Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2026/96
16.1.2026
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/96 VAN DE COMMISSIE
van 15 januari 2026
tot verlening van een vergunning voor etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor bepaalde diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de redenen en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).
(2)
Voor de stoffen etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. zijn overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG vergunningen zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn die stoffen vervolgens in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding opgenomen als bestaande producten.
(3)
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, in samenhang met artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten, waarbij is verzocht de toevoegingsmiddelen in te delen in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.
(4)
De aanvrager heeft ook verzocht om een vergunning te verlenen voor het gebruik van de toevoegingsmiddelen in drinkwater. Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet echter niet in de verlening van een vergunning voor het gebruik van “aromatische stoffen” in drinkwater. Daarom mag het gebruik van deze toevoegingsmiddelen in drinkwater niet worden toegestaan.
(5)
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 27 juni 2024 (3) , (4) geconcludeerd dat etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. tot bepaalde maximumconcentraties, die per afzonderlijke soort nader zijn gespecificeerd, geen aanleiding zijn voor bezorgdheid. Er konden echter geen conclusies worden getrokken voor katten, siervissen en andere soorten. De EFSA heeft bovendien geconcludeerd dat etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. bij de voorgestelde gebruiksconcentratie in diervoeding veilig is voor de consument en naar verwachting geen risico oplevert voor het milieu. De EFSA heeft ook vastgesteld dat etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. bij de voorgestelde gebruiksconcentraties in diervoeders veilig is voor de consument en het milieu. Zij heeft verder geconcludeerd dat etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. beschouwd moeten worden als irriterend voor de huid en de ogen en als huid- en inhalatieallergeen. De EFSA heeft bovendien geconcludeerd dat de werkzaamheid van etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. niet meer hoeft te worden aangetoond aangezien zij erkend zijn als aromatische stoffen in levensmiddelen en de functie ervan in diervoeders in wezen dezelfde is als in levensmiddelen. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.
(6)
De aanvrager heeft vervolgens de aanvraag voor de verlening van een vergunning voor etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. ingetrokken voor alle diersoorten met uitzondering van mestkalkoenen, mestkippen en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, siervogels, alle pluimveesoorten gehouden voor leg- of fokdoeleinden, mestvarkens, mestvarkens van minder gangbare Suidae-soorten, biggen (speenvarkens en gespeende biggen) van alle Suidae-soorten, alle Suidae-soorten gehouden voor reproductiedoeleinden, mestkalveren, schapen en geiten, mestrunderen, andere herkauwers gehouden voor mestdoeleinden en alle andere herkauwers, kameelachtigen gehouden voor mestdoeleinden en alle andere kameelachtigen, paardachtigen, Leporidae, zalmachtigen, minder gangbare vissoorten en honden.
(7)
Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. voldoen aan de voorwaarden van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 ten aanzien van mestkalkoenen, mestkippen en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, siervogels, alle pluimveesoorten gehouden voor leg- of fokdoeleinden, mestvarkens, mestvarkens van minder gangbare Suidae-soorten, biggen (speenvarkens en gespeende biggen) van alle Suidae-soorten, alle Suidae-soorten gehouden voor reproductiedoeleinden, mestkalveren, schapen en geiten, mestrunderen, andere herkauwers gehouden voor mestdoeleinden en alle andere herkauwers, kameelachtigen gehouden voor mestdoeleinden en alle andere kameelachtigen, paardachtigen, Leporidae, zalmachtigen, minder gangbare vissoorten en honden. Het gebruik van deze toevoegingsmiddelen zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden toegestaan.
(8)
Wat etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. betreft, is de Commissie van oordeel dat vanwege de aanwezigheid van de zorgwekkende stoffen perillaldehyde en furocumarinen voor dat toevoegingsmiddel een maximumgehalte in volledig diervoeder moet worden vastgesteld, en dat een mengsel van etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. met andere botanische toevoegingsmiddelen is toegestaan mits de hoeveelheden perillaldehyde en furocumarinen in voedermiddelen en mengvoeders lager blijven dan de hoeveelheden die het gevolg zouden zijn van het gebruik van één toevoegingsmiddel met het maximum- of aanbevolen gehalte voor de desbetreffende diersoort of -categorie. Wat etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. betreft, is de Commissie van oordeel dat vanwege de aanwezigheid van de zorgwekkende stof perillaldehyde voor dat toevoegingsmiddel een maximumgehalte in volledig diervoeder moet worden vastgesteld, en dat een mengsel van etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. met andere botanische toevoegingsmiddelen is toegestaan mits de hoeveelheden perillaldehyde in voedermiddelen en mengvoeders lager blijven dan de hoeveelheden die het gevolg zouden zijn van het gebruik van één toevoegingsmiddel met het maximum- of aanbevolen gehalte voor de desbetreffende diersoort of -categorie. Daarnaast is de Commissie van oordeel dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel te voorkomen.
(9)
De Commissie is overeenkomstig artikel 10, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 verplicht een verordening vast te stellen die vereist dat toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor binnen de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vastgestelde termijn geen aanvragen zijn ingediend, uit de handel worden genomen. Evenzo moet er een verordening worden vastgesteld betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor een aanvraag werd ingediend, die echter vervolgens werd ingetrokken.
(10)
In het geval van toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor een aanvraag voor bepaalde diersoorten of -categorieën is ingetrokken, moet het uit de handel nemen uitsluitend betrekking hebben op die diersoorten of -categorieën.
(11)
Daarom moeten etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. uit de handel worden genomen wat de diersoorten en -categorieën betreft, waarvoor bij deze verordening geen vergunning wordt verleend.
(12)
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stoffen vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.
(13)
Voor zover toevoegingsmiddelen voor diervoeding uit de handel worden genomen, moet daarnaast in een overgangsperiode worden voorzien waarin bestaande voorraden van de toevoegingsmiddelen, de voormengsels, de voedermiddelen en de mengvoeders die met die toevoegingsmiddelen zijn geproduceerd, kunnen worden opgemaakt ook voor de diersoorten en -categorieën waarop de bij deze verordening verleende vergunning geen betrekking heeft, zodat belanghebbende partijen zich aan de verplichting tot het uit de handel nemen van die producten, aan kunnen passen.
(14)
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Vergunningverlening
Voor de in de bijlage gespecificeerde stoffen, die behoren tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Uit de handel nemen
De toevoegingsmiddelen voor diervoeding etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. waarvoor overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning is verleend, worden uit de handel genomen voor alle diersoorten en -categorieën behalve die welke in de bijlage worden vermeld.
Artikel 3
Overgangsmaatregelen in verband met de verlening van een vergunning
1. De toevoegingsmiddelen voor diervoeding etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L. waarvoor overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG vergunningen zijn verleend en voormengsels die de toevoegingsmiddelen bevatten, die bestemd zijn voor mestkalkoenen, mestkippen en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, siervogels, alle pluimveesoorten gehouden voor leg- of fokdoeleinden, mestvarkens, mestvarkens van minder gangbare Suidae-soorten, biggen (speenvarkens en gespeende biggen) van alle Suidae-soorten, alle Suidae-soorten gehouden voor reproductiedoeleinden, mestkalveren, schapen en geiten, mestrunderen, andere herkauwers gehouden voor mestdoeleinden en alle andere herkauwers, kameelachtigen gehouden voor mestdoeleinden en alle andere kameelachtigen, paardachtigen, Leporidae, zalmachtigen, minder gangbare vissoorten en honden en die vóór 5 augustus 2026 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 5 februari 2026 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de betrokken voorraden zijn uitgeput.
2. Mengvoeders en voedermiddelen die de in lid 1 vermelde toevoegingsmiddelen voor diervoeding bevatten en die vóór 5 februari 2027 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 5 februari 2026 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de betrokken voorraden zijn uitgeput, indien zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. Mengvoeders en voedermiddelen die de in lid 1 vermelde toevoegingsmiddelen voor diervoeding bevatten die vóór 5 februari 2028 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 5 februari 2026 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de betrokken voorraden zijn uitgeput, indien zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 4
Overgangsmaatregelen in verband met het uit de handel nemen
1. Bestaande voorraden van de toevoegingsmiddelen voor diervoeding, etherische olie van selderijzaad van de soort Apium graveolens L. en etherische olie van karwij van de soort Carum carvi L., mogen tot 5 februari 2027 verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt voor de diersoorten en -categorieën die niet in de bijlage worden vermeld.
2. Voormengsels die met de in lid 1 bedoelde toevoegingsmiddelen voor diervoeding zijn geproduceerd, mogen tot 5 mei 2027 verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt voor de diersoorten en -categorieën die niet in de bijlage worden vermeld.
3. Mengvoeders en voedermiddelen die met de in lid 1 bedoelde toevoegingsmiddelen voor diervoeding of met de in lid 2 bedoelde voormengsels zijn geproduceerd, mogen tot 5 februari 2028 verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt voor de diersoorten en -categorieën die niet in de bijlage worden vermeld.
Artikel 5
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 januari 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1831/oj.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1970/524/oj).
(3) EFSA Journal, 22(7), e8907, https://doi.org/10.2903/j.efsa.2024.8907.
(4) EFSA Journal, 22(7), e8906, https://doi.org/10.2903/j.efsa.2024.8906.
BIJLAGE
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel voor diervoeding
Naam van het toevoegingsmiddel
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode
Diersoort of -categorie
Maximumleeftijd
Minimumgehalte
Maximumgehalte
Overige bepalingen
Einde van de vergunningsperiode
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen
2b52-eo
Etherische olie van selderijzaad
Samenstelling van het toevoegingsmiddel
Etherische olie van de vruchten van Apium graveolens L.
Vloeibare vorm
Karakterisering van de werkzame stof
Etherische olie van selderijzaad:
etherische olie, zoals gedefinieerd door de Raad van Europa (1), die wordt verkregen uit vruchten van Apium graveolens L. door stoomdestillatie gevolgd door verdere condensatie van vluchtige bestanddelen en scheiding van de waterige fase door decantatie.
CAS-nr.: 8015-90-5
Einecs-nr.: 289-668-4
FEMA-nummer: 2271
RvE-nr.: 52
Specificaties:
d-Limoneen: 35-79 %
β-Selineen: 5-20 %
Senkyunolide A: 1,5-22 %
β-Pineen (pin-2(10)-een): 0,3-2 %
Perillaldehyde: ≤ 0,025 %
Furocumarinen:
—
bergapteen: ≤ 0,001 %
—
psoraleen:
—
xanthoxine:
—
isopimpinelline:
—
isoimperatorine:
Analysemethode (2)
Voor de bepaling van limoneen (fytochemische marker) in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
—
gaschromatografie in combinatie met vlamionisatiedetectie (GC-FID) (ISO 3760).
Mestkalkoenen
–
–
2,1
1.
Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.
2.
In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.
3.
Etherische olie van selderijzaad mag worden gemengd met andere botanische toevoegingsmiddelen op voorwaarde dat de hoeveelheden perillaldehyde en furocumarinen in voedermiddelen en mengvoeders kleiner zijn dan de hoeveelheden die het gevolg zijn van het gebruik van één toevoegingsmiddel bij het maximumgehalte of het aanbevolen gehalte voor de desbetreffende diersoort of -categorie.
4.
Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om de mogelijke risico’s bij het gebruik ervan te ondervangen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen, de huid en de ogen worden gebruikt.
5 februari 2036
Mestkippen en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden
–
–
1,6
Alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden
–
–
1,6
Siervogels
–
–
1,6
Alle pluimveesoorten gehouden voor leg- of fokdoeleinden
2,3
Mestvarkens
–
–
3,3
Mestvarkens van minder gangbare Suidae-soorten
–
–
2,8
Biggen (speenvarkens en gespeende biggen) van alle Suidae-soorten
–
–
2,8
Alle Suidae-soorten gehouden voor reproductiedoeleinden
–
–
4,1
Mestkalveren
zes maanden
–
6,5
Schapen en geiten
–
–
6,2
Mestrunderen; andere herkauwers gehouden voor mestdoeleinden met uitzondering van voor mestdoeleinden gehouden schapen, geiten en kalveren tot een leeftijd van zes maanden; Kameelachtigen gehouden voor mestdoeleinden
–
–
6,2
Alle andere herkauwers; alle andere kameelachtigen
–
–
4
Paardachtigen
–
–
6,2
Leporidae
–
–
2,5
Zalmachtigen en minder gangbare vissoorten
–
–
6,8
Honden
–
–
7,2
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel voor diervoeding
Naam van het toevoegingsmiddel
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode
Diersoort of -categorie
Maximumleeftijd
Minimumgehalte
Maximumgehalte
Overige bepalingen
Einde van de vergunningsperiode
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen
2b112-eo
Etherische olie van karwei
Samenstelling van het toevoegingsmiddel
Etherische olie van de vruchten van Carum carvi L.
Vloeibare vorm
Karakterisering van de werkzame stof
Etherische olie van karwei:
etherische olie, zoals gedefinieerd door de Raad van Europa (3), die wordt verkregen uit de gedroogde, rijpe vruchten van Carum carvi L. door stoomdestillatie gevolgd door verdere condensatie van vluchtige bestanddelen en scheiding van de waterige fase door decantatie.
CAS-nr.: 8000-42-8
Einecs-nr.: 288-921-6
FEMA-nummer: 2238
RvE-nr.: 112
Specificaties:
—
d-Carvon 45-65 %
—
d-Limoneen: 30-50 %
—
Perillaldehyde: ≤ 0,5 %
Analysemethode (4)
Voor de bepaling van limoneen en carvon (fytochemische markers) in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
—
gaschromatografie in combinatie met vlamionisatiedetectie (GC-FID) (Europese farmacopee, monografie 1817).
Mestkalkoenen
–
–
12
1.
Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.
2.
In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.
3.
Etherische olie van karwij mag worden gemengd met andere botanische toevoegingsmiddelen op voorwaarde dat de hoeveelheden perillaldehyde in voedermiddelen en mengvoeders kleiner zijn dan de hoeveelheden die het gevolg zijn van het gebruik van één toevoegingsmiddel bij het maximumgehalte of het aanbevolen gehalte voor de desbetreffende diersoort of -categorie.
4.
Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om de mogelijke risico’s bij het gebruik ervan te ondervangen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen, de huid en de ogen worden gebruikt.
5 februari 2036
Mestkippen en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden
–
–
9
Alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden
–
–
9
Siervogels
–
–
9
Alle pluimveesoorten gehouden voor leg- of fokdoeleinden
–
–
13
Mestvarkens
–
–
19
Mestvarkens van minder gangbare Suidae-soorten
–
–
16
Biggen (speenvarkens en gespeende biggen) van alle Suidae-soorten
–
–
16
Alle Suidae-soorten gehouden voor reproductiedoeleinden
–
–
24
Mestkalveren
zes maanden
–
35
Schapen en geiten
–
–
10
Mestrunderen, andere herkauwers gehouden voor mestdoeleinden met uitzondering van voor mestdoeleinden gehouden schapen, geiten en kalveren tot een leeftijd van zes maanden Kameelachtigen gehouden voor mestdoeleinden
–
–
11
Alle andere herkauwers; alle andere kameelachtigen
–
–
10
Paardachtigen
–
–
10
Leporidae
–
–
10
Zalmachtigen en minder gangbare vissoorten
–
–
25
Honden
–
–
25
(1) Natural sources of flavourings — Verslag nr. 2 (2007).
(2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en.
(3) Natural sources of flavourings — Verslag nr. 2 (2007).
(4) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/96/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top