Nr. C 333/10 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
241e ZITTING — NOVEMBER 1986
Advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende wijziging van Richtlijn
85/61 l/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende
bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) met betrekking tot het
beleggingsbeleid van bepaalde ICBE's (*)
(86/C 333/03)
De Raad heeft op 23 juni 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 november 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer Spijkers.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van
25 november 1986) het volgende advies uitgebracht dat met algemene stemmen is goed-
gekeurd.
Het Comité gaat akkoord met dit richtlijnvoorstel, doch
tekent hierbij het volgende aan.
1. Het Comité onderschrijft de doelstellingen die met
dit richtlijnvoorstel worden beoogd, namelijk het toe-
staan in de gehele Gemeenschap van handelwijzen die
bepaalde Lid-Staten ten behoeve van op hun grond-
gebied gevestigde beleggingsinstellingen toelaten, mits
bepaalde regels en voorwaarden in acht worden geno-
men ten einde te kunnen nagaan of de door hypothecai-
re obligaties geboden garanties vergelijkbaar zijn met
de garanties geboden door staatsobligaties. Doel is na-
melijk te komen tot een gelijkwaardige bescherming
van de beleggers (2).
2. Onderhavige richtlijn dient normaliter op dezelfde
datum van kracht te worden als die welke in artikel 57
(!) PB nr. C 155 van 21. 6. 1986, blz. 4.
(2) Om concurrentiedistorsies te vermijden, dienen deze regels en
voorwaarden te worden geharmoniseerd en in de richtlijn te
worden vermeld.
Gedaan te Brussel, 26 november 1986.
Alfons MARGOT
van Richtlijn 85/61 l/EEG wordt genoemd, namelijk
1 oktober 1989. De inwerkingtreding mag in geen geval
worden uitgesteld: er kunnen namelijk tijdens de vóór
genoemde datum liggende overgangsperiode praktische
problemen rijzen, op grond van het feit dat bepaalde
Lid-Staten reeds aan de voorschriften van de richtlijn
voldoen en deze Lid-Staten bijgevolg kunnen beletten
dat op hun grondgebied participatiebewijzen worden
verhandeld van beleggingsinstellingen uit andere Lid-
Staten, waarin de voorschriften van de richtlijn nog^niet
van kracht zijn geworden.
3. Ten aanzien van de „parallelle" beleggings-
instellingen vraagt het Comité zich af of het gerezen
probleem niet beter zou kunnen worden opgelost door
artikel 24, lid 2, van Richtlijn 85/61 l/EEG zodanig te
wijzigen dat het voor alle instellingen voor collectieve
belegging in effecten mogelijk is, te beleggen in partici-
patiebewijzen van maatschappijen die zelf niet deel-
nemen in ICBE's, en zulks aan de hand van modaliteiten
en in verhoudingen die dan moeten worden vastgelegd.
Op deze wijze zou kunnen worden afgezien van artikel
26 bis van onderhavig voorstel, dat zeer ingewikkeld
en in de praktijk niet algemeen toepasbaar is.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Full & Egal Universal Law Academy