Nr. C 328/12 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
bankieren, samenvoeging van persoonlijke gegevens uit
verscheidene databanken, telefonische overbrenging
van data, automatische omzetting van menselijke stem
in geschreven taal, controle van kijkgedrag). Aan de
andere kant kan deze ontwikkeling technisch gesproken
ook een betere bescherming van persoonlijke gegevens
tot gevolg hebben.
3.6.1. Het Comité dringt erop aan dat de verant-
woordelijke instanties meer informatie geven en meer
dan tot nog toe in de openbaarheid over dit onderwerp
moeten discussiëren, ten einde angstgevoelens en wan-
trouwen bij de bevolking weg te nemen en het noodza-
kelijke juridische kader voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer en van persoonlijke gegevens
verder uit te bouwen. De politieke uitvoerbaarheid van
de nieuwe mogelijkheden die het ISDN biedt, zal ook
afhangen van de manier waarop deze problemen wor-
den opgelost. Bij de in de aanbeveling gevraagde inten-
sivering van commerciële activiteiten moet aan deze
opvatting uiterst vroegtijdig — op basis van solide
juridische en sociale regelingen — extra aandacht wor-
den besteed.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
Het Comité stemt in met dit richtlijnvoorstel, doch
tekent hierbij het volgende aan:
1. Krachtens afdeling VIII van de van 20 december
1985 daterende richtlijn van de Raad tot coördinatie
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen be-
treffende bepaalde instellingen voor collectieve beleg-
C1) PB nr. C 129 van 28. 5. 1986, blz. 5.
3.6.2. Aan de andere kant ziet het Comité als gevolg
van de verdere ontwikkeling van geïntegreerde net-
werken mogelijkheden voor onder meer betere op-
sporingsmethoden en bescherming van natuurlijke
hulpbronnen (b.v. besparing van papier door elektroni-
sche catalogi en overzichten, energiebesparing op lange
termijn door het vervangen van tv-zenders, het vervan-
gen van koper door silicium). Ook aan deze aspecten
zou in de commerciële concepten aandacht moeten wor-
den besteed.
3.7. Het Comité ziet evenals de Commissie in dat de
acceptatie van de nieuwe diensten nauw samenhangt
met de tarifering. Tijdens de overgangsfase van het
analoge naar het digitale net zouden de tarieven niet
mogen stijgen, hoewel er in die fase grotere investerin-
gen moeten worden gedaan. Een niet te rechtvaardigen
verhoging van tarieven zou een aanzienlijk obstakel
vormen voor een door de vraag bepaalde marktont-
wikkeling en bijgevolg een daling van de kosten per
eenheid op grond van hoge produktiecijfers voor
eindapparatuur bemoeilijken.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
G. MUHR
ging in effecten (icbe's) dienen deze beleggings-
instellingen in andere Lid-Staten dan hun Lid-Staat van
vestiging, wanneer zij hun participatiebewijzen verhan-
delen, aan een aantal verplichtingen te voldoen. De
koper van participatiebewijzen van een beleggings-
instelling kan op basis van artikel 2 van het Verdrag
van Brussel van 27 september 1968 tussen de Lid-Staten
van de Europese Gemeenschap betreffende de rechterlij-
ke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen
in burgerlijke en handelszaken geschillen die betrekking
hebben op de naleving van de in afdeling VIII van de
richtlijn vervatte bepalingen voor het gerecht brengen
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een richtlijn van de
Raad tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid
inzake uit de verhandeling van rechten van deelneming in bepaalde instellingen voor collectieve
belegging in effecten (icbe's) voortvloeiende geschillen (*)
(86/C 328/06)
De Raad heeft op 7 mei 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening, die met de voorbereiding van
de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 9 juli 1986 goedgekeurd.
Rapporteur was de heer De Bruyn.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 17 sep-
tember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/13
waaronder het hoofdkantoor van de beleggingsinstel-
ling ressorteert.
2. De koper van participatiebewijzen van een beleg-
gingsinstelling kan deze beleggingsinstelling echter ook
voor het gerecht van zijn woonplaats dagen; dit is
mogelijk op basis van artikel 5, lid 1, van bo-
vengenoemd Verdrag, waarin is bepaald dat de verweer-
der bij „verbintenissen uit overeenkomst voor het ge-
recht van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd
of moet worden uitgevoerd" kan worden opgeroepen.
Aangezien de beleggingsinstellingen krachtens afdeling
VIII van de richtlijn van 20 december 1985 een aantal
verplichtingen moeten nakomen in de Lid-Staat waarin
de participatiebewijzen worden verhandeld, lijdt het
geen twijfel dat men zich op deze bepaling van het
Verdrag van Brussel kan beroepen.
3. Het Comité gaat ermee akkoord dat het geschil
tevens voor het gerecht kan worden gebracht in de
Lid-Staat waarin de participatiebewijzen zijn gekocht,
welke Lid-Staat niet altijd dezelfde moet zijn als de Lid-
Staat waarin het hoofdkantoor van de beleggingsinstel-
ling is gevestigd of de Lid-Staat waarin de koper zijn
woonplaats heeft.
4. Wel dient te worden gepreciseerd dat de bepaling
van artikel 48 bis, lid 1, uitsluitend van toepassing is
wanneer de beleggingsinstelling haar participatiebewij-
zen zoals bedoeld in afdeling VIII van de richtlijn van
20 december 1985 heeft verhandeld in de Lid-Staat
waarin de participatiebewijzen zijn gekocht.
5. Volgens het Comité is dit richtlijnvoorstel niet van
toepassing in het geval dat de participatiebewijzen via
de beurs zijn gekocht. Weliswaar is de beursmakelaar
volgens het handelsrecht een commissionair, maar bij
aankoop van participatiebewijzen via de beurs kent de
koper niet degene die hem deze participatiebewijzen
verkoopt.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het
— voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 83/181/EEG houdende
bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d) van Richtlijn 77/388/EEG met
betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de
definitieve invoer van bepaalde goederen
en het
— voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 68/297/EEG betreffende
de uniformisatie van de voorschriften ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht
van de zich in de reservoirs van bedrijfsautomobielen bevindende brandstof (l)
(86/C 328/07)
De Raad heeft op 18 juli 1986 besloten, overeenkomstig de artikelen 75 en 100 van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemde voorstellen.
De Afdeling voor vervoer- en communicatiewezen, die met de voorbereiding van de desbetref-
fende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 september 1986 goedgekeurd.
Rapporteur was de heer Binnenbruck.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 17
september 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Het Comité is ingenomen met de voorstellen van
de Commissie. Het is van mening dat het voor een
soepel goederenvervoer en voor de vrije handel binnen
de Gemeenschap zeer gunstig zal zijn indien het aantal
technische en administratieve controles aan de grenzen
(]) PB nr. C 183 van 22. 7. 1986, blz. 8.
verminderd wordt en vervoermiddelen gemakkelijker
de grenzen kunnen passeren.
2. Volgens het Comité dragen de voorstellen ertoe
bij dat binnen het intracommunautaire grensoverschrij-
dende wegvervoer de wachttijden aan de grens, zowel
voor de bestuurder als voor het voertuig, duidelijk
worden verminderd en dat het de douanediensten aan
Full & Egal Universal Law Academy