Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 8 JUNI 1989. - ASSOCIATION GENERALE DES PRODUCTEURS DE BLE ET AUTRES CEREALES (AGPB) TEGEN OFFICE NATIONAL INTERPROFESSIONNEL DES CEREALES (ONIC). - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: CONSEIL D'ETAT - FRANKRIJK. - LANDBOUW - KWANTITATIEVE BEPERKINGEN BIJ DE AANKOOP VAN INTERVENTIEGRAAN NAAR GELANG VAN DE LID-STATEN - BEOORDELING VAN DE GELDIGHEID. - ZAAK 167/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 01653
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00055
Finse bijz. uitgave bladzijde 00067
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Granen - Speciale interventiemaatregelen - Differentiëring naar Lid-Staat - Discriminatie tussen producenten of consumenten dan wel op grond van nationaliteit - Afwezigheid - Aan Commissie toegekende bevoegdheid
( EEG-Verdrag, artikelen 7 en 40, lid 3, tweede alinea; Verordening nr . 2727/75 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1143/76; verordeningen nrs . 1629/77 en 400/86 van de Commissie )
2 . Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Verordeningen
( EEG-Verdrag, artikel 190 )
Samenvatting1 . Op grond van verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1143/76, mag de Commissie naar Lid-Staat gedifferentieerde speciale interventiemaatregelen vaststellen met inachtneming van de eventueel uiteenlopende prijsontwikkeling op de markt voor graan in de diverse gebieden van de Gemeenschap .
Noch toen de Raad die bevoegdheid toekende, noch toen de Commissie nadien van die bevoegdheid gebruik maakte om in haar verordening nr . 1629/77 de mogelijkheid van een dergelijke differentiëring voor zachte broodtarwe te voorzien en om vervolgens een dergelijke differentiëring in te voeren bij verordening nr . 400/86, was er sprake van discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap in de zin van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag of van discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van artikel 7 EEG-Verdrag . Immers, de Raad heeft zich op een objectief criterium gebaseerd toen hij machtiging voor de gedifferentieerde behandeling verleende, en de Commissie heeft bij de uitoefening van de haar toegekende bevoegdheden geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt .
2 . De door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering moet aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden . De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen . Evenwel kan geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, wanneer deze binnen de systematiek van het geheel vallen .
PartijenIn zaak 167/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Franse Conseil d' État in het aldaar aanhangige geding tussen
Association générale des producteurs de blé et autres céréales ( AGPB ), te Parijs,
en
Office national interprofessionnel des céréales ( ONIC ),
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van gemeenschapsverordeningen op landbouwgebied,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, T . F . O' Higgins en F . Grévisse, kamerpresidenten, G . F . Mancini, F . A . Schockweiler, J . C . Moitinho de Almeida en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- AGPB, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door N . Coutrelis, advocaat te Parijs,
- de regering van de Franse Republiek, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door R . de Gouttes als gemachtigde,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Delmoly als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P . Hetsch als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 21 februari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 22 april 1989, ingekomen ten Hove op 13 juni daaraanvolgend, heeft de Franse Conseil d' État krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van gemeenschapsverordeningen op landbouwgebied .
2 Deze vraag is gerezen naar aanleiding van een verzoekschrift waarin de Association générale des producteurs de blé et autres céréales, te Parijs ( hierna : AGPB ), de Conseil d' État heeft verzocht het besluit van de Office national interprofessionnel des céréales ( hierna : ONIC ) nietig te verklaren, waarin de ONIC op grond van gemeenschapsverordeningen op landbouwgebied een verlagingspercentage van 88,23 % heeft toegepast voor de door de Franse producenten ter interventie aangeboden hoeveelheden zachte tarwe .
3 Krachtens artikel 8, lid 1, van verordening nr . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen ( PB 1975, L 281, blz . 1 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 1143/76 van 17 mei 1976 ( PB 1976, L 130, blz . 1 ), kunnen bijzondere interventiemaatregelen worden genomen voor granen die in bepaalde gebieden van de Gemeenschap in grote hoeveelheden ter interventie dreigen te worden aangeboden . Krachtens artikel 8, lid 2, kunnen speciale interventiemaatregelen worden genomen ten einde de ontwikkeling van de markt van zachte broodtarwe te ondersteunen ten opzichte van de communautaire referentieprijs .
4 Artikel 1 van verordening nr . 1146/76 van de Raad van 17 mei 1976 inzake bijzondere en speciale interventiemaatregelen in de sector granen ( PB 1976, L 130, blz . 9 ), vastgesteld ter uitvoering van artikel 8, lid 3, van voormelde verordening nr . 2727/75, bepaalt dat bijzondere interventiemaatregelen kunnen worden genomen, wanneer de marktprijsontwikkeling in één of meer gebieden van de Gemeenschap een dalende of een flauwe tendens vertoont die, gezien de omvang van de oogst of van de regionale voorraden en hun geografische ligging, voor de interventiebureaus het gevaar inhoudt dat zij tot omvangrijke aankopen worden verplicht .
5 Ter uitvoering van artikel 8, lid 4, van verordening nr . 2727/75 heeft de Commissie verordening nr . 1629/77 van 20 juli 1977 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere interventiemaatregelen ter ondersteuning van de marktontwikkeling voor zachte tarwe van bakkwaliteit ( PB 1977, L 181, blz . 26 ) vastgesteld .
6 Artikel 2 daarvan omschrijft de criteria op basis waarvan dergelijke interventiemaatregelen kunnen worden vastgesteld, namelijk :
- de situatie en de vooruitzichten met betrekking tot de beschikbare hoeveelheden graan op de markt van de Gemeenschap,
- de vooruitzichten ten aanzien van de invoer van granen en de uitvoer van zachte tarwe,
- de prijsontwikkeling voor zachte tarwe van bakkwaliteit op de meest representatieve plaatsen in de Gemeenschap .
7 Krachtens artikel 3 van deze verordening dient in de interventiemaatregelen te worden gespecificeerd : de kwaliteit en de hoeveelheid van de betrokken granen, het gebied waarvoor de maatregel geldt en eventueel de periode van toepassing van de maatregel .
8 Op grond van deze bepalingen heeft de Commissie verordening nr . 400/86 van 21 oktober 1986 houdende toepassing van een bijzondere interventiemaatregel voor zachte tarwe van bakkwaliteit ( PB 1986, L 45, blz . 22 ) vastgesteld . Krachtens artikel 1 daarvan kopen de nationale interventiebureaus de hun aangeboden hoeveelheden zachte broodtarwe tegen de interventieprijs voor het verkoopseizoen 1985/1986, verhoogd met 5 %, en wel tot per Lid-Staat bepaalde hoeveelheden, zoals onder meer 1 000 000 ton voor de Bondsrepubliek Duitsland en 200 000 ton voor de Franse Republiek . Artikel 3, lid 1, verplicht de Lid-Staten ingeval de totale aangeboden hoeveelheid de vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, onverwijld het op de ontvangen offertes toe te passen verlagingspercentage vast te stellen .
9 Daar de door de Franse producenten krachtens de speciale interventiemaatregel van verordening nr . 400/86 aangeboden hoeveelheden in totaal 1 699 740 ton bedroegen, heeft de ONIC op grond van artikel 3 van de verordening nr . 400/86 een op alle offertes toe te passen verlagingspercentage van 88,23 % moeten vaststellen . Daarentegen heeft het Duitse interventiebureau naar aanleiding van de in de Bondsrepubliek Duitsland aangeboden hoeveelheden een verlagingspercentage van 2,55 % moeten vaststellen .
10 De AGPB is voor de Conseil d' État opgekomen tegen het besluit van de ONIC . Zij betoogde dat de speciale interventiemaatregel van verordening nr . 400/86 in strijd was met het non-discriminatiebeginsel van de artikelen 7 en 40, lid 3, EEG-Verdrag en dat, indien de betrokken maatregel in overeenstemming met de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen mocht worden bevonden, deze bepalingen eveneens op grond van hetzelfde beginsel ongeldig moesten worden verklaard . In ieder geval zou verordening nr . 400/86 niet naar behoren zijn gemotiveerd .
11 Van oordeel dat het om een serieuze betwisting ging, heeft de Conseil d' État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht, bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag :
"Zijn verordening nr . 400/86 van de Commissie van 21 februari 1986, alsmede de verordeningen nr . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975, nr . 1146/76 van de Raad van 17 mei 1976 en nr . 1629/77 van de Commissie van 20 juli 1977 in strijd met het bepaalde in de artikelen 7, 40, lid 3, en 190 EEG-Verdrag ."
12 Voor een nadere uiteenzetting van het toepasselijke recht, de feiten in de hoofdzaak, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
13 Uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de verwijzende rechter het Hof in wezen om een uitspraak over de geldigheid van voormelde verordening nr . 400/86 verzoekt, en, voor zover het voor het antwoord op die vraag noodzakelijk is, over de geldigheid van artikel 8, lid 2, van verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd, van artikel 2 van verordening nr . 1146/76 en van artikel 3 van verordening nr . 1629/77, welke bepalingen volgens AGPB de grondslag vormen voor verordening nr . 400/86 .
14 Alvorens de nationale rechter een nuttig antwoord kan worden gegeven, moet eerst de vraag worden beantwoord, of de Commissie op grond van verordening nr . 2727/75 wel bevoegd was om naar Lid-Staat gedifferentieerde speciale interventiemaatregelen vast te stellen .
De bevoegdheid van de Commissie
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie met name het arrest van 11 maart 1987, gevoegde zaken 279, 280, 285 en 286/84, Rau, Jurispr . 1987, blz . 1069 ) moet de uitvoerende bevoegdheid van de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ruim worden uitgelegd . Aangezien de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en oplettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan de Raad genoopt zijn, de Commissie op dit gebied een ruime beoordelings - en handelingsbevoegdheid te laten . De grenzen van die bevoegdheid moeten dan met name worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de marktordening .
16 Uit niets blijkt evenwel, dat het differentiëren van speciale interventiemaatregelen naar gelang van de eventueel uiteenlopende prijsontwikkeling op de markt voor zachte broodtarwe in de verschillende Lid-Staten, in strijd is met de doelstelling van die maatregelen : het ondersteunen van de prijzen ten opzichte van de uniforme communautaire referentieprijs .
17 Zoals blijkt uit de derde overweging van de considerans van verordening nr . 1143/76, is bij verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd, weliswaar de regionalisering van de prijzen voor zachte tarwe afgeschaft en vervangen door een interventieregeling met een uniform prijspeil voor de gehele Gemeenschap, doch uit de structuur van de bepalingen van de verordening blijkt niet, dat het voor de Commissie uitgesloten is om naar Lid-Staat gedifferentieerde speciale interventiemaatregelen vast te stellen .
18 Integendeel, uit de achtste overweging van de considerans van voormelde verordening nr . 1143/76 blijkt, dat de Raad zowel in de mogelijkheid van bijzondere als van speciale interventiemaatregelen heeft voorzien . Daarin wordt namelijk verklaard, dat bijzondere omstandigheden in bepaalde gebieden van de Gemeenschap tijdelijk tot een andere marktprijsontwikkeling kunnen leiden dan in de rest van de Gemeenschap .
19 Onder die omstandigheden kan het niet ervoor worden gehouden, dat artikel 8 van verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd, voor de Commissie de mogelijkheid heeft willen uitsluiten om naar Lid-Staat gedifferentieerde speciale maatregelen vast te stellen, hoewel die mogelijkheid enkel uitdrukkelijk is voorzien voor bijzondere maatregelen .
20 Was die mogelijkheid uitgesloten, dan zou de Commissie genoopt zijn om speciale maatregelen te treffen die voor de gehele Gemeenschap gelden, hetgeen haar zou beletten de maatregelen ter ondersteuning van de prijzen aan te passen aan de specifieke reële behoeften van de betrokken nationale markten alleen, terwijl het evenredigheidsbeginsel verlangt dat de handelingen van de gemeenschapsinstellingen niet verder gaan dan nuttig en nodig is ter bereiking van het gestelde doel .
21 Daaruit volgt, dat de Commissie bevoegd was, zowel om in artikel 3 van haar verordening nr . 1629/77 te voorzien in de mogelijkheid van een geografische differentiëring van de speciale interventiemaatregelen, als om in haar verordening nr . 400/86 in concreto de voor de nationale rechter betwiste gedifferentieerde maatregel vast te stellen .
Schending van het non-discriminatiebeginsel
22 Onderzocht moet worden, of verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd, niet in strijd is met het non-discriminatiebeginsel, voor zover de Commissie op grond van die verordening gedifferentieerde speciale maatregelen mag vaststellen .
23 Het Hof heeft reeds voor recht verklaard ( zie met name het arrest van 17 juni 1987, gevoegde zaken 424 en 425/85, Jurispr . 1987, blz . 2755 ), dat het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag als bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel zich niet ertegen verzet, dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, wanneer dit objectief gerechtvaardigd is .
24 Met name heeft het Hof overwogen ( zie het arrest van 11 juli 1974, zaak 11/74, Union des minotiers de la Champagne, Jurispr . 1974, blz . 877 ), dat de regeling van per produktiegebied vastgestelde interventieprijzen, die gold voordat het systeem van de uniforme communautaire prijs werd ingevoerd, niet discriminerend was, waar zij was vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die eigen waren aan de gemeenschappelijke marktregeling .
25 Men kan echter niet stellen, dat de Raad geen objectief criterium heeft gehanteerd, toen hij de Commissie in verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd, machtigde om gedifferentieerde speciale interventiemaatregelen te nemen, wanneer het gevaar bestaat dat de nationale marktprijzen voor zachte broodtarwe zich niet langer normaal zullen ontwikkelen ten opzichte van de communautaire referentieprijs .
26 Daaruit volgt, dat verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd, geen discriminatie tussen producenten in de zin van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag ten gevolge heeft, noch een discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van artikel 7 EEG-Verdrag .
27 Aangezien bovendien artikel 2 van verordening nr . 1146/76 van de Raad niet de mogelijkheid voorziet om naar Lid-Staat gedifferentieerde speciale interventiemaatregelen vast te stellen, kan de geldigheid ervan niet in twijfel worden getrokken .
28 Verder moet nog worden onderzocht, of de Commissie niet het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden, door bij haar verordening nr . 400/86 voor de interventieaankopen van zachte broodtarwe voor de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland sterk verschillende quota vast te stellen .
29 Opgemerkt zij, dat de Commissie bij de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, en dat het Hof zich bij de wettigheidstoetsing van de uitoefening van een dergelijke bevoegdheid dient te beperken tot de vraag, of de handeling waarvan de geldigheid wordt betwist, niet ongeldig is wegens een kennelijke beoordelingsfout ( zie met name het arrest van 25 januari 1979, zaak 98/78, Racke, Jurispr . 1979, blz . 69 ).
30 Het staat vast, dat de Commissie zich bij de vaststelling van de betrokken maatregel hoofdzakelijk heeft laten leiden door de verschillen in de nationale marktprijzen en in de afzetmogelijkheden voor zachte broodtarwe, die tijdens de maand voorafgaande aan de vaststelling van de betrokken maatregel met name op de Franse en de Duitse markt zijn vastgesteld . Ter terechtzitting is niet betwist, dat de afzetmogelijkheden voor zachte broodtarwe op de Franse markt beter waren dan op de Duitse markt .
31 In weerwil van het kleine verschil tussen de Duitse en de Franse marktprijs lijkt de Commissie dit verschil bij de verdeling van de voor interventie in aanmerking komende hoeveelheden toch niet te hebben overschat . Eveneens zij opgemerkt, dat de Commissie onweersproken heeft betoogd, dat de Franse autoriteiten in januari 1986 te kennen hadden gegeven, dat zij een gedeelte van de hoeveelheden zachte broodtarwe in het bezit van het interventieorgaan uit de voorraad wilden verkopen, zodat de Commissie - zonder kennelijke dwaling harerzijds - mocht aannemen dat de behoefte aan ondersteuning van de prijzen op de Duitse markt groter was dan op de Franse .
32 Ten slotte zijn de daling van de Franse marktprijs en de stijging van de Duitse marktprijs na de vaststelling van de betrokken maatregel en het aanzienlijke verschil tussen de percentages van tot interventie toegelaten zachte broodtarwe op respectievelijk de Franse en Duitse markt op zichzelf geen reden, om tot ongeldigheid van de maatregel te concluderen, gelet op de ingewikkelde economische prognoses die daarvoor nodig zijn .
33 Zo gezien levert het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de betrokken verordeningen, geen discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap op in de zin van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, noch een discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van artikel 7 EEG-Verdrag .
De motivering van verordening nr . 400/86
34 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, met name bevestigd in het arrest van 22 januari 1986 ( zaak 250/84, Eridania, Jurispr . 1986, blz . 117 ) moet de door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden . De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen . Evenwel kan geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen .
35 Verordening nr . 400/86, die deel uitmaakt van het geheel van regelen betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, voldoet aan de door het Hof gestelde motiveringseisen, daar zij vermeldt hoe de Commissie de marktsituatie heeft beoordeeld, en zij eveneens de belangrijkste beoordelingscriteria aangeeft - het niveau van de marktprijs en de afzetmogelijkheden -, die zij in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van de gedifferentieerde maximumhoeveelheden voor interventieaankopen .
36 Gelet op het voorgaande moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de door de nationale rechter bedoelde verordeningen kunnen aantasten .
Beslissing inzake de kostenKosten
37 De kosten door de Franse regering en door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Franse Conseil d' État bij beschikking van 22 april 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Bij onderzoek van de door de Franse Conseil d' État gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de door de nationale rechter bedoelde verordeningen kunnen aantasten .
Top