Avis juridique important
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN 13 JULI 1988. - FEDERATION EUROPEENNE DE LA SANTE ANIMALE, DISTRIVET SA, EN PITMAN-MOORE INC. TEGEN RAAT VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - VERBOD OP HET GEBRUIK VAN BEPAALDE STOFFEN MET HORMONALE WERKING IN OF VEEHOUDERIJ. - ZAAK 160/88 R.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 04121
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Geen relevantie - Grenzen
( EEG-Verdrag, artikelen 185 en 186; Reglement voor de procesvoering, artikel 83, paragraaf 1 )
SamenvattingHet probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak moet in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, ten einde de grond van de zaak niet te prejudiciëren . Wanneer echter wordt gesteld, dat het beroep in de hoofdzaak, waaraan het verzoek in kort geding is gekoppeld, kennelijk niet-ontvankelijk is, lijkt het niettemin noodzakelijk het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen die voorlopig de conclusie zouden toelaten, dat het beroep ontvankelijk is .
Een dergelijke aanpak is te meer aangewezen, indien een particulier om nietigverklaring van een handeling van algemene strekking verzoekt; immers, vermeden moet worden dat deze via een kort geding de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling kan verkrijgen, terwijl het Hof de nietigverklaring van die handeling nadien zou weigeren wegens de niet-ontvankelijkheid van het beroep .
PartijenIn zaak 160/88 R,
Fédération européenne de la santé animale, vereniging zonder winstoogmerk, gevestigd te Brussel,
Distrivet SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs,
Pitman-Moore Inc ., vennootschap naar Amerikaans recht, gevestigd te Northbrook, Illinois,
vertegenwoordigd door C . Carr, Queen' s Council, en T . Sharpe, Barristers-at-law in Engeland en Wales, en E . Marissens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Y . Prussen, advocaat aldaar, 15, Côte d' Eich,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Sims, lid van zijn juridische dienst, en B . Hoff-Nielsen, juridisch adviseur bij dezelfde dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
betreffende primair een verzoek krachtens artikel 185 of 186 EEG-Verdrag om opschorting van de uitvoering van richtlijn 88/146 van de Raad van 7 maart 1988 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij ( PB 1988, L 70, blz . 16 ),
geeft
de president van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 juni 1988, hebben de Fédération européenne de la santé animale ( hierna : Fedesa ), de naamloze vennootschap Distrivet en de vennootschap Pitman-Moore krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van richtlijn 88/146 van de Raad van 7 maart 1988 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij ( PB 1988, L 70, blz . 16 ).
2 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 juni 1988, hebben verzoeksters krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek in kort geding ingediend, waarin zij het Hof primair verzoeken om bij wege van opschorting of voorlopige maatregel de Raad te gelasten, in afwachting van de beslissing van het Hof in de hoofdzaak, de werking van richtlijn 88/146 van de Raad op te schorten, voor zover daarin wordt verboden, dat
i ) op het grondgebied van de Gemeenschap door veefokkers de volgende, voor mestdoeleinden gebruikte stoffen met hormonale werking worden toegediend : oestradiol 17 ss, progesteron, testosteron, trenbolon en zeranol;
ii ) in de Gemeenschap vlees van dieren waaraan deze hormonen zijn toegediend, in de handel wordt gebracht;
iii ) in de Lid-Staten vlees dat afkomstig is van dieren waaraan deze hormonen voor mestdoeleinden zijn toegediend, in derde landen wordt ingevoerd .
Subsidiair verzoeken zij het Hof om elke andere passend geachte voorlopige maatregel te gelasten .
3 Verweerder heeft schriftelijke opmerkingen ingediend op 1 juli 1988 . Aangezien de schriftelijke opmerkingen van partijen alle nodige gegevens bevatten voor een uitspraak op het verzoek in kort geding, is het niet nodig, partijen in hun mondelinge opmerkingen te horen .
4 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, lijkt het nuttig een kort overzicht te geven van de context en het wettelijk kader van deze zaak .
5 Fedesa is een vereniging waarbij alle belangrijke internationale research-vennootschappen in Europa zijn aangesloten, die produkten voor de dierlijke gezondheid vervaardigen en distribueren, waaronder de vijf onder richtlijn 88/146 van de Raad vallende hormonen . Distrivet en Pitman-Moore zijn vennootschappen die zich bezighouden met de vervaardiging en distributie op het grondgebied van de gemeenschappelijke markt van geneesmiddelen voor dieren, met name van stoffen met hormonale werking, die al dan niet voor therapeutische doeleinden bij het fokken van voor de consumptie bestemde dieren worden gebruikt .
6 De totstandbrenging van een gemeenschappelijk beleid inzake stoffen met hormonale en thyreostatische werking heeft voor het eerst gestalte gekregen met de vaststelling van richtlijn 81/602 van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking ( PB 1981, L 222, blz . 32 ). Artikel 2 van deze richtlijn bevat een principieel verbod op de toediening van stoffen met thyreostatische werking en met hormonale werking aan landbouwdieren evenals op het in de handel brengen van met deze stoffen behandelde dieren en van hun vlees . Ingevolge artikel 4, lid 1, mogen de Lid-Staten in afwijking van deze regel niettemin toestaan, dat aan landbouwdieren stoffen met hormonale werking worden toegediend voor therapeutische of zooetechnische doeleinden .
7 Voor de toediening van vijf stoffen, te weten oestradiol 17 ss, progesteron, testosteron, trenbolon en zeranol, is een bijzondere regeling ingevoerd bij artikel 5 van deze richtlijn . Volgens de eerste en de tweede alinea van deze bepaling neemt de Raad zo spoedig mogelijk een besluit over de toediening van deze stoffen voor mestdoeleinden aan landbouwdieren en, hangende de vaststelling van dit besluit, blijven de nationale voorschriften gelden . Volgens de derde alinea mogen de Lid-Staten tijdens deze overgangsperiode het gebruik van nieuwe stoffen toestaan .
8 Deze communautaire regeling is aangevuld bij richtlijn 85/649 van de Raad van 31 december 1985 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij ( PB 1985, L 382, blz . 228 ), waarbij een absoluut verbod is ingesteld op het toedienen van stoffen met hormonale werking, hieronder begrepen de vijf in rechtsoverweging 7 van de onderhavige beschikking genoemde stoffen, voor het mesten van landbouwhuisdieren in de Gemeenschap, behoudens voor therapeutische doeleinden . Bovendien verbiedt deze richtlijn het in de handel brengen, de toelating tot het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van met deze stoffen behandelde dieren alsmede het vlees ervan . Artikel 10 van de richtlijn bepaalt, dat het algemene verbod van de richtlijn op stoffen met hormonale werking door de Lid-Staten uiterlijk op 1 januari 1988 in hun interne rechtsstelsel moet zijn omgezet .
9 Ten einde een plotselinge onderbreking te voorkomen van de interne afzetmogelijkheden voor de op 1 januari 1988 nog niet geslachte dieren waaraan rechtmatig hormonen waren toegediend, alsmede voor het op die datum nog niet geheel afgezette vlees van deze dieren heeft de Raad, op voorstel van de Commissie, het nodig geacht bij beschikking 87/561 van 18 november 1987 overgangsmaatregelen vast te stellen inzake het verbod op de toediening van hormonale stoffen aan landbouwhuisdieren ( PB 1987, L 339, blz . 70 ).
10 Artikel 1, lid 3, van deze beschikking bevestigt, dat voor de nieuwe produktie het bij richtlijn 85/649 van de Raad ingestelde absolute verbod vanaf 1 januari 1988 van toepassing is . Lid 1 van dit artikel bepaalt dat de Lid-Staten, wat de verhandeling van de bestaande produktie betreft, de op grond van de nationale voorschriften bestaande regeling handhaven tot 31 december 1988, zowel voor het op de markt brengen ervan als voor de toegang tot het intracommunautaire handelsverkeer; deze overgangsmaatregel geldt eveneens voor de invoer van dergelijk vlees uit derde landen .
11 Bij beschikking van 27 januari 1988 heeft de President van het Hof het verzoek in kort geding verworpen, waarin Distrivet opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 87/561 van de Raad vroeg . Hij verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk, op grond dat het beroep in de hoofdzaak, waarmee het verzoek in kort geding verband hield, op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk was ( zie de beschikking van de president van het Hof van 27 januari 1988 in zaak 376/87 R, Distrivet/Raad, Jurispr . 1988, blz . 0000 ).
12 Bij arrest van 23 februari 1988 ( zaak 68/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr . 1988, blz . 0000 ) heeft het Hof na een beroep van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag richtlijn 85/649 nietig verklaard, op grond dat de Raad een wezenlijk vormvoorschrift had geschonden omdat hij de in artikel 6, lid 1, van het Reglement van orde van de Raad voorziene procedure niet had in acht genomen .
13 De Raad stelde op 7 maart 1988 richtlijn 88/146 vast, die qua inhoud identiek is met richtlijn 85/649 .
14 Volgens artikel 185 EEG-Verdrag heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking . Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten .
15 Volgens artikel 186 EEG-Verdrag kan het Hof van Justitie in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten .
16 Willen voorlopige maatregelen als die waarom is gevraagd, mogelijk zijn, dan dient volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek in kort geding de omstandigheden te vermelden waaruit blijkt van het spoedeisend karakter van het verzoek, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt .
17 Alvorens te bepalen of moet worden ingegaan op de argumenten die verzoeksters aanvoeren ten bewijze dat hun verzoek in kort geding voldoet aan de voorwaarden voor opschorting en voor verlening van de gevraagde voorlopige maatregel, lijkt het nuttig eerst stil te staan bij een door verweerder opgeworpen probleem met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak .
18 Verweerder stelt namelijk, dat het beroep in de hoofdzaak kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat het daaraan gekoppelde verzoek in kort geding eveneens kennelijk niet-ontvankelijk zou zijn .
19 Tot staving van zijn stelling voert hij in de eerste plaats aan, dat blijkens de bewoordingen van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag natuurlijke en rechtspersonen slechts beroep tot nietigverklaring kunnen instellen tegen tot hen gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hen rechtstreeks of individueel raken . Aangezien de richtlijnen in artikel 173, tweede lid, niet worden genoemd, zouden natuurlijke of rechtspersonen daartegen geen beroep tot nietigverklaring kunnen instellen .
20 In de tweede plaats stelt hij, dat richtlijn 88/146 verzoeksters hoe dan ook niet rechtstreeks en individueel kan raken . In casu is namelijk niet voldaan aan de voorwaarde van een individueel belang, voornamelijk omdat richtlijn 88/146 naar aard en bewoordingen een handeling van algemene strekking is en de Lid-Staten - tot wie zij is gericht -, om aan de richtlijn te voldoen, binnen de voorgeschreven termijn nationale wettelijke bepalingen moeten vaststellen, die zelf algemeen en in abstracto toepasselijk zijn, zodat een dergelijke gemeenschapshandeling rechtsgevolgen sorteert voor in het algemeen en in abstracto bepaalde categorieën van personen . Bovendien zou richtlijn 88/146 haar karakter van handeling van algemene strekking niet verliezen door het feit dat op het tijdstip van haar vaststelling met min of meer grote nauwkeurigheid het aantal en de identiteit van enkele betrokkenen kon worden bepaald, indien dit laatste een gevolg was van de objectieve feitelijke of juridische situatie waarop de richtlijn betrekking had . Bovendien zouden verzoeksters evenmin hebben weten aan te tonen, dat richtlijn 88/146 hen rechtstreeks raakt .
21 Van hun kant stellen verzoeksters, dat richtlijn 88/146 een beschikking is die Distrivet en Pitman-Moore rechtstreeks en individueel raakt, omdat op het tijdstip van inwerkingtreding van richtlijn 85/649 en van het daarin vervatte verbod beide vennootschappen zich bezighielden met de produktie en distributie van de vijf betrokken hormonen; hetzelfde zou gelden voor Fedesa, die de belangen vertegenwoordigt van de fabrikanten van produkten voor de dierlijke gezondheid die op de Europese markt opereren, en van de nationale verenigingen waarbij deze fabrikanten zijn aangesloten . Te zamen vertegenwoordigen verzoeksters dus alle of nagenoeg alle fabrikanten en distributeurs die tot een bepaalde categorie behoren en voor wie het in richtlijn 85/649 vervatte verbod geldt . Bovendien waren zij aan de Raad bekend toen hij de richtlijn vaststelde en werd met de richtlijn beoogd, hun situatie te beïnvloeden . Ten slotte moet voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van hun beroep ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat zij in schriftelijke opmerkingen aan de Raad en de Lid-Staten de aandacht van deze laatsten hadden gevestigd op de gevolgen van de richtlijn voor hun situatie .
22 Het Hof heeft er reeds herhaaldelijk op gewezen, dat het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet moet worden onderzocht in het kader van een kort geding, ten einde de grond van de zaak niet te prejudiciëren ( zie in deze zin met name de beschikking van de president van het Hof van 8 april 1987, zaak 65/87 R, Pfizer, Jurispr . 1987, blz . 1691 ). Wanneer echter, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak, waaraan het verzoek in kort geding is gekoppeld, kennelijk niet-ontvankelijk is, lijkt het niettemin noodzakelijk het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen die voorlopig de conclusie zouden toelaten, dat het beroep ontvankelijk is ( zie in deze zin met name de beschikkingen van de president van het Hof van 16 oktober 1986 - zaak 221/86 R, Europese rechtse fractie, Jurispr . 1986, blz . 2969 -, van 8 mei 1987 - zaak 82/87 R, Autexpo, Jurispr . 1987, blz . 2131 - en van 27 januari 1988 - zaak 376/87 R, Distrivet, Jurispr . 1988, blz . 209 -).
23 Een dergelijke aanpak is te meer aangewezen, indien particulieren zoals verzoeksters om nietigverklaring van een handeling van algemene strekking verzoeken; immers, vermeden moet worden dat zij via een kort geding de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling kunnen verkrijgen, terwijl het Hof de nietigverklaring van die handeling nadien zou weigeren omdat het bij de behandeling van de hoofdzaak het beroep niet-ontvankelijk oordeelt .
24 Dienaangaande dient te worden vastgesteld, dat elementen op grond waarvan voorshands tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd, lijken te ontbreken .
25 In zijn arrest van 16 juni 1970 ( zaak 69/69, Alcan, Jurispr . 1970, blz . 385 ) heeft het Hof verklaard, dat artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ten doel heeft, de particulieren rechtsbescherming te verlenen in al die gevallen waarin zij, zonder adressaat ener beschikking te zijn, door een communautaire handeling, onverschillig in welke vorm, rechtstreeks en individueel worden geraakt .
26 Het is vaste rechtspraak ( zie met name het arrest van 17 juni 1980, gevoegde zaken 789 en 790/79, Calpak en anderen, Jurispr . 1980, blz . 1949 ), dat deze bepaling met name ten doel heeft, te voorkomen dat de gemeenschapsinstellingen, enkel door de vorm van een verordening te kiezen, het beroep van een particulier tegen een beschikking die hem rechtstreeks en individueel raakt, onmogelijk kunnen maken, en aldus vast te stellen dat de keuze van de vorm de aard van het besluit niet kan wijzigen .
27 Het is eveneens vaste rechtspraak, dat het criterium ter onderscheiding van een normatieve handeling en een beschikking in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling moet worden gezocht .
28 Derhalve dienen de aard alsmede de beoogde en de daadwerkelijke rechtsgevolgen van richtlijn 88/146 van de Raad te worden onderzocht . In casu lijkt de richtlijn op het eerste gezicht het karakter van een maatregel van algemene strekking te hebben . De erin neergelegde voorschriften, met name het absolute verbod om stoffen met hormonale werking toe te dienen bij de vetmesterij van landbouwhuisdieren in de Gemeenschap - tenzij voor therapeutische doeleinden - en het verbod om vlees van met die stoffen behandelde dieren op de markt te brengen, zijn in algemene termen gesteld en zijn door middel van de nationale wettelijke bepalingen die de Lid-Staten ter voldoening aan de richtlijn hebben vastgesteld van toepassing op objectief omschreven situaties; zij sorteren rechtsgevolgen voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen, te weten de producenten en distributeurs in de Gemeenschap van stoffen met hormonale werking en alle veehouders .
29 Blijkens vaste rechtspraak van het Hof gaat het normatief karakter van een dergelijke handeling niet teloor door het enkele feit dat het aantal - of zelfs de identiteit - van de betroffen justitiabelen kan worden bepaald .
30 Deze vaststellingen volstaan om voorshands te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, zodat ook het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk moet worden verklaard .
DictumDe president van het Hof,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt :
1 ) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 13 juli 1988 .
Top