Nr. C 328/42 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
Advies van het Economisch en Sociaal Comité betreffende de
— mededeling van de Commissie aan de Raad inzake een vervoersinfrastructuur op
middellange termijn
en het
— voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toekenning van financiële
bijstand in het kader van een vervoersinfrastructuurprogramma op middellange termijn
(86/C 328/15)
De Raad heeft op 15 juli 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 75
en 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het
Economisch en Sociaal Comité om advies te vragen over bovengenoemde documenten.
De Afdeling voor vervoer- en communicatiewezen, die met de voorbereiding van de desbetref-
fende werkzaamheden was belast, heeft op 16 juli 1986 een uit de heren Rouzier (rapporteur),
Costa en Masprone (co-rapporteurs) bestaande redactiegroep opgericht. Deze groep heeft
haar werkzaamheden op 11 september 1986, vlak voor het aflopen van de huidige mandaats-
periode van het Comité (1982-1986), afgesloten. De Afdeling voor vervoer- en communica-
tiewezen heeft zich derhalve niet kunnen beraden over het door voornoemde redactiegroep
opgestelde ontwerp-rapport en -advies.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 18 sep-
tember 1986) op basis van het rapport van de heer Rouzier (algemeen rapporteur, artikel 18
van het Reglement van Orde) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is
goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Het onderhavige voorstel beoogt de toekenning
van steun in het kader van een vervoersinfra-
structuurprogramma op middellange termijn, en ver-
vangt twee eerder door de Commissie voorgelegde voor-
stellen die nog altijd op een besluit van de Raad wach-
ten, namelijk het „Voorstel voor een verordening (EEG)
van de Raad betreffende het verlenen van bijstand voor
projecten van communautair belang op het gebied van
de vervoersinfrastructuur" van 5 juli 1976 i}) en het
„Voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad
betreffende het verlenen van financiële bijstand in het
kader van een meerjarenprogramma voor de vervoers-
infrastructuur" van 9 augustus 1983 (2).
1.2. Onder post 581 van de Gemeenschapsbegroting
zijn er sedert 1982 van Gemeenschapswege begrotings-
middelen beschikbaar voor vervoersinfra-
structuurprojecten van communautair belang; in totaal
260 miljoen Ecu (10 miljoen Ecu in 1982, 15 miljoen
Ecu in 1983, 80 miljoen Ecu in 1984, 90 miljoen Ecu in
1985 en 65 miljoen Ecu in 1986). Voor de periode 1987-
1990 wil de Commissie 390 miljoen Ecu reserveren voor
post 581 „Financiële steun voor projecten op het gebied
van de vervoersinfrastructuur binnen de Gemeen-
schap".
1.3. Voorts heeft de Raad in 1984, na vaststelling
van Verordening (EEG) nr. 1889/84 (3), een bedrag van
(!) PB nr. C 207 van 2. 9. 1976, blz. 9; PB nr. C 249 van
18. 10. 1977, blz. 4/5 (wzg.); PB nr. C 59 van 10. 4. 1980,
blz. AXwzg.).
(2) PB nr. C 36 van 19. 2. 1984, blz. 3.
(3) PB. nr. L 177 van 4 .7 . 1984, blz. 4.
471 miljoen Ecu toegewezen onder post 583 „Speciale
projecten op het gebied van de vervoersinfrastructuur".
1.4. In het verleden heeft de Raad steeds „beperkte
maatregelen" of „specifieke maatregelen" genomen,
waaruit echter nog niet kan worden geconcludeerd dat
de Gemeenschap een samenhangend beleid op in-
frastructuurgebied — waarop al jaren door het
Economisch en Sociaal Comité is aangedrongen — is
gaan voeren. Uit de resultaten van de Raad van mi-
nisters voor vervoer van 18/19 juni 1986 blijkt dat de
Raad vastbesloten is om stapje voor stapje een dergelijk
beleid tot stand te brengen. Hij heeft de Commissie
verzocht, hem deze ontwerp-verordening voor te leggen
ten einde betalingsverplichtingen te kunnen aangaan
voor de op de begroting van 1985 en 1986 vermelde
begrotingsgelden.
1.5. Het Comité hecht zijn goedkeuring aan deze
ontwerp-verordening, waarin gepleit wordt voor een
samenhangend EG-beleid op basis van duidelijk vast-
gelegde doelstellingen en criteria, alhoewel dit beleid
op kortere periodes betrekking heeft dan in de voorstel-
len van 1976 en 1983 werd overwogen. Het Comité heeft
zich namelijk altijd uitgesproken voor een dergelijke
algemene opzet en voor een duurzamer financierings-
instrument of zelfs voor een speciaal fonds (Infrafonds).
1.6. Het Comité betreurt echter dat er bij de Raad
onvoldoende politieke wil aanwezig is om een sa-
menhangend EG-beleid op langere termijn vast te leggen
waarbij het niet langer nodig is om, zoals momenteel
wel het geval is, voor ieder project afzonderlijk en ieder
jaar opnieuw te onderhandelen en waarbij de gelden
niet over een te groot aantal projecten worden ver-
snipperd. Het Comité hoopt niettemin dat de Raad dit
voorstel althans vroeg genoeg zal goedkeuren om de in
artikel 5 vermelde procedure nog vóór het einde van
het jaar te kunnen laten plaatsvinden.
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/43
1.7. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan
dat deze het programma op middellange termijn zonder
dralen vastlegt en aan het Economisch en Sociaal
Comité voorlegt.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Het Comité stelt vast dat in het voorstel gere-
fereerd wordt aan de mededeling van de Commissie
aan de Raad getiteld „Beleidslijnen op middellange
termijn inzake vervoersinfrastructuur" van 14 de-
cember 1984, waarover de Commissie het Comité op
20 februari 1985 heeft geraadpleegd (advies van 25 sep-
tember 1985 C1)). De in de artikelen 1 en 2 van het
(!) PB nr. C 303 van 25. 11. 1985, blz. 8.
Gedaan te Brussel, 18 september 1986.
1. Het Comité hecht zijn goedkeuring aan het richt-
lijnvoorstel, dat een aanvulling vormt op de vierde
richtlijn van 25 juli 1978 inzake jaarrekeningen (2) en
de zevende richtlijn van 13 juni 1983 inzake geconso-
lideerde jaarrekeningen (3); het toepassingsgebied van
deze richtlijnen wordt hiermee uitgebreid tot vennoot-
schappen onder firma en commanditaire vennootschap-
pen, ingeval de enige volledig aansprakelijke vennoten
georganiseerd zijn in de vorm van een naamloze ven-
nootschap of een vennootschap met beperkte aan-
sprakelijkheid.
(!) PB nr. C 144 van 4. 6. 1986, blz. 10.
(2) PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 11.
(3) PB nr. L 193 van 18. 7. 1983, blz. 1.
voorstel vermelde doelstellingen en criteria lijken in dat
verband overeen te komen met het in 1985 besproken
thema. Het Comité zou echter graag zien dat de in
artikel 2 opgesomde criteria om voor financiële steun
voor vervoersinfrastructuurprojecten in aanmerking te
komen, in overeenstemming zijn met de hoofdelemen-
ten van de vragenlijst die het Comité in zijn advies van
28 september 1983 over een experimenteel programma
inzake de vervoersinfrastructuur (2) heeft opgesteld.
2.2. Het Comité vreest dat het voor de periode 1987-
1990 uit te trekken bedrag van 390 miljoen Ecu, met
name op grond van de in artikel 3 en in het „financieel
memorandum" van het voorstel genoemde deel-
nemingspercentages, veel te mager is.
(2) PB nr. C 341 van 19. 12. 1983, blz. 8 en 9.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
2. In volledige overeenstemming met de zienswijze
van de Commissie is het Comité van oordeel dat er
voldoende reden bestaat om onderhavige richtlijn vast
te stellen, daar er in de Gemeenschap een groot en
voortdurend toenemend aantal ondernemingen in de
vorm van vennootschappen onder firma en comman-
ditaire vennootschappen bestaat en het derhalve zou
indruisen tegen de geest van de vierde en de zevende
richtlijn wanneer de voorschriften op het gebied van de
financiële administratie waaraan de naamloze vennoot-
schappen en de vennootschappen met beperkte aan-
sprakelijkheid zijn onderworpen, niet zouden gelden
voor bedoelde ondernemingsvormen.
3. Het Comité merkt ten slotte op dat midden- en
kleinbedrijven, die over het algemeen een eenvoudige
ondernemingsvorm hebben (i.c. de vennootschap onder
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een richtlijn van de
Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk
de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied
van deze richtlijnen (*)
(86/C 328/16)
De Raad heeft op 20 mei 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 54 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 september 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer d'Elia.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van
18 september 1986) het volgende advies uitgebracht dat met 81 vóór en 18 stemmen tegen
(3 onthoudingen) is goedgekeurd.
Full & Egal Universal Law Academy