19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/21
Advies inzake een voorstel voor een besluit van de Raad houdende vaststelling van nieuwe
bepalingen betreffende hoofdstuk VI „Voorziening" van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 330 van 16 december 1982, blz. 4.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 20 december 1982 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité over-
eenkomstig de bepalingen van artikel 170 van het Verdrag tot oprichting van de Euro-
pese Gemeenschap voor Atoomenergie over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, 1. Inleiding
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Atoomenergie, in het bijzonder
artikel 170,
Gezien de adviesaanvrage van de Raad van de
Europese Gemeenschappen d.d. 20 december 1982
inzake het voorstel voor een besluit van de Raad
houdende vaststelling van nieuwe bepalingen
betreffende hoofdstuk VI „Voorziening" van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeen-
schap voor Atoomenergie (•),
Gezien het besluit van zijn Bureau van 14 december
1982, de Afdeling voor energie en nucleaire vraag-
stukken te belasten met het opstellen van een advies
ter zake,
Gezien het advies dat voornoemde Afdeling tijdens
haar op 9 september 1983 gehouden 82e vergadering
heeft opgesteld,
Gezien het mondelinge verslag van de rapporteur,
de heer von der Decken,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn 210e zitting
van 28 en 29 september 1983 (vergadering van 28
september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met 69 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 12
onthoudingen is goedgekeurd.
(') PB nr. C 330 van 16. 12. 1982, blz. 4.
1.1. In artikel 76 van het Euratom-Verdrag is vast-
gelegd dat de bepalingen van hoofdstuk VI na
zeven jaar, d.w.z. vanaf 1964, gewijzigd kunnen wor-
den. De Commissie heeft reeds tweemaal (1964 en
1970) wijzigingsvoorstellen ingediend, die echter
niet tot resultaten hebben geleid.
1.2. Krachtens de tot nog toe vigerende tekst van
hoofdstuk VI van het Euratom-Verdrag bezit de
Commissie het handelsmonopolie voor kernsplijt-
stoffen, aangezien op het moment dat deze tekst
werd geformuleerd ervan uit moest worden gegaan
dat tekorten zouden optreden. In de praktijk is ech-
ter een geheel andere situatie ontstaan, vooral
omdat de oorspronkelijk verwachte schaarste, met
name op de markt van natuurlijk uranium, niet is
opgetreden.
1.3. Het Voorzieningsagentschap, dat de rechten
en plichten van de Commissie waarneemt, heeft
gezien deze ontwikkeling een vereenvoudigde pro-
cedure ingevoerd, die er in de praktijk op neerkomt
dat het Agentschap de contracten ten dele weliswaar
ondertekent, maar in het algemeen niet betrokken is
bij de onderhandeling over de contracten. In veel
gevallen vindt de facto slechts registratie van de
kernsplijtstoffen door het Agentschap plaats.
1.4. In hoofdstuk VI wordt niet bepaald dat het
Voorzieningsagentschap het monopolie bezit voor
de loonbewerkingsovereenkomsten (art. 75). In het
verleden is erover gediscussieerd of de loonverrij-
kingscontracten al dan niet loonbewerkingsovereen-
komsten zijn. Daarom hebben sommige Lid-Staten
Nr. C 341/22 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
en ondernemingen hun contracten niet aan het
Voorzieningsagentschap voorgelegd.
1.5. Om deze en verschillende andere redenen
heeft de Commissie nu een nieuw voorstel tot wijzi-
ging van de bepalingen van hoofdstuk VI voorge-
legd. Hierin wordt de monopoliepositie van het
Agentschap volledig opgegeven, worden daarente-
gen alle loonbewerkingsovereenkomsten gelijkge-
steld met aan- en verkoopovereenkomsten, wordt
voor het principe van de markteconomie en van
eenheid van de gemeenschappelijke markt gekozen
en wordt het Agentschap geconsolideerd, echter met
een nieuwe, in de praktijk gegroeide belangrijke
taak.
2. Algemene opmerkingen
2.1. Slechts wanneer het uit hoofde van het spe-
ciale karakter van de atoomtechniek absoluut nood-
zakelijk is, voor een bepaalde splijtstof afwijkende
bepalingen te treffen, zou volgens het Comité
mogen worden overwogen hoofdstuk VI te wijzigen.
Aangezien controle- en veiligheidskwesties in
hoofdstuk VII geregeld zijn, kunnen en moeten de
bepalingen van hoofdstuk VI uitsluitend betrekking
hebben op de voorziening, de regels van de markt-
economie en de eenheid van de markt.
2.2. Het Comité stemt volledig in met de algemene
doelstelling van de nieuwe bepalingen. Het stelt
evenwel vast dat enkele bijkomende rechten
opgeëist worden die in de oorspronkelijke tekst van
het Verdrag niet voorkomen. In het onderstaande
zal het Comité zijn standpunt inzake deze en enige
bijzondere wijzigingen apart bekend maken.
2.3. Het Comité hoopt dat alle betrokken partijen
met inaanmerkingneming van de bijzondere opmer-
kingen van zijn advies spoedig tot overeenstemming
zullen kunnen komen, zodat een besluit kan worden
genomen over de nieuwe versie van de bepalingen
van hoofdstuk VI van het Euratom-Verdrag.
3. Bijzondere opmerkingen
3.1. Artikel 52
In dit artikel wordt rekening gehouden met het feit
dat er in de Gemeenschap Lid-Staten zijn die
atoomwapens bezitten. Verduidelijkt wordt dat de
rol van de Gemeenschap bij de bevoorrading zich
niet uitstrekt tot de bevoorrading voor militaire en
explosieve doeleinden. Het Comité ziet geen moge-
lijkheid om dit probleem door een ander voorstel op
te lossen. Het onderstreept echter dat voor alle
materialen die voor civiele, niet-explosieve doelein-
den gebruikt worden, in alle Lid-Staten dezelfde
voorschriften moeten gelden, omdat zich anders een
onaanvaardbare discriminatie zou voordoen.
3.2. Artikel 53
Het Comité stelt met voldoening vast dat de een-
heid van de markt van de Gemeenschap in artikel
53, lid 1, uitdrukkelijk wordt bevestigd. Het is zich
er echter van bewust dat het hier slechts het niet-
militaire marktsegment betreft.
Zolang geen officiële versie van een dergelijke ver-
ordening bestaat kan het Comité echter geen defini-
tief standpunt over het tweede lid van artikel 53
innemen. Het verzoekt derhalve over deze verorde-
ning geraadpleegd te worden.
3.3. Artikel 57
Het Comité vraagt zich af of het noodzakelijk is dat
voor exportcontracten een uitdrukkelijke toestem-
ming vereist is. Naar zijn mening zou het voldoende
zijn wanneer het Voorzieningsagentschap van derge-
lijke contracten kennis neemt. Ook naar het oordeel
van de Commissie kan slechts in zeer uitzonderlijke
gevallen een exportvergunning geweigerd worden.
In die gevallen zou het Voorzieningsagentschap
slechts moeten nagaan of het contract tegen de
belangen van de Gemeenschap indruist en niet of
het met de algemene belangen strookt.
3.4. In ieder geval mag loonveredeling volgens het
Comité niet aan de bepalingen van artikel 57 wor-
den onderworpen, aangezien de voorzieningssituatie
van de Gemeenschap door loonveredeling niet
wordt beïnvloed.
3.5. Artikel 58
Het Comité acht de formulering van dit artikel te
onduidelijk, omdat hieruit niet blijkt dat het slechts
investeringen met internationale deelneming betreft,
zoals de Commissie in haar toelichting verklaart.
Bovendien bestaat er volgens het Comité geen reden
om ondernemingen met internationale deelnemin-
gen anders te behandelen dan zuiver nationale
ondernemingen. Omvangrijke investeringsplannen
op het vlak van verrijking en opwerking zullen
immers toch in de gehele Gemeenschap bekend zijn.
Het Comité acht artikel 58 daarom in zijn geheel
overbodig, te meer daar investeerders noch moeten,
noch kunnen worden gedwongen om samen te wer-
ken.
3.6. Artikel 60
De Commissie zou in de eerste plaats voor natuur-
lijk uranium voorraadvorming moeten voorstellen,
omdat de Gemeenschap alleen wat deze grondstof
betreft afhankelijk is van derde landen. Zelfs in dit
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/23
geval ziet het Comité echter voor de nabije toekomst
geen concrete redenen om tot voorraadvorming over
te gaan.
3.7. Artikel 61
Het Comité acht het principieel onlogisch enerzijds
de principes van de markteconomie, die juist op het
vrije spel tussen vraag en aanbod berusten, te willen
toepassen, en anderzijds te willen ingrijpen om een
marktevenwicht tot stand te brengen. Bovendien
kan nauwelijks voldoende duidelijk worden gedefi-
nieerd wat onder gebrek aan evenwicht tussen vraag
en aanbod wordt verstaan.
3.8. Om deze verschillende redenen stelt het
Comité voor dat artikel 61 geschrapt wordt en ver-
vangen wordt door een tekst die slechts in een crisis
van toepassing is:
,, Artikel 61
Ingeval een ernstige crisisdreiging bestaat, richt
de Commissie ter zake dienende aanbevelingen
tot de Lid-Staten, personen en ondernemingen,
die erop gericht zijn de crisis te boven te
komen.".
voornaamste doel heeft gesteld het bedrijfsleven te
steunen. Het is dan ook wenselijk dat de positie van
het Agentschap in de toekomst zoveel mogelijk
wordt geconsolideerd, o.a. door het ook de bevoegd-
heid over exportcontracten te geven. Alleen al het
feit dat de exportcontracten de voorzieningssituatie
van de Gemeenschap beïnvloeden, rechtvaardigt
immers kennisgeving hiervan aan de Commissie.
Vanuit dit oogpunt zou de bevoegdheid van het
Voorzieningsagentschap moeten worden geregeld.
Dit punt moet volgens het Comité verduidelijkt
worden.
3.11. Artikel 72
Het Comité heeft geen bezwaar tegen dit artikel,
mits door wijziging van artikel 57 bepaald wordt dat
ook exportcontracten onder dit artikel vallen omdat
zij de voorziening betreffen. Het Comité hoopt dat
de toepassing van dit artikel in de praktijk niet te
veel rompslomp met zich brengt.
3.12. Artikel 73
3.9. Artikel 62
Het is naar het oordeel van het Comité zonder meer
duidelijk dat de Raad het recht moet hebben om in
crisissituaties op voorstel van de Commissie en met
eenparigheid van stemmen de noodzakelijke maat-
regelen te nemen.
Het Comité ziet niet in waarom de bepalingen van
hoofdstuk VII „Veiligheidscontrole" nog zouden
moeten worden uitgebreid met en versterkt door
extra controlemaatregelen.
3.13. Artikel 75
3.10. Artikelen 63 t/m 71
Het Voorzieningsagentschap heeft in de afgelopen
jaren zeer veel aanzien gekregen, omdat het zich tot
Loonveredeling zou uitdrukkelijk van deze bepaling
moeten worden vrijgesteld, omdat de voorzienings-
situatie van de Gemeenschap door loonveredeling
niet wordt beïnvloed.
Gedaan te Brussel, 28 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Verworpen wijzigingsvoorstellen
De volgende overeenkomstig de bepalingen van het Reglement van Orde ingediende wijzigings-
voorstellen werden door het Comité tijdens de discussie verworpen:
Nr. C 341/24 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12.83
Paragraaf 3.1 „Artikel 52"
Deze paragraaf door de volgende tekst te vervangen:
„In de eerste zin van artikel 52 zouden de woorden voor „niet-militaire en niet-explosieve
doeleinden" moeten worden geschrapt.".
Motivering
Eenheid van de bevoorradingsmarkt en non-discriminatie, onafhankelijk van de doeleinden
waarvoor de materialen gebruikt worden (militaire of civiele), behoren tot de grondslagen van het
Euratom-Verdrag. Hieraan mag niet getornd worden, omdat alle markten van de Gemeenschap
gelijk behandeld moeten worden. Er is een de facto-situatie ontstaan waarin sommige Lid-Staten
de regels van het Verdrag op discriminerende wijze toepassen door het principe van eenheid van
de bevoorradingsmarkt niet te respecteren en een groot deel van hun installaties en/of die van
hun burgers aan de controle krachtens het Verdrag te onttrekken. Derhalve moet voorkomen wor-
den dat deze situatie door een nieuwe wetstekst wordt gelegaliseerd.
De eenheid van de bevoorradingsmarkt wordt tevens bevestigd in hoofdstuk VII (Veiligheidscon-
trole). In artikel 84 staat nl.: „Bij de uitoefening van de controle wordt niet gediscrimineerd op
grond van de bestemming welke is gegeven aan de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstof-
fen.". In de laatste alinea van dit artikel wordt gespecificeerd dat het controlerecht pas ophoudt
bij of na de bijzondere bewerking van materialen bestemd voor defensiedoeleinden.
De Gemeenschap kan in haar wetgeving geen discriminatie accepteren die indruist tegen de een-
heid van de markt en het resultaat is van een ontwikkeling waarbij bepaalde materialen „losge-
koppeld" worden van civiele of militaire programma's. Dit geldt in het bijzonder voor Frankrijk,
dat met deze methode meer dan 80 % van de materialen aan de Euratom-controle onttrekt. Op
enkele uitzonderingen na hebben alle installaties dus hun „materialen voor vrij gebruik". Deze
materialen, die momenteel bijna de helft en weldra meer dan de helft van de totale elektriciteits-
produktie van Frankrijk voor hun rekening nemen en vanzelfsprekend van onloochenbare bete-
kenis voor de energiemarkt van de Gemeenschap zijn, worden dus aan de regels van het Verdrag
onttrokken. Legalisering van een dergelijke situatie door de voorgestelde tekst is onaanvaardbaar
en overigens geenszins noodzakelijk, gezien het geval van het Verenigd Koninkrijk, dat ook een
kernmacht bezit maar niettemin geaccepteerd heeft, materialen voor militaire doeleinden naar de
geest en de letter van artikel 84 te behandelen.
Het opleggen van sancties (artikel 74 van de nieuwe bepalingen) wordt een verdere discriminatie
indien niet voor alle Lid-Staten dezelfde voorwaarden gelden.
Uitslag van de stemming
Vóór: 12; tegen: 49; onthoudingen: 19.
Na paragraaf 3.12
Een paragraaf betreffende artikel 74 in te voegen:
„Het lijkt het Comité niet verstandig om hier verordeningsbevoegdheid aan de Commissie
te geven, vooral omdat de nieuwe bepalingen ook schendingen van internationale overeen-
komsten moeten gaan omvatten. De verordeningsbevoegdheid zou daarom bij de Raad moe-
ten liggen.".
Motivering
Op deze wijze wordt het belang erkend van het feit dat het opleggen van boeten en dwangsom-
men een van de voornaamste elementen van hoofdstuk VI is.
Uitslag van de stemming
Vóór: 7; tegen: 51; onthoudingen: 18.
Full & Egal Universal Law Academy