of nalaat te verrichten in de uitoefening van zijn of haar functie (passieve omkoping in de publieke sector).
Voor de toepassing van dit artikel worden arbiters en juryleden beschouwd als overheidsfunctionarissen.
Artikel 4
Omkoping in de private sector
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen, indien zij opzettelijk zijn en in het kader van economische, financiële, zakelijke of commerciële activiteiten gebeuren, een strafbaar feit vormen:
a)
het, rechtstreeks of via een tussenpersoon, beloven, aanbieden of verstrekken van een ongerechtvaardigd voordeel, van welke aard ook, aan een persoon die, in welke hoedanigheid dan ook, leiding geeft aan of werkt in een entiteit uit de private sector, voor die persoon zelf of voor een derde, opdat die persoon in strijd met zijn of haar plichten een handeling verricht of nalaat te verrichten (actieve omkoping in de private sector);
b)
het, rechtstreeks of via een tussenpersoon, vragen of ontvangen door een persoon die, in welke hoedanigheid dan ook, leiding geeft aan of werkt in een entiteit uit de private sector, van een ongerechtvaardigd voordeel, van welke aard ook, of de aanvaarding van het aanbod of de belofte van dat voordeel voor die persoon zelf of voor een derde, opdat die persoon in strijd met zijn of haar plichten een handeling verricht of nalaat te verrichten (passieve omkoping in de private sector).
Artikel 5
Wederrechtelijke toe-eigening
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het opzettelijk toekennen, toewijzen, toe-eigenen of gebruiken door een overheidsfunctionaris van voorwerpen waarvan het beheer onmiddellijk of middellijk aan die overheidsfunctionaris is toevertrouwd, voor andere doeleinden dan die waarvoor de voorwerpen bestemd waren, een strafbaar feit vormt, hetzij wanneer dit ten eigen voordeel of ten voordele van een andere persoon of entiteit wordt gepleegd of wanneer dit de financiële belangen van de betrokken publieke of particuliere entiteit schaadt.
2. De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het in het kader van economische, financiële, of zakelijke of commerciële activiteiten opzettelijk toekennen, toewijzen, toe-eigenen of gebruiken door een persoon die, in welke hoedanigheid dan ook, leiding geeft aan of werkt in een entiteit uit de private sector, van voorwerpen waarvan het beheer onmiddellijk of middellijk aan die persoon is toevertrouwd, voor andere doeleinden dan die waarvoor de voorwerpen bestemd waren, een strafbaar feit vormt, hetzij wanneer dit ten eigen voordeel of ten voordele van een andere persoon of entiteit wordt gepleegd of wanneer dit de financiële belangen van de betrokken publieke of particuliere entiteit schaadt.
Artikel 6
Ongeoorloofde beïnvloeding
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen, indien zij opzettelijk zijn, een strafbaar feit vormen:
a)
het rechtstreeks of via een tussenpersoon beloven, aanbieden of verstrekken van een ongerechtvaardigd voordeel, van welke aard ook, aan een persoon om ongepaste invloed uit te oefenen op een handeling of het nalaten ervan door een overheidsfunctionaris in de uitoefening van zijn of haar functie, om van die overheidsfunctionaris een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen;
b)
het rechtstreeks of via een tussenpersoon vragen of ontvangen van een ongerechtvaardigd voordeel, van welke aard ook, of de aanvaarding van een aanbod of een belofte van dat voordeel door een persoon om ongepaste invloed uit te oefenen op een handeling of het nalaten ervan door een overheidsfunctionaris in de uitoefening van zijn of haar functie, om van die overheidsfunctionaris een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen.
Voor de toepassing van dit artikel worden arbiters en juryleden beschouwd als overheidsfunctionarissen.
2. Opdat de in lid 1 bedoelde gedragingen een strafbaar feit vormen, is het niet van belang of de invloed al dan niet wordt uitgeoefend, dan wel of de beweerde invloed al dan niet tot de beoogde resultaten leidt.
Artikel 7
Onrechtmatige uitoefening van openbare functies
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten minste bepaalde ernstige schendingen van de wet bij het verrichten of nalaten van een handeling door een overheidsfunctionaris in de uitoefening van zijn of haar functie, indien zij opzettelijk zijn, strafbare feiten vormen. De lidstaten kunnen de toepassing van dit artikel beperken tot bepaalde categorieën overheidsfunctionarissen.
Artikel 8
Belemmering van de rechtsgang
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen, indien zij opzettelijk zijn, één of meer strafbare feiten vormen:
a)
het gebruik, rechtstreeks of via een tussenpersoon, van fysiek geweld, bedreigingen of intimidatie of het beloven, aanbieden of verstrekken van een voordeel teneinde aan te zetten tot het afleggen van een valse getuigenis of teneinde zich in te mengen in het afleggen van een getuigenis of het overleggen van bewijsmateriaal in een procedure in verband met het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 9 en 11 bedoelde strafbare feiten;
b)
het gebruik, rechtstreeks of via een tussenpersoon, van fysiek geweld, bedreigingen of intimidatie teneinde de uitoefening van officiële taken door een persoon die een rechterlijk ambt bekleedt of een lid van de rechtshandhavingsinstanties in verband met het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 9 en 11 bedoelde strafbare feiten te belemmeren.
Artikel 9
Verrijking door corruptiedelicten
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het opzettelijk verwerven, bezitten of gebruiken door een overheidsfunctionaris van voorwerpen waarvan hij of zij op het moment van ontvangst weet dat deze voorwerpen zijn verkregen uit het plegen, door een andere overheidsfunctionaris, van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 en 11 bedoelde strafbare feiten, een strafbaar feit vormt.
Artikel 10
Verheling
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het opzettelijk verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, de eigendom van of rechten op voorwerpen waarvan hij of zij weet dat die voorwerpen zijn verkregen uit het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 en 11 bedoelde strafbare feiten, een strafbaar feit vormt.
Artikel 11
Uitlokking, medeplichtigheid en poging
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van het plegen van een in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 10 bedoeld strafbaar feit, een strafbaar feit vormt.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat medeplichtigheid aan het plegen van een in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 10 bedoeld strafbaar feit, een strafbaar feit vormt.
3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging om een van de in de artikelen 9 en 10 bedoelde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld, en overwegen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat een poging om ten minste een van de in de artikelen 3 tot en met 6 bedoelde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld.
Artikel 12
Sancties en maatregelen tegen natuurlijke personen
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten strafbaar worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:
a)
op het in artikel 3 bedoelde strafbare feit, indien de door de ambtenaar uit te voeren handeling of het nalaten te handelen in strijd is met zijn of haar plichten, een maximale gevangenisstraf van ten minste vijf jaar staat;
b)
op de in artikel 5, lid 1, en de in artikelen 9 en 10 bedoelde strafbare feiten een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat;
c)
op de in het artikel 3 bedoelde strafbare feiten, indien de door de ambtenaar uit te voeren handeling of het nalaten te handelen niet in strijd is met zijn of haar plichten, en op de in de artikelen 4 en 6 bedoelde strafbare feiten een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat de in artikel 5 beschreven gedragingen geen strafbaar feit vormen indien het voordeel of de schade minder dan 10 000 EUR bedraagt. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de drempel van 10 000 EUR of meer kan worden gehaald door middel van een reeks onder artikel 5 vallende gerelateerde en gelijksoortige gedragingen, indien die gedragingen door dezelfde dader werden begaan.
4. Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat natuurlijke personen die in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten hebben gepleegd, kunnen worden onderworpen aan aanvullende strafrechtelijke of niet strafrechtelijke sancties of maatregelen die evenredig zijn met de ernst van het gedrag. Die sancties of maatregelen kunnen het volgende omvatten:
a)
boeten;
b)
ontzetting uit een openbaar ambt alsook schorsing en overplaatsing;
c)
het verbod op:
i)
het bekleden van een openbaar ambt,
ii)
het uitoefenen van een openbare functie,
iii)
het bekleden van een functie bij een rechtspersoon die volledig of gedeeltelijk eigendom is van de betrokken lidstaat,
iv)
de verrichting van de zakelijke activiteiten die tot het desbetreffende strafbare feit hebben geleid of die het mogelijk hebben gemaakt;
d)
een tijdelijk verbod op kandidaatstelling voor openbare ambten;
e)
de intrekking van vergunningen en toelatingen voor activiteiten die tot het desbetreffende strafbare feit hebben geleid of die het mogelijk hebben gemaakt;
f)
uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies, concessies en vergunningen;
g)
indien er sprake is van een algemeen belang, de volledige of gedeeltelijke bekendmaking van de rechterlijke beslissing die betrekking heeft op het gepleegde strafbare feit en de opgelegde sancties of maatregelen, onverminderd de regels inzake de privacy en de bescherming van persoonsgegevens.
Artikel 13
Aansprakelijkheid van rechtspersonen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten indien die feiten ten voordele van die rechtspersonen zijn gepleegd door een persoon die een leidende functie bij de betrokken rechtspersoon bekleedt, hetzij individueel hetzij als deel van een orgaan van die rechtspersoon, gebaseerd op een of meer van de volgende elementen:
a)
de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
b)
de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of
c)
de bevoegdheid om bij de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld indien ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 door een persoon die onder diens gezag staat, kon worden gepleegd ten voordele van die rechtspersoon.
3. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel sluit strafvervolging niet uit van natuurlijke personen die een in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoeld strafbaar feit plegen, uitlokken of daaraan medeplichtig zijn.
Artikel 14
Sancties en maatregelen tegen rechtspersonen
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon die op grond van artikel 13, lid 1 of 2, aansprakelijk is gesteld, kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende, strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat sancties of maatregelen tegen rechtspersonen die op grond van artikel 13, lid 1 of 2, aansprakelijk zijn gesteld voor de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten, strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes omvatten waarvan het bedrag evenredig is met de ernst van de gedraging en met de individuele, financiële en andere omstandigheden van de betrokken rechtspersoon, en tevens andere strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen kunnen omvatten die evenredig zijn met de ernst van de gedraging, zoals:
a)
uitsluiting van het recht op door de overheid verleende voordelen of steun;
b)
uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies, concessies en vergunningen;
c)
tijdelijk of permanent verbod om zakelijke activiteiten uit te oefenen;
d)
de intrekking van vergunningen en toelatingen voor activiteiten die tot het desbetreffende strafbare feit hebben geleid of die het mogelijk hebben gemaakt;
e)
de mogelijkheid voor overheidsinstanties om een overeenkomst in het kader waarvan het strafbare feit is gepleegd, nietig te verklaren of op te zeggen;
f)
de plaatsing onder toezicht van de rechter;
g)
een gerechtelijke maatregel tot liquidatie;
h)
sluiting van inrichtingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit, en
i)
indien er sprake is van een algemeen belang, de volledige of gedeeltelijke bekendmaking van de rechterlijke beslissing die betrekking heeft op het gepleegde strafbare feit en de opgelegde sancties of maatregelen, onverminderd de regels inzake de privacy en de bescherming van persoonsgegevens.
3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten minste een rechtspersoon die op grond van artikel 13, lid 1, aansprakelijk is gesteld voor de in de artikelen 3 tot en met 6 en artikel 9 bedoelde strafbare feiten, kan worden bestraft met strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes, waarvan het bedrag evenredig is met de ernst van de gedraging en met de individuele, financiële en andere omstandigheden van de betrokken rechtspersoon. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het maximale bedrag van die geldboetes niet lager is dan:
a)
voor de in de artikelen 3 tot en met 5 bedoelde strafbare feiten:
i)
5 % van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin het strafbare feit is gepleegd, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen; dan wel
ii)
een bedrag dat overeenkomt met 40 000 000 EUR;
b)
voor de in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde strafbare feiten:
i)
3 % van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin het strafbare feit is gepleegd, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen; dan wel
ii)
een bedrag dat overeenkomt met 24 000 000 EUR.
De lidstaten kunnen regels vaststellen voor gevallen waarin het niet mogelijk is het bedrag van de geldboete te bepalen op basis van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin het strafbare feit is gepleegd, of in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen.
Artikel 15
Verzwarende omstandigheden
1. Voor zover deze niet reeds deel uitmaakt van de bestanddelen van de in de artikelen 3 tot en met 6 en artikel 9 bedoelde strafbare feiten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat met betrekking tot de desbetreffende in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 9 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten, de omstandigheid dat de strafbare feiten zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ, als een verzwarende omstandigheid wordt beschouwd.
2. Voor zover de volgende omstandigheden nog geen deel uitmaken van de bestanddelen van de in de artikelen 3 tot met 6 en artikel 9 bedoelde strafbare feiten, kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat in verband met de desbetreffende in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 9 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten een of meer van de volgende omstandigheden, overeenkomstig het nationale recht, als een verzwarende omstandigheid kunnen worden beschouwd:
a)
de dader is een hoge ambtenaar;
b)
de dader is reeds eerder, bij onherroepelijk vonnis, veroordeeld voor strafbare feiten van gelijke aard als die bedoeld in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 9 tot en met 11;
c)
de dader heeft een aanzienlijk voordeel verkregen of het strafbare feit heeft aanzienlijke schade veroorzaakt, voor zover dat voordeel of die schade kan worden vastgesteld;
d)
de dader oefent onderzoeks-, vervolgings- of berechtingstaken uit;
e)
de dader heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare situatie van een persoon die betrokken is bij het plegen van het strafbare feit;
f)
de dader is een meldingsplichtige entiteit in de zin van artikel 2 van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (26) of een werknemer van een meldingsplichtige entiteit, of heeft de bevoegdheid, individueel of als lid van een orgaan van de meldingsplichtige entiteit, om die entiteit te vertegenwoordigen, of de bevoegdheid om namens die entiteit beslissingen te nemen of om zeggenschap uit te oefenen binnen de meldingsplichtige entiteit, en heeft het strafbare feit gepleegd in het kader van de uitoefening van zijn of haar beroepsactiviteiten.
Artikel 16
Verzachtende omstandigheden
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, met betrekking tot de desbetreffende in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten, een of meer van de volgende omstandigheden, overeenkomstig het nationale recht, als verzachtende omstandigheid kunnen worden beschouwd:
a)
de dader verstrekt de bevoegde autoriteiten informatie die zij anders niet hadden kunnen verkrijgen, door te helpen de andere daders te identificeren of voor de rechter te brengen;
b)
de dader verstrekt de bevoegde autoriteiten informatie die zij anders niet hadden kunnen verkrijgen, door te helpen bij het vinden van bewijs;
c)
indien een rechtspersoon aansprakelijk is gesteld voor een van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten en, tenzij dit een grond voor uitsluiting van aansprakelijkheid vormt, vóór of na het plegen van het strafbare feit doeltreffende interne controles, programma’s voor ethisch bewustzijn en nalevingsprogramma’s heeft opgezet om corruptie te voorkomen;
d)
indien een rechtspersoon aansprakelijk is gesteld voor een van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten en, zodra het strafbare feit is ontdekt, snel en vrijwillig het strafbare feit aan de bevoegde autoriteiten heeft gemeld en corrigerende maatregelen heeft genomen.
De in de punten c) en d) bedoelde verzachtende omstandigheden zijn alleen van toepassing op rechtspersonen.
Artikel 17
Voorrechten ten aanzien van of immuniteit van onderzoek naar en vervolging van corruptiedelicten
Tenzij dit in strijd is met hun grondwet, grondwettelijke beginselen en wetgeving, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de voorrechten ten aanzien van of immuniteit van onderzoek en vervolging die aan nationale ambtenaren zijn toegekend met betrekking tot de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, kunnen worden opgeheven.
Artikel 18
Rechtsmacht
1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten indien:
a)
het strafbare feit geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied werd gepleegd;
b)
de dader een van zijn onderdanen is.
2. Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van zijn besluit om zijn rechtsmacht uit te breiden naar een of meer van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, indien:
a)
de dader gewoonlijk verblijft op zijn grondgebied;
b)
de benadeelde van het strafbare feit zijn onderdaan of vaste ingezetene is;
c)
het strafbare feit is gepleegd ten voordele van een op zijn grondgebied gevestigde rechtspersoon;
d)
het strafbare feit is gepleegd ten voordele van een rechtspersoon met betrekking tot alle geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied verrichte zakelijke activiteiten.
3. Indien een in deze richtlijn bedoeld strafbaar feit onder de rechtsmacht van meer dan één lidstaat valt, werken die lidstaten samen om te bepalen welke lidstaat de strafprocedure moet voeren. Waar passend wordt de zaak overeenkomstig artikel 12, lid 2, van Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad (27) naar Eurojust verwezen.
4. In de in lid 1, punt b), bedoelde gevallen nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitoefening van hun rechtsmacht niet is onderworpen aan de voorwaarde dat strafvervolging slechts kan worden ingesteld na een aanklacht door de staat van de plaats waar het strafbare feit is gepleegd of na een aangifte in de staat waar het strafbare feit is gepleegd.
Artikel 19
Verjaringstermijnen
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorzien in een verjaringstermijn die het onderzoek, de vervolging, het proces en de berechting van de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten mogelijk maakt gedurende een voldoende lange tijdsperiode na het plegen van die strafbare feiten, zodat die strafbare feiten doeltreffend kunnen worden bestreden. Die verjaringstermijn wordt als volgt vastgelegd:
a)
ten minste acht jaar na het plegen van een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat;
b)
ten minste vijf jaar na het plegen van een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorzien in een zodanige verjaringstermijn dat de handhaving van sancties die werden opgelegd na een onherroepelijke veroordeling voor de in de artikelen 3 tot en met 6 en de artikelen 8 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten, gedurende een voldoende lange tijdsperiode na die veroordeling mogelijk is. Die verjaringstermijn wordt als volgt vastgelegd:
a)
ten minste tien jaar na de datum van de onherroepelijke veroordeling in de volgende gevallen:
i)
een gevangenisstraf van meer dan één jaar, dan wel
ii)
een gevangenisstraf voor een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat;
b)
ten minste vijf jaar na de datum van de onherroepelijke veroordeling in de volgende gevallen:
i)
een gevangenisstraf tot één jaar; dan wel
ii)
een gevangenisstraf voor een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat.
3. In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen de lidstaten een kortere verjaringstermijn vaststellen, mits die verjaringstermijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst. Deze verjaringstermijn mag niet korter zijn dan:
a)
vijf jaar voor strafbare feiten waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat;
b)
drie jaar voor strafbare feiten waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat;
4. In afwijking van lid 2 van dit artikel kunnen de lidstaten een kortere verjaringstermijn vaststellen, mits die verjaringstermijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst. Deze verjaringstermijn mag niet korter zijn dan:
a)
vijf jaar na de datum van de onherroepelijke veroordeling in de volgende gevallen:
i)
een gevangenisstraf van meer dan één jaar; dan wel
ii)
een gevangenisstraf voor een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat;
b)
drie jaar na de datum van de onherroepelijke veroordeling in de volgende gevallen:
i)
een gevangenisstraf tot één jaar; dan wel
ii)
een gevangenisstraf voor een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat.
HOOFDSTUK III
VOORKOMING, MELDING EN ONDERZOEK
Artikel 20
Voorkoming van corruptie
1. De lidstaten nemen passende maatregelen, zoals voorlichtings- en bewustmakingscampagnes, om het publiek en de private sector bewuster te maken van de gevolgen en de schadelijkheid van corruptie, teneinde het totale aantal corruptiedelicten en het risico op corruptie te verminderen.
2. De lidstaten nemen maatregelen om een hoge mate van integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht in het openbaar bestuur en bij de openbare besluitvorming te waarborgen met het oog op de voorkoming van corruptie. De lidstaten bevorderen een cultuur van openbare dienstverlening die op die beginselen is gebaseerd, en zorgen ervoor dat nationale ambtenaren en overheidsdiensten blijven werken aan hun vermogen om adequate beroepsnormen te handhaven en aan hun bewustzijn van belangenconflicten en de risico’s van corruptie.
3. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat er preventieve instrumenten voorhanden zijn. Die instrumenten omvatten bijvoorbeeld passende toegang tot informatie van algemeen belang, regels voor de openbaarmaking en het beheer van belangenconflicten in de publieke sector, maatregelen om de transparantie te waarborgen bij de financiering van kandidaturen voor verkozen overheidsfunctionarissen en politieke partijen, regels voor de aangifte van activa en verificatie van die aangiften, belangenverklaringen door krachtens het nationale recht aangewezen nationale ambtenaren en regulering van draaideursituaties waarbij die ambtenaren betrokken zijn, regels betreffende het niet melden van wezenlijke activa of belangen, en regels voor de interactie tussen de private en de publieke sector.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat er maatregelen ter voorkoming van corruptie in zowel de publieke als de private sector voorhanden zijn, die zijn toegesneden op de specifieke risico’s van een activiteitengebied. Die maatregelen omvatten ten minste activiteiten ter versterking van de integriteit en ter voorkoming van mogelijkheden tot corruptie onder:
a)
hoge ambtenaren;
b)
rechtshandhavingsinstanties en justitiële autoriteiten, waaronder maatregelen inzake hun benoeming en gedrag.
5. De lidstaten voeren op gezette tijden een beoordeling uit om na te gaan welke sectoren of beroepen het grootste risico op corruptie lopen, en ontwikkelen maatregelen om de belangrijkste risico’s in de aangewezen sectoren of beroepen aan te pakken.
6. Naar aanleiding van de in lid 5 bedoelde beoordeling organiseren de lidstaten waar nodig regelmatig bewustmakingsactiviteiten die zijn toegesneden op de specifieke kenmerken van de aangewezen sectoren of beroepen, onder meer op het gebied van ethiek.
7. Waar nodig nemen de lidstaten maatregelen ter bevordering van de deelname van het maatschappelijk middenveld, de academische wereld, niet-gouvernementele organisaties en gemeenschapsorganisaties aan corruptiebestrijdingsactiviteiten.
Artikel 21
Nationale strategieën
Onverminderd het bestaande beleid, stelt elke lidstaat een nationale strategie ter voorkoming en bestrijding van corruptie vast waarin doelstellingen, prioriteiten en bijbehorende maatregelen worden vastgelegd, alsmede de middelen om die doelstellingen te verwezenlijken, en maakt hij deze strategie bekend. De lidstaten streven ernaar dat die nationale strategie wordt ontwikkeld in overleg met het maatschappelijk middenveld, de in artikel 22 bedoelde relevante instanties of eenheden, onafhankelijke deskundigen, onderzoekers en andere belanghebbenden, en houden rekening met de behoeften, specifieke kenmerken en uitdagingen van de lidstaten.
Artikel 22
Instanties of organisatorische eenheden voor corruptiebestrijding
1. Om de bestrijding van corruptie op een gemeenschappelijke basis te bevorderen, zorgen de lidstaten ervoor dat er een of meer instanties of organisatorische eenheden belast zijn met de voorkoming van corruptie en over de nodige expertise beschikken om corruptie te bestrijden. De taken van die instanties of organisatorische eenheden kunnen, naargelang het geval, het volgende omvatten:
a)
beoordelen van aangiften van activa van nationale ambtenaren die zijn aangewezen krachtens het nationale recht;
b)
toezien op de naleving van de transparantieregels die van toepassing zijn op nationale ambtenaren en overheidsinstanties;
c)
toezien op de naleving van de wettelijke bepalingen en regels met betrekking tot belangenconflicten in de publieke sector;
d)
bepalen in welke sectoren of beroepen het risico op corruptie het grootst is;
e)
samenwerken met bevoegde autoriteiten, instanties of organisatorische eenheden die belast zijn met de bestrijding van corruptie.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat er een of meer instanties of organisatorische eenheden belast zijn met het bestrijden en onderzoeken van corruptie.
3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de leden 1 en 2 bedoelde instanties of organisatorische eenheden:
a)
zonder ongerechtvaardigde inmenging optreden;
b)
bekend zijn bij het publiek;
c)
in voorkomend geval besluiten nemen of aanbevelingen doen volgens transparante procedures die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld;
d)
verslag uitbrengen over hun belangrijkste activiteiten en de resultaten daarvan.
Artikel 23
Middelen
De lidstaten zorgen ervoor dat de instanties of organisatorische eenheden die belast zijn met het voorkomen en bestrijden van corruptie, beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel en over de financiële, technische en technologische middelen die nodig zijn voor de doeltreffende uitvoering van hun taken in verband met de uitvoering van deze richtlijn.
Artikel 24
Opleiding
1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn nationale ambtenaren actuele opleidingen aan te bieden teneinde hen in staat te stellen de verschillende vormen van corruptie en de corruptierisico’s die zich bij de uitoefening van hun taken kunnen voordoen te onderkennen en tijdig en passend te reageren op verdachte activiteiten.
2. Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verschillen in de organisatie van de rechterlijke macht in de Unie neemt elke lidstaat de nodige maatregelen om gespecialiseerde en actuele opleidingen aan te bieden ten behoeve van rechtshandhavingsinstanties en justitiële autoriteiten die belast zijn met strafrechtelijke onderzoeken en strafprocedures betreffende de onder deze richtlijn vallende strafbare feiten.
Artikel 25
Bescherming van personen die strafbare feiten melden of meewerken aan het onderzoek daarnaar
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat Richtlijn (EU) 2019/1937 van toepassing is op de melding van de in de artikelen 3 tot en met 11 van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten en op de bescherming van de personen die die strafbare feiten melden onder de in die richtlijn gestelde voorwaarden.
2. Naast de in lid 1 bedoelde maatregelen nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat eenieder die de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten meldt, bewijsmateriaal verstrekt of anderszins samenwerkt met bevoegde autoriteiten, toegang heeft tot beschermings-, ondersteunings- en bijstandsmaatregelen in het kader van strafprocedures, overeenkomstig het nationale recht.
Artikel 26
Onderzoeksmiddelen
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat doeltreffende en evenredige onderzoeksmiddelen ter beschikking staan voor het onderzoeken of vervolgen van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten. Waar passend omvatten die middelen speciale onderzoeksmiddelen, zoals die welke worden ingezet bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit of andere ernstige criminaliteit.
Artikel 27
Bevriezing en confiscatie
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de opsporing, identificatie, bevriezing en confiscatie van de hulpmiddelen die zijn gebruikt bij en de opbrengsten van de in hoofdstuk II van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten mogelijk te maken.
De lidstaten die gebonden zijn door Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad (28) nemen de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde maatregelen overeenkomstig die richtlijn.
Artikel 28
Uitwisseling van informatie
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Secure Information Exchange Network Application — Siena) van Europol wordt gebruikt voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde rechtshandhavingsinstanties overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn (EU) 2023/977.
Artikel 29
Rechten van slachtoffers
Onverminderd Richtlijn 2012/29/EU nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de relevante rechten uit hoofde van het toepasselijke recht toe te kennen aan de slachtoffers van strafbare feiten uit hoofde van deze richtlijn, met inbegrip van rechtspersonen, indien van toepassing, overeenkomstig het nationale recht.
Artikel 30
Rechten van het betrokken publiek om deel te nemen aan gerechtelijke procedures
De lidstaten zorgen ervoor dat personen die zijn getroffen of waarschijnlijk worden getroffen door de in de artikelen 3 tot en met 9 van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, en personen die een voldoende belang hebben bij of stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, alsook niet-gouvernementele organisaties die betrokken zijn bij de bestrijding van corruptie en voldoen aan de vereisten uit hoofde van het nationale recht, passende procedurele rechten hebben in procedures betreffende die strafbare feiten, indien die procedurele rechten voor het betrokken publiek in de lidstaat bestaan in procedures betreffende andere strafbare feiten, bijvoorbeeld als civiele partij.
Artikel 31
Schorsing of overplaatsing van een overheidsfunctionaris
De lidstaten overwegen strafrechtelijke, bestuurlijke of tuchtprocedures in te stellen uit hoofde waarvan een overheidsfunctionaris die van een in deze richtlijn bedoeld strafbaar feit wordt beschuldigd, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit kan worden geschorst of tijdelijk kan worden overgeplaatst, met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld.
HOOFDSTUK IV
COÖRDINATIE EN SAMENWERKING
Artikel 32
Samenwerking tussen de lidstaten en instellingen, organen of instanties van de Unie
Wanneer wordt vermoed dat de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten een grensoverschrijdend karakter hebben, overwegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in kwestie de informatie met betrekking tot die strafbare feiten door te geven aan de betreffende bevoegde instellingen, organen of instanties van de Unie.
Onverminderd de regels inzake grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp in strafzaken, werken de lidstaten, Europol, Eurojust, het Europees Openbaar Ministerie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Commissie binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden met elkaar samen bij de bestrijding van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten. Daartoe verstrekt Eurojust waar passend, de technische en operationele bijstand die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de coördinatie van hun onderzoeken te vergemakkelijken. De Commissie en OLAF kunnen waar passend voorzien in bijstand.
Artikel 33
Steun van de Commissie aan de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten
1. De Commissie stelt een overzicht op van de corruptierisico’s in de verschillende sectoren in de Unie en vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en deskundigen in de hele Unie.
2. Via het EU-netwerk ter bestrijding van corruptie vervult de Commissie de volgende taken:
a)
vergemakkelijken van de samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken tussen beroepsbeoefenaars, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, deskundigen, onderzoekers en andere belanghebbenden van de lidstaten;
b)
op verzoek alle belanghebbenden, en met name de lidstaten, ondersteunen bij hun activiteiten door de ontwikkeling van beste praktijken, niet-bindende richtsnoeren en methoden.
3. De Commissie informeert de lidstaten over de financiële middelen waarover zij op Unieniveau beschikken voor de bestrijding van corruptie, met inbegrip van corruptiebestrijdingsprogramma’s van de Unie met derde landen.
Artikel 34
Gegevensverzameling en statistieken
1. De lidstaten beschikken over een systeem voor de registratie, productie en verstrekking van geanonimiseerde statistische gegevens over de in de artikelen 3 tot en met 11 van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten.
2. De in lid 1 bedoelde statistische gegevens omvatten ten minste de volgende bestaande gegevens indien die op centraal niveau beschikbaar zijn:
a)
het aantal door de lidstaten geregistreerde en berechte strafbare feiten;
b)
het aantal rechtszaken dat zonder veroordeling werd afgesloten, met inbegrip van het aantal zaken dat niet-ontvankelijk werd verklaard wegens verjaring van het desbetreffende strafbare feit;
c)
het aantal buitengerechtelijke afdoeningen voor de in de artikelen 3 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten, indien die mechanismen in een lidstaat in enig stadium van de desbetreffende procedure bestaan;
d)
het aantal natuurlijke personen, met vermelding, indien beschikbaar, van het aantal overheidsfunctionarissen en hoge ambtenaren, dat:
i)
vervolgd is,
ii)
veroordeeld is,
iii)
een geldboete heeft gekregen;
e)
het aantal rechtspersonen dat:
i)
vervolgd is,
ii)
veroordeeld is,
iii)
een geldboete heeft gekregen;
f)
de soorten en hoogtes van sancties die zijn opgelegd voor de in de artikelen 3 tot en met 11 bedoelde strafbare feiten;
g)
het aantal gratieverleningen in verband met veroordelingen met betrekking tot de artikelen 3, 4, 5 en 6.
3. De lidstaten publiceren jaarlijks en indien mogelijk uiterlijk op 1 juni, maar niet later dan 31 december de in lid 2 bedoelde statistische gegevens over het voorgaande jaar in een machineleesbaar, gemakkelijk toegankelijk en vergelijkbaarformaat en stellen de Commissie daarvan in kennis.
HOOFDSTUK V
SLOTBEPALINGEN
Artikel 35
Vervanging van Kaderbesluit 2003/568/JBZ en van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn
1. Kaderbesluit 2003/568/JBZ wordt vervangen voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten betreffende de datum van omzetting van dat kaderbesluit in intern recht.
Voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2003/568/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn. Met name gelden verwijzingen naar artikel 2 van Kaderbesluit 2003/568/JBZ als verwijzingen naar hoofdstuk II van deze richtlijn.
2. De Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, wordt vervangen voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten.
Voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten gelden verwijzingen naar die overeenkomst als verwijzingen naar deze richtlijn. Met name gelden verwijzingen naar artikel 3 van die Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, als verwijzingen naar hoofdstuk II van deze richtlijn.
Artikel 36
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2017/1371
Richtlijn (EU) 2017/1371 wordt als volgt gewijzigd:
1)
aan artikel 2, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
“c)
“hoge ambtenaar”: een hoge ambtenaar zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9), van Richtlijn (EU) 2026/1021 van het Europees Parlement en de Raad (*1).
(*1) Richtlijn (EU) 2026/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2026 betreffende de bestrijding van corruptie, ter vervanging van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad en van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2026/1021, 11.5.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2026/1021/oj).”;"
2)
artikel 4, lid 2, wordt vervangen door:
“2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat passieve en actieve omkoping in de publieke sector, wanneer opzettelijk gepleegd, strafbare feiten vormen.
a)
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder “passieve omkoping in de publieke sector”: de handeling van een overheidsfunctionaris die onmiddellijk of middellijk voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een derde vraagt of aanneemt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten waardoor de financiële belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad.
b)
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder “actieve omkoping in de publieke sector”: de handeling van iemand die een overheidsfunctionaris onmiddellijk of middellijk een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een derde toezegt, aanbiedt of verstrekt om een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten waardoor de financiële belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad.”
;3)
artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
a)
lid 3 wordt vervangen door:
“3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3 en artikel 4, leden 1 en 3, bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar indien die strafbare feiten aanzienlijke schade of een aanzienlijk voordeel met zich meebrengen.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, indien de door de ambtenaar uit te voeren handeling of het nalaten te handelen niet in strijd is met zijn of haar plichten, de in artikel 4, lid 2, bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar indien die strafbare feiten aanzienlijke schade of een aanzienlijk voordeel met zich meebrengen.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, indien de door de ambtenaar uit te voeren handeling of het nalaten te handelen in strijd is met zijn of haar plichten, de in artikel 4, lid 2, bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste vijf jaar indien die strafbare feiten aanzienlijke schade of een aanzienlijk voordeel met zich meebrengen.
De schade of het voordeel als gevolg van de in artikel 3, lid 2, punten a), b) en c), en in artikel 4 bedoelde strafbare feiten wordt als aanzienlijk beschouwd indien er met de schade of het voordeel meer dan 100 000 EUR is gemoeid.
De schade of het voordeel als gevolg van de in artikel 3, lid 2, punt d), bedoelde strafbare feiten wordt, met inachtneming van artikel 2, lid 2, altijd als aanzienlijk beschouwd.
Ook in andere ernstige, in hun nationale recht omschreven, omstandigheden kunnen de lidstaten in een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar voorzien.”
;b)
lid 4 wordt vervangen door:
“4. Indien met een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, lid 2, punt a), b) of c), of in artikel 4, leden 1 en 3, schade van minder dan 10 000 EUR of een voordeel van minder dan 10 000 EUR is gemoeid, kunnen de lidstaten in andere dan strafrechtelijke sancties voorzien.”
;c)
het volgende lid wordt toegevoegd:
“6. Onverminderd de leden 1 tot en met 5 van dit artikel nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat natuurlijke personen die de in de artikelen 3, 4 en 5 van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten hebben gepleegd, kunnen worden onderworpen aan aanvullende, strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen, waaronder die in artikel 12, lid 4, van Richtlijn (EU) 2026/1021.”
;4)
artikel 8 wordt vervangen door:
“Artikel 8
Verzwarende en verzachtende omstandigheden
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een in artikel 3, 4 of 5 van deze richtlijn bedoeld strafbaar feit wordt gepleegd in het verband van een criminele organisatie zoals gedefinieerd in Kaderbesluit 2008/841/JBZ, dit als een verzwarende omstandigheid wordt beschouwd.
De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een of meer van de in de artikelen 15 en 16 van Richtlijn (EU) 2026/1021 bedoelde omstandigheden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het nationale recht kunnen worden beschouwd als verzwarende en verzachtende omstandigheden met betrekking tot de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten.”
;5)
artikel 9 wordt vervangen door:
“Artikel 9
Sancties tegen rechtspersonen
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon die op grond van artikel 6 aansprakelijk is gesteld, kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de sancties of maatregelen tegen rechtspersonen die op grond van artikel 6 van deze richtlijn aansprakelijk zijn gesteld, strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboeten omvatten waarvan het bedrag evenredig is met de ernst van de gedraging en met de individuele, financiële en andere omstandigheden van de betrokken rechtspersoon, en tevens andere strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen kunnen omvatten die evenredig zijn met de ernst van de gedraging, zoals die in artikel 14, lid 2, van Richtlijn (EU) 2026/1021.
Voor zover rechtspersonen op grond van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn aansprakelijk zijn gesteld voor de in de artikel 4, leden 2 en 3, van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, is artikel 14, lid 3, van Richtlijn (EU) 2026/1021 van toepassing.”
;6)
artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
a)
de leden 2, 3 en 4 worden vervangen door:
“2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, artikel 4, lid 1, en artikel 5 bedoelde strafbare feiten die kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar, gedurende ten minste vijf jaar vanaf het plegen van het strafbare feit, aan onderzoek, strafvervolging, een proces en berechting kunnen worden onderworpen.
3. In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten een verjaringstermijn van minder dan vijf jaar, doch niet minder dan drie jaar, vaststellen, mits die verjaringstermijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst.
4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 4, leden 2 en 3, bedoelde strafbare feiten die kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar, gedurende ten minste acht jaar vanaf het plegen van het strafbare feit, aan onderzoek, strafvervolging, een proces en berechting kunnen worden onderworpen.”
;b)
de volgende leden worden toegevoegd:
“5. In afwijking van lid 4 kunnen de lidstaten een verjaringstermijn van minder dan acht jaar, doch niet minder dan vijf jaar, vaststellen, mits die verjaringstermijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst.
6. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorzien in een verjaringstermijn van ten minste vijf jaar vanaf de datum van de onherroepelijke veroordeling voor een in artikel 3, artikel 4, lid 1 en artikel 5 bedoeld strafbaar feit die de tenuitvoerlegging van de volgende na die veroordeling opgelegde sancties mogelijk maakt:
a)
een gevangenisstraf van meer dan één jaar; dan wel
b)
een gevangenisstraf voor een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat.
7. In afwijking van lid 6 kunnen de lidstaten een verjaringstermijn van minder dan vijf jaar, doch niet minder dan drie jaar, vaststellen, mits die verjaringstermijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst.
8. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorzien in een verjaringstermijn van ten minste tien jaar vanaf de datum van de onherroepelijke veroordeling voor een in artikel 4, leden 2 en 3, bedoeld strafbaar feit die de tenuitvoerlegging van de volgende na die veroordeling opgelegde sancties mogelijk maakt:
a)
een gevangenisstraf van meer dan één jaar; dan wel
b)
een gevangenisstraf voor een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf van ten minste vier jaar staat.
9. In afwijking van lid 8 kunnen de lidstaten een verjaringstermijn van minder dan tien jaar, doch niet minder dan vijf jaar, vaststellen, mits die termijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst.”.
Artikel 37
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juni 2028 aan deze richtlijn te voldoen.
Voor de verplichtingen uit hoofde van artikel 20, lid 5, en artikel 21, doen de lidstaten echter de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juni 2029 aan deze richtlijn te voldoen.
2. Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 38
Beoordeling en verslaglegging
1. De Commissie dient uiterlijk op 1 juni 2030 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen.
2. De Commissie dient uiterlijk op 1 juni 2032 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin de toegevoegde waarde van deze richtlijn voor de bestrijding van corruptie wordt beoordeeld, met inbegrip van een beoordeling van artikel 7 en de uitvoering ervan door de lidstaten. In dat verslag wordt ook ingegaan op de gevolgen van deze richtlijn voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden. Op basis van die beoordeling besluit de Commissie zo nodig over passende vervolgmaatregelen.
Artikel 39
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 40
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Straatsburg, 29 april 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. RAOUNA
(1) PB C, C/2024/886, 6.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/886/oj.
(2) PB C, C/2024/1048, 9.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1048/oj.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Besluit van de Raad van 21 april 2026.
(4) Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2003/568/oj).
(5) Overeenkomst opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, punt c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (PB C 195 van 25.6.1997, blz. 2).
(6) Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/1673/oj).
(7) Richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen (PB L, 2024/1260, 2.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1260/oj).
(8) Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/81/oj).
(9) Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/23/oj).
(10) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/24/oj).
(11) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/25/oj).
(12) Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2008/841/oj).
(13) Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/1937/oj).
(14) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1371/oj).
(15) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/29/oj).
(16) Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (“strategische rechtszaken tegen publieke participatie”) (PB L, 2024/1069, 16.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1069/oj).
(17) Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van “Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/603/oj).
(18) Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L 236 van 19.9.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1240/oj).
(19) Verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie (PB L 312 van 7.12.2018, blz. 56, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1862/oj).
(20) Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/681/oj).
(21) Richtlijn (EU) 2019/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten, en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad (PB L 186 van 11.7.2019, blz. 122, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/1153/oj).
(22) Richtlijn (EU) 2023/977 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 betreffende de uitwisseling van informatie tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en tot intrekking van Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad (PB L 134 van 22.5.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/977/oj).
(23) Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/633/oj).
(24) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(25) Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1968/259(1)/oj).
(26) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/849/oj).
(27) Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (PB L 328 van 15.12.2009, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2009/948/oj).
(28) Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/42/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2026/1021/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top