Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 11 JULI 1989. - DANIEL CORNEE EN JEAN-CLAUDE OLLIVIER EN JEAN-FRANCOIS SEGER EN ANDEREN TEGEN COOPERATIVE AGRICOLE LAITIERE DE LOUDEAC (COPALL) EN LAITERIE COOPERATIVE DU TRIEUX. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE RENNES - FRANKRIJK. - LANDBOUW - EXTRA HEFFING OP MELK. - GEVOEGDE ZAKEN 196/88, 197/88 EN 198/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 02309
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra-heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Bijzondere voorwaarden voor producenten die plan voor ontwikkeling van melkproduktie hebben ingediend - Toekenning van voor ieder gelijke forfaitaire hoeveelheid - Ontoelaatbaarheid - Uitsluiting van producenten die bepaald leverantieplafond hebben overschreden - Toelaatbaarheid
( Verordening nr . 857/84 van de Raad, artikel 3, eerste alinea, sub 1 )
2 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra-heffing op melk - Keuze van formule B - Producenten die plan voor ontwikkeling van melkproduktie hebben ingediend - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Herverdeling van bij aangesloten producenten vrijgekomen hoeveelheden onder andere aangesloten producenten - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
( EEG-Verdrag, artikel 40, lid 3, tweede alinea; Verordening nr . 857/84 van de Raad, artikel 3, sub 1 )
3 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra-heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die plan voor ontwikkeling van melkproduktie hebben ingediend - Algemene korting van referentiehoeveelheden - Geen schending van vertrouwensbeginsel
( Verordeningen nrs . 856 en 857/84 van de Raad )
Samenvatting1 . Artikel 3, sub 1, eerste streepje, van Verordening nr . 857/84, op grond waarvan een van de extra-heffing op melk vrijgestelde, specifieke referentiehoeveelheid mag worden toegekend aan producenten die een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan die bepalingen zodanig uitvoering wordt gegeven, dat alle onder die bepaling vallende producenten een voor ieder gelijke, forfaitaire hoeveelheid verkrijgen .
Deze bepaling verzet zich evenwel niet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke alleen producenten wier melkleveranties een bepaald plafond niet overschrijden, in aanmerking kunnen komen voor een specifieke referentiehoeveelheid .
2 . Verordening nr . 857/84 betreffende de extra-heffing op melk, uitgelegd in het licht van het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de kopers in het kader van formule B krachtens artikel 3, eerste alinea, sub 1, van die verordening individuele referentiehoeveelheden die zijn vrijgekomen bij producenten die bij hen zijn aangesloten, voorlopig geheel of gedeeltelijk weer mogen verdelen onder andere bij deze zelfde kopers aangesloten producenten, mits die herverdeling in voorkomend geval achteraf wordt aangepast ten einde eventuele verschillen in behandeling tussen bij verschillende kopers aangesloten producenten op te heffen .
3 . Het beginsel van het gewettigd vertrouwen verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die aan de communautaire regeling betreffende de extra-heffing op melk zodanig uitvoering geeft, dat producenten die over een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie beschikken, dat vóór de inwerkingtreding van de heffingregeling is goedgekeurd, voor het tweede toepassingsjaar lagere referentiehoeveelheden verkrijgen dan voor het voorgaande melkprijsjaar golden, mits de verlagingen niet specifiek de referentiehoeveelheden betreffen van producenten die over een dergelijk plan beschikken .
PartijenIn de gevoegde zaken 196/88 tot en met 198/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de cour d' appel te Rennes, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
D . Cornée
en
Coopérative agricole laitière de Loudéac "Copall" ( zaak 196/88 ),
tussen
1 ) J.-C . Ollivier
2 ) J.-F . Buan
3 ) L.T . Loutrage
en
Laiterie coopérative du Trieux ( zaak 197/88 ),
alsmede tussen
1 ) J.-F . Seger
2 ) G.Y.M . Boulbin
3 ) M . H . M . Connan
4 ) J . Y . M . Daniel
5 ) J . F . Duigou
6 ) F.Guegan
7 ) G . Guyomard
8 ) D . Larvor
9 ) R . Y . Le Scrour
10 ) C . en P . Robin
11 ) J.F . Toudic
Laiterie coopérative du Trieux ( zaak 198/88 ),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag en artikel 3 van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, president, waarnemend voor de kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen, ingediend door :
- verzoeksters, vertegenwoordigd door Pitois-Sillart, Olive, Cabot et Dohollou, advocaten te Rennes,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door E . Belliard en Géraud de Bergues, als gemachtigden, ter terechtzitting bijgestaan door M . Giacomini en Y . Riou van het Ministerie van Landbouw,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G . Lawrence en P . Hetsch, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden;
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 20 april 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij arresten van 29 juni 1988, ingekomen ten Hove op 20 juli daaraanvolgend, heeft de cour d' appel te Rennes krachtens artikel 177 EEG-Verdrag in de drie gevoegde zaken drie identieke prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag en van artikel 3, eerste alinea, sub 1, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van geschillen tussen 15 melkproducenten uit het departement Côtes du Nord enerzijds en de Coopérative agricole laitière de Loudéac "Copall" ( zaak 196/88 ), respectievelijk de Laiterie coopérative du Trieux ( zaken 197/88 en 198/88 ) anderzijds betreffende de heffingen die deze laatsten van de betrokken producenten hebben geïnd uit hoofde van de communautaire regeling inzake de extra-heffing op melk .
3 Vooraf zij opgemerkt dat de Raad bij verordening ( EEG ) nr . 856/84 van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 10 ) een extra-heffing heeft ingesteld die wordt geheven over de hoeveelheden geleverde melk die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden; de heffing is verschuldigd hetzij door de melkproducent ( formule A ), hetzij door de koper van melk of andere zuivelprodukten, die deze doorberekent aan de producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper ( formule B ).
4 De wijze van berekening van de referentiehoeveelheid, dat wil zeggen de van de extra-heffing vrijgestelde hoeveelheid, is vastgesteld bij vorengenoemde verordening nr . 857/84 van de Raad . Krachtens artikel 2, lid 1, van deze verordening is de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd of gekocht, verhoogd met 1 %. Volgens lid 2 van dit artikel kunnen de Lid-Staten evenwel bepalen dat op hun grondgebied de referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent, geleverd of gekocht gedurende het kalenderjaar 1982 of het kalenderjaar 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld dat de gagarandeerde hoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat niet wordt overschreden .
5 Voor bepaalde bijzondere situaties zijn afwijkingen van deze voorschriften voorzien in de artikelen 3, 4 en 4 bis van deze verordening . In het bijzonder kunnen de Lid-Staten ingevolge artikel 3, eerste alinea, sub 1, van verordening nr . 857/84 onder de daarin vastgestelde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid toekennen aan producenten die een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend, als bedoeld in richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven ( PB 1972, L 96, blz . 1 ).
6 De Franse Republiek heeft bij de uitvoering van de gemeenschapsregeling inzake de extra-heffing op melk voor het jaar 1983 gekozen in het kader van formule B ( formule koper ). De referentiehoeveelheid van de op het Franse grondgebied gevestigde kopers was voor het eerste jaar waarin de regeling werd toegepast ( 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 ), gelijk aan de hoeveelheid melk die door de betrokken koper gedurende het jaar 1983 was aangekocht, verminderd met 2 % ( 1 % in berggebieden ); voor het tweede jaar waarin de regeling werd toegepast ( 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986 ), werd deze hoeveelheid verminderd met 1 % ( behalve in berggebieden ). Voor de producenten die een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend, voorziet de Franse regeling in wezen dat de kopers bij wie deze producenten zijn aangesloten, deze laatsten binnen de grenzen van hun eigen referentiehoeveelheid een forfaitaire hoeveelheid van 9 500 liter toekennen, met dien verstande evenwel, dat de producenten wier melkleveranties gedurende het jaar 1983 meer dan 200 000 liter bedroegen, daarop geen recht hebben .
7 De melkproducenten die partij zijn in het hoofdgeding, hebben een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie uitgevoerd, als bedoeld in vorengenoemde richtlijn 72/159/EEG . In hun beroepen komen zij op tegen de op hen toegepaste heffingen, omdat bij de bepaling van hun individuele referentiehoeveelheid geen rekening is gehouden met hun ontwikkelingsplannen . In dit verband betogen zij dat de vorengenoemde Franse regeling in strijd met zowel de communautaire voorschriften inzake de extra-heffing op melk als met het discriminatieverbod en het vertrouwensbeginsel is vastgesteld .
8 Ten einde deze argumenten te kunnen beoordelen, heeft de cour d' appel te Rennes de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende vragen gesteld :
"1 ) Staat artikel 3 van verordening nr . 857/84 van de Raad de Lid-Staten toe, aan alle producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken dat in uitvoering is, een forfaitaire hoeveelheid toe te kennen zonder rekening te houden met de doelstellingen van hun plan, en 1983 als enig referentiejaar te nemen zonder te voorzien in een uitzondering voor producenten wier ontwikkelingsplan in 1981 en 1982 is voltooid?
2 ) Verzet artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag zich ertegen, dat de besluiten van 22 november 1984 en van 10 juli 1985 een rangorde vaststellen voor de toekenning van extra referentiehoeveelheden naar gelang van de in elke onderneming vrijgekomen hoeveelheden, zodat dit voordeel afhankelijk is van de hoeveelheden waarover de koper kan beschikken?
3 ) Levert met name de vaststelling door de nationale instantie van het ministerieel besluit van 10 juli 1985 houdende beperking van de groeimogelijkheden voor het melkprijsjaar 1985/1986 tot 1 % van het voorgaande melkprijsjaar, een schending op van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, omdat de producenten die over een plan beschikken, erop mogen rekenen dat de toezeggingen die hun voordien zijn gedaan om hen in staat te stellen de produktiviteit van hun bedrijf te verhogen, gestand worden gedaan?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaken in het hoofdgeding, de betrokken communautaire en nationale bepalingen, alsmede van het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van Hof .
De eerste vraag
10 De eerste vraag valt uiteen in twee onderdelen .
11 Gelet op de feiten in de hoofdgedingen moet het eerste onderdeel aldus worden opgevat, dat daarin wordt gevraagd of artikel 3, eerste alinea, sub 1, eerste streepje, van vorengenoemde verordening nr . 857/84 zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan die bepalingen zodanig uitvoering wordt gegeven, dat enkel de in die bepaling bedoelde producenten wier melkleveranties een bepaald plafond niet overschrijden, in aanmerking kunnen komen voor een specifieke referentiehoeveelheid, en al die producenten een voor ieder gelijke, forfaitaire hoeveelheid verkrijgen .
12 Volgens artikel 3, eerste alinea, sub 1, eerste streepje, van verordening nr . 857/84 kunnen "producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend dat vóór 1 maart 1984 is ingediend ... overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat verkrijgen : ... indien het plan in uitvoering is : een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de in het ontwikkelingsplan vermelde hoeveelheden melk en zuivelprodukten ". Met behulp van deze bepaling kan worden verzekerd dat de producenten die over een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie beschikken, dat is goedgekeurd onder de in richtlijn 72/159/EEG voorziene voorwaarden, de vruchten kunnen plukken van de investeringen die zij in het kader van de uitvoering van een dergelijk plan hebben gedaan .
13 Uit de tekst zelf van vorengenoemde bepaling blijkt dat zij de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid verleent om al dan niet specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen aan de in deze bepaling bedoelde producenten en om in voorkomend geval de omvang van deze specifieke referentiehoeveelheden vast te stellen .
14 Wanneer een Lid-Staat besluit gebruik te maken van de bevoegdheid om uit dien hoofde specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen, moet hij krachtens deze tekst evenwel bij toekenning van deze referentiehoeveelheden "rekening houden" met de in het betrokken ontwikkelingsplan voorziene produktiedoelstelling; met andere woorden, de betrokken specifieke referentiehoeveelheid moet verband houden met deze produktiedoelstelling . Een dergelijke uitleg is in overeenstemming met de op de Lid-Staten rustende verplichting om bij de uitvoering van een gemeenschappelijke landbouwmarktordening het in artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag vervatte verbod van discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap te eerbiedigen .
15 Daaruit volgt dat een nationale wettelijke regeling waarbij aan artikel 3, eerste alinea, sub 1, eerste streepje, van verordening nr . 857/84 een zodanige uitvoering wordt gegeven dat aan alle onder de werkingssfeer van die bepaling vallende producenten een voor ieder gelijke, forfaitaire extra hoeveelheid kan worden toegekend, ongeacht de doelstelling van hun ontwikkelingsplan, onverenigbaar is met deze bepaling .
16 Dit geldt niet voor een nationale wettelijke regeling volgens welke de producenten wier melkleveranties gedurende het aangehouden referentiejaar een bepaald plafond overschrijden, niet in aanmerking kunnen komen voor een specifieke referentiehoeveelheid . Het vereiste dat moet worden "rekening gehouden" met de doelstelling van het ontwikkelingsplan, houdt namelijk niet in dat een strikte evenredigheid in acht moet worden genomen tussen deze doelstelling en de toe te kennen specifieke referentiehoeveelheden . Het staat de Lid-Staten dus vrij, de doelstelling van het ontwikkelingsplan als voornaamste aanknopingscriterium te handhaven en daarnaast eveneens rekening te houden met andere objectieve criteria, met name van sociale aard, bij voorbeeld om te verzekeren dat kleine producenten een zekere voorrang genieten . Een nationale regeling waarin, ten einde de kleine producenten grotere extra hoeveelheden te kunnen toekennen, wordt voorzien dat alleen producenten wier melkleveranties een bepaald plafond niet overschrijden, in aanmerking kunnen komen voor een specifieke referentiehoeveelheid, beantwoordt aan dergelijke objectieve criteria . Bijgevolg gaat een dergelijke wettelijke regeling de grenzen van de beoordelingsmarge waarover de Lid-Staten in het kader van de uitvoering van artikel 3, eerste alinea, sub 1, eerste streepje, van verordening nr . 857/84 beschikken, niet te buiten .
17 Op het eerste onderdeel van de eerste vraag dient dus te worden geantwoord, dat artikel 3, eerste alinea, sub 1, eerste streepje, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan die bepalingen zodanig uitvoering wordt gegeven, dat alle onder die bepaling vallende producenten een voor ieder gelijke, forfaitaire hoeveelheid verkrijgen . Deze bepaling verzet zich evenwel niet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke alleen producenten wier melkleveranties een bepaald plafond niet overschrijden, in aanmerking kunnen komen voor een specifieke referentiehoeveelheid .
18 Het tweede onderdeel van de eerste vraag komt er in wezen op neer, of artikel 3, eerste alinea, sub 1, tweede streepje, van verordening nr . 857/84 de Lid-Staten verplicht om als referentiejaar voor de bepaling van de specifieke referentiehoeveelheden het jaar te nemen waarin het plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie is voltooid, zelfs indien dit een vroeger jaar is dan het referentiejaar dat de betrokken Lid-Staat voor algemene toepassing heeft aangehouden .
19 Uit de processtukken blijkt dat geen van de producenten die partij is in het hoofdgeding, zijn plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie heeft voltooid vóór 1983, het jaar dat door de Franse Republiek als referentiejaar voor algemene toepassing is aangehouden . Zo gezien behoeft het tweede onderdeel van de eerste vraag niet te worden beantwoord .
De tweede vraag
20 De tweede vraag komt in wezen erop neer, of verordening nr . 857/84, uitgelegd in het licht van het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de kopers in het kader van formule B krachtens artikel 3, eerste alinea, sub 1, van die verordening individuele referentiehoeveelheden die zijn vrijgekomen bij de producenten die bij hen zijn aangesloten, mogen overdragen op andere, bij dezelfde koper aangesloten producenten .
21 In het arrest van 25 november 1986 ( gevoegde zaken 201 en 202/85, Jurispr . 1986, blz . 3477 ) heeft het Hof dienaangaande verklaard, dat op grond van het in artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap verordening nr . 857/84 aldus diende te worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat die voor formule B heeft gekozen, de individuele referentiehoeveelheid van een producent die zijn bedrijf heeft gestaakt, voegt bij de referentiehoeveelheid van de koper aan wie die producent op het tijdstip van bedrijfsbeëindiging melk leverde, in plaats van ze bij de nationale reserve te voegen . Ter zake verklaarde het Hof met name, dat de tegengestelde uitlegging tot gevolg zou hebben, dat de koper die hoeveelheid weer zou kunnen verdelen onder de bij hem aangesloten producenten en deze dusdoende een ongerechtvaardigd voordeel zou verschaffen boven de producenten die bij andere kopers zijn aangesloten .
22 Uit deze overwegingen blijkt dat een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden aan de in artikel 3, eerste alinea, sub 1, van verordening nr . 857/84 bedoelde producenten afhankelijk is van de hoogte van de individuele referentiehoeveelheden die bij andere bij dezelfde koper aangesloten producenten zijn vrijgekomen, principieel onverenigbaar is met deze verordening, zoals uitgelegd in het licht van het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod .
23 Men kan de Lid-Staten, die dienen te zorgen voor de administratieve toepassing van de communautaire regeling, niet verbieden om een gedecentraliseerd beheer van de heffing te voorzien, dat is gebaseerd op de medewerking van de kopers . Een nationale wettelijke regeling volgens welke de kopers in het kader van formule B de individuele referentiehoeveelheden die zijn vrijgekomen bij producenten die bij hen zijn aangesloten, voorlopig geheel of gedeeltelijk behouden ten einde deze hoeveelheden weer te verdelen onder andere bij dezelfde koper aangesloten producenten, kan dus niet in strijd met de eisen van het gemeenschapsrecht worden geacht mits die herverdeling in voorkomend geval achteraf wordt aangepast ten einde te verzekeren dat eventuele verschillen in behandeling tussen bij verschillende kopers aangesloten producenten worden opgeheven .
24 Op de tweede vraag dient derhalve te worden geantwoord dat verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, uitgelegd in het licht van het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de kopers in het kader van formule B krachtens artikel 3, eerste alinea, sub 1, van die verordening individuele referentiehoeveelheden die zijn vrijgekomen bij producenten die bij hen zijn aangesloten, voorlopig geheel of gedeeltelijk weer mogen verdelen onder andere bij deze zelfde kopers aangesloten producenten, mits die herverdeling in voorkomend geval achteraf wordt aangepast ten einde eventuele verschillen in behandeling tussen bij verschillende kopers aangesloten producenten op te heffen .
De derde vraag
25 De derde vraag strekt er in wezen toe te vernemen of het vertrouwensbeginsel zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die aan de communautaire regeling inzake de extra-heffing op melk een zodanige uitvoering geeft, dat producenten die over een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie beschikken, dat vóór de inwerkingtreding van de heffingregeling is goedgekeurd, voor het melkprijsjaar 1985/1986 lagere referentiehoeveelheden verkrijgen dan voor het voorgaande melkprijsjaar golden .
26 De realisering van een door de nationale bevoegde autoriteiten goedgekeurd plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie verleent de producent die over dit plan beschikt, niet het recht om de met de doelstelling van dit plan overeenstemmende hoeveelheid melk te produceren zonder aan eventuele beperkingen te worden onderworpen die voortvloeien uit communautaire voorschriften die na de goedkeuring van dit plan, met name in het kader van het markt - of het structuurbeleid, zijn vastgesteld, tenzij deze beperkingen specifiek de producenten treffen, die over een dergelijk plan beschikken, en wel wegens de realisering van hun plan .
27 Wanneer een gemeenschappelijke landbouwmarktordening met het oog op de vermindering van de structurele overschotten op de betrokken markt voorziet in de toepassing van een heffing op leveranties van produkten, die bepaalde referentiehoeveelheden overschrijden, kunnen de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, zelfs wanneer dit vóór de inwerkingtreding van de regeling is goedgekeurd, zich bijgevolg niet met een beroep op een gewettigd vertrouwen, ontleend aan de realisering van hun plan, verzetten tegen eventuele verlagingen van deze referentiehoeveelheden, voor zover deze verlagingen door de communautaire regeling ter zake worden toegestaan en niet specifiek de referentiehoeveelheden van deze categorie marktdeelnemers treffen .
28 Uit de overwegingen van verordening nr . 856/84 blijkt dat de gegarandeerde totale hoeveelheid melk en melkequivalent voor de Gemeenschap is vastgesteld op 97,2 miljoen ton, welke hoeveelheid overeenstemt met de door de Raad in 1983 vastgestelde garantiedrempel . Deze hoeveelheid is gedurende het eerste jaar waarin de regeling werd toegepast evenwel gebracht op 98,2 miljoen ton, ten einde de overgang naar de nieuwe regeling enigszins te vergemakkelijken . Aangezien overeenkomstig artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr . 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr . 856/84, de som van de referentiehoeveelheden deze totale hoeveelheid niet mag overschrijden, volgt uit deze bepalingen impliciet, dat de gemeenschapswetgever door middel van de verlaging van de totale hoeveelheid een dienovereenkomstige verlaging van de referentiehoeveelheden van de individuele marktdeelnemers heeft willen toestaan .
29 Bovendien kunnen krachtens artikel 2, lid 3, van verordening nr . 857/84 de percentages die op de melkleveranties worden toegepast voor de berekening van de referentiehoeveelheden, door de Lid-Staten worden aangepast met het oog op de toepassing van de artikelen 3 en 4 . Uit deze bepaling, gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 5 van deze verordening, krachtens hetwelk voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 extra referentiehoeveelheden slechts kunnen worden toegekend binnen de grenzen van de voor de betrokken Lid-Staat gegarandeerde hoeveelheid, blijkt dat wanneer deze extra hoeveelheden aan bepaalde categorieën deelnemers worden toegekend, de referentiehoeveelheden van andere marktdeelnemers in voorkomend geval dienovereenkomstig moeten worden verlaagd, ten einde te voorkomen dat deze totale hoeveelheid wordt overschreden .
30 Bijgevolg kan een ter uitvoering van de gemeenschapsregeling vastgestelde nationale wettelijke regeling, als de Franse regeling, waarin wordt bepaald dat alle op het nationale grondgebied gevestigde producenten, met inbegrip van de producenten die een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend, dat vóór de inwerkingtreding van de gemeenschapsregeling betreffende de extra-heffing op de melk is goedgekeurd, doch met uitzondering van een bepaalde categorie producenten die is benadeeld door hun geografische ligging, voor het tweede jaar waarin de regeling wordt toegepast, lagere referentiehoeveelheden verkrijgen dan zij voor het voorafgaande jaar hebben ontvangen, niet onverenigbaar met de eisen van het gemeenschapsrecht worden geacht .
31 Derhalve dient op de derde vraag te worden geantwoord, dat het beginsel van het gewettigd vertrouwen zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die aan de communautaire regeling betreffende de extra-heffing op melk zodanig uitvoering geeft, dat producenten die over een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie beschikken, dat vóór de inwerkingtreding van de heffingregeling is goedgekeurd, voor het melkprijsjaar 1985/1986 lagere referentiehoeveelheden verkrijgen dan voor het voorgaande melkprijsjaar golden, mits de verlagingen niet specifiek de referentiehoeveelheden betreffen van producenten die over een dergelijk plan beschikken .
Beslissing inzake de kostenKosten
32 De kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Franse regering wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
uitspraak doende op de door de cour d' Appel te Rennes bij arresten van 29 juni 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 3, eerste alinea, sub 1, eerste streepje, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan die bepalingen zodanig uitvoering wordt gegeven, dat alle onder die bepaling vallende producenten een voor ieder gelijke, forfaitaire hoeveelheid verkrijgen . Deze bepaling verzet zich evenwel niet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke alleen producenten wier melkleveranties een bepaald plafond niet overschrijden, in aanmerking kunnen komen voor een specifieke referentiehoeveelheid .
2 ) Verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, uitgelegd in het licht van het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de kopers in het kader van formule B krachtens artikel 3, eerste alinea, sub 1, van die verordening individuele referentiehoeveelheden die zijn vrijgekomen bij producenten die bij hen zijn aangesloten, voorlopig geheel of gedeeltelijk weer mogen verdelen onder andere bij deze zelfde kopers aangesloten producenten, mits die herverdeling in voorkomend geval achteraf wordt aangepast ten einde eventuele verschillen in behandeling tussen bij verschillende kopers aangesloten producenten op te heffen .
3 ) Het beginsel van het gewettigd vertrouwen verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die aan de communautaire regeling betreffende de extra-heffing op melk zodanig uitvoering geeft, dat producenten die over een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie beschikken, dat vóór de inwerkingtreding van de heffingregeling is goedgekeurd, voor het melkprijsjaar 1985/1986 lagere referentiehoeveelheden verkrijgen dan voor het voorgaande melkprijsjaar golden, mits de verlagingen niet specifiek de referentiehoeveelheden betreffen van producenten die over een dergelijk plan beschikken .
Top