22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/43
1.7. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan
dat deze het programma op middellange termijn zonder
dralen vastlegt en aan het Economisch en Sociaal
Comité voorlegt.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Het Comité stelt vast dat in het voorstel gere-
fereerd wordt aan de mededeling van de Commissie
aan de Raad getiteld „Beleidslijnen op middellange
termijn inzake vervoersinfrastructuur" van 14 de-
cember 1984, waarover de Commissie het Comité op
20 februari 1985 heeft geraadpleegd (advies van 25 sep-
tember 1985 C1)). De in de artikelen 1 en 2 van het
(!) PB nr. C 303 van 25. 11. 1985, blz. 8.
Gedaan te Brussel, 18 september 1986.
1. Het Comité hecht zijn goedkeuring aan het richt-
lijnvoorstel, dat een aanvulling vormt op de vierde
richtlijn van 25 juli 1978 inzake jaarrekeningen (2) en
de zevende richtlijn van 13 juni 1983 inzake geconso-
lideerde jaarrekeningen (3); het toepassingsgebied van
deze richtlijnen wordt hiermee uitgebreid tot vennoot-
schappen onder firma en commanditaire vennootschap-
pen, ingeval de enige volledig aansprakelijke vennoten
georganiseerd zijn in de vorm van een naamloze ven-
nootschap of een vennootschap met beperkte aan-
sprakelijkheid.
(!) PB nr. C 144 van 4. 6. 1986, blz. 10.
(2) PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 11.
(3) PB nr. L 193 van 18. 7. 1983, blz. 1.
voorstel vermelde doelstellingen en criteria lijken in dat
verband overeen te komen met het in 1985 besproken
thema. Het Comité zou echter graag zien dat de in
artikel 2 opgesomde criteria om voor financiële steun
voor vervoersinfrastructuurprojecten in aanmerking te
komen, in overeenstemming zijn met de hoofdelemen-
ten van de vragenlijst die het Comité in zijn advies van
28 september 1983 over een experimenteel programma
inzake de vervoersinfrastructuur (2) heeft opgesteld.
2.2. Het Comité vreest dat het voor de periode 1987-
1990 uit te trekken bedrag van 390 miljoen Ecu, met
name op grond van de in artikel 3 en in het „financieel
memorandum" van het voorstel genoemde deel-
nemingspercentages, veel te mager is.
(2) PB nr. C 341 van 19. 12. 1983, blz. 8 en 9.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
2. In volledige overeenstemming met de zienswijze
van de Commissie is het Comité van oordeel dat er
voldoende reden bestaat om onderhavige richtlijn vast
te stellen, daar er in de Gemeenschap een groot en
voortdurend toenemend aantal ondernemingen in de
vorm van vennootschappen onder firma en comman-
ditaire vennootschappen bestaat en het derhalve zou
indruisen tegen de geest van de vierde en de zevende
richtlijn wanneer de voorschriften op het gebied van de
financiële administratie waaraan de naamloze vennoot-
schappen en de vennootschappen met beperkte aan-
sprakelijkheid zijn onderworpen, niet zouden gelden
voor bedoelde ondernemingsvormen.
3. Het Comité merkt ten slotte op dat midden- en
kleinbedrijven, die over het algemeen een eenvoudige
ondernemingsvorm hebben (i.c. de vennootschap onder
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een richtlijn van de
Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk
de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied
van deze richtlijnen (*)
(86/C 328/16)
De Raad heeft op 20 mei 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 54 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 september 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer d'Elia.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van
18 september 1986) het volgende advies uitgebracht dat met 81 vóór en 18 stemmen tegen
(3 onthoudingen) is goedgekeurd.
Nr. C 328/44 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
firma of de commanditaire vennootschap), slechts door
onderhavig richtlijnvoorstel worden geraakt voor zover
hun enige volledig aansprakelijke vennoten georgani-
seerd zijn in de vorm van een naamloze vennootschap
of van een vennootschap met beperkte aansprakelijk-
heid. In dit geval zijn op deze ondernemingen in ieder
geval de afwijkingen van toepassing die ten gunste
van het midden- en kleinbedrijf zijn vastgelegd in de
artikelen 11 en 27 van de vierde richtlijn en in artikel
6, lid 1, van de zevende richtlijn.
Gedaan te Brussel, 18 september 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
G. MUHR
BIJLAGE
Onderstaand wijzigingsvoorstel, dat overeenkomstig het Reglement van Orde werd ingediend met betrekking
tot het advies van de Afdeling, is door het Comité tijdens de discussie verworpen:
De tekst van het advies door de volgende tekst te vervangen:
„1. De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening kan niet instemmen met het onderhavige
voorstel voor een richtlijn, dat een aanvulling vormt op de vierde richtlijn van 25 juli 1978 inzake jaarrekenin-
gen (PB nr. L 222 van 14. 8. 1978) en de zevende richtlijn van 13 juni 1983 inzake geconsolideerde jaarrekenin-
gen (PB nr. L 193 van 18. 7. 1983): het toepassingsgebied van deze richtlijnen wordt hiermee uitgebreid tot
vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen, ingeval de enige volledig aansprakelijke
vennoten georganiseerd zijn in de vorm van een naamloze vennootschap of een vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid.
2. De Afdeling stelt vast dat deze nieuwe richtlijn, in tegenstelling met alle andere reeds vastgestelde of
nog in behandeling zijnde richtlijnvoorstellen inzake vennootschapsrecht, niet alleen op kapitaalsassociaties,
maar voor het eerst ook op personenassociaties betrekking heeft. Dit schept een gevaarlijk precedent voor de
uitbreiding van het toepassingsgebied van andere richtlijnen, die immers niet alle op het recht inzake
personenassociaties zijn toegesneden.
3. De Afdeling stelt voorts vast dat goedkeuring van dit richtlijnvoorstel voor één Lid-Staat zou betekenen
dat de jaarrekeningen van ongeveer 60 000 personenassociaties aan de openbaarheidsplicht en deels ook aan
de controleplicht zouden worden onderworpen. Daar het hier vrijwel uitsluitend om kleine en middelgrote
ondernemingen gaat, zou vooral deze categorie hierdoor op onaanvaardbare wijze worden belast. Dit
richtlijnvoorstel druist dus in tegen de expliciete verklaring van de Europese Raad van 2 en 3 december 1985
dat het midden- en kleinbedrijf van onnodige voorschriften en lasten gevrijwaard moet blijven.
4. De Afdeling stelt tot slot vast dat de problematiek in verband met personenassociaties met uitsluitend
in beperkte mate aansprakelijke vennoten al bij de vaststelling van de vierde en de zevende richtlijn inzake
vennootschapsrecht bekend was, en dat het bewust aan de Lid-Staten is overgelaten om deze bijzondere
ondernemingsvorm wat openbaarheid en controle betreft al dan niet met kapitaalassociaties gelijk te stellen.
Het behoort niet tot de harmoniseringstaak op basis van artikel 54, lid 3, sub g), van het EEG-Verdrag
om door de Lid-Staten genomen beslissingen ten aanzien van hun wetgeving bij wege van richtlijnen te
corrigeren.".
Motivering
Het onderhavige richtlijnvoorstel strookt niet met het streven van de Europese Gemeenschap naar deregulering
en bevordering van het midden- en kleinbedrijf. Deze richtlijn zou de Lid-Staten opnieuw dwingen tot
aanpassing van hun onlangs al gewijzigde wetgeving en zou vrijwel uitsluitend het midden- en kleinbedrijf
belasten. Bij de discussie over de vierde en zevende communautaire richtlijn is al uitvoerig ingegaan op de
vraag of personenassociaties waarvan de enige persoonlijk aansprakelijke vennoten georganiseerd zijn in
kapitaalassociaties al dan niet onder het toepassingsgebied van de richtlijnen moesten vallen, en men was het
erover eens dat deze beslissing aan de nationale wetgever moest worden overgelaten. Dit richtlijnvoorstel
kan evenmin gerechtvaardigd worden met het motief dat crediteurs en derden beschermd moeten worden:
een aandelenvennootschap als persoonlijk aansprakelijke vennoot kan bijvoorbeeld voor een betere bescher-
ming van de crediteur zorgen dan een natuurlijke persoon.
Uitslag van de stemming
Vóór: 21, tegen: 70, onthoudingen: 6.
Full & Egal Universal Law Academy