Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 2 MEI 1990. - OBERHAUSENER KRAFTFUTTERWERK WILHELM HOPERMANN GMBH TEGEN BUNDESANSTALT FUER LANDWIRTSCHAFTLICHE MARKTORDNUNG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: VERWALTUNGSGERICHT FRANKFURT AM MAIN - DUITSLAND. - LANDBOUW - BIJZONDERE MAATREGELEN VOOR ERWTEN, TUIN- EN VELDBONEN - TERMIJN VOOR KENNISGEVING VAN DE AANKOMST VAN DE PRODUKTEN IN HET BEDRIJF. - ZAAK 357/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01669
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Steunregeling - Aan Commissie verleende bevoegdheid - Draagwijdte - Vaststelling van termijnen en sancties
2 . Landbouw - Bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen - Steun voor produkten gebruikt bij vervaardiging van diervoeding - Niet-nakoming van termijn voor kennisgeving van aankomst van produkten op bedrijf - Verlies van recht op steun - Evenredigheidsbeginsel - Geen schending
( Verordening nr . 1431/82 van de Raad, artikel 3; verordening nr . 2192/82 van de Commissie, artikel 18, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82 )
Samenvatting1 . In de uitoefening van de haar door de Raad verleende bevoegdheden om een gemeenschappelijke marktordening in de sector landbouw tot stand te brengen, kan de Commissie alle uitvoeringsbepalingen vaststellen die voor de goede werking van de aan bedoelde ordening verbonden steunregeling nodig zijn, voor zover die bepalingen niet in strijd zijn met de basisverordening of de toepassingsvoorschriften van de Raad . De aldus aan de Commissie opgelegde beheers - en controletaak omvat de bevoegdheid om termijnen vast te stellen en aan overschrijding hiervan passende sancties te verbinden, die kunnen gaan tot het verlies van het recht op steun, wanneer de inachtneming van die termijnen voor de goede werking van de steunregeling nodig is .
2 . De nakoming van de verplichting, opgelegd bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82, om uiterlijk wanneer de produkten op het bedrijf aankomen, de bevoegde instantie daarvan in kennis te stellen, is een voorwaarde voor toekenning van de steun bedoeld in artikel 3 van verordening nr . 1431/82 houdende bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen . Ook al bepaalt artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd, nergens of, en zo ja welke, sancties aan de overschrijding van die termijn kunnen worden verbonden, de inachtneming ervan is onontbeerlijk voor goede werking van de steunregeling en zij kan dus, ook gelet op de vereisten van het evenredigheidsbeginsel, worden verzekerd door een sanctie als het verlies van het recht op steun .
PartijenIn zaak C-357/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, in het aldaar aanhangig geding tussen
Oberhausener Kraftfutterwerk Wilhelm Hopermann GmbH, Oberhausen,
en
Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung, Frankfurt am Main,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 18, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2192/82 van de Commissie van 6 augustus 1982 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen ( PB 1982, L 233, blz . 5 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 3322/82 van de Commissie van 10 december 1982 ( PB 1982, L 351, blz . 27 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J . Guendisch, advocaat te Hamburg,
- de Commissie, vertegenwoordigd door J . Grunwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en van de Commissie, vertegenwoordigd door J . Grunwald als gemachtigde, ter terechtzitting van 23 november 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 10 november 1988, ingekomen ten Hove op 12 december daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 18 van verordening nr . 2192/82 van de Commissie van 6 augustus 1982 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen ( PB 1982, L 233, blz . 5 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82 van de Commissie van 10 december 1982 ( PB 1982, L 351, blz . 27 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geding betreffende de weigering van de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung ( hierna : BALM ) om de Oberhausener Kraftfutterwerk Hopermann GmbH ( hierna : Hopermann ) de in artikel 3 van verordening nr . 1431/82 van de Raad van 18 mei 1982 houdende bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen ( PB 1982, L 162, blz . 28 ) voorziene steun ten bedrage van 166 127 DM voor bepaalde hoeveelheden erwten en veldbonen toe te kennen .
3 De BALM voert als reden voor haar weigering aan dat Hopermann de bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82 opgelegde verplichting om de aankomst van bedoelde produkten op het bedrijf onverwijld ter kennis te brengen, niet is nagekomen; deze kennisgeving zou zijn geschied op 8 juli 1983, terwijl de betrokken waren tussen maart en juni 1983 bij Hopermann waren aangekomen .
4 Het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, waarbij Hopermann tegen dat besluit beroep heeft ingesteld, heeft de behandeling van de zaak geschorst tot het Hof zich zal hebben uitgesproken over de navolgende prejudiciële vraag :
" Is de inachtneming van de termijn voor kennisgeving van de aankomst van het produkt op het bedrijf overeenkomstig artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82 van de Commissie van 6 augustus 1982 ( PB 1982, L 233, blz . 5 ) respectievelijk artikel 18, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82 van de Commissie van 10 december 1982 ( PB 1982, L 351, blz . 27 ), een voorwaarde voor toekenning van de steun?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
6 Hopermann voert in de eerste plaats aan, dat verordening nr . 2036/82 van de Raad van 19 juli 1982 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen ( PB 1982, L 219, blz . 1 ), inzonderheid artikel 5, de toekenning van de betrokken steun niet afhankelijk stelt van nakoming van de verplichting om de aankomst van de produkten op het bedrijf onverwijld ter kennis te brengen . Deze verplichting zou ook niet zijn neergelegd in verordening nr . 2192/82 van de Commissie, waarvan artikel 29, lid 2, een limitatieve lijst bevat van de voorwaarden waaronder de steun wordt toegekend . Bijgevolg zou de niet-inachtneming van artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82 niet tot verlies van het recht op steun kunnen leiden .
7 Volgens 's Hofs rechtspraak kan de Commissie, in de uitoefening van de haar door de Raad verleende bevoegdheden om een gemeenschappelijke marktordening in de sector landbouw tot stand te brengen, alle uitvoeringsbepalingen vaststellen die voor de goede werking van de betrokken steunregeling nodig zijn, voor zover die bepalingen niet in strijd zijn met de basisverordening of de toepassingsvoorschriften van de Raad ( zie laatstelijk het arrest van 18 januari 1990, zaak C-345/88, Butterabsatz, Jurispr . 1990, blz . I-159 ). De aldus aan de Commissie opgelegde beheers - en controletaak omvat de bevoegdheid om termijnen vast te stellen en aan overschrijding hiervan passende sancties te verbinden, die kunnen gaan tot het verlies van het recht op steun, wanneer de inachtneming van die termijnen voor de goede werking van de steunregeling nodig is .
8 De nakoming van de litigieuze verplichting, opgelegd bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82, om uiterlijk wanneer de produkten op het bedrijf aankomen, de bevoegde instantie daarvan in kennis te stellen, is onontbeerlijk om de goede werking van de betrokken steunregeling te verzekeren .
9 Zonder een dergelijke kennisgeving zou immers onmogelijk de nakoming kunnen worden verzekerd van artikel 11, lid 2, van verordening nr . 2036/82, naar luid waarvan "de bepaling van het gewicht van de produkten en het trekken van monsters (( plaatsvindt )) op het tijdstip waarop deze produkten het bedrijf binnenkomen waar ze werkelijk zullen worden gebruikt ". Bij deze controle bepaalt de bevoegde nationale instantie het gewicht alsook de percentages vochtigheid en onzuiverheden in de produkten, waarvan volgens artikel 11, lid 3, het steunbedrag afhangt .
10 Op de dag van de kennisgeving van de aankomst van de produkten op het bedrijf begint ook de - in artikel 18, lid 3 bis, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82, gestelde - termijn van dertig dagen te lopen, waarbinnen de belanghebbende die het onder controle plaatsen van de produkten wil uitstellen, moet aangeven welke hoeveelheid van het produkt hij werkelijk onder controle wenst te plaatsen en welke hoeveelheid hij het bedrijf weer wenst te doen verlaten .
11 Ten slotte maakt de kennisgeving van de aankomst van de produkten op het bedrijf, waar zij volgens artikel 18, leden 1 en 3 bis, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd, geldt als aanvraag om de produkten onder controle te plaatsen, de inachtneming mogelijk van de termijn van 150 dagen die ingaat bij de indiening van deze aanvraag om de produkten onder controle te plaatsen en waarbinnen de belanghebbende overeenkomstig artikel 20, eerste alinea, van verordening nr . 2192/82 de betrokken produkten werkelijk moet gebruiken .
12 Ook al bepaalt artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82, dus nergens of, en zo ja welke, sancties aan de overschrijding van die termijn kunnen worden verbonden, toch blijkt uit de algemene context van de regeling waarin deze bepaling is opgenomen, dat het gevolg van de niet-inachtneming van die termijn slechts het verlies van het recht op steun kan zijn .
13 Hopermann voert in de tweede plaats aan, dat de niet-nakoming van de verplichting tot kennisgeving het doel van de steun, de producenten een bevredigende prijs te bieden en de afzet van de dure peulvruchten op de binnenlandse markt te waarborgen, niet in gevaar zou kunnen brengen . Het zou derhalve gaan om een bijkomende verplichting, waarvan de niet-nakoming niet automatisch tot verlies van het recht op steun zou kunnen leiden, omdat anders het evenredigheidsbeginsel zou worden geschonden .
14 Om te kunnen vaststellen of een bepaling van gemeenschapsrecht zich verdraagt met het evenredigheidsbeginsel, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die zij aanwendt om het gestelde doel te bereiken, beantwoorden aan het belang van dit doel en, in de tweede plaats, of zij noodzakelijk zijn om het te bereiken ( zie met name arrest van 22 januari 1986, zaak 266/84, Denkavit France, Jurispr . 1986, blz . 149, r.o . 17 ).
15 Zoals boven uiteengezet, is de verplichting, opgelegd bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82, om uiterlijk wanneer de produkten op het bedrijf aankomen, de bevoegde instantie hiervan in kennis te stellen, onontbeerlijk om de goede werking van de ingestelde steunregeling te verzekeren .
16 In deze omstandigheden is het aan de niet-nakoming van die verplichting verbonden verlies van het recht op steun niet onevenredig aan het door de communautaire wetgever nagestreefde doel .
17 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de nakoming van de verplichting, opgelegd bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82 van de Commissie van 6 augustus 1982 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82 van de Commissie van 10 december 1982, een voorwaarde is voor toekenning van de steun, bedoeld in artikel 3 van verordening nr . 1431/82 van de Raad van 18 mei 1982 houdende bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen .
Beslissing inzake de kostenKosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 10 november 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht :
De nakoming van de verplichting, opgelegd bij artikel 18, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2192/82 van de Commissie van 6 augustus 1982 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 3322/82 van de Commissie van 10 december 1982, is een voorwaarde voor toekenning van de steun, bedoeld in artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1431/82 van de Raad van 18 mei 1982 houdende bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen .
Top