Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 28 FEBRUARI 1991. - UNION DEPARTEMENTALE DES SYNDICATS CGT DE L'AISNE TEGEN SIDEF CONFORAMA, SOCIETE ARTS ET MEUBLES EN SOCIETE JIMA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE GRANDE INSTANCE DE SAINT-QUENTIN - FRANKRIJK. - UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 30 EN 36 EEG-VERDRAG - NATIONALE WETTELIJKE REGELING DIE VERBIEDT, OP ZONDAG WERKNEMERS IN KLEINHANDELSBEDRIJVEN TE WERK TE STELLEN. - ZAAK C-312/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-00997
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Regeling inzake zondagsrust van werknemers in sector kleinhandel - Toelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, art . 30 )
SamenvattingArtikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag in kleinhandelszaken tewerk te stellen .
Een dergelijke regeling, die niet tot doel heeft de handel te beheersen en die de verkoop van nationale produkten evenzeer raakt als die van ingevoerde produkten, streeft immers een doel na dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is, aangezien zij een verdeling van de arbeids - en rusttijden poogt te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften, en dus de neerslag vormt van bepaalde politieke en economische keuzen . De beperkende gevolgen voor het handelsverkeer die er eventueel uit kunnen voortvloeien, lijken niet buitensporig in verhouding tot het nagestreefde doel .
PartijenIn zaak C-312/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de president van het Tribunal de grande instance de Saint-Quentin, in het aldaar aanhangige kort geding tussen
Union départementale des syndicats CGT de l' Aisne
en
Sidef Conforama,
Arts et meubles,
Jima,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, R . Joliet, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven,
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- de Union départementale des syndicats CGT de l' Aisne, vertegenwoordigd door A . Lyon-Caen, F . Fabiani en L . Liard, advocaten bij de Conseil d' Etat en de Cour de cassation,
- de vennootschap Sidef Conforama, vertegenwoordigd door M . Distel, advocaat te Parijs,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door E . Belliard, onderdirecteur juridische zaken bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, en door G . de Bergues, eerstaanwezend adjunct-secretaris bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie, vertegenwoordigd door R . Wainwright, juridisch adviseur, en H . Lehman, Frans ambtenaar ter beschikking gesteld van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Union départementale des syndicats CGT de l' Aisne, vertegenwoordigd door F . Thiriez, advocaat bij de Conseil d' Etat en de Cour de cassation, de vennootschap Conforama, de vennootschap Jima, vertegenwoordigd door J.-C . Fourgoux, advocaat te Parijs, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 26 september 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 november 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 5 oktober 1989, ingekomen bij het Hof op 11 oktober daaraanvolgend, heeft de president van het Tribunal de grande instance de Saint-Quentin, rechtdoende in kort geding, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 van dat zelfde Verdrag, ten einde de verenigbaarheid met die bepalingen te kunnen beoordelen van een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag tewerk te stellen .
2 Volgens de artikelen L.221-2, L.221-4 en L.221-5 van de Franse code du travail moet de wekelijkse rusttijd van minimaal 24 opeenvolgende uren, waarop de werknemers recht hebben, op zondag worden verleend .
3 De Union départementale des syndicats CGT de l' Aisne, die de vennootschappen Sidef Conforama, Arts et meubles en Jima verwijt, hun winkels op zondag te openen en hun personeel op die dag arbeid te laten verrichten, heeft voor het Tribunal de grande instance de Saint-Quentin in kort geding gevorderd, de genoemde vennootschappen op straffe van betaling van een dwangsom te verbieden hun winkels op zondag te openen .
4 De president van het Tribunal de grande instance de Saint-Quentin, rechtdoende in kort geding, heeft het Hof bij beschikking de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd :
"Kan het begrip 'maatregel van gelijke werking' als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag van toepassing zijn op een bepaling van algemene strekking, die verbiedt werknemers op zondag tewerk te stellen, met name in een bedrijfstak als de verkoop van meubelen aan het publiek, wanneer
- in die bedrijfstak veel ingevoerde produkten, met name uit landen van de EEG, worden verhandeld,
- de omzet van de ondernemingen van die sector voor een groot deel op zondag wordt behaald, wanneer die ondernemingen ertoe zijn overgegaan de nationale wettelijke regeling te overtreden,
- de zondagssluiting tot een daling van de omzet en bijgevolg van het volume van de invoer uit landen van de Gemeenschap leidt,
- niet in alle Lid-Staten de verplichting bestaat om de wekelijkse rustdag van de werknemers op zondag toe te kennen?
Zo ja, beantwoordt de situatie van de betrokken bedrijfssector aan de criteria van artikel 36 EEG-Verdrag?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van het juridisch kader en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
6 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het niet aan het Hof staat, zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het Verdrag . Het Hof is echter wel bevoegd, de nationale rechter alle uitleggingsgegevens van gemeenschapsrecht te verschaffen die hem in staat stellen om zich voor de beslissing van de bij hem aanhangige zaak een oordeel over die verenigbaarheid te vormen .
De eerste vraag
7 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of bepalingen die verbieden, werknemers op zondag tewerk te stellen, met name in een bedrijfstak als de verkoop van meubelen aan het publiek, een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag vormen .
8 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag tewerk te stellen in een bedrijfstak als de verkoop van meubelen aan het publiek, niet tot doel heeft de handel te beheersen . Niettemin kan zij beperkende gevolgen hebben voor het vrije verkeer van goederen . Ook al is het weinig waarschijnlijk, dat door de sluiting van sommige van die winkels op zondag de consumenten definitief zullen afzien van de aankoop van produkten die op de andere dagen van de week beschikbaar zijn, toch kan het betrokken verbod negatieve gevolgen hebben voor de omvang van de verkoop en bijgevolg van de invoer .
9 Een dergelijke regeling raakt de verkoop van nationale evenzeer als die van ingevoerde produkten . In beginsel wordt de handel in uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten dus niet moeilijker gemaakt dan die in nationale produkten ( zie in die zin het arrest van het Hof van 23 november 1989, zaak C-145/88, Torfaen Borough Council, Jurispr . 1989, blz . 3851 ).
10 In dat arrest heeft het Hof in verband met een soortgelijke nationale regeling die detailhandelaren verbood om op zondag open te zijn, in wezen geoordeeld, dat een dergelijk verbod slechts verenigbaar is met het in het EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen, indien de daardoor veroorzaakte eventuele belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer niet verder gaan dan ter bereiking van het beoogde doel noodzakelijk is en dit doel naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is .
11 In zoverre moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat een regeling als de in geding zijnde een doel nastreeft dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is . Zoals het Hof immers reeds in voornoemd arrest van 23 november 1989 overwoog, vormen nationale regelingen betreffende de openingstijden van winkels de neerslag van bepaalde politieke en economische keuzen, daar zij een verdeling van de arbeids - en rusttijden pogen te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften, waarvan de beoordeling bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bij de Lid-Staten berust .
12 In de tweede plaats dient te worden vastgesteld, dat de beperkende gevolgen voor het handelsverkeer, die eventueel uit een dergelijke regeling kunnen voortvloeien, niet buitensporig lijken in verhouding tot het nagestreefde doel .
13 Op de eerste vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag tewerk te stellen .
De tweede vraag
14 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord .
Beslissing inzake de kostenKosten
15 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de president van het Tribunal de grande instance de Saint-Quentin bij beschikking van 5 oktober 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die verbiedt, werknemers op zondag tewerk te stellen .
Top