16. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 68/7
Advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/62/EEG
betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor
leveringen, alsmede tot intrekking van sommige bepalingen van Richtlijn 80/767/EEG
(87/C 68/06)
De Raad heeft op 6 juli 1986 besloten, overeenkomstig artikel 100 van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Economische Gemeenschap het Economisch en Sociaal Comité om advies te vragen
inzake het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en diensten, die met de voorbereiding van de
desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 december 1986 goedgekeurd.
Rapporteur was de heer Kaaris.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 242e zitting (vergaderingvan 16 december 1986)
het volgende advies uitgebracht, dat met nagenoeg algemene stemmen (2 onthoudingen) is
goedgekeurd.
Het Comité stemt in met het voorstel van de Commissie, docht tekent hierbij het volgende aan:
1. Algemene opmerkingen hoog percentage van het totaal aan opdrachten in een
bepaalde bedrijfstak krijgt,
upsiciicii van MauM.ieK.en,
opzetten van een voorlichtingscampagne ten einde te
beklemtonen en uit te leggen, wat de voordelen van
een de gehele Gemeenschap omvattende aanpak op
dit gebied zijn;
1.1. Het Comité verwijst naar zijn van 23 april 1986
daterend advies (x), waarin wordt benadrukt, hoe belangrijk
het is dat er op het vlak van de overheidsopdrachten
concurrentie heerst als een essentiële voorwaarde voor de
verwezenlijking van een interne markt. Een gecompartimen-
teerde, gesloten EG-markt voor overheidsopdrachten zal
ertoe leiden dat pogingen om op andere gebieden optimale
voorwaarden te creëren voor de industrie in de Gemeenschap
ten einde in wereldverband tegen steeds grotere uitdagingen
opgewassen te zijn, op niets uitdraaien. Dit zal bij de
economische subjecten de prikkel wegnemen om samen te
werken, ten einde tot schaalvergroting te komen en gemeen-
schappelijke of over en weer te gebruiken normen vast te
stellen, zonder die één Europese markt niet te verwezenlijken
is. Het Comité meent namelijk dat de politieke geloofwaar-
digheid van de EG-wetgeving gericht op totstandbrenging
van een echte binnenmarkt op het spel staat, indien geen
krachtige pogingen in het werk worden gesteld om nu
eindelijk eens vooruitgang te boeken op dit gebied.
1.2. In bovengenoemd advies stelde het Comité de vol-
gende bijzondere maatregelen voor:
— bij de Commissie dient een dienst „Overheidsopdrach-
ten" te worden opgericht met een duidelijk omschreven
onderzoeksopdracht, welke dienst over voldoende finan-
ciële middelen moet beschikken en met het volgende zou
zijn belast:
— toezicht op de activiteiten op het gebied van de
overheidsopdrachten door het doorlichten van
bekendgemaakte aanbestedingen, onderzoeken van
klachten en vaststellen van handelwijzen die met de
richtlijnen in strijd zijn; deze dienst zou vooral
moeten nagaan of geen enkele Lid-Staat ten onrechte
een abnormaal laag percentage van zijn opdrachten in
andere Lid-Staten plaatst en of geen enkele bedrijfstak
in de diverse Lid-Staten ten onrechte een abnormaal
(>) PB nr. C 189 van 28. 7. 1986, blz. 16.
— vaststellen van uniforme criteria voor de interpretatie van
de Richtlijnen;
— invoeren van een systeem voor de door de nationale
overheid te verlenen assistentie, waarvan de kosten
volledig in het niet vallen vergeleken met de potentiële
besparingen die voortvloeien uit de verwezenlijking van
een gemeenschappelijke markt voor overheidsopdrach-
ten;
— instellen van een goed functionerende beroepsproce-
dure;
— invoeren van een systeem van wederzijdse erkenning van
de onderzoeksinstanties in de Lid-Staten.
1.2.1. Tevens beklemtoonde het Comité in zijn advies
van april 1986 dat het openstellen van de EG-markt voor
overheidsopdrachten ten behoeve van niet-lid-staten die
partij zijn bij de GATT-overeenkomst inzake overheidsop-
drachten, niet eenzijdig mag gebeuren, doch tegelijkertijd
was het Comité van oordeel dat de Lid-Staten voor een
positievere aanpak op dit gebied dienden te kiezen, niet in de
laatste plaats vanwege de mogelijkheden die een liberali-
sering van de internationale markten voor overheidsop-
drachten zou inhouden voor het Europese bedrijfsleven, dat
door te kleine nationale markten wordt belemmerd.
1.3. Het Comité staat volledig achter dit voorstel van de
Commissie, dat duidelijk een stap in de goede richting is.
Meer transparentie d.m.v. het verstrekken van informatie
vooraf, publiceren van informatie over gegunde opdrachten,
beter definiëren van ontheffingen, verlengen van termijnen,
enz., alles zaken die nodig zijn en werkelijk absoluut
noodzakelijke verbeteringen inhouden; met name steunt het
Comité het voorstel om de aanbestedende diensten de
Nr. C 68/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 16. 3. 87
verplichting op te leggen om te verwijzen naar Europese
normen of Europese harmonisatiedocumenten voor zover
die bestaan. Het Comité wijst er in dit verband met klem op,
hoe belangrijk het is dat deze normen of documenten zo
spoedig mogelijk worden aangevuld.
1.4. Het Comité is er echter niet van overtuigd dat de
door de Commissie aangedragen oplossingen het verhoopte
succes zullen opleveren, aangezien naar zijn oordeel namelijk
waarschijnlijk zal blijken dat zij even weinig zullen uithalen
als de tot dusver genomen maatregelen, indien niet de
fundamentele tekortkoming in het systeem wordt aangepakt,
nl. het gebrek aan geloofwaardigheid van de basisrichtlijn,
omdat geen afdoende sancties kunnen worden getroffen.
1.5. Nu er bijna 10 jaar EG-voorschriften op het gebied
van overheidsopdrachten bestaan, is het Comité van oordeel
dat het met „Overheidsopdrachten" belaste directoraat van
de Commissie en bijgevolg de eerder genoemde dienst
„Overheidsopdrachten" — tot de oprichting waarvan de
Commissie reeds heeft besloten — de bevoegdheid moet
krijgen om op de naleving van de EG-voorschriften op dit
gebied toe te zien en daarbij de aanpak te volgen die bij de
tenuitvoerlegging van het mededingingsbeleid doeltreffend is
gebleken.
1.6 Daarom stelt het Comité voor, de Commissie de
volgende bestuursrechtelijke bevoegdheden te verlenen om
zodanige sancties te kunnen opleggen dat daardoor het
ontduiken van de richtlijnen afdoende wordt tegengegaan:
— sancties bij het niet-publiceren van opdrachten met een
waarde van meer dan 200 000 Ecu;
— sancties ingeval de toepassing van een niet-openbare
procedure, een procedure van gunning via onderhande-
lingen of onderhandse procedure krachtens artikel 3 van
het nieuwe richtlijnvoorstel onvoldoende is gemoti-
veerd;
— opschorten van de inschrijvingsprocedure, ingeval onre-
gelmatigheden worden geconstateerd, hetzij door de
dienst „Overheidsopdrachten" zelf, hetzij op grond van
een ingediende klacht;
— sancties uit hoofde van de klachtenprocedure;
— sancties wegens ongemotiveerde wijzigingen in de speci-
ficaties na de gunning van de opdracht.
1.7. De dienst „Overheidsopdrachten" dient de bevoegd-
heid te krijgen om deze sancties overeenkomstig de door het
comité voor overheidsopdrachten vastgelegde richtsnoeren
ten uitvoer te leggen. Tevens dient de Commissie een
adequaat forum in het leven te roepen om gevallen van tegen
het opleggen van sancties aangetekend beroep te behandelen.
In tegenstelling tot de dreiging om op grotere schaal van
artikel 169 gebruik te maken, zou deze procedure het
voordeel hebben dat zij uitvoerbaar is; de Commissie zou
dank zij deze procedure uit eigen beweging kunnen optreden
en zou niet behoeven te wachten tot er klachten worden
ingediend — waarvan het aantal per jaar tot dusver zeer
gering is geweest (ca. 10); bovenal zou dit de mogelijkheid
bieden om in te grijpen voordat de opdracht wordt gegund en
bijgevolg de richtlijn in de ogen van mogelijke leveranciers
geloofwaardiger maken.
Bovengenoemd comité dient tevens overeenkomstig de geest
van artikel 20 van Richtlijn 77/62/EEG ervoor te zorgen dat
bij de inschrijvingen wordt nagegaan of zij ook qua naleving
van de sociale wetten en de ca.o. 's redelijk zijn.
1.8 Het Comité spreekt zijn voldoening uit over het
voorstel van de Commissie (zie artikel 6), de aanbestedende
diensten te verplichten om de resultaten van de inschrijving
d.m.v. een „openbare aankondiging" bekend te maken. Het
is buitengewoon belangrijk dat er voldoende transparantie
wordt voorgeschreven, zodat een onderneming waaraan de
opdracht niet werd gegund, kan vernemen, welke onderne-
ming de opdracht wel heeft gekregen en voor welk bedrag
deze opdracht werd gegund. Hieraan zou kunnen worden
toegevoegd dat op de „modelaankondiging" ook informatie
dient te worden verstrekt over contactpersonen, ten einde de
belanghebbende partijen een aanknopingspunt te geven en
hun de toegang tot informatie te vergemakkelijken.
2. Nieuwe sectoren
2.1. Gezien het feit dat in de takken van industrie waarin
overheidsopdrachten de belangrijkste factor vormen, nl. op
het gebied van energievoorziening, telecommunicatie, ver-
voer en drinkwatervoorziening, al over 72 maanden volledi-
ge concurrentie moet heersen, wanneer men een echte
binnenmarkt wil verwezenlijken, doet het Comité een beroep
op de Commissie om in een vroeg stadium met deze
bedrijfstakken contacten te leggen i.v.m. het verstrekken van
informatie. Daar men er in het verleden niet in is geslaagd om
de Richtlijn effect te doen sorteren, dient naar het oordeel van
het Comité wellicht de volgende overgangsmaatregel voor
deze nieuwe sectoren te worden overwogen: om de belangen
van de plaatselijke werkgelegenheid recht te doen, dient de
huidige de facto situatie in een de jure situatie te worden
vertaald door de aanbestedende diensten het recht te geven,
van begin af aan een bepaald percentage van hun opdrachten
voor ondernemingen ter plaatse te reserveren. Tegelijkertijd
dient echter ook te worden gepreciseerd dat ingeval dit voor
leveranciers uit eigen land gereserveerde percentage opdrach-
ten wordt overschreden, sancties overeenkomstig paragraaf
1.6 zouden worden getroffen. Het voordeel hiervan zou niet
alleen zijn dat bekende handelwijzen tot op zekere hoogte
officieel worden toegestaan, maar ook dat duidelijk wordt
wat zich hierbij afspeelt. Uiteraard zou hiermee geen afbreuk
worden gedaan aan het doel op langere termijn, nl. tot een
situatie van echte concurrentie zonder enigerlei beperkingen
te komen.
2.2. Verder stelt het Comité voor om de onderneming
waaraan de hoofdopdracht is gegund, te verplichten om
informatie te verstrekken over toeleverantie-opdrachten die
een bepaald bedrag te boven gaan, welk bedrag in geen geval
hoger mag zijn dan het bedrag dat is vastgesteld voor
inkoopbureaus van de overheid, nl. 200 000 Ecu. De voor de
hoofdopdrachten geldende termijnen dienen ook voor toele-
verantie-opdrachten te gelden, en dezelfde voorwaarden
waaronder „openbare aankondigingen" plaatsvinden, d.w.z.
waarvan de kosten voor rekening van de Gemeenschap
komen, dienen ook op toeleverantie-opdrachten van toepas-
sing te zijn. Dit zou een belangrijke stap zijn in de richting van
een te creëren Europese databank voor overheidsopdrach-
ten. Van even groot belang is evenwel dat hierdoor kleine en
middelgrote ondernemingen duidelijker zouden worden
betrokken bij aanbestedingen van de overheid en bijgevolg
16. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 68/9
het concurrentievermogen van de hoofdleveranciers zou
worden vergroot door het creëren van een goed functione-
rend net van toeleveranciers. Vooral met het oog op de
uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn met een
aantal nieuwe sectoren is volgens het Comité een dergelijke
maatregel van vitaal belang.
3. Tot slot wil het Comité nogmaals attenderen op zijn
voorstel (!) om een systeem in te voeren waarbij personeel,
(b.v. leidinggevende ambtenaren en van de diensten voor
interne controle van de inkoopbureaus) van de nationale
autoriteiten wordt gedetacheerd om te gaan werken bij de
nieuwe dienst „Overheidsopdrachten" en als verbindings-
schakel met hun collega's in andere Lid-Staten te fungeren.
De bestaande dienst van de Commissie is qua huidige sterkte
gewoonweg niet bij machte om die taken te vervullen die
absoluut moeten worden vervuld wil men bereiken dat de
richtlijn echt effect sorteert, en aangezien er zeer zeker alleen
al problemen zullen ontstaan wanneer men via de EG-begro-
ting nieuw personeel wil aantrekken, moet er worden
uitgezien naar andere oplossingen voor dit probleem, zoals
de oplossing in die het voorgaande is uiteengezet.
4. Bijzondere opmerkingen
4.1 . Artikel 4
Volgens het Comité is het zaak om lid 2, sub b) van het
nieuwe artikel 6, waarin is bepaald dat opdrachten voor
l1) PB nr. C 189 van 28. 7. 1986, blz. 16.
leveringen volgens de onderhandse procedure kunnen wor-
den geplaatst, „indien het voorwerpen betreft die slechts
worden gefabriceerd bij wijze van onderzoek, proefneming,
studie of vervolmaking", te schrappen. Anders zou misbruik
en het niet-handelen naar geest en letter van dit artikel in de
hand worden gewerkt: d.w.z. dat plaatsen van opdrachten
volgens de onderhandse procedure alleen in zeer bijzondere
gevallen geschiedt.
4.2. Artikel 5
Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om duidelijk te
maken dat de „volgorde van voorkeur" die de aanbestedende
diensten in acht hebben te nemen wanneer er geen Europese
normen of Europese harmonisatiebescheiden bestaan, een
verplicht en niet een facultatief karakter heeft. Het Comité
stelt voor om bij punt 4 „andere normen" het volgende toe te
voegen „waarbij het in het desbetreffende geval heersende
klimaat in aanmerking dient te worden genomen."
4.3. Artikel 12
Hoewel het Comité achter de pogingen van de Commissie
staat om van de Lid-Staten significante en betrouwbare
statistische gegevens te verkrijgen, is zij van oordeel dat de
Commissie sub a) van dit artikel dient te preciseren, welke
aanbestedende diensten verplicht zijn om verslag uit te
brengen en dat de te verstrekken gegevens uitsluitend
betrekking hebben op het totale aantal en de waarde van de
geplaatste, onder en boven de drempel vallende opdrach-
ten.
Gedaan te Brussel, 16 december 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
A. MARGOT
Advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de steunverlening aan de
scheepsbouw (x)
(87/C 68/07)
De Raad heeft op 13 oktober 1986 besloten overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap het Economisch en Sociaal
Comité om advies te vragen inzake het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en diensten, die met de voorbereiding van de
desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 december 1986 goedgekeurd.
Rapporteur was de heer Arena.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 242e zitting (vergadering van 16 december 1986)
het volgende advies uitgebracht, dat met 88 stemmen vóór en 15 stemmen tegen bij 5 onthoudingen is
goedgekeurd:
Inleiding
1. Dit nieuwe voorstel voor een richtlijn sluit aan bij het
„Verkennend document betreffende het toekomstige steun-
(!) PB nr. C 281 van 7. 11. 1986, blz. 4.
beleid voor de scheepsbouw". Het Comité is destijds — tot
zijn uiterste verbazing — niet officieel over dat document
geraadpleegd. Deze beide documenten bevatten voorstellen
die reden geven tot ernstige bezorgdheid omtrent de toe-
Full & Egal Universal Law Academy